Onze antropomorfe wereld


[ Commentaar graag naar Eric en Wil, email info@ericwil.nl ]

Het Griekse anthrôpomorphos[1] betekent ‘van menselijke gedaante’, ‘op de mens lijkend’. OK, dus geheel passend in onze redeneerlijn zou je zeggen: mensen scheppen altijd een werkelijkheid naar hun eigen beeld en gelijkenis, inderdaad, antropomorf dus. Maar in een sfeer van het rationalisme, het modernisme en sciëntisme wordt het antropomorfe denken nog steeds gezien als ‘fout’ en onwetenschappelijk, als niet-rationeel, dus als irrationeel. In het nieuwe denken[2] wordt de reminder ‘Waak erover dat je steeds antropomorf denkt’ positief gebruikt, dus niet zozeer als waarschuwing tegen ‘fout denken’. Antropomorf denken als definitieve basis van alle menselijke kennis. De menselijke soort is niet in staat om niet-antropomorf te denken. Overigens vigeert bij sciëntisten ook nog steeds het gebod om ‘puur rationeel’ te denken en niet meer iets te ‘geloven’. Maar in feite weet zowat iedereen dat sciëntisten slechts geloven dat de wetenschap alle religies op termijn zal vervangen. De menselijke soort, homo religiosus, is niet in staat om niet-religieus te zijn. Als bepaalde wetenschappers zichzelf vol trots ‘reductionist’ noemen, of ‘materialist’, of ‘niet-religieus’, dan verloochenen zij het feit dat het reductionisme zelf, het materialisme, het naturalisme en het evolutionair toevallisme allemaal vormen zijn van religieuze overtuiging. Overigens, dat moet gezegd, hun religiositeit is inderdaad veel rationeler van aard dan de religiositeit van de antiwetenschappelijke, anti-intellectuele ‘blinde gelovige’!

 

Laten we eens vertrekken van de waargenomen wereld (WW), om op weg te gaan naar meer werkelijkheid teneinde dichter bij de ‘glimlach’ van de onbenoembare Werkelijkheid te komen. Ik gebruik hierbij graag het boek van Dick Mesland, Het biologische misverstand, een gesprek over bewustzijn[3]. Onze bewust waargenomen wereld (‘WW’ noemt Mesland die) komt antropomorf tot ons via onze lichamelijke zintuiglijkheid (met ons brein als een soort centrale informatieverwerker), dat hadden we eerder al duidelijk gemaakt. Deze WW is antropomorf, want een andere diersoort neemt via een andere zintuiglijkheid een volstrekt andere wereld waar, meer of minder (of niet) gecentraliseerd in een ‘brein’, en wel of niet in een eigen ‘bewustzijn’, dat laatste is hier verder niet echt belangrijk.

 

De WW kunnen wij voortdurend benoemen met namen en attributen die wij daarvoor gebruiken. En over het algemeen voldoet dat systeem, hoe gereduceerd dat antropomorfe benamingsysteem ook is, vergeleken met een mogelijke ‘echte werkelijkheid’ die we niet kunnen benoemen, maar die we wel kunnen (en wel moeten) veronderstellen. Vraag een kwantumfysicus maar eens wat ‘materie’ in werkelijkheid is, dan zal hij zeggen dat hij dat niet weet! ‘Materie’ bestaat voor hem uit een voorlopige set van intellectuele en vooral wiskundige abstracties, volkomen los van onze basale, zintuiglijke gewaarwordingen bij onze dagelijkse omgang met stoffelijke zaken. Materie is voor de kwantumfysicus eigenlijk ‘onstoffelijk’! Juist de kwantumfysicus kan met gemak veronderstellen dat ‘achter’ die kwantumfysische abstracties nóg meer abstracties verondersteld kunnen worden. Sterker nog, dat een ‘achterliggende’ onstoffelijkheid de oorzaak kan zijn van de van de ons bekende ‘materie’ die bijvoorbeeld slechts via een 'Higgs-veld' gematerialiseerd wordt. Ons waarnemend lichaam is echter net zo ‘materieel’ als alle andere ‘materiële’ aspecten van de waargenomen wereld (WW) waarin wij leven en hoort dus ook in WW thuis. Een kwantumfysicus zou meteen kunnen toegeven dat ook ons waarnemend lichaam in werkelijkheid ‘veroorzaakt’ kan worden door niet-waarneembare (onstoffelijke) oorzaken.

