Het geest-materie probleem


[ Commentaar graag naar Eric en Wil, email info@ericwil.nl ]

Geest en materie, een huwelijk in scheiding of hereniging?

 

“Onze werkelijke problemen kunnen niet worden opgelost op hetzelfde niveau van denken als waarop we ze hebben gecreëerd”, dat zei Einstein, zie op de eerste pagina.

Zonder geest bestaat geen materie, natuurlijk niet, want zonder mens ‘bestaat’ er überhaupt niks. Mensen bepalen (geestelijk) wat er nou wel of niet ‘bestaat’ (o.a. ‘materie’), mensen bepalen wat wel in ‘de bestaanswereld’ thuis hoort en wat niet, en ook hoe al die ‘bestaanden’ volgens ons dan wel ‘bestaan’. Dieren filosoferen en debatteren niet over het ‘bestaan’ van alles omdat dieren niet over een geest beschikken die zich zo dwangmatig preoccupeert met de vraag over het ‘bestaan’ van alles. Alleen de menselijke geest[1] vertoont die unieke eigenschap van de 'ontologisering' van alles.[2] Alleen mensen debatteren over de vraag óf iets bestaat, hóe iets bestaat en vooral: wélke soorten van ‘bestaan’ wel of niet ‘serieus’ genomen mogen/moeten worden. En, zoals dat bij homo religiosus lijkt te horen, ontaard ook dát debat weer in een gedreven (religieuze, ideologische) strijd om het eigen gelijk, vaak met een sterk djihadistisch karakter, een soort ‘heilige strijd’.

 

Een ‘vreemd debat’ heeft zich na de Verlichting ontwikkeld, een soort onnatuurlijk debat, namelijk het debat over de vraagstelling “Is de menselijke geest een toevallig en zinloos bijproduct van de evolutie van materie? Of, vanuit een andere gedachtegang, “Is het de evolutie van de menselijke geest die in staat is om ‘materie’ steeds beter te herdefiniëren.” Dit opmerkelijke debat heeft een sterk polemisch ‘óf-óf’-karakter. Kort door de bocht, maar hier komt het toch op neer: óf de menselijke geest ‘bestaat’ (op zichzelf), óf  de menselijke geest is niets-anders-dan een illusoir, secundair bijverschijnsel, voortgebracht door computerachtige neuronale netwerken in ons brein. Heeft de geest de suprematie en prioriteit, of heeft de materie die? [Ik zelf denk dat de geest de suprematie en de prioriteit heeft over materie. Volgens mij is het de evolutie van de menselijke geest die in staat is om ‘materie’ steeds beter te herdefiniëren in onze bestaanswereld.] Maar mijn eigenlijke verbazing is: hoe komen we toch aan zo’n opmerkelijk filosofisch debat waarin twee kampen in aanval en verdediging tegenover elkaar staan in een soort ‘heilige strijd’ om de waarheid?

 

Kennelijk zijn wij nu in een ontwikkelingsfase beland waarin we ons, rationeel, analytisch,  blind staren op “het verschijnsel geest” of “het bewustzijn”, alsof dat ‘verschijnsel’ nog door het instituut van de wetenschap geautoriseerd moet worden, nog toegelaten moet worden als volwaardige meespeler in de ‘bestaanswereld’ voordat we de geest ‘serieus’ kunnen nemen. Wetenschap vermag immers alles, dus wetenschap kan ook de geest tot “verschijnsel” verklaren, en vervolgens wegverklaren vanwege het niet-weegbare, niet-telbare, niet-berekenbare, niet-dingmatige karakter ervan. En dat, terwijl de hele wetenschappelijke onderneming uit intensief geestelijke arbeid bestaat, een zaak van analytisch denken immers, van scherp intellectueel onderscheidingsvermogen, het ontwerpen van alle mogelijke hypothetische denkmodellen, het bewust zijn van puur intellectuele realiteiten en het manipuleren met louter abstracties. En dit kan zelfs zo ver gaan dat een vooraanstaand ideoloog, Daniel Dennett, van het materialistisch monisme[3] van zichzelf zegt: "Wat ik ben, is een abstractie. Als ik het heb over wat ik als ‘het Zelf’ beschouw, spreek ik over het centrum van de narratieve zwaartekracht." Wel, hoe magisch-natuurwetenschappelijk dat ook klinkt, hoort een ‘centrum van de narratieve zwaartekracht’ eigenlijk wel in een serieuze natuurkunde thuis? Of wil hij eigenlijk gewoon zeggen “Nee hoor, ik ben géén geestelijk wezen, want ik ben een erudiet geestbestrijder.”

