De evolutie van de geest


[ Commentaar graag naar Eric en Wil, email info@ericwil.nl ]

 

De evolutie van de geest?

De geest van de evolutie?

 

In elk geval gaan hier twee termen samen: ‘evolutie’ en ‘geest’.

 

Een uitspraak van Teilhard de Chardin:

 

“Wij zijn er ontwijfelbaar getuige van,

gedurende de laatste eeuw, dat er zich een nieuw geloof vestigt:

de religie van de evolutie!” [1]

 

De mensheid is… de evolutie die zich van zichzelf bewust wordt [2]

- Julian Huxley en Teilhard de Chardin

  

Eerst over de term ‘geest’

 

Met ‘geest’ bedoel ik hier nadrukkelijk de éne, menselijke geest. Het is de menselijke geest die praat over ‘evolutie’. En het is de menselijke geest die kan praten over ‘de dierlijke geest’, de plantaardige geest, de minerale geest, of over de geesten van overledenen, de tijdgeest, de collectieve geest of over nóg allerlei andere geesten (en spoken). Laten we nuchter zijn: mensen praten ook over díe geesten vanuit hun eigen, menselijke geest! Al die andere geesten worden verondersteld vanuit de éne menselijke geest, een eenheid-in-verscheidenheid. Laten we aanvaarden dat het de menselijke geest is van waaruit wij mogelijk nog allerlei andere geesten willen veronderstellen óf – juist in tegendeel – het hele fenomeen ‘geest’ willen ontkennen en uitsluitend ‘materie’ willen zien… Zo hopen onderzoekers als Paul en Patricia Churchland dat we onze belevingen ooit in een ‘neurobiologisch verantwoord’ taalgebruik zullen gieten. Dat we dus ‘neuralees’ (in het neuroscience-jargon) gaan spreken in plaats van ‘mentalees’. (Zie vorige pagina op deze site: monodualisme - geest en materie zijn de twee kanten van de ene medaille)

 

We kúnnen ons ‘voor-stellen’ (en dat is op zich al een wonderlijke eigenschap van de mens!) dat er een informerende ‘geest’ (of ‘bewustzijn’) aan het werk is op het basisniveau van ‘louter materie’, namelijk de materialisatie van subatomaire deeltjes vanuit een bron van niet-materiële, pure potentie. We kúnnen dus praten over ‘de geest van materie’, of van het meest basale ‘bewustzijnsniveau’. Vervolgens kunnen we ons voorstellen dat die ‘geest van materie’ evolueert naar een hoger niveau van complexiteit, namelijk de ‘geest van het minerale rijk’, met nieuwe vermogens, bijvoorbeeld het aannemen van vaste, vaak complexe structuren. Dat niveau kan zich vervolgens organiseren tot een nóg hoger en complexer niveau, de ‘plantaardige geest’ met weer nieuwe vermogens, geslachtelijke voortplanting, groei, bloei, zelfherstel, mutatie. Maar ook dit niveau van geest kan zich ontwikkelen tot de hogere, zogenoemde ‘dierlijke geest’ met actieve waarneming, mobiliteit, oriëntatie, besluitvorming en een typisch eigen ‘survival’-systeem. Ook dat niveau van geest kan zich evolueren tot een immens hoog en complex niveau, namelijk dat van de ‘menselijke geest’ waar we het straks over zullen hebben. Maar hoe je het ook wend of keert: we kúnnen spreken van een stapsgewijze, evolutionaire complexificatie van intelligentie en bewustzijn, kortom: geest.

 

Bij dit evolutionair model is er dan steeds sprake van ‘trapsgewijze suprematie’. Het hogere niveau van geest omvat en beheerst de lagere niveaus van geest, en niet andersom.

Het bewustzijnsniveau van de zanderige aardbodem begrijpt niets van het bewustzijnsniveau van het gras, maar het gras dringt ‘intelligent’ met haar worteltjes in de zanderige aarde en ‘weet’ precies in die aarde de juiste mineralen als voedsel te selecteren en om te zetten.

Het bewustzijn van het gras begrijpt echter weer niets van het bewustzijn van de koe, maar het bewustzijn van de koe onderwerpt het gras tot haar voedsel. De koe begrijpt echter niks van de mens terwijl de mens de koe als voedsel gebruikt. De menselijke intelligentie ‘gebruikt’ voor eigen ‘survival’ letterlijk alles uit de lagere niveaus terwijl geen van die lager niveaus de mens begrijpt. Blavatsky[3] zei dan ook: Consciousness, not matter, is the fundamental component of the cosmos, and physical evolution is only one part of a much larger metaphysical process.” Dit denken in “The Great Chain of Being” is echter al van ouds her; dit denken stamt eigenlijk al van Aristoteles, van de middeleeuwse filosofie, van al-Farabi, Ibn Sina, Ibn Rushd, al-Ghazzali, Suhrawardi en Mulla Sadra, en een natuurfilosofisch denken in het Midden-Oosten in de tijd van ‘Abdu’l-Bahá.