 

We kennen ons ‘ware lichaam’ dus net zo min als de waargenomen wereld, zegt Mesland dan,  met andere woorden; het panorama van onze wereld, waarin wij dagelijks wakker worden en actief zijn, waarin ieder zijn eigen geschiedenis schrijft en zich bewust is van zon en maan, de natuur, de aarde en het hele heelal erbij, wordt ons voorgetoverd door een volstrekt ongekend lichaam dat werkzaam is in een volstrekt onbenoembare, achterliggende en oorzakelijke werkelijkheid, een werkelijkheid die we nooit zullen kennen. “Beide, het Onbenoembare èn daarin het menselijke lichaam, geven in het bewustzijn van de levende mens het ontzaglijke licht, de ruimte en de oogverblindende natuur die wij ‘de’ waargenomen wereld (WW) noemen”, zegt Mesland. Onze waargenomen wereld (WW) is een bewerking door ons lichaam (L) van de onbekende Realiteit (R), dus: WW=L[R], de ‘levensformule’ volgens Mesland. Maar tevens is ons waargenomen lichaam (WL) óók een bewerking door ons lichaam van ons onbekende Lichaam (L), dus WL=L[L] Zowel ons ware Lichaam als onze ware Realiteit kennen we niet. We kennen slechts hun antropomorfe afbeeldingen in ons bewustzijn, en van dat bewustzijn, vol van beperkte, antropomorfe afbeeldingen maakt ons geestelijk leven gebruik. [Ik herinner me dan die zin in het Evangelie naar Johannes (1,14) waarin staat "Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond"....]

 

Mesland maakt op zijn manier duidelijk dat ons geestelijke leven gebruik maakt van een bewustzijn dat onze lichamelijkheid (met ons brein erin) omvat, en niet andersom. Het lichaam levert aan ons hersenbewustzijn een waargenomen wereld (WW), maar die wordt primair vanuit ons bewustzijn eigenlijk al vóórondersteld! De antropomorfe werkelijkheid waarin wij mensen leven wordt vormgegeven door ons lichamelijke brein, maar wordt door onze geest en ons bewustzijn tegelijk al vóórondersteld. Wij mensen leven op een planmatige manier in een gereduceerde werkelijkheid, namelijk in een antropomorfe. Het vooronderstellen door- en de prioriteit van ons bewustzijn noemt Mesland een ‘reducerende openbaring’.

“Wanneer in een logische filosofische beredenering slechts de waargenomen wereld (WW) als uitgangspunt wordt gekozen om begrip te krijgen van ons ware bestaan, dan leidt dat dus onvermijdelijk tot valse conclusies”, zegt hij.

 

Een andere auteur die zich met de werkelijkheid bezighoudt is Frits van Haeften[4]. Hij maakt een interessant onderscheid tussen waarheid en echtheid. Waarheid heeft dan veel te maken met de WW van de waargenomen wereld. Echtheid is ‘waarheid van hoger niveau’ zou je kunnen zeggen. In echtheid zit altijd waarheid, maar in de talloze, uiteenlopende, losse waarheden zit maar zelden de kwaliteit van echtheid. Echtheid en waarheid blijven steeds twee kanten van de levenservaring. Bijvoorbeeld het authentiek aanvaardende doorleven van het volle leven is echt, maar zodra je erover gaat nadenken, je leven gaat analyseren, jezelf gaat uitpluizen, dan kan dat allerlei waarheid opleveren. Waarheden zijn veelal gevangen binnen een rationeel logisch denksysteem terwijl echtheid daar boven uit stijgt. Iemand die voortdurend rationele waarheden uitkraamt kan door de medemens als onecht, als ‘fake’ ervaren worden, terwijl een ander als waarachtig, oorspronkelijk, integer, zuiver op de graad, consistent, betrouwbaar, kortom als ‘echt’ ervaren kan worden terwijl zijn of haar verhaal als ‘niet-rationeel’ en ‘niet-logisch’ gekenmerkt kan worden. Factoren als intuïtie, aanvoelen, inlevingsvermogen, synchroniciteit, parazintuiglijkheid, etc, zijn van een niet-rationele en niet-logische categorie (waar je overigens altijd kritisch mee om moet gaan). Met waarheden kun je nog manipuleren, met echtheid niet. Echtheid komt naar ons toe, net als een verrassende, zich openbarende waarheid die we buiten onze analyse om ontvangen. Daar waar echtheid over de zich openbarende waarheid valt, pas daar is sprake van ‘levende waarheid’.