Hij besteedt al z’n geestelijke kunnen aan het wegredeneren van de geest... en stelt zelfs dat mensen meer lijken op 'zombies' dan we denken. Alle gangbare gedachten over onze geest zouden berusten op achterhaalde misverstanden en illusies. Is Daniel Dennett dan niets-anders-dan een denkzombie?

 

Vroeger...

 

Vroeger worstelden we niet met ‘het verschijnsel geest’, maar met ‘het verschijnsel materie’, al die wonderbaarlijke ‘vormen van materie’, en die moesten wel komen uit de (onzichtbare) wereld van de ideeën, gewoon uit de wereld van de ‘vormgevende geest’, net zoals wijzelf vorm kregen door onze ziel. Materie had altijd wel een bepaalde ‘vorm’ verkregen door een vormgevende ‘ziel’. Plato en Aristoteles hadden dat immers al zo goed uitgelegd. Maar hard-wetenschappelijk materieonderzoek was er toen niet, en onze opvattingen over de verhouding geest/materie waren destijds inderdaad nogal magisch, mythisch, religieus van aard. Over de stoffelijke wereld kon het religieus gezag zich dan ook nog uitspreken alsof zíj het autoriserende natuurwetenschappelijk instituut waren, met alle desastreuze gevolgen van dien. Maar nu het instituut van de wetenschap zichzelf bevrijd heeft van de religieuze autorisatiemacht, en nu de wetenschap zich heeft geëmancipeerd tot een onafhankelijke macht, nu is het de wetenschap die de hele wereld domineert en bepaalt wat wèl in twijfel getrokken moet worden en wat niet. Zaken als ‘geest’, ‘ziel’, ‘vrije wil’, etc, worden nu net zo hartgrondig betwijfeld als ‘geloof in God’, ‘religieuze waarheid’, etc, etc. Zou die geestbestrijdende en God-uitdrijvende beweging slechts een voorbijgaande fase zijn in een soort eeuwige, dialectische slingerbeweging? Daniel Dennett, Douglas Hofstadter, Stephen Gould, Frans de Waal, Paul Cliteur en vele anderen spreken zich daar liever niet over uit. Nee, zeggen fervente A-theïsten zoals Christopher Hitchens, Richard Dawkins, Sam Harris, Scott Atran, Steven Pinker, Jonathan Israel, Ronald Plasterk, Herman Philipse, Dick Swaab, etc, etc, We hebben met een veel radicaler omwenteling te maken, hopen we!

 

Pas in onze verlichte tijd, onze moderne, rationalistische tijd willen we ‘de geest’ als ‘verschijnsel’ verklaren, liefst steng natuurwetenschappelijk, gebaseerd op het succes bij de studie van de stoffelijke wereld. Pas bij het aanbreken van het zogenoemde cartesiaanse[4] scheidingsdenken ontwikkelde zich in de 17e eeuw (na Galilei en Descartes) deze aandacht voor dat niet-materiële. Er werd een scheiding aangebracht tussen geest en materie, alsof ze niks met elkaar te maken hadden en diametraal tegenover elkaar stonden, de geest als ‘waarnemer’, de materie als waargenomen object. Materie was ‘substantieel’, de basisstof waaruit alles bestond, en de geest was een subjectief verschijnsel, van een ‘geheel ander soort’. Nog steeds blijven de meest erudiete mensen in dit ‘dualistische model’[5] denken. De natuurlijke wisselwerkingsrelatie tussen geest en materie, tussen geest en lichaam, tussen God en wereld werd vervangen door een ‘wetenschappelijke’ waterscheiding, en hun relatie werd daar dan ook steeds problematischer op. De mogelijkheid van ‘interventie’ vanuit de geestelijke in de stoffelijke wereld werd definitief buitengesloten, simpelweg omdat ‘geest’ niet te meten, te wegen en te tellen was. Er was niets-anders-dan interventie van de materie op de geest van de mens. Een zeer arbitraire ‘wetenschappelijke’ ontwikkeling natuurlijk, maar wellicht een soort noodzakelijke tussenfase van materialistisch monisme.

 

Maar in de 18e eeuw was het Kant die juist het ‘kennen’ van de werkelijkheid centraal stelde, een slingerbeweging naar de geest dus. Wij mensen zouden intellectueel niet in staat zijn om de materiële werkelijkheid echt te kennen. De cartesiaanse scheiding in geest en materie werd daarbij dus nog eens versterkt met een scheiding tussen ‘de kenner’ en ‘het gekende’, tussen ‘subject’ en ‘object’. Zo ontstond een scheiding tussen de (subjectieve) mens en de (objectieve) rest, maar tegelijk een splitsing binnen in ons eigen mensbeeld: aan de ene kant is de mens een ‘object vol kennis’ op wie materialistische, deterministische interpretatiekaders van toepassing zijn (net als op de andere materiële ‘objecten’); en aan de andere kant is de mens een ‘subject’, als kennend, handelend, interpreterend wezen, vooral getekend door vrijheid, doelgerichtheid, betekenisgeving etc. Deze twee, ‘subject’ en ‘object’ worden dan als ‘binnenkant’ en ‘buitenkant’, maar ze worden op zo’n manier nooit één geheel.