 

[Maar op de vorige pagina - onderaan - hadden we al gesuggereerd dat ‘geest’ en ‘materie’ de twee kanten aan de éne medaille waren; ze horen bij elkaar en treden altijd gezamenlijk op.]

 

Laten we vooral niet vergeten om de fundamentele beperktheid van onze menselijke geest te aanvaarden, niet alleen als leek, maar vooral als wetenschapper die ‘wetenschappelijke’ uitspraken wil doen over de menselijke geest. In het Cambridge Handbook of Thinking and Reasoning[4], kun je bijvoorbeeld al een aardig uitgebreide lijst vinden van ‘cognitieve beperkingen’. Maar het blijft fascinerend hoe zelfverzekerd wij mensen kunnen praten over ‘dé werkelijkheid’ alsof wij ‘dé werkelijkheid’ in pacht hebben en kunnen omvatten.

De werkelijkheid omvat óns immers, en wij kunnen niet anders dan ons best doen om samen, zoekend en tastend in het duister, ons ‘visionaire contact’ met de werkelijkheid steeds beter te checken (‘reality checking’).

 

Visionair zijn we nooit ‘alziend’, altijd ‘bijziend’. En natuurlijk blijven we ‘blind’ voor al datgene wat we vanuit onze beperktheid niet kunnen zien! Paragnosten, religionisten en wetenschappers stellen zich nog al eens op als ‘helderziend’, ‘alziend’ of ‘alwetend’, maar de praktijk wijst uit hoe betrekkelijk menselijke visies elke keer weer blijken te zijn. Voor het nodige ‘vergezicht’ dienen de goddelijke openbaringen uit het ‘transcendentale niveau’, en uit de religies die om dat ‘transcendente’ cirkelen. Uit zo’n openbaringsvisie ‘uit de hemel’ kan geen enkele ‘helderziende’ of ‘schriftgeleerde’ ooit enige ‘alwetendheid’ of ‘eigen gelijk’ claimen. Religieuze waarheid blijft tijdperk-relatief en context-relatief, opgesloten binnen de religieuze ‘contingentie’. Nu, in de Tweede Axiale Periode, beseft de mensheid steeds meer dat religie immer mensenwerk blijft. Er blijft een hemelsbreed verschil tussen de bedoelingen van de Godheid en datgene wat de mensen ervan maken. Mensen maken samen altijd een menselijke werkelijkheid, waaronder de vele, verschillende religies. [Dit heeft overigens weer niks te maken met het postmoderne, relativistisch reductionisme.]

 

Aanvaarden we de fundamentele beperktheid van onze menselijke geest, en meer nog: zijn we ons bij wederzijdse communicatie bewust van onze beperktheid, pas dan is ‘openheid van geest’ mogelijk. Pas dan wordt een vruchtbare dialoog en wederzijdse kruisbestuiving mogelijk. Genuanceerde discours op basis van bescheidenheid levert geestelijke evolutie op. Ongenuanceerd ‘zeker weten’, verankerd en geharnast in een klemvast “óf/óf-denken” levert alleen een vicieuze cirkel op van fanatiek debat waar we nooit samen uit komen. Een gesloten systeem van statische posities, van absolutistisch denken, exclusivistisch, monolithisch, fundamentalistisch, dogmatisch, en van een totaliserend eigen gelijk levert alleen confrontatie op, conflict en oorlog. Een voortgaande wetenschap/religie-dialoog wordt nogal eens geblokkeerd door fel debat, soms een ware ‘War on Words’, zoals tussen anti-theïstische neodarwinisten en naïef gelovige creationisten of aanhangers van Intelligent Design. Allemaal het nare gevolg van vastgevroren ‘zeker-weten-posities’.

 

We zullen op alle gebieden het scheidingsdenken in “óf/óf” moeten loslaten en vervangen door het denken in “èn/èn/èn”, waarbij vooral die derde “èn” heel belangrijk is, want die vertegenwoordigt het besef dat er nog veel meer te begrijpen valt dan waar we zo ‘zeker’ van zijn.

 

Het spiritueel materialisme

 

Bij dat wetenschap/religie-debat komt iets belangrijks: Het zijn namelijk niet alleen die “foute” atheïsten of materialistische reductionisten die vaak gevangen zitten in een soort “natuurwettisch denken”, een soort mechanistisch denken. Ook vele godgelovigen kunnen opgesloten zitten in een schadelijk soort materialistisch ‘wettisch denken’, het zogenoemde “spirituele materialisme” [5].

Het gaat hier om categorieverwarring, een geesteshouding waarin spirituele zaken beleefd worden als natuurkundige verschijnselen, dingmatig, mechanistisch, krachtvelden, rotsvaste brokken die met elkaar kunnen ‘botsen’. Een soort techno-spiritualiteit. Letterlijke interpretaties, doctrines als granietbrokken.

