Gevangen in een dubbele matrix


[ Commentaar graag naar Eric en Wil, email info@ericwil.nl ]

“Op dit menselijk vlak en in dit koninkrijk is de mens een gevangene van de natuur

en weet niets van de goddelijke wereld

totdat hij door de ademtochten van de Heilige Geest geboren wordt

uit de natuurlijke toestanden van beperking en gemis.

Dan ziet hij de werkelijkheid van het geestelijke verblijf en het koninkrijk,

realiseert zich de enge beperkingen van alleen maar de mensenwereld van het bestaan

en wordt zich bewust van de onbeperkte en oneindige heerlijkheden van de Gods wereld.

Daarom heeft de mens, het maakt niet uit hoe hij vooruit kan gaan

op het stoffelijke en intellectuele vlak,

altijd de grenzeloze goddelijke deugden, de bescherming van de Heilige Geest

en het gelaat van God nodig.” [1]

 

De menselijke soort leeft ‘gevangen’ in een dubbele matrix, de matrix van de natuur en de matrix van het typisch menselijke (begrensde) bewustzijn. Maar hoe begrensd en gebonden ons bewustzijn ook is, toch ervaren wij ons geestelijke leven als grenzeloos en vrij, als stromend vanuit een tijdloze Werkelijkheid. We leven ‘in stereo’, zou je ook kunnen zeggen, ofwel ‘monoduaal’ [2], en dit is kenmerkend voor onze, typisch mensvormige werkelijkheid. De grote (alomvattende, veelal ‘goddelijk’ genoemde) Werkelijkheid openbaart zich voortdurend in onze kleinere (puur menselijke) spiegelwerkelijkheid. Alle andere soorten leven - volgens onze definitie - uitsluitend binnen de matrix van de natuur en bekommeren zich niet om ‘het verschijnsel van het menselijke bewustzijn’ of om verhoudingen tussen ‘geest’ en ‘materie’ of conflicten tussen ‘spiritualiteit’ en ‘stoffelijkheid’. Alleen mensen dwalen rond binnen de door henzelf gedefinieerde wereld, eigenlijk binnen hun eigen zijnstheoretische matrix.

 

“De mens bevind zich op het hoogste niveau van stoffelijkheid en aan het begin van spiritualiteit. Hij heeft de dierlijke kant alsook de goddelijke kant, en het doel van een opvoeder is om de menselijke zielen zodanig te vormen dat hun goddelijke aspect in staat is om hun dierlijke aspect onder controle te brengen.” [3]

 

Materie en geest zijn dus de twee kanten van de ene medaille: het verschijnsel ‘mens’[4]. We leven met ons lichamelijk bewustzijn gevangen in het ‘koninkrijk van de natuur’ en met ons geestelijke bewustzijn in het ‘koninkrijk van namen en hoedanigheden’ [5]. Beide bewustzijnsvormen zijn relatief en vloeien in elkaar over. Het gaat mij in dit opstel voornamelijk om die tweede matrix, het ‘Koninkrijk van namen en hoedanigheden’. Wij leven – zoals ik verderop wil verduidelijken - ‘gevangen’ in onze ontologiserende[6] geest, de geest die voortdurend bezig is om met haar benamingen en attribueringen de menselijke bestaanswereld te creëren en te herdefiniëren. Ik zal proberen om dit hieronder te verduidelijken. 