 

Van Haeften schrijft dan bijvoorbeeld “Denk aan liefde, haat, hoop, angst, wanhoop, geloof en vertrouwen. Daar kan de waarheid niet gevangen worden binnen de beperkingen van logische denkregels. Er is dan vaak geen eenduidige waarheid die de logische tegenspraakregel volgt. Het logisch-consistente oordeel, dat het tegendeel uitsluit, moet dan worden verbreed door het insluiten van het andere oordeel. In plaats van óf het ene, óf het andere is waar, geldt dat zowel het ene als het andere waar is. Deze paraconsistente verbreding van de waarheidsnorm is vooral in gebruik bij esthetische, ethische en religieuze beoordelingen. Deze tweeduidigheid is typisch voor het inclusieve denken en treedt vooral op wanneer het gevoel mee gewogen wordt.”

 

Over het exclusivistische óf/óf-denken schreef ik zelf elders:

Sowieso, als we de fundamentele beperktheid en de contextrelativiteit van onze menselijke geest aanvaarden, pas dan is ‘openheid van geest’ mogelijk. Pas dan wordt een vruchtbare dialoog en wederzijdse kruisbestuiving mogelijk. Genuanceerde discours op basis van bescheidenheid levert geestelijke evolutie op. Ongenuanceerd ‘zeker weten’, verankerd en geharnast in een klemvast “óf/óf-denken” levert alleen een vicieuze cirkel op van fanatiek debat waar we nooit samen uit komen. Een gesloten systeem van statische posities, van absolutistisch denken, exclusivistisch, monolithisch, fundamentalistisch, dogmatisch, en van een totaliserend eigen gelijk levert alleen confrontatie op, conflict en oorlog. De voortgaande wetenschap/religie-dialoog wordt nogal eens geblokkeerd door fel debat, soms een ware ‘War on Words’, zoals tussen anti-theïstische neodarwinisten en naïef gelovige creationisten of aanhangers van Intelligent Design. Allemaal het nare gevolg van vastgevroren ‘zeker-weten’-posities. We zullen op alle gebieden dat scheidingsdenken in “óf/óf” moeten loslaten en vervangen door het denken in “èn/èn/èn, waarbij vooral die derde “èn” heel belangrijk is, want die vertegenwoordigt het besef dat er altijd nog véél meer te begrijpen valt dan waar we rationeel zo ‘zeker’ van zijn.”

 

Over de echtheidsgewaarwording schrijft Van Haeften verder: “Terwijl waarheid uit kan monden in een oordeel, draagt echtheid meer het gevoelskarakter van een ongerepte oorspronkelijkheid. Echtheid is niet aan het licht te brengen door het formuleren van rationele oordelen, maar is wel een kenmerk dat een waar oordeel aankleeft. Het echte en het ware zijn niet in overeenstemming te brengen met schijn en illusie. Echt is altijd verbonden met onvoorwaardelijke bevestiging. Het is er zonder uitleg, maar heeft ook een smaak van herkenning, een besef dat het echte er al was voordat er iets gebeurde en geheel los staat van het verstandelijk oordelen.” Een mooie alinea: “Het hart heeft zijn redenen die de rede helemaal niet kent. De ‘redenen van het hart’ zijn, naast die van het hoofd, voor de volle waarheid onontbeerlijk. De redenen van het hart betreffen volgens Blaise Pascal[5] niet alleen fundamentele persoonlijke keuzen en onze liefde, maar ook de eerste kennisbeginselen – denk aan bewustzijn, ruimte en tijd, beweging en getallen. Die worden met grotere stelligheid door het hart gekend dan met redeneringen (esprit de géometrie). Die persoonlijke kennis van het hart – esprit de finesse – wordt volgens Pascal nog overtroffen door een andere bevattelijkheid, namelijk voor het bovennatuurlijke – esprit de grace. Bij dit laatste is waarheid een openbaringsgebeuren.”