Spiritueel materialisme is wellicht een nóg schadelijker vorm van materialisme dan dat van atheïsten. Het spiritueel materialisme komt niet ‘van beneden’, vanuit de kwantificerende basis van kennisverwerving, maar ‘van boven’, dus gebruik makend van ‘de openbaring van God Zelf’. Het spiritueel materialisme hanteert geopenbaarde teksten als dé door God Zelf geopenbaarde ‘natuurwetenschap’, als dé ‘Goddelijke Alchemie’ waaraan de zelfstandig verworven wetenschap zich maar moet aanpassen. God is – geheel antropomorf! – dé Opperconstucteur van Het Universum, Dé onterwerpende Ingenieur, Dé Grote Klokkenmaker, Dé opperste Nanotechnoloog die over de schouders van Cees Dekker meekijkt. Dit is het onvermijdelijke ‘antropomorfe denken’. God is dan precies zoals mensen, maar dan hoger natuurlijk, namelijk Het Summum. En zo zijn er dan ook een flink aantal ‘spirituele sciëntisten’ op aarde. [Denk even aan de creationisten en de aanhangers van ‘Intelligent Design’. Overigens, en dat is wat anders: in de samenleving heerst een nogal wijd verbreid ‘civiel sciëntisme’ (afgeleid van ‘civil society’ en ‘civil religion’). Het ‘civiel sciëntisme’ is het geloof dat de wetenschap, uiteindelijk…, alle antwoorden zal geven, ook op het gebied van de zingeving.]

 

Veel godvruchtigen verwarren de twee taaldomeinen, de twee ‘magisteria’[6] van religie en wetenschap met elkaar. Terwijl “Religie is religie, zoals wetenschap wetenschap is. Samen vormen zij het duale kennissysteem dat de stuwkracht levert voor de ontwikkeling van beschaving.” [7] Het blijkt, vooral bij sterkreligieuze gelovigen erg moeilijk te zijn om die twee begrippenwerelden helder van elkaar te onderscheiden. En vooral in onze New Age tijd beleven we een ware explosie van ‘wetenschappelijk’ bijgeloof.

 

Bij het spiritueel materialisme gaat het om een erg primaire geesteshouding waarin zaken die uitsluitend tot het geestelijke leven behoren (zoals waarheid, of goedheid), in alle letterlijkheid opgevat worden, letterlijk beleefd worden als dingmatige, materiele verschijnselen, bijvoorbeeld als natuurkundige krachtvelden. Religieuze wetten worden voor het gemak gehanteerd als waren ze natuurkundige wetten, zoals zwaartekracht, opwaartse kracht, causaliteitswetten, de fysieke werking van zonlicht, etc.

 

Over het 'spirituele materialisme' volgt op een andere pagina meer uitleg.

 

 

Het noodzakelijke gebruik van metaforen

 

Zonder metaforen is er geen kennis, begrip, inzicht, wijsheid. Metaforen zijn ‘beelddragers van kennis’. Getallen, statistieken of andere uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek op zich leveren geen kennis. Die droge en nietszeggende uitkomsten worden immers altijd geïnterpreteerd, vertaald, en vooral omgezet in zinvolle metaforen die binnen het menselijk bevattingsvermogen passen. Want hoe functioneren wij eigenlijk? Zijn wij wandelende computers die alleen met bits van 0 en 1 calculeren, of zijn wij levende, fantasierijke wezens? Is er een fundamenteel verschil tussen een ‘wetenschapper’ en een ‘gewoon mens’? Nee; alle mensen, of wij nou wetenschapper zijn, of devoot gelovige, of gewone burger, wij allemaal functioneren vanuit onze verbeeldingen van de werkelijkheid, en dat gaat gelijk op voor de wetenschappelijk ingestelde mens (homo sciëntificus) als voor een lid van een religieuze gemeenschap. Uiteindelijk is de hele menselijke soort, zonder uitzondering, van aard een gelovige soort (homo religiosus) die zich aardig wat verbeeldt.

 

Mensen zijn van aard religieuze wezens, functioneren geestelijk vanuit een systeem van persoonlijke overtuigingen en gebruiken daarbij religieuze metaforen uit datgene wat we van de natuurlijke werkelijkheid weten! Het dan ook interessant– in de evolutie van de religies op Aarde – dat de religieuze metaforen altijd worden gehaald uit de ‘state of the art’ van wat de mens van de aardse natuur weet en beleeft. Ook alle bekende openbaringsteksten in de religieuze evolutie van de mens hebben altijd gebruik gemaakt van metaforen uit onze natuurlijke ervaringswereld. Openbaringsgeschriften maken gewoonlijk gebruik van de nodige dramatische metaforen, analogieën, allegorieën, parabels en overleveringen van aardse snit. Dat wat uit de ‘hemel’ op ons neerdaalt maakt zich begrijpelijk in ‘aardse’ metaforen.

De metaforen uit de nieuwe wetenschappen echter, de evolutietheorie, de quantumtheorie, de chaostheorie, de complexiteitswetenschappen, de systeemwetenschappen, zijn steeds minder ‘aards’ en steeds meer abstract en ‘intellectueel’, een interessante ontwikkeling!