 

Tegenwoordig...

 

De natuurwetenschappelijke omgang met materie verwerd gaandeweg tot de dominante visie op de gehele werkelijkheid, de levende natuur, de mens. Door het sciëntistisch materialisme en mechanicisme, ook vigerend binnen de neurowetenschappen, zijn zaken als ‘wilsvrijheid’, ‘doelgerichtheid’, ‘bewustzijn’, ‘geest’, etc. tot illusie verklaard. “We weten volgens deze stroming al zóveel van de neurologie van het centrale zenuwstelsel dat we het naïeve gebruik van zulke termen als "geest", "gevoelens", "wil", en dergelijke zouden moeten vervangen door wetenschappelijker en preciezer fysiologische terminologie. Het psychologisch taalgebruik (horend bij de zogeheten Folk Psychology), dat slechts een illusie zou wekken dat er nog meer is dan alleen materie, zal moeten worden geëlimineerd en vervangen door een neurologische woordenschat, aldus de eliminationistische vorm van materialisme.”[6]

Praten in termen van ‘geest’, ‘hart’, ‘intuïtie’, ‘bewustzijn’, ‘vrije wil’, ‘zinvolheid’, dat zou bijgelovig praten zijn, en dat zou nu maar eens vervangen moeten worden door ‘Het Ware Geloof’, namelijk het geloof in ‘natuurwetenschappelijke’ terminologie, zo luidt het Sciëntistische Evangelie, de Sciëntistische Geloofsbelijdenis.

 

Palmyre Oomen[7] bekijkt echter een omgekeerde tendens:

“De ironie wil, dat aan de kant van de geesteswetenschappen er juist een omgekeerde tendens valt waar te nemen. In de hedendaagse filosofie, met haar nadruk op taal, op constructivisme, leeft sterk de idealistische opvatting dat al ons kennen geest-afhankelijk is, dat heel die zogenaamde 'werkelijkheid' een construct is van de menselijk geest. Daar neemt dus 'geest' bezit van de hele werkelijkheid. En er wordt met een zekere meewarigheid gekeken naar de verstokte 'realisten' die de illusie van een werkelijkheid ‘buiten de geest om’ maar niet kunnen kwijtraken... Wanneer je, zoals mij regelmatig overkomt, de debatten aan beide kanten meemaakt, kun je erover verbaasd staan, dat kennelijk aan beide kanten niet beseft wordt, dat de twee als verworven inzichten gepresenteerde standaarden zo haaks op elkaar staan. Over versnippering van werkelijkheidsopvattingen gesproken...”

 

Pratend over een ‘idealistische’ (geestelijke) benadering van de werkelijkheid, en het centraal stellen van het menselijke ‘bewustzijn’, komt er nog een complicatie bij: Want tegelijkertijd ontwikkelden zich de informatiewetenschappen, samen met de zeer krachtige en effectieve informatietechnologie. En dáárin gaat het expliciet om ‘verwerking van informatie’. Informatie is nu tot basale (niet-materiële!) categorie uitgeroepen, tot basiseigenschap van onze werkelijkheid, naast materie en energie. Informatie, gedragen door materie en energie, is de hoofdfactor bij ‘zelf-organisatie’ in de natuur, zowel als in de organisatie door de mensen zelf. Na de (Newtoniaanse) ‘mechanisering’ van ons wereldbeeld maken we nu dus een ‘informatisering’ van ons wereldbeeld mee. Informatie, energie, materialisatie vanuit een kwantumvacuüm, systeemtheorie, procestheorie, het nieuwe organicistische paradigma: het wordt er voor de verstokte sciëntist steeds moeilijker op om zich nog steeds ‘materialist’ te noemen.

 

Dat ‘geest’ niet zomaar een ‘toevallig bijverschijnsel van materie’ genoemd mag worden heeft Juleon Schins[8] duidelijk gemaakt. Zijn redeneerlijn is daarbij: “beschouw een bepaald aspect van menselijk handelen, en zoek daarvoor een natuurwetenschappelijke verklaring.