 

De mensheid is ontstaan uit de Wereld van Woorden

 

De leefwereld van de menselijke soort verschilt gigantisch van die van de andere soorten. Vele wetenschappers zien de menselijke soort als niet-anders-dan de verdere evolutie van de primaten, slechts een 'een prachtig toeval' [7] onder alle andere toevalstreffers. Maar er zijn ook genoeg evolutionisten die oog hebben voor de prioriteit en de suprematie van de geest in homo sapiens, in haar volstrekt unieke, creatieve en spirituele leefwereld, haar grenzeloze vermogen tot abstraheren, haar gigantische rijkdom aan taal en uitdrukkingsvormen, maar vooral haar narratief vermogen om met woorden te scheppen met gebruik van metaforen en symbolen. Het menselijke ‘scheppen met woorden’ is dermate effectief gesystematiseerd dat er, taalwetenschappelijk, filosofisch, wel een soortspecifieke Bron van universele moederwoorden verondersteld moet kunnen worden, een soort Woordenmatrix binnen in het innerlijk van de menselijke soort. Het Woord (met een hoofdletter) was in beginsel al in onze mensenwereld aanwezig. In beginsel, ofwel ‘in den beginne’, zeggen wij dan, als homo religiosus, de gelovige soort:

 

"In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is. In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen; en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet begrepen." [8]“Het Woord was in de wereld, de wereld is door hem ontstaan”.[9] En vanuit de Woorden uit de Woordenmatrix schept de mens met eigen woorden en benamingen zijn werkelijkheid in duizenden verschillende talen, allemaal in elkaar vertaalbaar.

 

Hoezeer wij ook in een eeuwig (innerlijk) verbond met de Woorden van God tot ontologiseren komen, toch kunnen wij (in onze wereld van het zichtbare) met God Zelf nooit een directe gemeenschap hebben: “Geen band van directe gemeenschap kan Hem (God) dan ook verbinden met Zijn schepselen. Hij is verheven buiten en boven alle scheiding en vereniging, alle nabijheid en veraf-zijn. Geen teken kan Zijn tegenwoordigheid of Zijn afwezigheid aanduiden; aangezien door één woord van Zijn gebod allen die in de hemel en op aarde zijn tot bestaan kwamen en door Zijn wens die de Eerste Wil zelf is, allen uit het volslagen niets zijn getreden in het rijk van het zijnde, de wereld van het zichtbare.” [10]

 

“Ieder woord dat uit Gods mond komt, is met zulk een kracht geladen dat het elk menselijk lichaam met nieuw leven kan bezielen. Alleen al door de openbaring van het woord "Vormer", dat van Zijn lippen stroomde en Zijn hoedanigheden aan de mensheid verkondigde, is zo'n kracht vrijgekomen, dat vele eeuwen achtereen de veelsoortige werken die mensenhanden voortbrengen, konden ontstaan. Evenzo zal - op het moment dat het woord, hetwelk Mijn hoedanigheid "de Alwetende" uitdrukt, uit Mijn mond klinkt - ieder geschapen ding overeenkomstig zijn capaciteit en beperkingen, worden bekleed met het vermogen om de kennis van de meest wonderbaarlijke wetenschappen open te leggen, en in staat worden gesteld deze in de loop van de tijd openbaar te maken op bevel van Hem Die de Almachtige, de Alwetende is. Weet voorzeker dat de Openbaring van iedere andere Naam gepaard gaat met een gelijksoortige onthulling van Gods macht. Iedere letter op zichzelf, die voortkomt uit de mond Gods is met recht een moederletter, en ieder woord dat wordt geuit door Hem, Die de Bron is van goddelijke openbaring, is een moederwoord en Zijn Tafel een Moedertafel. Wel ga het hen die deze waarheid verstaan.” [11]

 

“Weet voorzeker dat de Openbaring van iedere andere Naam gepaard gaat met een gelijksoortige onthulling van Gods macht. Iedere letter op zichzelf, die voortkomt uit de mond Gods is met recht een moederletter, en ieder woord dat wordt geuit door Hem, Die de Bron is van goddelijke openbaring, is een moederwoord en Zijn Tafel een Moedertafel. Wel ga het hen die deze waarheid verstaan.” [12]

 

Door één woord van Zijn gebod kwamen allen die in de hemel en op aarde zijn tot bestaan en door Zijn wens die de Eerste Wil zelf is, zijn allen uit het volslagen niets getreden in het rijk van het zijnde, de wereld van het zichtbare.” [13]