 

De evolutie van onze geestelijke ‘niches’

 

Dat alle wereldreligies[8] verwijzen naar die ‘hogere werkelijkheid’ die voor ons in wezen ‘onkenbaar’ is, dat is geheel verenigbaar met de evolutietheorie! Die voorspelt immers dat het kenvermogen van de mens steeds een ‘aanpassing’ is (een ‘adaptatie’) aan een veranderende ‘niche[9] van kennis'. Het is volgens de evolutionaire visie dus zeer natuurlijk dat de ‘niche’ van de menselijke soort niet alleen fysiek, maar ook intellectueel slechts deel uitmaakt van een grotere en complexere werkelijkheid. Wij mensen hebben daarbij een geheel eigen ‘logisch systeem’ ontwikkeld (op basis van de zogenoemde ‘logische regels’), maar velen denken vervolgens dat dit logisch systeem hét enige logische systeem is dat ‘dé werkelijkheid’ kan omvatten. Dit terwijl een ‘grotere werkelijkheid’ waarin onze logica niet van kracht is, voor ons natuurlijk ook niet te begrijpen is! En daarom hebben wij (in onze begrensde natuurlijke werkelijkheid, dus zonder universele logische regels) ook niet het ‘epistemologische recht’  om te zeggen dat ‘de werkelijkheid’ géén tegengestelde eigenschappen kan hebben. De vraag blijft bestaan: is het echt waar dat de logische regels ook ‘altijd’ waar zijn? Kúnnen onze logische regels wel een soort 'universele' kracht dragen, terwijl er inmiddels (virtueel) andere logische systemen zijn ontwikkeld? Dat de mens in zijn leefwereld überhaupt gebruik maakt van meerdere, volstrekt uiteenlopende vormen van ‘logica’, dat mag toch als algemeen erkend worden verondersteld.

 

Het antwoord is eenvoudig: we verdelen ‘dé werkelijkheid’ gewoon in deelgebieden, een deelgebied waarin onze strenge logische regels wel gelden en in deelgebieden waarin deze regels niet gelden. En vervolgens concluderen we dat onze ‘logische ruimten’ worden begrensd door onze eigen logische regels. De ruimten waarbinnen deze regels gelden, is het deelgebied waar wij evolutionair wel voor zijn ‘aangepast’. En dat de ruimte waar deze regels niet gelden, een deelgebied is waar wij evolutionair niet voor zijn ‘aangepast’ (ge-adapteerd).

 

Geloof en vertrouwen

 

Het komt er dus echt op neer waar we ‘vertrouwen’ in willen hebben, waar we in ‘geloven’, en vooral: wat volgens ons ‘werkt’. Een fundamenteel punt is, dat de menselijke geest onvermijdelijk religieus werkt:

Hoe ‘rationeel’ of ‘wetenschappelijk’ we onze eigen geest ook noemen, onze geest blijft gebaseerd op een zeer brede geloofsbasis, op een heel fundament van vertrouwensartikelen, op een geloofssysteem bestaande uit een grote verscheidenheid aan vaak nogal onbewuste (!) uitgangspunten, aannamen, axioma’s, vooronderstellingen, geloofsovertuigingen, vooroordelen, dogma’s, tradities, drogbeelden, mens- en wereldvisies, paradigmata van waaruit we persoonlijk gemotiveerd worden tot percepties, interpretaties, houdingen, gedragingen en handelingen in de concrete omgang met de realiteit. En met die gelovige geest proberen wij dan onze eigen geest te bekijken en te bestuderen, vanuit allerlei standpunten. Het lijkt vaak op de gymnastische oogbewegingen waarmee we proberen ons eigen netvlies te zien. Hoe scheel we onze ogen ook trekken om te proberen ‘inwaarts’ te kijken, we krijgen het niet voor elkaar om zintuiglijk onze blikrichting om te draaien. Hetzelfde geldt voor de geest of de ‘ziel’: wat we ook doen, we kunnen ‘de waarnemer zelf’ binnen in ons niet waarnemen, we kunnen ons niet bewust zijn van hoe we ons bewust zijn. [Hoe ‘zelfbewust’ we onszelf ook beleven… ;-}]

 

We zijn dan ook gaandeweg meer en meer bekend met die naam die we aan onszelf geven, ‘homo religiosus’, de gelovige soort, essentieel te onderscheiden van alle andere diersoorten. Alle andere diersoorten noemen we dan ook ‘louter instinctief’, dus niet-rationeel redenerend en calculerend, niet-cognitief, niet-abstraherend, niet-reflectief, niet-intellectueel, niet-wetenschappelijk, niet-evangeliserend, niet-ideologisch, niet-religieus! [We kunnen wel praten over een ‘bidsprinkhaan’, maar die weet niet eens wat ‘bidden’ is.] Alleen de mens ontwikkelt allerlei religieuze denkbeelden en complexe bouwwerken over ‘de werkelijkheid’, geloofswerkelijkheden waarin de mens vervolgens zijn leven leeft. Alleen de mens is een tekstontwikkelend, tekstverwerkend en vooral een ‘tekst-gestuurd’ wezen. En alle teksten waar de mens zich door laat besturen variëren qua impact en ‘besturingskracht’ naar de mate van de ‘belovende’, ‘overtuigende’ en ‘vertrouwenwekkende’ inhoud ervan, dus naar de mate van religieuze ‘spin’, de mate van de symbolische of utopische overtuigingskracht.