Indien aantoonbaar is dat er geen natuurwetenschappelijke verklaring mogelijk is voor dat gedrag, moet dat gedrag ontspruiten aan een niet-kwantitatief en daarom niet-materieel principe.” Neem bijvoorbeeld de ‘intentionaliteit’ bij levende wezens, het kunnen hebben van, of inspelen op, intenties (bedoelingen). In de natuur komt intentionaliteit voor in verschillende graden: het vermogen om zelf intenties te hebben, het vermogen om te beseffen dat een ander intenties heeft, het vermogen om te beseffen dat een ander beseft dat een derde intenties heeft, en hoger. In het dierenrijk blijken chimpansees over de tweede graad van intentionaliteit te beschikken, chimpansees beseffen dat een ander intenties heeft.

 

Uitgebreid onderzoek heeft uitgewezen dat chimpansees niet beschikken over derde-graads intentionaliteit. Dit is een verbluffende ontdekking, gezien het feit dat de mens moeiteloos over alle mogelijke graden van intentionaliteit beschikt. Het doet er voor de mens niet toe of iemand een honderdste-graad dan wel honderd-miljoenste-graad intentionaliteit beseft, het blijft een instantaan (!) besef, dus zonder benodigde extra bedenktijd. Intentioneel besef is bij mensen dus niet 'bedraad' in het brein zoals bij computers. Zo kan de natuurwetenschap ook nog steeds niets met voor het instantane karakter van zelfbewustzijn.

 

Een tweede indicatie voor een niet-materieel (dus ‘geestelijk’) principe in de mens vormen zijn ethische opvattingen. Ethiek is primair niet ‘sociaal gedrag’ zoals dieren dat vertonen, maar reflectie over- en waardering van dat gedrag. Organismen die niet kunnen reflecteren over hun gedrag kunnen daarom niet ‘ethisch’ zijn, maar alleen geprogrammeerd sociaal. Sociaal gedrag bij dier en mens kan behoorlijk genetisch bepaald zijn, maar ethiek wordt niet door genen bepaald. (Dawkins omzeilt dit door te zeggen “OK, dan maar niet uit de genen, maar uit de ‘memen’, een zelfverzonnen soort ‘virtuele genen’.

 

Dan is er nog de menselijke vermogen om besef te kunnen hebben van ‘mensenrechten’ zoals het eigen ‘recht tot leven’. Gegeven de afwezigheid van evolutionaire druk kan de overtuiging van eigen rechten niet geëvolueerd zijn. De oorsprong van deze overtuiging is dus niet beschrijfbaar door kwantitatieve wetmatigheden (natuurwetten). De uniformiteit van het menselijk oordeel over eigen fundamentele rechten is daarom een vingerwijzing naar een niet-materiële dimensie in de mens.

 

De niet-materiële dimensie van de mens blijkt uit nog meer aspecten van menselijk handelen. Nemen we bijvoorbeeld het wiskundige waarheidsoordeel. De Oostenrijkse wiskundige Kurt Gödel bewees op puur wiskundige wijze dat er altijd wel een ‘ware stelling’ bestaat, maar dat die niet uit de onderliggende axioma's kan worden afgeleid. En dat de consistentie van een gegeven stelsel axioma's niet uit diezelfde axioma's kan worden afgeleid. De waarheid van een stelling, of van een axioma is altijd ‘absoluut’ te noemen. Terwijl niemand een duidelijk beeld kan hebben opgebouwd van ‘absolute waarheid’. Deze absolute wiskundige waarheid is ons kennelijk voorgegeven, en is een indicatie van een niet-materiële entiteit. Materiële intelligentie is immers beperkt tot procedures of algoritmes, en die reiken niet verder dan relatieve waarheden. Wie ervan uitgaat dat het menselijke wiskundige waarheidsoordeel via een algoritme totstandkomt, stuit vroeger of later op een ongerijmdheid. Er is dus in de mens een niet-algoritmisch vermogen dat verantwoordelijk is voor zijn waarheidsoordeel. Het wiskundige waarheidsoordeel valt daarom principieel buiten de reikwijdte der natuurwetten. Aangezien materie dat aspect van de realiteit is dat door kwantitatieve wetten kan worden beschreven volgt de conclusie dat het wiskundige waarheidsoordeel ‘buiten’ de materie vandaan komt.

 

Ook de taalwetenschap heeft zijn materialisten die de menselijke taal als een product van biologische evolutie beschouwen. Maar het feitelijke uitblijven van een darwinistische verklaring voor de oorsprong van menselijke talen is een indicatie van de niet-materiële oorsprong ervan. Goed: de evolutie van het menselijk lichaam uit ouder genetisch materiaal van aapachtigen kan goed aangetoond zijn, maar dit geldt geenszins voor de menselijke geest! Argumenten voor de niet-materiële aard van de menselijke geest zijn volgens Schins dus sowieso al: het intentionele vermogen van de mens, de opeising van fundamentele rechten door alle mensen zonder overeenkomstig sterke evolutionaire druk op zulk gedrag, het niet-algoritmische karakter van het wiskundige waarheidsoordeel, en de menselijke taalbeheersing, in combinatie met het uitblijven van een darwinistische beschrijving van de oorsprong van taal. Als niet-materiële entiteit valt de menselijke geest immers per definitie buiten het competentiegebied van de natuurwetenschappen. Uit de natuurwetenschappen zullen we daarom nooit iets te weten komen over de oorsprong van de menselijke geest.