 

Wij zijn geschapen medescheppers

 

“Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis.”[14] “En God schiep de mens naar zijn beeld.”[15] En God zei:“Verborgen in Mijn onheuglijk bestaan en in de aloude eeuwigheid van Mijn wezen wist Ik dat Ik u liefhad; daarom schiep Ik u, legde Mijn gelijkenis in u en openbaarde u Mijn schoonheid. Heb Mij lief, dat Ik u kan liefhebben.”[16] “Kon gij begrijpen welke wonderen van Mijn vrijgevige milddadigheid Ik uw ziel wilde toevertrouwen, dan zoudt gij u waarlijk bevrijden van gehechtheid aan al het geschapene, en ware kennis omtrent uzelf verwerven - een kennis die gelijk is aan het begrijpen van Mijn eigen Wezen.” [17] “En weest niet als hen die God vergeten hebben, zodat Hij hen zichzelf doet vergeten”…“Hij die zichzelf kent, kent God.” [18] [Let overigens op het gebruik van Pluralis Majestatis[19] in “Laat Ons…”]

 

“God schiep de mens naar Zijn beeld en gelijkenis”, dus als een soort spiegelbeeld van de Schepper, goed, maar dan schiep God ons dus allereerst als ‘scheppers’; wij zijn geschapen medescheppers.[20] De wonderlijke consequentie daarvan komt in de huidige tijd langzaam aan het licht: wij mensen zijn, naar óns beeld en naar ónze gelijkenis(!), ook onze eigen Schepper gaan scheppen. Zoals wij naar óns beeld en naar ónze gelijkenis een volstrekt mensvormige werkelijkheid scheppen, zo ontologiseren wij ook een mensvormige God, een soort Superman, een Superkunstenaar (-knutselaar?), en die bestaat natuurlijk niet. Daarom is er gezegd: "Alles wat gij hebt onderscheiden door de begoocheling van uw subtiele geestelijke verbeelding, is slechts een schepping van uzelf en valt weer op u terug." Het is duidelijk dat, wanneer wij ons de Werkelijkheid van de Godheid willen voorstellen, deze voorstelling het omvatte is en wij degenen zijn die omvatten. En het staat vast dat de omvattende groter is dan het omvatte. Het is dus overduidelijk, dat wanneer wij ons buiten de heilige Manifestaties een goddelijke Werkelijkheid voorstellen dit zuivere verbeelding is, want er is geen toegang tot de Werkelijkheid van de Godheid die niet voor ons is afgesloten en alles wat wij ons voorstellen is louter veronderstelling.” [21]

 

Omdat wij God wetenschappelijk nooit zullen kennen is de uitspraak “Hij die zichzelf kent, kent God” niet een wetenschappelijke maar een mystieke uitspraak. De uitspraak bevat trouwens een humorvolle ironie: hij wijst er op dat wij dus ook onszelf nooit helemaal zullen kennen, dat wij ook ons Zelf vaak als een raadsel, als een mysterie zullen blijven ervaren. Zoals Hij heeft gezegd: "De mens is Mijn mysterie en Ik ben zijn Mysterie". [22] Maar dan nog, toch groeien we toe naar een steeds diepere zelfkennis, en onze groei naar meer waarheid en werkelijkheid zou dus nog wel eens in de groei van onze zelfkennis kunnen liggen!