De vraag hoe wij over religie en godsdienst denken wordt in hoge mate beperkt door de (veelal verouderde) tekstuele(!) begrippen waar we over kunnen beschikken. Wanneer deze begrippen geen hout meer snijden, hoeft dat niet te betekenen dat religies of godsdiensten zelf verdwijnen. Godsdienst wordt niet alleen uitgelegd als een manifestatie van de hoogste, de eerste en transcendentale ‘Oorzaak’ van de werkelijkheid, maar zeker ook als een conceptuele ‘omgang’ met de contingentie waarmee ‘het heil’ de mens overkomt.

 

Evolutie als organisatie

 

Nu dat begrip ‘evolutie’, het denkbeeld dat alles evolueert, zich ontvouwt, zich ontwikkelt, kortom: zich organiseert! Organiseert alles zichzelf spontaan? Of wórdt alles georganiseerd, door Iemand of door Iets? Om een klein voorbeeld te noemen, erg triviaal: “Het laatste decennium evolueerde de ICT zich tot een volkomen onmisbaar medium”. We zeggen dan dat het over een zogenoemd ‘menselijk artefact’ gaat, iets wat door onszelf wordt georganiseerd. En wat de mensen zelf ontwikkelen moet dan onderscheiden worden van datgene wat de natuur, de kosmos, het universum zèlf ontwikkelt. Wat de natuur zelf ontwikkelt noemen we dan ‘spontane zelforganisatie’, en dat zou dan streng onderscheiden moeten worden van wat mensen (kunstmatig) organiseren. Maar waarom ‘moet’ zou dat streng uit elkaar gehouden moeten worden? Wij mensen zijn ontegenzeggelijk medescheppers (created co-creator). En wij zijn zèlf deel van de natuur, inclusief onze technologie; en door duurzame (ecologisch verantwoorde) technieken kunnen we de natuur beschermen en bevorderen, meer dan exploiteren, niet waar?

 

Trouwens, op geestelijk gebied: ook het begrip ‘natuurlijke zelforganisatie’ is conceptueel door mensen zelf ‘georganiseerd’? Letterlijk álle denkbeelden zijn menselijke ‘constructies’, mensen leven en functioneren nu eenmaal in een sfeer van een ‘sociaal constructionisme’.

Wat ik hier wil poneren, is dat het volkomen arbitrair is om ‘natuurlijke zelforganisatie’ en ‘menselijke organisatie’ strikt uit elkaar te houden. In feite komt alles neer op de prioriteit en suprematie van menselijke ‘organisatie van concepten’. Het is immers de menselijke geest die alles bedenkt, die abstracties construeert, die theorieën en modellen ontwerpt. Verreweg de meeste van die abstracties blijven als intellectuele realiteiten dwalen binnen de menselijke geest. Slechts een veel kleiner aantal van die intellectuele realiteiten laten zich in onze empirische wereld ook aanwijsbaar realiseren. Zo blijkt de wetenschappelijke evolutieleer empirisch zeer aanwijsbaar te  zijn! Teilhard de Chardin poneerde het al: Wie de evolutieleer nu nog steeds niet kan aanvaarden, loopt religieus achter.

 

De tijdlijn van evolutie

 

Als we praten over de evolutie van de geest, dan moeten we ook duidelijk zijn in de term ‘evolutie’. Hebben we het over ‘evolutie’, dan is de belangrijkste factor daarin: het tijdsverloop! De begrippen ‘evolutie’ en ‘tijdsverloop’ hangen onverbrekelijk samen.

We denken dan aan miljarden jaren, miljoenen, duizenden, honderden en tientallen jaren.

Maar heel dat verschijnsel ‘tijd’ (an sich) is eigenlijk een product van het Big Bang proces. Tijd had nooit (en heeft nooit) een onafhankelijk bestaan-op-zich. Tijd, ruimte, massa, kosmos, natuur, letterlijk alle kwantitatief meetbare verschijnselen zijn geproduceerd door de Big Bang en kunnen dus nooit ‘ouder’ zijn dan de Big Bang zelf ‘oud’ is, zeggen we dan ook. En dan zeggen we dat de Big Bang ongeveer zo’n 13 à 15 miljard jaar geleden heeft plaatsgevonden. Pas ná die Big Bang verscheen het kwantitatief meetbare verschijnsel ‘tijd’, in volkomen samenhang met het verschijnsel ‘ruimte’ en ‘materie’. Zoals ik al eerder zei: Een aantal intellectuele realiteiten laten zich in onze ‘empirische wereld’ ook aanwijzen. Wel, zo blijkt de uitwerking van de Big Bang inderdaad ook aanwijsbaar te zijn, meetbaar, instrumenteel registreerbaar te zijn!