 

Indien we ‘materie’ definiëren als dat aspect van de realiteit dat gehoorzaamt aan wiskundig-kwantitatieve wetten, dan kan het menselijk denken principieel niet tot de materie worden teruggevoerd. Het menselijk denken onderscheidt zich voorts van ieder computerachtig denken doordat het de berekenbare informatieverwerking overstijgt met instantaan begrip.

Schins legt uit dat de natuurkunde gebleken is ‘onvolledig’ te zijn: er bestaan strikt natuurkundige vragen die principieel niet door de natuurkunde kunnen worden beantwoord. Een voorbeeld van zo'n vraag is of een foton al dan niet spiegelt op een halfspiegelend oppervlak. Naarmate de natuurkundige kennis van het spiegelingsproces in de negentiende en twintigste eeuw toenam, werd het steeds duidelijker dat de natuurkundige gemeenschap niet zozeer iets belangrijks over het hoofd zag, maar dat de natuur zich nu eenmaal zodanig gedraagt dat een voorspelling van het gedrag van een enkel foton principieel onmogelijk is. En dan wordt het ‘toeval’ op het toneel gevoerd.

 

Het toeval, dat door de quantummechanica op een wel zeer bijzonder voetstuk is gezet, vormt een groot probleem voor het filosofisch materialisme. Als alles materie is, dan is ook toeval materie, nietwaar? Als natuurwetten de materie beschrijven, dan is het ten enen male onverklaarbaar waarom toeval zich principieel niet laat beschrijven door de natuurwetten. Het is dus geenszins verwonderlijk dat het toeval door materialisten op een haast ritueel-mystieke manier wordt behandeld, volkomen onwetenschappelijk en zelfs irrationeel. Wie accepteert dat toeval principieel niet beschrijfbaar is door natuurwetten, accepteert evenzeer dat er naast materie kennelijk ook een ander, wezenlijk daarvan onderscheiden, constitutief principe van de realiteit bestaat, en dat kan dus niet toeval zijn. Des te merkwaardiger dat de religie van het “Toevallisme” zo om zich heen slaat, compleet met gedragscodes, rituelen, met religieuze voorgangers en hogepriesters binnen de tempel van het Toevallisme.

 

Schins wijst er op hoe volledig de kwantummechanica is maar vervolgt dan consequent:

“De volledigheid van de kwantummechanica impliceert fundamentele onvoorspelbaarheid. Correlaties impliceren causaliteit. De combinatie in de natuur van kwantummechanische volledigheid en correlatie - van fundamentele onvoorspelbaarheid en causaliteit -, niet naast elkaar, maar als aspecten van één fenomeen, wijst op het bestaan van een bron die op causale manier keuzes maakt in de natuur, die niet door de natuurkunde beschreven kunnen worden. Ervan uitgaande dat de natuurkunde alle materiële wisselwerking beschrijft, bestaat er derhalve iets niet-materieels dat invloed uitoefent op de materie. Deze invloed valt per definitie buiten het domein van de natuurkunde, en toch zijn de natuurkundige wetten als het ware veroordeeld tot de beschrijving van de gevolgen ervan. De natuurkunde moet het daarom met statistische beschrijvingen doen, en draagt daarmee het onmiskenbaar stempel der onvolledigheid.”

 

Kortom: Er wordt veel denkwerk gestopt in de verdediging tegenover de materialistische doctrine, maar de vraag blijft bestaan: hoe komen we toch aan zo’n vreemd debat waarin twee kampen in aanval en verdediging tegenover elkaar staan in een strijd om de waarheid. De volgende innerlijke dialoog zal immers voor vele mensen herkenbaar zijn:

“Waarom zou ik me druk maken over verschil en overeenkomst tussen geest en materie? Of over de suprematie en de prioriteit van de geest over de materie, of omgekeerd? Of over allerlei ‘wetenschappelijke’ argumentaties waarom geest niet bestaat; dat er slechts-en-alleen materie bestaat? Dat geest niet-anders-dan een soort illusoire werking van neuronale netwerken is, een soort ‘schitterende bijwerking’? Waarom zou ik over dat soort vragen hard moeten nadenken? Want stiekem weet iedereen dat wij nou eenmaal vanuit ons bewustzijn leven, vanuit onze intellectuele ontwikkeling, onze geestelijke ‘make-up’ en vanuit onze spiritualiteit leven, en dat is een dermate natuurlijke beleving, zo logisch, dat je je afvraagt waarom daar zo’n strijd om gevoerd wordt. Ik leef mijn leven op natuurlijke wijze, dus gewoon vanuit mijn geestelijke vermogens, mijn geestelijke aard, kortom vanuit de suprematie en de prioriteit van mijn geestelijk zijn. Mijn lichaam is daarbij het voertuig van m’n geest, het instrument waarmee ik m’n geestelijke leven tot uitdrukking breng. En als ik de geestbestrijders (of ze nu sciëntist zijn, of materialist, of antitheïst) op ‘wetenschappelijke’ wijze hoor ‘bewijzen’ dat geest niet ‘bestaat’, dat vrije wil niet ‘bestaat’, dat de ziel niet ‘bestaat’ (dus dat zij zelf niet bestaan), dan verbaas ik me over hun intensieve denkwerk (een geestelijke inspanning) waarmee ze zich tegen de realiteit van zichzelf te keren.

 

Trouwens, als we de vorige pagina’s gelezen hebben (met al die moeilijke intellectuele termen), dan kunnen we stiekem denken: “Nou ja zeg, en wat kóóp je daar nou voor…. Evolutionair denken, convergentie vs divergentie, theïsme vs antitheïsme, naturalisme, sciëntisme, paradigmata, teleologie, reductionisme, sociaal constructionisme, Humane Genoom, neurowetenschappen, kwantumfysica, chaosfasen, complexificatie….. Waar kun je zulke dingen nu voor gebruiken? Wat voor nut heeft al dat gepieker eigenlijk? Word ik dáár nou gelukkiger mee? Hebben we dat nou wel echt nodig? Zulke verzinsels zijn toch niets-anders-dan uitvluchten van de heren luchtfietsers en navelstaarders die zich willen onttrekken aan het gewone dagelijkse leven? “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg”, hield mijn vader me altijd voor, en die was altijd tevreden, deed niet aan tijdrovende ‘zelfreflectie’, en bouwde met succes zijn eigen zaak op. Hij verloor geen kostbare tijd aan zo’n onzinnige vraag “Waar ben ik nou me bezig?”. Hij wist het gewoon allemaal, en hij deed gewoon wat hij wist, de handen uit de mouw, twijfelloos, niet alleen voor hemzelf, maar ook voor mij en voor alle anderen. Hij had daar bepaald geen “nieuw denken” voor nodig. Hij verkreeg gewoon alles wat hij nodig had, zonder nieuw denken, doe hem dát maar eens na.

 

En nu, in ons dagelijkse leven...

 

Bij ons dagelijkse leven hebben we van alles ‘nodig’ om naar tevredenheid bezig te zijn. Maar een dagelijkse reflectie op de vraag wáár we nou eigenlijk mee bezig zijn, en waaróm we nou doen wat we doen, hebben we dat óók nodig? Kunnen we zoiets wel gebruiken? Hebben we daar behoefte aan? Of kunnen we het missen als kiespijn? Regelmatige zelfreflectie vermeerdert de tevredenheid niet direct, zo lijken we instinctief te weten. Wat we nodig hebben is dagelijks voedsel, onderdak, kleding, werk, inkomen, bewegingsvrijheid, ja dát kunnen we allemaal goed gebruiken. En wat amusement op z’n tijd, regelmatig een voldoende dosis sensatieprikkelingen van buitenaf, wat liefde en vriendschap, wat begrip en hulp, ergens ‘bij’ horen, je gewaardeerd of erkend voelen door wat mensen om je heen, je eigen leven wat uitbreiden met wat nazaten, en zo zijn er nog veel meer van die realistische levensbehoeften. Ieder normaal mens heeft dingen ‘nodig’ voor de bevrediging van existentiële behoeften. Maar reflectief stilstaan bij de existentiële vraag “Waar ben ik nou eigenlijk mee bezig?”, dat hoort doorgaans niet tot onze primaire benodigdheden. De tevredenheid varieert altijd sterker naar de mate waarin behoeften op het primaire vlak tevreden gesteld worden dan naar de mate waarin behoeften op zelfreflectieve hoogte tevreden gesteld worden. Die worden doorgaans als ‘secundair’ beleefd. En dergelijke behoeften doen zich immers alleen voor bij die mensen die daar kennelijk iets in zien, of bij mensen die niet helemaal met beide voeten stevig op aarde staan, niet helemaal realistisch zijn, misschien al ‘van-‘t-padje-af’ zijn, de vaste grond van het rechte pad onder hun voeten kwijt zijn, ‘aan het zweven’ zijn gegaan, verdwaald zijn geraakt in nutteloze luchtfietserij. Ze zijn nergens meer zeker van, zelfs aan zichzelf twijfelen ze dan, soms twijfelen ze zelfs aan álle ‘vanzelfsprekende feiten’. Moeten zíj maar weten, kun je dan zeggen, totdat je ineens zelf in het vaarwater komt waar je jezelf afvraagt “Waar ben ik nou eigenlijk mee bezig?”…..