 

Al in 1600 v.Chr. kon je (aan de zuidelijke voet van het mooie gebergte Parnassus in Midden-Griekenland) de Tempel van Apollo te Delphi bezoeken om toegang te verkrijgen tot ‘de geheimen van waarheid en werkelijkheid’. Maar bij het betreden van de trappen stond reeds op de tempelarchitraaf te lezen welke de enige en juiste weg was die je moest gaan: "Gnothi Sauton" [23], "Ken Uzelve", dus dat was het eerste advies dat het orakel van Delphi in navolging van Apollo gaf aan iedereen die advies kwam vragen. Bahá’u’lláh revitaliseert die ‘kern’ van alle waarheid door zelfkennis als noodzakelijke voorwaarde te stellen voor ons contact met de Zon van Waarheid die zich wil weerspiegelen in onze innerlijke ‘spiegel’, binnen in onze gewetensvolle kenruimte. Hij herhaalt dan ook die aloude wijsheid: “Hij die zichzelf kent, kent God.” [24]

 

Als we maar in ons eigen hart binnen durven gaan en daarin die spiegel weer wat schoonpoetsen, daarin weer ‘de Vriend’ ontmoeten, dan is De Plaatsloze, Onbenoembare, ons inderdaad zéér nabij: God is ons immers ‘nader dan onze levensader’.[25] Hoe meer ik mijn ware zelf leer kennen en aanvaarden, hoe meer ik God leer kennen en aanvaarden èn hoe meer ik Gods werking in de wereld voorwaar’ kan aannemen. Bahá’u’lláh zegt immers: “Evenals Hij geopenbaard heeft: “Wij zullen aan hen voorzeker Onze tekenen tonen, in de wereld en in henzelf”, en tot je eigen tamboer[26] zegt Hij nogmaals: “En ook in uzelf: Zult gij dan de tekenen Gods niet zien?”

[Overigens: let weer op het gebruik van de Pluralis Majestatis[27] in bovenstaande zin]

 

Dit is interessant; De (goddelijke) Werkelijkheid omvat onze werkelijkheid, maar dat niet alleen, Hij is ook binnen in ons vertegenwoordigd. In de grond van ons hart weerspiegelen wij niet alleen Zijn beeld en gelijkenis, maar ook de som van alle goddelijke volmaaktheden. Wij zijn God Zelf niet maar wij weerspiegelen zijn namen en attributen, wij zijn vertegenwoordigers en boodschappers van God: “Dus de goddelijkheid van God, welke de som is van alle volmaaktheden, weerspiegelt zich in de werkelijkheid van de mens; dat wil zeggen, de Essentie van eenheid is de verzameling van alle volmaaktheden en vanuit deze eenheid werpt Hij een spiegelbeeld op de menselijke werkelijkheid. De mens dan, is de volmaakte spiegel die naar de Zon van Waarheid is gekeerd en is het middelpunt van uitstraling: de Zon van Waarheid schijnt in deze spiegel.

De weerspiegeling van de goddelijke volmaaktheden verschijnt in de werkelijkheid van de mens, hij is dus de vertegenwoordiger van God, de boodschapper van God. Als de mens niet bestond, zou het heelal nergens toe leiden, want het doel van het bestaan is het verschijnen van de volmaaktheden van God.” [28] Alle mensen “zijn de openbaarders van Zijn namen en eigenschappen.” [29]

 

Met onze narratieve taligheid, met al onze scheppende woorden, met al onze benamingen en attribueringen waarmee wij onze natuurlijke matrix trachten te ontrafelen, vertegenwoordigen wij God binnen het ‘Koninkrijk van namen en hoedanigheden’:

“Weet dat ieder geschapen ding een teken is van de openbaring Gods. Elk ervan is, naar zijn vermogen, een teken van de Almachtige en zal dit immer blijven. Aangezien Hij, de soevereine Heer van allen, Zijn soevereiniteit wilde openbaren in het Koninkrijk van namen en hoedanigheden, is elk geschapen ding door de daad van de goddelijke Wil tot een teken van Zijn heerlijkheid gemaakt. Zo doordringend en alomvattend is deze openbaring dat volkomen niets kan worden ontdekt in het heelal, dat niet Zijn luister weerspiegelt. Onder dergelijke omstandigheden wordt iedere beschouwing over nabij zijn en veraf zijn weggevaagd.... Zou de Hand van Gods macht afstand doen van deze hoge gave, dan zou al het geschapene en het gehele heelal troosteloos en leeg worden.” [30]