 

[Tussendoor even wat humor: het begrip "Big Bang" is in feite een gekke omdraaiing van proporties. "Big" klopt niet omdat die quantumsingulariteit juist allerkleinst was, "Bang" klopt niet omdat er op het ogenblik van die Oerknal natuurlijk nog geen geluid kon bestaan.]

 

Toch mogen wij het daarbij niet laten. Laten we eens goed doordenken: Wetenschappers, maar ook de ontwikkelde gewone burgers gaan nu wel van de kosmologie uit dat de Oerknal (Big Bang) het hele universum deed ontstaan, ongeveer (!) 13,7 miljard jaar ‘geleden’.

En dan zeggen we “Bij die oerknal ‘ontstonden’ (verleden ‘tijd’ dus) massa, ruimte en tijd.” Maar omdat ‘tijd’, net zoals alles wat te meten is, in het leven geroepen ‘werd’ bij de Big Bang, en omdat je dus principieel nooit het exacte ‘punt op de tijdlijn’ kunt vaststellen waarop de Big Bang plaatsvond, kun je dus ook niet zeggen dat de Big Bang ‘voorbij’ is, ‘verleden tijd’ is, meer nog: het is m.i. beter om een ‘continu Big Bang proces’ te veronderstellen, een soort creatio continua van onze werkelijkheid, een soort eeuwig voortgaande schepping.

De ‘tijd’ zoals we die kennen is ook nu nog steeds een voortdurende schepping vanuit een niet-tijd, ‘vanuit de eeuwigheid’, zo zeggen we dat dan. In wezen leven wij vanuit een voortdurende Big Bang, een ‘eeuwig voortschrijdend NU-moment’. Weer een onderstreping hoe ‘de werkelijkheid’ in concreto een intellectuele realiteit is, en hoe simplistisch het geworden is om je nog steeds ‘materialist’ te noemen en ‘tijd’, massa en ruimte te verabsoluteren.

Overigens: op psychisch, sociaal en vooral ‘organisatorisch’ gebied maken we ons natuurlijk erg druk over de tijd die we tot onze beschikking hebben, volkomen natuurlijk in onze menselijke leefwereld. Trouwens: de natuurwetenschappen kunnen - tot op het allerhoogste formele niveau van abstractie - niet functioneren bij het wegschrappen van de factor 'tijd'. Je kunt theoretisch allerlei factoren weglaten, behalve de factor 'tijd'!

 

Maar goed, toch maar even terug naar  het begrip ‘evolutie’ op de ‘tijdlijn’: ongeveer 4,5 miljard jaren ‘geleden’ ontstond onze planeet Aarde. Op de tijdlijn bekeken is die 4,5 miljard jaar, vergeleken met die 13,7 miljard jaar dus eigenlijk nogal recent. Nog véél recenter ontstonden mensachtigen: slechts een paar miljoen jaren geleden. [Een miljoen is één duizendste van een miljard] Die mensachtigen zijn pas één miljoen jaar geleden een aparte ‘menselijke soort’ geworden. Maar pas 100.000 jaar geleden kon je pas echt van de ‘homo sapiens’ spreken, de mens die bewuste taal begint te ontwikkelen en weet hoe creatief hij zijn abstracte kennis kan gebruiken. En pas 35.000 jaar geleden werden wij ‘homo sapiens sapiens’, de mens die taal heeft vastgelegd voor communicatie met anderen èn… met zichzelf, dus de mens die zelfreflectief wordt, en daarmee bewust wordt van het feit dat hij geestelijk leeft, religieuze symbolen hanteert en religieuze culturen ontwikkelt. De menselijke soort, als ‘homo sapiens sapiens’, leeft dus nog maar op een micro-fractie van de tijdlijn, 35.000 jaar. En als je naar het punt op de tijdlijn kijkt waar onze huidige moderne mens leeft, en je zet die tijdlijn uit op de schaal van één vol jaar, januari t/m december, dan leeft de moderne mens pas “minder dan één seconde vóór middernacht van 31 december… Zie het overzicht HIER.

 

De tijdlijn (het tijdsverloop) is hieronder visueel uitgezet:

 

!  Jan      Feb      Mrt     Apr      Mei     Jun      Jul      Aug     Sep     Okt     Nov    Dec !

|______|______|______|______|______|______|______|______|______|______|______|___=|

<Big Bang                                                                    <Aarde - - - - - - - Dino’s>

 

De mensheid, zoals wij haar kennen, is dus nog maar net aan haar eigen evolutie begonnen!

