Contemplatieve psychologie


[ Commentaar graag naar Eric en Wil, email info@ericwil.nl ]

In het ledenblad voor psychologen, De Psycholoog, verscheen in November 2007 een opmerkelijk interview met contemplatief psycholoog Han de Wit. Opmerkelijk omdat binnen de muren van ‘het psychologisch laboratorium’ nooit ruimte was voor zoiets als ‘contemplatieve psychologie’. Omdat 'dat soort' psychologie niet strikt materialistisch en ‘objectief’ kwantificeerbaar zou zijn, en dat is toch een vereiste om een keurige natuurwetenschap te zijn. Er heerste immers een streng taboe op termen als ‘heilspsychologie’. Met ‘heil’ mocht de wetenschappelijke psychologie immers nooit geassocieerd worden.

 

Geertje Kindermans schrijft voor De Psycholoog:

 

Ooit begon de psychologie met het introspectief onderzoeken van de menselijke geest, maar vooral door toedoen van het behaviorisme kwam daar de klad in. Alleen hard onderzoek telde. Inmiddels is het onderzoek weer opgeschoven naar gebieden waarvan we in de tijd van het behaviorisme niet hadden durven dromen dat ze wetenschappelijk te onderzoeken waren. Zelfs het onbewuste wordt onderzocht. Vernieuwing is nodig binnen de psychologie en een open geest siert ons, maar hoever moeten we gaan?

 

De gedachtestroom als object

Contemplatief psycholoog Han de Wit

 

Spiritualiteit en psychologie staan op gespannen voet met elkaar, sommige psychologen verwerpen elke link met spiritualiteit, anderen zijn juist op zoek naar een ingang. Hoever kunnen we gaan en waar ligt de grens?

 

We praten met Han de Wit, die een interessante combinatie van achtergronden heeft en de contemplatieve psychologie ontwikkelde. Van huis uit is hij researchpsycholoog en methodoloog. Als leermeesters noemt hij niet de minste namen: A.D. de Groot en H.C.J. Duijker, bij wie hij ook promoveerde. Daarnaast is hij het pad van het boeddhisme ingeslagen en is hij nu boeddhistisch leraar. Hij schrijft boeken en artikelen over contemplatieve psychologie, geeft er lezingen over en heeft internationaal een naam opgebouwd. Een gesprek met hem over de verhouding tussen de traditionele psychologie en zijn variant. En vooral over zijn claim dat contemplatieve psychologie wetenschappelijk is.

 

Mentale empirie

 

'Alle grote religieuze tradities bevatten inzichten die we tegenwoordig psychologisch zouden noemen. Ze spreken net als in de psychologie over emoties, motivatie, denken, waarnemen en bewustzijn', begint De Wit. 'Als je die inzichten bij elkaar veegt, ontdaan van hun religieuze context, dan heb je een eigensoortige psychologie in handen. Ik heb haar contemplatieve psychologie genoemd. Met de term contemplatie wordt oorspronkelijk het onbevangen schouwen, observeren, introspecteren van onze ‘mentale empirie’ aangeduid. Alle grote religies bezitten wel iets van een contemplatieve psychologie, maar vooral bij het boeddhisme is dat het geval, omdat deze religie geen godsdienst is: ze is niet op het aangaan of het onderhouden van een relatie met een God gericht, maar op het cultiveren van de menselijke geest. Daartoe moeten we de aard van de menselijke geest wel kennen en dat betekent dat we hem moeten kunnen onderzoeken. Omdat het boeddhisme daarvoor een betrouwbare methode van introspectie heeft in de vorm van inzichtmeditatie (Sanskriet: vipashyana) bevat het daardoor ook een rijke contemplatieve psychologie.'

 

De traditionele psychologie en de contemplatieve psychologie gaan dus over dezelfde onderwerpen, maar verder lijken ze ver van elkaar af te staan. In hoeverre kunnen we contemplatieve psychologie toch als een vorm van psychologie beschouwen?

 

De Wit vindt dat dit het geval is. Sterker, contemplatieve psychologie is zelfs wetenschappelijk, stelt hij. Tenminste, als je de definitie van wetenschap iets ruimer opvat dan gebruikelijk. 'De wetenschappelijke psychologie zegt dat het object van onderzoek intersubjectief waarneembaar moet zijn, dat meerdere onderzoekers hetzelfde onderzoek moeten kunnen uitvoeren en dat er verschillende keren gemeten moet worden, door verschillende personen. Bovendien moeten het onderzochte en de onderzoeker onafhankelijk van elkaar zijn. Bij zelfonderzoek is die onafhankelijkheid er niet en dus kan onze geest zichzelf niet onderzoeken.' Volgens deze criteria kunnen we contemplatieve psychologie inderdaad niet ‘wetenschappelijk’ noemen, geeft hij toe.