 

“De natuur weerspiegelt de "namen en attributen van God". Ze is de uitdrukking van "Gods wil in de vergankelijke wereld". Bahá'u'lláh schrijft: "Zeg: de natuur is in essentie de belichaming van Mijn Naam, de Maker, de Schepper. Wat zichtbaar is loopt om verschillende redenen uiteen en in deze verscheidenheid bevinden zich tekenen voor mensen met inzicht. De natuur is Gods Wil en daarvan de uitdrukking in en door de vergankelijke wereld. Ze is een beschikking van de Voorzienigheid die is verordend door de Bestierder, de Alwijze." [31]

 

“Ja, al wat is in de hemelen en op aarde, is een direct getuigenis van de openbaring der attributen en namen van God, aangezien in ieder atoom, als in een heiligdom, de tekenen worden bewaard die welsprekend getuigen van de openbaring van dat grootste Licht. Mij dunkt dat zonder de kracht van die openbaring geen wezen ooit zou kunnen bestaan. Hoe glansrijk zijn de lichten van kennis die in een atoom schitteren en hoe uitgestrekt de oceanen van wijsheid die in een druppel golven! Tot de hoogste graad is dit waar voor de mens die te midden van al het geschapene bekleed is met het gewaad van zulke gaven en is uitgekozen voor de glorie van zulk een onderscheiding. Want in hem zijn alle attributen en namen van God latent geopenbaard in een mate die geen ander geschapen wezen heeft overtroffen. Al deze namen en attributen zijn op hem toepasselijk. Zoals Hij heeft gezegd: "De mens is Mijn mysterie en Ik ben zijn Mysterie". Veelvuldig zijn de op dit meest subtiele en verheven onderwerp betrekking hebbende verzen, die in alle hemelse Boeken en heilige Schriften bij herhaling zijn geopenbaard. Evenals Hij geopenbaard heeft: "Wij zullen hun voorzeker Onze tekenen tonen in de wereld en in henzelf". Nogmaals zegt Hij: "En ook in uzelf: Zult gij dan de tekenen Gods niet zien?" En wederom openbaart Hij: "En weest niet als zij die God vergeten hebben, zodat Hij hen zichzelf doet vergeten". In dit verband heeft Hij Die de eeuwige Koning is - mogen de zielen van allen die binnen de mystieke Tabernakel verblijven een offer aan Hem zijn - gesproken: "Hij die zichzelf kent, kent God. Uit hetgeen gezegd is wordt duidelijk dat alle dingen, in hun innerlijkste realiteit, in zich getuigenis afleggen van de openbaring van de namen en attributen van God. Alles vertoont naar eigen vermogen de kennis van God en geeft er uitdrukking aan." [32]

 

“Na de wereld en al hetgeen erin leeft en beweegt te hebben geschapen, verkoos Hij door de rechtstreekse werking van Zijn onbeperkte en soevereine Wil de mens te onderscheiden door hem het unieke vermogen te verlenen, Hem te kennen en lief te hebben - een vermogen dat beschouwd moet worden als de bezielende kracht, het voornaamste doel en de grondslag van de gehele schepping . . . Op de diepste werkelijkheid van ieder geschapen ding heeft Hij het licht van één Zijner namen laten schijnen en het ontvankelijk gemaakt voor de heerlijkheid van één van Zijn hoedanigheden. Op de werkelijkheid van de mens echter richtte Hij de glans van al Zijn namen en hoedanigheden en maakte hem tot een spiegel van Zijn eigen wezen. Uit al het geschapene werd alleen de mens voor zulk een grote gunst, zulk een blijvende milddadigheid uitverkoren. Deze krachten waarmede de Dagster van goddelijke milddadigheid en de Bron van hemelse leiding de wezenlijkheid van de mens heeft begiftigd, liggen evenwel in hem verborgen gelijk de vlam in de kaars verborgen is en de lichtstralen potentieel in de lamp aanwezig zijn.