De ‘darwinistische evolutie’ beperkt zich uitsluitend tot de 2e helft van december:

Op 19 december ontstaan de eerste vissen en gewervelde dieren

Op 23 december de eerste reptielen

Op 24 december verschijnen de dinosaurussen

Op 26 december verschijnen de zoogdieren

Op 27 december verschijnen de vogels

Op 28 december sterven de dinosaurussen uit

Op 31 december, pas om 22.30 uur betreedt de mensachtige het toneel, en de ‘echte mens’ beheerst de menselijke taal pas 5 minuten vóór middernacht.

 

De piramiden in Egypte verrijzen om 23.59 uur en 50 seconden.

Om 3 seconden voor middernacht wordt Christus geboren!

Om 1 seconde voor twaalf wordt in Europa de Renaissance ingeluid. De geboorte van de moderne mens, dat is een kwestie van…de allerlaatste seconde van December.

Heel de geschiedenis van onze eigen eeuw vindt plaats op 24:00, exact middernacht. Kijk HIER naar de evolutie der 'hominiden' en herken je erin.

Maar dan nog, zoals ik eerder al opperde: het is een volstrekt relatieve benadering om het evolutionaire proces uitsluitend te koppelen aan het kwantificeerbare ‘tijdsverloop’ op de ‘tijdlijn’. Nee, een eeuwig voortschrijdende schepping, een soort creatio continua van onze werkelijkheid is een veel realistischer paradigma.

 

[Voor het grote verhaal vanaf de Big Bang tot nu kun je op de uitgebreide site van The Great Story kijken, en een idee krijgen van de betekenis die deze giga-evolutie voor de mens zou kunnen hebben. Voor de aardse tijdlijn van 4,6 miljard jaar kun je bij Wiki kijken]

 

Het evolutionaire denken

 

Minstens vier zaken moeten we van elkaar onderscheiden: de evolutiewetenschappen (die zich ontplooien op basis van de evolutieleer die door Darwin werd opgestart), het neodarwinisme (dat is, buiten de wetenschap, een religieus-materialistische zienswijze die door vele wetenschappers wordt aangehangen), het ‘sociaal-darwinisme’ (een ideologie van het recht van ‘het edelste ras’) en het algemeen menselijke denken in een evolutionair model.

 

Maar… onder de wetenschappers heerst niet alleen dat neodarwinistische uitgangspunt,

er zijn verder nog:

- de progressieve darwinisten,

- de zogenoemde collectivisten,

- de evolutionaire complexiteitswetenschappers,

- de directionalisten,

- de transhumanisten,

- de intelligent designers,

- de creationisten,

- de theïstische evolutionisten,

- de esoterische evolutionisten,

- de procesfilosofische evolutionisten,

- de evolutionisten van het bewustzijn,

- de integralisten, etc.

 

Een beschrijvend artikel over de 12 categorieën is HIER te zien.

 

De wetenschappelijke evolutietheorie, zoals we weten, is gebaseerd op ‘survival of the fittest’ (de overlevingsdrift), op ‘trial-and-error’, op variatie (door mutatie) en natuurlijke selectie en op ‘toevallige’ veranderingen in de diverse ‘niches’. De evolutiewetenschappen maken daarbij overigens gebruik van een flink aantal hypothetische aannamen die nog steeds niet wetenschappelijk onderbouwd zijn, maar dat doet niets af aan het feit dat de evolutietheorie universeel ‘bewezen’ is. [ Zoiets als ‘het blinde toeval’ is bijvoorbeeld een volstrekt onbewijsbaar concept. Vandaar dat vele wetenschappers ‘Het Blinde Toeval’ aanbidden als een godheid, ik zou hen ‘devote toevallisten’ kunnen noemen.

 

Maar het gaat ons hier niet om de specifiek wetenschappelijke uitwerkingen die nog gedaan moeten worden, maar om het algemene evolutionaire denken. Al vóór Charles Darwin (1809-1882) waren er meerdere evolutionistische denkers. Ook het evolutionaire denken bij de gewone burgers ontstond al vóór hem. Ná hem komt bijvoorbeeld Teilhard de Chardin:

 

Van Teilhard de Chardin (1881-1955), paleontoloog en theoloog maar vooral bekend als groot visionair, is dan ook de vaststelling: “Wij zijn er ontwijfelbaar getuige van – gedurende de laatste eeuw – dat er zich een nieuw geloof vestigt: de religie van de evolutie!” [10] Met ‘religie’ bedoelt hij inderdaad een geloof bij gewone mensen die zelf geen evolutiewetenschap bedrijven; zij ontwikkelen spontaan een ‘evolutionaire levensvisie’. De menselijke soort zelf, homo religiosus, wordt (naast Julian Huxley) dan ook door Teilhard omschreven als “de evolutie die zich van zichzelf bewust wordt”.[11] Dus ook de voortgaande intellectuele, culturele, politieke, maatschappelijke, filosofische, spirituele en religieuze ontwikkeling van de mensheid ziet hij als verlengde van dé ene grote evolutie die op het basisvlak van de materie begint. De bewustwording van de mensheid op steeds hoger niveau van complexiteit bekleedt volgens Teilhard zelfs de ‘speerpuntfunctie’ in die grote evolutie. In de mens wordt de evolutie zich van zichzelf bewust. Rudolf Steiner, een esoterisch evolutionist, trok dit door naar de menselijke ziel toen hij zei: “Alles op aarde is onderworpen aan de wetten van de evolutie, en dat geldt met name voor de menselijke ziel.”