 

Homo sciëntificus/religiosus

 

Leven wij, zoals we eerder al vaststelden, in een dubbele matrix, die van de natuur en die van het ontologiserende bewustzijn, wij zijn ook ‘dubbel’ op een andere manier. De menselijke soort is zowel een gelovige soort, homo religiosus, als een wetenschappelijke soort, homo sciëntificus.

Die tweede identiteit, homo sciëntificus, is pas goed tot ontwikkeling gekomen in deze Tweede Axiale Periode[6]. De rationele homo sciëntificus bestudeert zichzelf nu als de onverbeterlijk gelovige soort, homo religiosus. Sterker nog, veel rationalisten en sciëntisten geloven dat de wetenschappelijke rationaliteit het helemaal zal gaan overnemen van alle vormen van geloof en religie. En met die vurige devotie bewijzen zij zichzelf weer eens duidelijk als leden van onze primair gelovige soort, homo religiosus. Het rationeel Verlichtingsfundamentalisme wijst maar weer eens op het gemak waarmee strengdogmatische mentaliteiten binnen de menselijke soort gevormd kunnen worden.

 

Het geloof in rationaliteit is vooral in het rijke, bevrijde Westen dermate virulent geworden dat er bij een bepaalde groep auteurs (de ‘nieuwe atheïsten’ van na nine/eleven) nu zelfs sprake is van een ware jihad tegen alle vormen van geloof. Met scherpe pen, geestdriftig vuur, een bedreven charisma en een overtuigde vanzelfsprekendheid beklimt een aantal moedige strijders[7] de barricades. Als een heldhaftige militie veroveren deze ‘nieuwe atheïsten’ de snel groeiende boekenmarkt van religiekritiek. Zij voeren een fanatieke jihad tegen dat achterlijke begrip ‘God’ en die schadelijke gewoonte van godsdienst, eigenlijk tegen alles wat maar mythisch, spiritueel, mystiek of religieus aandoet, maar met name tegen georganiseerde religie. We zouden de wereld moeten verbeteren door een totalitaire Ausradierung van alle vormen van religie, door de vervanging van al die irrationaliteit door pure rationaliteit. Rationalisering, dát zal de wereld verbeteren, maar dan zal de wereld eerst bevrijd moeten worden van dat primitieve ‘God-mem’ uit onze geheugenplaats, en van die dwaalweg van religie. Na 11 september 2001 wordt die gedachte bij vele Westerse mensen gekoesterd. En de reactie, een half jaar later, op nine/eleven vanuit het Bahá’í Hoofdbestuur is realistisch genoeg: “Met elke dag die voorbij gaat groeit het gevaar dat de oplaaiende vuren van religieus vooroordeel een wereldwijde brand zullen veroorzaken waarvan de gevolgen onvoorstelbaar zijn. Een dergelijk gevaar kan het burgerlijk bestuur niet op eigen kracht keren.” [8]

 

Hoe klein de categorie nieuw-atheïstische scherpslijpers ook is, toch brengt het ons tot een eerlijk nadenken over ons eigen geloof. Alleen al het ene boek van Richard Dawkins over “God als misvatting” [oorspronkelijk‘delusion’, beter te vertalen in hersenschim, of waanidee, bedrog, zinsbegoocheling] gaat als warme broodjes over de toonbank van Hollandse boekhandels en bibliotheken. De strijd tegen alle vormen van Bijgeloof hééft ook iets heiligs! Het lijkt bijna alsof Gods eigen hand achter dat project zit, alsof bovengenoemde atheïsten juist doen wat God wil. Niet alleen worden we ons bewust van de schadelijkheid van religieus fanatisme, maar ook van de schadelijkheid van bepaalde mentaliteiten zoals van het dogmatisme, exclusivisme, finalisme en triomfalisme. En daar zullen we op basisniveau, vanuit de grass-roots zelf dus, toch wat mee moeten. De georganiseerde religies zijn kennelijk niet in staat om zichzelf te wijzigen: “Tot een wezenlijke heroriëntering lijkt het religieus leiderschap voor het merendeel niet in staat”, schreef het Bahá’í Bestuurscentrum, “Het overgrote deel van de georganiseerde religie staat als verlamd aan de drempel van de toekomst, nog altijd in de greep van dezelfde dogma’s en aanspraken op geprivilegieerde toegang tot de waarheid die debet waren aan enkele van de bitterste conflicten die de wereldbevolking ooit hebben verdeeld”, “Men moet zich afvragen wat de uiteindelijke oogst is van het zaad dat in het bewustzijn van de mensen werd gezaaid door de blinde krachten van het sektarisch dogmatisme die zulke conflicten uitlokten”.[9]