De uitstraling van deze krachten kan door wereldse begeerten worden verduisterd, evenals het licht van de zon verborgen kan blijven onder het stof en het vuil die de spiegel bedekken. Noch de kaars noch de lamp kan door eigen krachtsinspanning gaan branden, noch zal het de spiegel ooit mogelijk zijn zichzelf van het stof te bevrijden. Het is volkomen duidelijk dat de lamp nooit kan branden alvorens deze is aangestoken, en de spiegel, tenzij het stof is verwijderd, nooit het beeld van de zon kan weergeven of haar licht en haar heerlijkheid weerspiegelen.” [33]

 

De werkelijkheid van de scheppende mens

 

Ontelbaar veel boeken gaan over ‘de realiteit’, of over ‘de werkelijkheid’, en zelfs over ‘Dé Werkelijkheid’. Niet alleen beroemde filosofische boekwerken gaan daarover, ook de vele romans, films, etc. Je kunt je trouwens afvragen welke gebeurtenissen niet over de werkelijkheid gaan. Mensen hebben regelmatig een beleving van ‘dát is nou eenmaal realiteit’ of ‘dát is nou pure werkelijkheid’. En heel soms vangen mensen een glimp op van ‘Dé Werkelijkheid’. Dat laatste heeft iets heiligs. Men spreekt dan graag over een mystieke ervaring.

Je kunt het een kortstondige glans of glimlach van Dé Werkelijkheid noemen, heel persoonlijk, heel intiem, alleen voor jezelf bedoeld en zeker niet onder woorden te brengen, onbenoembaar, ‘transcendent’ zeggen we dan. En dan begrijpt iedereen eigenlijk wel dat Dé Werkelijkheid niet door de wetenschap te meten is, te wegen of anderszins te onderzoeken. Het mysterie van Dé Werkelijkheid is er, zou je kunnen zeggen, om filosofen, dichters en visionairs van de straat te houden. Van de straat? De realiteit wijst anders uit.

 

Charismatische ideologen, utopisten, demagogen gaan met hun visie de straat op en mobiliseren hele legers om de wereld te veroveren met Dé Werkelijkheid die zij vertegenwoordigen. En dat werkt dan ook in vele gevallen! De menselijke soort, de hoogst ontwikkelde klasse der zoogdieren gedraagt zich met de natuurlijkheid van schapen, een kudde die kennelijk steeds een Herder zoekt. Bestonden die herders vroeger uit Vertegenwoordigers van God, nu zijn het veelal politieke leiders. Van ouds her waren het de religies met hun ‘Kennis van Dé Werkelijkheid’, en dan was er altijd wel een college van religieuze deskundigen die voorschreef hoe ‘Dé goddelijke Werkelijkheid’ er voor hun volgelingen uit moet zien. Per religie domineert dan altijd weer een andere ‘Voorgeschreven Werkelijkheid’, want die is immers rechtstreeks ontvangen van de Auteur van Dé Werkelijkheid Zelve. Nu, in de Tweede Axiale Periode[34], beseft de mensheid steeds meer dat religie immer mensenwerk blijft. Er blijft een hemelsbreed verschil tussen de bedoelingen van de Godheid en datgene wat de mensen ervan maken. Mensen maken samen altijd een menselijke werkelijkheid, waaronder religies. De goddelijke, immer wijkende Werkelijkheid blijft echter steeds op ons vooruit lopen. Wij worden steeds aangetrokken tot de Onbenoembare Attractor[35], maar hoe dicht wij die ook naderen, steeds blijft de Transcendente voor ons onkenbaar. Terwijl die Transcendente binnen in ons de meest kenbare is, “O Gij, Die de kenbaarste van het kenbare zijt en de verborgenste van het verborgene!”[36] De enig ware weg die wij dus moeten gaan, is de weg naar binnen. God buiten ons zoeken is en blijft een illusoir en vruchteloos zoeken.