 

Twee citaten van Teilhard met betrekking op de evolutie van religie zijn hier ook relevant: “Het is de mensheid als geheel, de gezamenlijke mensheid, die door God gesommeerd wordt om de uiteindelijke daad te verrichten waarbij de totale kracht van de aardse evolutie zal worden vrijgemaakt zodat die kan bloeien; een daad waarin het volle bewustzijn van iedere individuele persoon zal worden ondersteund door dat van iedere andere.” Hij voegt daar even later een opmerkelijk denkbeeld aan toe: “Wat mij betreft aanvaard ik de realiteit van de beweging die zich neigt te onderscheiden, midden in de boezem van de Mensheid, als een congregatie van gelovigen die zich wijdt aan de grote taak van ‘Voortschrijden in éénheid!’. Meer nog, geloof ik in de waarheid daarvan.”[12]  En inderdaad kenmerkt het Nieuwe Denken zich door het ontstaan van allerlei bewegingen die op bepaalde gebieden streven naar de realisatie van de eenheid-in-verscheidenheid van de mensheid, integraal op Planeet Aarde.

[Op managementgebied bijvoorbeeld, verschijnen boeken met als thema “evolutionair leiderschap” (bijv. Peter Merry).[13]  

 

John Stewart is auteur van Evolution’s Arrow[14]: the direction of evolution and the future of humanity, 2006. De hoofdlijn in zijn boek is een diepgaande onderbouwing dat de evolutie leidt naar coöperatieve systemen van steeds grotere schaal, flexibiliteit en complexiteit, en met een steeds groter aanpassingsvermogen. Een goede samenvatting van zijn visie is te zien op zijn eigen website. (Zijn interessante boek is HIER in z'n geheel te downloaden.)

 

[Kijk voor één van de satires over het evolutie/religie-debat bij Roy Zimmerman op YouTube. En kijk dan ook naar één van de vele bewijzen voor Darwinistische evolutie]

 

[Wil je een goed bahá'í-essay over de evolutie van de ethiek en moraliteit in het verlengde van bovenstaande uiteenzetting, download dan HIER het essay van Behrooz Sabet]

 

[Als interessante afsluiter: "The world is almost mind-numbingly dynamic. Out of the Big Bang, the stars; out of the stardust, the Earth; out of the Earth, single-celled living creatures; out of evolutionary life and death of these creatures, human beings with consciousness and freedom that concentrates the self-transcendence of matter itself. Human beings are the universe become conscious of itself. We are the cantors of the universe."

—Elizabeth Johnson, EarthLight, 1997.]

 

Naar de tijd waar we NU in leven, de Tweede Axiale Periode > 


[1] T. de Chardin: The Future of Man, 1920

[2] Geciteerd in One Common Faith. Huxley, geciteerd door Pierre Teilhard de Chardin, The Phenomenon of Man (London: William Collins Sons & Co. Ltd., 1959), page 243. Zie ook Julian Huxley, Knowledge, Morality, and Destiny (New York: Harper & Brothers, 1957), page 13

[3] Madame Blavatsky, 1877, Theosofie

[5] Literatuur over spiritueel materialisme: Chogyam Trungpa 1972: Cutting Through Spiritual Materialism; Ösel Tendzin 1978: Buddha In the Palm of Your Hand; Johannes Toegel 1991: Eine Theologie des Zeitgeistes. Toegel übernimmt den Ausdruck von dem tibetischen Meditationsmeister Choeyam Trungpa und definiert ihn "als jene Geisteshaltung, die an den transzendenten Bereich der Wirklichkeit im Prinzip so herangeht, als wäre er materiell". Dabei unterscheidet er vier Aspekte des spirituellen Materialismus: Reduktion der Transzendenz auf die menschliche Erfahrung, Versuch der Erforschung und Kartographierung der geistigen Welt, Versuch der "technologischen" Beherrschung und die Abwertung der klassischen Religion.

[6] Stephen Jay Gould’s Non-Overlapping MAgisteria: http://www.stephenjaygould.org/library/gould_noma.html

[7] One Common Faith, Bahá’í World Center, Naw-Rúz 2005

[8] En dan maak ik hier gebruik van het essay van Jan Riemersma: Waarom Evolutie Religie niet uitsluit, 2007

[9] Alle levensvormen nestelen zich in zeer specifieke ecosystemen, biotopen, habitats oftewel 'niches'.

[10] Teilhard de Chardin in The Future of Man, 1920

[11] Uitspraak van Julian Huxley, geciteerd in Teilhard de Chardin’s ‘Het verschijnsel Mens’

[12] Teilhard de Chardin in The Future of Man, 1920