 

De strijd tegen alle vormen van Bijgeloof hééft iets heiligs en het is alsof Gods eigen hand achter dat ‘nieuw-atheïstische’ project zit, alsof zij juist doen wat God wil: “Gezegend is Hij Die doet wat Hij wil door een woord op zijn bevel. Hij is, waarlijk, de Ene Ware, de Kenner van de onzichtbare dingen. Gezegend is Hij Die ieder die Hij wil bezielt met alles wat Hij maar wenst door Zijn onweerstaanbare en ondoorgrondelijke bevel. Hijzelf is Degene Die helpt wie Hij wenst met de legers van de onzichtbaren. Zijn macht is, in waarheid, gelijk aan Zijn doel, en Hij is werkelijk de Alglorierijke, de Bij-Zich-Bestaande. Gezegend is Hij Die verheft wie Hij maar wil door de kracht van Zijn soevereine macht en iedereen bekrachtigt die Hij uitkiest naar Zijn welbehagen. Wel gaat het hem die begrijpt!” [10]

 

Eeuwen lang hebben niet-gelovigen (de term ‘atheïst’ kwam pas veel recenter in omloop), dwars tegen de heersende theocratische machten in, stilletjes gemokt en binnensmonds gemompeld “En tóch bestaat God niet, kijk maar om je heen, je komt Hem nergens tegen”. Overigens leefden ze lang en gelukkig zónder zo’n God, juist door vooral niet op de barricades te klimmen, want ze hadden inmiddels geleerd om dát niet te riskeren. De meesten waren gewone, beschaafde, goede burgers, compleet met een ontwikkeld eigen geweten en een humanistische moraliteit.

De wending kwam na de Verlichting. De natuurwetenschap emancipeerde zich razendsnel en bevrijdde zich definitief uit de machtige greep van de religieuze autoriteit die zich gewoonlijk met goddelijk mandaad opstelde als dé Scheppingsdeskundigen. De wetenschap emancipeerde zichzelf door het consequent volvoeren van het grote project van de uitdrijving van God uit het natuurkundig oorzakelijke, dus men leerde op de universiteit om niet meteen naar God te grijpen als oorzakelijke Factor bij natuurkundige fenomenen, maar om met methodische gestrengheid zelfstandig en onafhankelijk te onderzoeken hoe het nou werkelijk zit. Niet meer Bijgeloof, maar feitelijke waarheid. ‘Alleen de zwakke van geest heeft nog Bijgeloof nodig’.

 

De religie van de rationaliteit

 

Maar gaandeweg heeft de zelfbeschouwende soort, homo sapiens sapiens, genoeg zelfreflectie ontwikkeld om uiteindelijk te beseffen dat de religie van de rationaliteit absoluut niet toereikend is om ons genoeg ‘reality-check’ te geven, ook niet om ons innerlijke contact met de menselijke werkelijkheid te verbeteren, en vooral niet om meer contact met De Werkelijkheid te krijgen.