 

De wetenschappen zijn principieel verplicht om de werkelijkheid systematisch te betwijfelen en te onderzoeken. Dat wetenschappelijk onderzoek ontdekt daarmee feiten, en in systematische samenhang met elkaar bouwen die feiten de basis voor een wetenschappelijke werkelijkheid. Vervolgens maakt deze wetenschappelijke werkelijkheid de realiteit waarin wij leven steeds realistischer. Maar tegenover iedere ‘Voorgeschreven Werkelijkheid’ moeten wetenschappers sowieso een psychologische afstand beoefenen. Valt het onderzoek van Dé Werkelijkheid al buiten de grens van het wetenschapsbedrijf, een ‘Voorgeschreven Werkelijkheid’ behoort principieel niet onder het magisterium van de wetenschap maar onder die van de religies, een ander soort kennisdomein, met een ander soort grammatica dan die van de wetenschap.

 

Wat de wetenschappen van de humanistiek echter wel onderzoeken, zijn de religies zelf. Niet alleen de afzonderlijke religies of religies in vergelijking met elkaar, maar ook de hele categorie ‘religie’ op zich. Waarom? Wel, gewoon omdat de immens grote verscheidenheid van religies tot de empirische realiteit van de menselijke leefwereld behoren. Daarom hebben we de sociologie van de religies, de psychologie van de religies, de filosofie van religies, de antropologie van religies, de vergelijkende religiestudies, etc. En eigenlijk al van het begin van de moderniteit hebben de psychiatrie en de klinische psychologie veel onderzoek moeten doen naar de factor religie in allerlei neurosen en psychosen bij die mensen die terecht kwamen in centra voor psychiatrie en psychotherapie. De ‘pathologie van de religie’, opgestart door Hume, Feuerbach, Freud, etc, bestond dus al vóór 11 september 2001, maar die tak van de wetenschap heeft ná dat historische nine/eleven plotseling een centrale relevantie gekregen. En ook de politicologie en de bestuurswetenschap kunnen de factor religie nooit verloochenen in hun onderzoek. Religie valt nergens en nooit uit de leefwereld van de gelovige soort, homo religiosus, weg te schrappen.

 

Maar we moeten ons niet blindstaren op ‘instituties’ zoals die van wetenschap en religie. Instituties bestaan gewoon uit mensen, en het zijn mensen die individueel en gezamenlijk de werkelijkheid constitueren, namelijk binnen in ons collectieve bewustzijn. Waar het in dit stuk om gaat, is dat ál ons (innerlijke/interne) waarnemen, denken, voelen, willen, en vele andere breinfuncties betrokken zijn op de vorming van de menselijke werkelijkheid. En omdat ons menselijke brein functioneel en fysiologisch afhankelijk is van alle andere biologische factoren van ons lichaam, kunnen we zeggen dat de mens via zijn lichaam een mensvormige werkelijkheid constitueert in zijn bewustzijn, hoe creatief ons geestelijke leven ook met ons bewustzijn omgaat.

 

Consequentie: wat wij vol ontzag ‘de werkelijkheid’ noemen, of ‘de realiteit’, is en blijft volledig ingekleurd door onze lichamelijkheid. Wat wij voor ‘waar’ aannemen is gebaseerd op wat wij met ons lichaamafhankelijke bewustzijn kunnen waarnemen en benoemen. In plaats van de ‘mensvormige’ werkelijkheid kunnen we dus een veel oudere term gebruiken, namelijk de ‘antropomorfe’ werkelijkheid. Waarom doen we dat dan nog niet zo vanzelfsprekend?