 

En inderdaad: In het gewone dagelijkse leven gaan we doorgaans met ‘feiten’ en ‘waarheden’ om zoals met onszelf, namelijk volkomen vanzelfsprekend. We betwijfelen onszelf dan net zomin als de visie van waaruit wij leven. We functioneren dagelijks vanuit talloze aannamen waar we eigenlijk geen vragen bij stellen, vooronderstellingen en uitgangspunten waar we niet bij stilstaan, axioma’s en premissen die we eigenlijk nooit ter discussie stellen, alsook een reeks onbewuste vooroordelen en stereotypen. We beoefenen doorgaans maar weinig zelfkritisch vermogen t.o.v. onze persoonlijke of gemeenschappelijke overtuigingen, dogma’s, tradities en drogbeelden. De menselijke soort onderscheidt zich van alle andere soorten als visionair en creatief gelovige soort, als ‘homo religiosus’, maar doorgaans op een vrij onbezonnen manier. Onbezonnen… tótdat je als aards realist ineens wel over je eigen realiteit móet nadenken. En dan merk je hoe dat nadenken aardig complexe patronen volgt, een soort multi-polair denkschema, samengesteld uit diverse bi-polaire schema’s waar dan verrassende “inspiraties” bij optreden, een influx die van buiten onze vaste denkschema’s binnenkomen. Mensen verschillen dus essentieel van computers.

 

In het gewone dagelijkse leven wordt iedereen sterk bepaald door het denken in bi-polaire schema’s, bijvoorbeeld van “waar/onwaar”, “goed/slecht”, “liefdevol/liefdeloos”. We zitten allemaal gevangen in dat opmerkelijke denkschema. Probeer maar eens te functioneren zonder die bipolaire bewegwijzering. Neem bijvoorbeeld het “waar/onwaar”-schema. Wij spelen vaak een illusiespel met onze claims op eigen gelijk, maar waarheid laat zichzelf door niemand claimen, zo blijkt het steeds weer opnieuw. Datzelfde geldt ook voor claims op eigen goedheid, liefde, rechtvaardigheid, etc. Op al deze ultieme zaken zal niemand ooit een eigen aanspraak kunnen maken. OK, moeten we dat soort ultieme zaken dan niet gewoon loslaten en over gaan op de nuchtere, materiële orde van de dag? Pure survival of the fittest? Als een toevallig veredelde diersoort? Een soort “schitterend ongeluk” in de evolutie van de apen? Kennelijk kunnen we dat niet; we zijn er helemaal op geprogrammeerd om de lange zoektocht (de eindeloze ‘pelgrimsweg’!) naar steeds meer waarheid, goedheid, liefde, kennis, wijsheid en gerechtigheid voort te zetten. Die weg leggen we af op een hoger niveau dan het platvloerse niveau van alle dieren in het veld, namelijk op het niveau van het geestelijke leven, meer nog: het spirituele leven, het uitgesproken domein waar religies zich om bekommeren.

 

De prioriteit van geestelijke activiteit...

 

Alle filosofen, of ze zich nu strikt aan het materialistische dogma vasthouden, of vanuit het sciëntisme uitgaan, of van een evolutionair naturalisme, of vanuit een deïstisch standpunt vertrekken, of van een atheïstisch standpunt, alle filosofen hebben één eigenschap gemeen: ze zijn allemaal intens geestelijk actief! [Materieel of lijfelijk vaak weinig actief] Allemaal erkennen zij dat de vruchten van hun denkwerk geestelijk van aard zijn, en niet door de mechanische algoritmen van een supercomputer geproduceerd werden. Filosofen melden momenten van ‘inspiratie’, ‘intuïtie’, 'serendipiteit', ahá-belevingen,  of andere momenten van verrassende ‘influx’ die door computers niet beleefd kunnen worden. Ik herhaal Schins hier nog maar even: “Een positieve en vruchtbare benadering van de menselijke geest door de natuurwetenschappen is helaas niet mogelijk. Als niet-materiële entiteit valt de menselijke geest immers per definitie buiten het competentiegebied van de natuurwetenschappen. Uit de natuurwetenschappen zullen we daarom nooit iets te weten komen over de oorsprong van de menselijke geest. Maar dat geest een ‘toevallige bijwerking van materie’ is, dat is pure onwetenschappelijkheid!”