De Werkelijkheid die ons openbaart:

 

“Ieder woord dat uit Gods mond komt, is met zulk een kracht geladen dat het elk menselijk lichaam met nieuw leven kan bezielen. Alleen al door de openbaring van het woord "Vormer", dat van Zijn lippen stroomde en Zijn hoedanigheden aan de mensheid verkondigde, is zo'n kracht vrijgekomen, dat vele eeuwen achtereen de veelsoortige werken die mensenhanden voortbrengen, konden ontstaan. Nauwelijks is dit schitterende woord uitgesproken of de bezielende kracht ervan, die in al het geschapene bestaat, roept de middelen en werktuigen in het leven waarmee dergelijke werken kunnen worden voortgebracht en vervolmaakt. Alle wonderbaarlijke werken waarvan gij nu getuige zijt, zijn de rechtstreekse uitwerking van de Openbaring van deze Naam. In de komende tijd zult gij voorzeker dingen zien, waarvan gij voordien nimmer hebt gehoord. Aldus is bevolen in de Tafelen Gods, en geen mens kan dit begrijpen behalve degenen met een scherpe blik. Evenzo zal - op het moment dat het woord, hetwelk Mijn hoedanigheid "de Alwetende" uitdrukt, uit Mijn mond klinkt - ieder geschapen ding overeenkomstig zijn capaciteit en beperkingen, worden bekleed met het vermogen om de kennis van de meest wonderbaarlijke wetenschappen open te leggen, en in staat worden gesteld deze in de loop van de tijd openbaar te maken op bevel van Hem Die de Almachtige, de Alwetende is. Weet voorzeker dat de Openbaring van iedere andere Naam gepaard gaat met een gelijksoortige onthulling van Gods macht. Iedere letter op zichzelf, die voortkomt uit de mond Gods is met recht een moederletter, en ieder woord dat wordt geuit door Hem, Die de Bron is van goddelijke openbaring, is een moederwoord en Zijn Tafel een Moedertafel. Wel ga het hen die deze waarheid verstaan.” [11]

 

Wat betreft het openbaringswoord ‘Vormer’ (zie citaat): “God vormde de mens naar Zijn beeld en gelijkenis”, dus als een soort spiegelbeeld van de Schepper, goed, maar dan vormde God ons dus allereerst als ‘scheppers’; wij zijn geschapen medescheppers.[12] Zo vormen (ontologiseren) wij naar óns beeld en naar ónze gelijkenis een volstrekt mensvormige (antropomorfe) werkelijkheid waarin ons lichamelijke functioneren voortdurend als model gebruikt wordt!

 

Het eerste wat wij – van onze geboorte af – van ons lichamelijke functioneren beleven is onze mobiliteit. Onze mobiliteit (gecoördineerd lopen, manipuleren, tillen, verplaatsen, werpen, etc) ervaren wij volstrekt mechanisch! Wij hebben onze mechanische mobiliteit vanaf ons ontstaan verlengd met machinale artefacten, stokken, stenen, touwen, sleden, wielen, en later ook auto’s, treinen, vliegtuigen, raketten, etc. De immense diversiteit aan machines is inmiddels dermate in onze leefwereld geïntegreerd geraakt dat wij een compleet mechanistisch denkpatroon ontwikkelden. In onze taal zitten vastgebakken uitdrukkingen in de trant van ‘het mechanisme van dat-en-dat werkt zus-en-zo..’. Wij zijn de gehele werkelijkheid mechanistisch gaan aanschouwen, en als ‘vormer’ (zie citaat) hebben we een mechanistisch wereldbeeld in ons bewustzijn gevormd.

 

Zoals wij naar óns beeld en naar ónze gelijkenis een volstrekt mensvormige werkelijkheid scheppen, zo ontologiseerden wij met onze mechanistische instelling ook een ingenieurachtige God, een soort Grote Klokkenmaker, en die bestaat natuurlijk niet. Eigenlijk pas recentelijk is ons wereldbeeld aangevuld met het wezenlijker, wetenschappelijk onderbouwde organicistische paradigma. Pas sinds de zeer recente ‘nieuwe wetenschappen’[13] beseffen wij dat het mechanistische, uniformistische en dingmatige denken alleen technologische nuttigheid heeft en alleen een faciliterende functie heeft voor vruchtbaar wetenschapstechnisch onderzoek. Het mechanistische denkmodel is voltrekt niet toereikend voor het beschrijven van de werkelijkheid. Veel adequater is het denken in organische en evolutionaire processen. In dit procesdenken zijn er dan ook geen losse, op zichzelf staande en uniforme ‘onderdelen’ die samen een groter ‘mechaniek’ vormen zoals de radertjes in een klokwerk. In werkelijkheid zijn er überhaupt geen uniforme, zelfstaande ‘dingen’ of ‘radertjes’ meer, maar spreken we over ‘unieke gebeurtenissen’. De realiteit bestaat uit samenhangende gebeurtenissen (processen) die voortspruiten uit grotere, omvattende gebeurtenissen (processen). De werkelijkheid, en voor een groeiend aantal filosofen[14] ook De Werkelijkheid, is nu één onvoorstelbaar groot, evolutionair procesgebeuren.