 


[1] ‘Abdu’l-Bahá, Foundations of World Unity, blz. 59

[2] Monoduaal: geest en ‘materie’ als de twee kanten van de ene (aduale) medaille. Wat ‘materie’ is, wordt steeds opnieuw door onze geest gedefinieerd. Helemaal doorgronden wat ‘materie’ is, kunnen we nooit. Onze geest heeft daarmee de suprematie en de prioriteit over de ‘materie’ en de natuur. Bij de andere soorten komt dat niet voor.

[3] ‘Abdu’l-Bahá, Some Answered Questions, p. 235

[5] Baha'u'llah, Bloemlezing uit de Geschriften van Baha'u'llah, p. 111, XCIII.

[6] De ontologie of zijnsleer: de leer van ‘alles wat is’, de leer van de algemene eigenschappen der dingen, tevens de leer van de onderwerpen van het menselijk denkvermogen. Het ‘ontologisme’ is de filosofische stellingname dat al onze kennis haar oorsprong vindt in de ‘aangeboren of onmiddellijk gekende’ idee van ‘het zijn’. De natuurweten-schappen zijn zijnswetenschappen die gespecialiseerd zijn in een methodisch verantwoord ontologiseren van alles wat maar te ‘kennen’ valt binnen de grenzen van onze beperkte bestaanswereld.

[7] Stephen Gould: ‘a glorious accident’. (‘schitterend ongeluk’ is een minder geslaagde vertaling)

[8] De Bijbel, Vertaling in opdracht van het Nederlands Bijbelgenootschap, Johannes 1

[9] Johannes 1.10, NBV

[10] Bahá'u'lláh, Het Boek van Zekerheid/De Kitáb-i-Iqán, blz. 59-60

[11] Bahá’u’lláh, Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá’u’lláh, p. 88

[12] Bahá’u’lláh, Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá’u’lláh, p. 88

[13] Bahá'u'lláh, Het Boek van Zekerheid/De Kitáb-i-Iqan, blz. 59-60

[14] Genesis 1:26

[15] Genesis 1:27; vergelijk dit met 5:1-2

[16] Zie Verborgen Woorden Arabisch, no. 3 en verder

[17] Bahá’u’lláh, Bloemlezing CLIII p. 192

[18] Behorend bij eerder citaat: Bahá’u’lláh, Boek van Zekerheid.

[20] Philip Hefner: ‘created co-creators’

[21] Bahá’u’lláh, Juwelen van Goddelijke Geheimenissen/Gems of Divine Mysteries, #47, blz. 35-36

[22] Bahá’u’lláh, Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá’u’lláh, p. 107, XC.

[23] Γνοτηι Σαυτον (Gnothi Sauton) Op gebiedende wijs uitgesproken als Gnoothi sé-auton (gnîqi seautÒn).

[24] Bahá’u’lláh in Bloemlezing, hoofdstuk XC

[25] Bahá’u’lláh, XC in Bloemlezing. (De ader waarvan het leven afhangt, waardoor het leven binnenstroomt)

[26] Je eigen tamboer: de non-combattante trommelaar in je, klokkenluider, bazuinblazer = stem van je eigen geweten

[28] ‘Abdu’l-Bahá in Beantwoorde Vragen

[29] Selections from the Writings of 'Abdu'l-Bahá, p. 79-80

[30] Baha'u'llah, Bloemlezing uit de Geschriften van Baha'u'llah, p. 111, XCIII.

[31] Compilaties, Onze Natuurlijke Bronnen - compilatie

[32] Bahá’u’lláh, Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá’u’lláh, p. 107, XC.

[33] Bahá’u’lláh, Bloemlezing XXVII p. 44

[35] To the heaven of Thy loving-kindness lift me up, O my Quickener, and unto the Day-Star of Thy guidance lead me, O Thou my Attractor! (Baha'u'llah, Prayers and Meditations by Baha'u'llah, p. 258)

[36] Gebed 40 in het gebedenboekje 2005