 

Nee, laten we toegeven dat we als gewone burger inderdaad vaak geneigd zijn tot een soort ‘cultureel sciëntisme’, een geloof in een soort allesverklarende almacht van de wetenschap, maar laten we tegelijk beseffen dat de natuurwetenschappelijke methode zeer onvolledig is, zeer beperkt in ‘verklaringskracht’ en eerder ‘beschrijvend en interpreterend’ werkt, zeer veranderlijk blijft, een zeer oppervlakkige en dunne werkelijkheidslaag bestrijkt, en volkomen ontoereikend is om ‘alles’ te verklaren. Ook hier is de vraag terecht “Hoe komt het toch dat er wetenschappers zijn die de demarcatielijn van de wetenschap ver overschrijden en met grote stelligheid ‘op wetenschap gebaseerde’ uitspraken doen over levensbeschouwelijke domeinen waar de wetenschap (als magisterium) überhaupt geen zeggensmacht over kán hebben. Waarom houden zij zich niet gewoon met wetenschapsbeoefening bezig. Is de wetenschap voor hen dan zo’n kleine en benauwde denkruimte? Is het door hen begeerde veld van de metafysica en religies dan zoveel ruimer dat de wetenschap die ruimte dan ook maar moet annexeren?”

 

Of gaat het om een oude strijd tussen ‘twee monismen’, het materialistisch monisme (er bestaat allen ‘materie’, geest is een illusie) en het idealistisch monisme (alleen ‘geest’ bestaat, materie is een illusie). Een volstrekt verouderde ‘óf/óf’-strijd. Het nieuwe denken voorziet ons van een integratief ‘èn/èn/èn’-denken.

Tegenover de twee monismen vigeert het cartesiaans ‘dualisme’, dat van de twee werelden van geest en materie, van subject en object, als twee vreemden, gescheiden naast elkaar.

Maar waarom zouden geest en materie toch steeds van elkaar gescheiden moeten worden in onze leefwereld, immers de enige wereld waar we over kunnen ‘beschikken’? Onder ‘menselijke leefwereld’ versta ik dan alles wat door ons beperkte bevattingsvermogen ‘be-grepen’ kan worden.

 

Het uitgangspunt is hier iets waar maar weinigen bij stilstaan: het zeer beperkte begripsvermogen van de mens over onze ‘bestaanswereld’, en de menselijke geest die zich met geen mogelijkheid in die ‘bestaanswereld’ laat invangen omdat die de bestaanswereld juist omvat. In onze ‘bestaanswereld’ zegt onze nuchtere rede ons dat geest en materie niet te scheiden zijn, juist een sterk interactief paar vormen. Je zou ze als de twee kanten van de ene medaille kunnen beschouwen, en dan zou je veel consequenter moeten spreken van een ‘monodualisme’. [Zonder ‘geest’ is überhaupt geen ‘materie’, vice versa] Eventueel zou je dan kunnen spreken over een holistisch ‘neo-cartesiaans, interactief, personalistisch dualisme’ of een ‘huwelijk’ van geest en materie waarin deze 'twee kanten van de éne medaille’, beide ‘polariteiten’ intensief en effectief op elkaar inwerken, een vorm van ‘wederzijdse interventionisme’! En in onze basale realiteit blijven we onze eigen persoon ervaren als één, in de kern dus als ‘a-duaal’ (niet-dualistisch), en we hebben slechts bij reflectie weet van de monoduale wereld van ons ‘bestaan’.

 

Onze werkelijkheid is niet òf/óf, dualistisch óf monistisch maar monoduaal èn aduaal tegelijk. Zie figuur hieronder:

 

 

 

vervolg: de evolutie van geest

 

[1] Nadenken over het blijvende mysterie, zie: http://nl.wikipedia.org/wiki/Filosofie_van_geest_en_cognitie

[3] Daniel C. Dennett, geciteerd in hoofdstuk 3 van een essay van Titus Rivas (psycholoog/filosoof): Demokritus, een van de eerste materialistische filosofen. Een artikel van Rivas is opgenomen op site van David Chalmers http://consc.net/online1.html

[4] René Descartes (Cartesius, 1596-1650) – Cogito ergo sum = Ik denk, dus ik ‘ben’… (‘besta’)

[6] Aanhaling uit het schrijfwerk van de in een vorige noot genoemde Titus Rivas

[7] Dr. Palmyre Oomen: Theologie en exacte wetenschappen; een asymmetrische verhouding, 1999. Dr.P.M.F.Oomen, biologe zowel als theologe, onderzoekscoördinator exacte wetenschappen aan het Heyendaal Instituut aan de Radboud Universiteit te Nijmegen.

[8] Juleon Schins: De Niet-Materiële Oorsprong van de Menselijke Geest, in het boek Schitterend ongeluk of sporen van ontwerp? Over toeval en doelgerichtheid in de evolutie, 2005