 

Als betrouwbaarheidscriterium voor onderzoek zou je echter ook herhaalde meting door dezelfde persoon kunnen hanteren, stelt hij dan. 'Dit is wat Wilhelm Wundt via introspectie heeft gedaan. Alleen hanteerde Wundt geen uitgewerkte methode. Binnen de contemplatieve psychologie bestaat die methode wel.' En die methode wordt dus al eeuwenlang door boeddhisten gebruikt, stelt De Wit. 'Als je je eigen gedachtestroom waarneemt, is de waarnemer niet hetzelfde als het waargenomene. Anders gezegd: de "onderzoeker" (het observerende) is onafhankelijk van het "onderzochte". Daarmee is aan de onafhankelijkheidseis voldaan en kunnen we onderzoek naar de mentale empirie door middel van introspectie ook ‘wetenschappelijk’ noemen.'

 

Op die manier je eigen geest onderzoeken, kun je niet van de ene dag op de andere, maar moet je leren. 'Maar daarin wijkt het niet af van de traditionele onderzoeker, want die heeft ook opleiding en training nodig om goed onderzoek te kunnen doen', aldus De Wit.

Dat neem niet weg dat een ander nooit toegang tot jouw gegevens heeft. Het is oncontroleerbaar. 'Oncontroleerbaar voor anderen, maar niet voor jezelf, via herhaalde meting', reageert De Wit. Bovendien is de methode ook door anderen te gebruiken, die daarmee dezelfde conclusies kunnen trekken. Daarom, met deze ruimere definitie, beschouwt De Wit contemplatieve psychologie ook als een wetenschap.

 

Hierover heeft hij vaak met zijn leermeester in de psychologie, Adriaan de Groot, gesproken, vertelt hij. 'Hij wordt als man van de harde wetenschap gezien, maar zijn boek Het denken van de schaker ging over subjectieve en mentale empirie, een term die hij zelf gebruikte.' Nu onderzocht hij niet zijn eigen gedachten, maar die van een ander. De Wit: 'Hij vond dit in ieder geval een interessant thema.'

 

Graafwespen

 

Dat zo'n bredere definitie van wetenschappelijkheid niet zomaar geaccepteerd wordt door (academische) psychologen, begrijpt DeWit ook wel. 'Men is bang om in onwetenschappelijk vaarwater terecht te komen. Dat heeft voor een deel te maken met het ongeloof dat je objectief onderzoek naar je eigen gedachten kunt doen, onderzoek met een bepaalde betrouwbaarheid en validiteit. En het heeft te maken met de manier waarop je tegen empirie aankijkt.' De academische psychologie en de contemplatieve psychologie moeten daarom niet tegenover elkaar gezet worden, maar kunnen van elkaar leren, stelt hij.

 

Door het object van onderzoek goed te observeren en er langer naar te kijken, ga je meer onderscheiden. Dat kan vooral in het begin, als een onderzoeksgebied nog ontwikkeld moet worden, vruchtbaar zijn. Hij haalt een voorbeeld aan van de ethologie.

 

'Een van de eerste Nederlandse wetenschappers, professor Barends, lag dagen op de hei in Drenthe en observeerde een graafwesp. De wesp kwam aanvliegen en ging op een gegeven moment zijn holletje in. Naarmate de onderzoeker dit langer observeerde, begon hij structuur te zien: de wesp ging eerst naar één tak, daarna naar een andere en dan pas vloog hij naar zijn holletje. Door goed observeren, ontstond een nieuw onderzoeksveld.

Hetzelfde kan opgaan voor de psychologie, als deze ook de mentale empirie als veld van onderzoek gaat accepteren. Wie de mentale processen van mensen wil onderzoeken, kan zijn eigen gedachtestroom als onderzoeksobject nemen en dit observeren, net zoals Barends dat met graafwespen deed.'

 

Maar moet je dat ook wetenschappelijk noemen? ja, vindt De Wit, want dat ís het. 'Als je bereid bent je definitie van empirie en van wat je onder betrouwbaar onderzoek verstaat aan te passen.' Nee, zal menig wetenschappelijke psycholoog zeggen, want we passen de definitie niet aan.

 

Perceptuele kennis

 

Er is nog een verschil met de traditionele wetenschap. Want meditatie of introspectie levert geen traditionele wetenschappelijke kennis op. Het is geen conceptuele kennis die je in handboeken kunt zetten en via begrippen kunt overdragen op anderen. Je moet het zelf ervaren en kunt een ander helpen het eveneens zelf te ervaren.

 

De Wit: 'Er zijn twee grote bronnen van kennis: perceptuele kennis en conceptuele kennis. Conceptuele kennis is verbonden met taal: ze spreekt maar ziet niet helder. Perceptuele kennis ziet helder, maar spreekt niet en is daarom niet direct overdraagbaar.' Hij geeft een voorbeeld van de laatste soort kennis: 'Jij kent duizenden gezichten, maar je kunt ze niet alle duizend beschrijven, daar heb je de concepten, de taal niet voor. Toch kun je de gezichten feilloos uit elkaar houden. Daarmee is het een vorm van kennis.'

 

Toch maakt die perceptuele kennis geen onderdeel uit van wat we gewoonlijk psychologische kennis noemen, want die kennis is conceptueel. De Wit: 'In strikte zin is hetgeen de contemplatief psycholoog leert, ook geen kennis, maar een ‘kennen’. Een kenhouding.'

 

Trainen

 

Als De Wit uitlegt wat er gebeurt bij de beoefening van de eerder genoemde inzichtmeditatie, gebruikt hij hiervoor wetenschappelijke termen. 'Als je je mentale empirie wilt onderzoeken, als je zicht wilt krijgen op hoe je je ervaring van moment tot moment aankleedt met de mentale empirie, moet je er onderzoek naar doen. En dat doe je door de externe variabelen van de zintuiglijke empirie constant te houden: je gaat stil zitten op een plek waar het rustig is en je richt je aandacht op je gedachtestroom, op de mentale inhouden die zich in een onophoudelijke stroom aan je aandacht voordoen. Je observeert de mentale empirie. Af en toe verlies je je in die stroom, je aandacht raakt bevangen in wat zich voordoet in die stroom en daardoor zie je de stroom zelf niet meer helder. Dat kan gebeuren en daarom, om goed introspectief onderzoek te kunnen doen, moeten we het trainen.'

Door deze specifieke vorm van onderzoek, word je in het dagelijks leven ook alerter op wat zich in de zogenaamde 'buitenwereld' afspeelt. 'Het resultaat is bijvoorbeeld dat je zicht begint te krijgen op hoe je alles wat je via je zintuigen binnenkrijgt, van moment tot moment aankleedt met allerlei gevoelens en gedachten zonder je dat bewust te zijn', legt De Wit uit. 'Stel, je ziet op straat een goede vriend lopen. Je denkt dat hij objectief buiten je loopt, maar dat is niet zo. Er loopt geen objectief 'goede vriend' buiten, maar iemand, waaraan je goede herinneringen hebt en waarbij je de associatie van goede vriend hebt. Daarom vraagt de contemplatieve psychologie: waar bevindt die goede vriend zich, op straat of in mijn hoofd of allebei een beetje en hoe dan wel?'

 

Subtiele observaties

 

Vooralsnog zal de wetenschappelijk psycholoog - De Wit spreekt liever van de academisch psycholoog - contemplatieve psychologie niet als wetenschap erkennen. Daarom een volgende vraag: wat heeft een psycholoog concreet aan het werk van De Wit? Doet elke psycholoog er bijvoorbeeld goed aan inzichtmeditatie te beoefenen?

 

Hoewel ieder mens er iets aan kan hebben, hoeft dat van De Wit helemaal niet. Voor psychotherapeuten kan het echter wel nuttig zijn om te mediteren. 'Als je zicht hebt op waar en in welke mate je datgene wat je ervaart, aankleedt met allerlei mentale verwachtingen, herinneringen, hoop en vrees - en dat allemaal op het moment zelf - dan kun je daar in therapie gebruik van maken. Dan zie je zuiverder wat er bij de ander aan de hand is en wat bij jezelf speelt. Het vermogen om zo te zien, kun je ontwikkelen door inzichtmeditatie. Zo vergroot je je sensitiviteit.' Overigens is dit niet de enige manier om dat te doen, zegt hij. Maar het is wel een goede, want een beproefde, methode, die in veel culturen gebruikt is.

 

'Mijn leraar had zo'n heldere perceptie, dat mensen zich afvroegen of hij niet helderziend was. Maar dat was hij niet, hij zei: "Ik zie het gewoon." Hij ving van ieder mens subtiele signalen op en deed dat met een grote helderheid en nauwkeurigheid, waarmee wij slechts onze meest nabije geliefden kunnen lezen.'

 

Heilspsychologie

 

De Wit heeft het begrippenkader van de contemplatieve psychologie ontwikkeld omdat daarmee de psychologische inzichten van de grote spirituele tradities goed zijn over te dragen. Hij heeft de taal van de psycholoog daarom ook nodig, omdat hij mensen zo het beste kan begeleiden op het meditatiepad. 'De theologische taal, die in het verleden veel gebruikt is, wordt in deze tijd niet meer goed verstaan', legt hij uit. 'Termen als drie-eenheid, zonde, schuld, zijn obsoleet geworden.' Vooral omdat het boeddhisme geen godsbegrip kent, ligt de taal van de psychologie voor de hand. De termen worden door hem dan wel op een speciale manier gebruikt, die je bij heilspsychologie zou moeten onderbrengen. 

<terug naar pagina