 

Het mechanicistische denken – men noemt dit veelal het ‘Newtoniaanse denken’ – blijft natuurlijk zijn bewezen nut behouden. Maar heel veel mensen kúnnen niet zo makkelijk uit dat zeer beperkte mechanistische denkkader stappen. Het mechanistische denken zit te diep ingeworteld om makkelijk over te gaan op een realistischer organisch procesdenken.

 

De geest van de rede, van de ratio, en van het geloof

 

“De menselijke geest, die de mens van het dier onderscheidt, is de met rede begiftigde ziel, en deze twee namen - de menselijke geest en de met rede begiftigde ziel - duiden hetzelfde aan. Deze geest, die in de terminologie van de filosofen ‘de met rede begiftigde ziel’ is, overschaduwt en omvat alle wezens en ontdekt, voor zover het vermogen van de mens dat toelaat, de werkelijkheid der dingen en verkrijgt kennis van hun eigenaardigheden en invloeden en van de kwaliteiten en eigenschappen van wezens. Maar de menselijke geest wordt niet, tenzij bijgestaan door de geest van geloof, bekend gemaakt met de goddelijke geheimen en de hemelse werkelijkheden. Hij is als een spiegel die, alhoewel zuiver, gepolijst en glanzend, nog steeds licht nodig heeft. Niet voordat een zonnestraal zijn licht erop werpt, kan hij de hemelse geheimen ontdekken. Geest is de lamp, verstand het licht dat uit de lamp schijnt. Geest is de boom, en het verstand de vrucht. Verstand is de volmaaktheid van de geest en de essentiële eigenschap ervan, zoals de zonnestralen de essentiële eigenschap zijn van de zon.” [15]

 

“Evenals het dier bezit de mens zintuiglijke vermogens en is onderhevig aan hitte, kou, honger, dorst, enzovoort. In tegenstelling tot het dier heeft de mens echter een met rede begiftigde ziel - de menselijke intelligentie. Dit denkvermogen van de mens is de schakel tussen zijn lichaam en zijn geest. Wanneer de mens met behulp van zijn ziel de geest toestaat zijn verstand te verlichten, dan bevat hij de gehele schepping. Daar de mens het hoogtepunt is van alles wat aan hem voorafging en bijgevolg alle voorgaande ontwikkelingen overtreft, ligt in hem de gehele wereld van lagere orde besloten. Wanneer de mens met behulp van zijn ziel wordt verlicht door de geest, dan maakt zijn stralende intelligentie hem tot de kroon der schepping.

Wanneer anderzijds de mens hart en verstand niet openstelt voor de zegeningen van de geest, maar zich keert naar de stoffelijke kant, naar het fysieke deel van zijn natuur, dan valt hij van zijn hoge plaats en wordt hij minder dan de bewoners van het lagere dierenrijk. In dat geval verkeert de mens in een armzalige toestand! Want wanneer de geestelijke hoedanigheden van de ziel - die ontvankelijk is voor de ademtocht van de goddelijke Geest - nooit worden gebruikt, verzwakken en verschrompelen deze en worden tenslotte onbruikbaar.” [16]

 

“De eerste soort waarnemingsvermogen in de wereld der natuur is het waarnemingsvermogen van de rationele ziel. Dit waarnemingsvermogen hebben alle mensen gemeen, of ze nu onachtzaam zijn, of waakzaam, gelovigen of loochenaars. Deze menselijke rationele ziel is Gods schepping, ze omvat andere schepselen en overtreft deze; daar ze edeler en voortreffelijker is, omvat ze de dingen. Het vermogen van de rationele ziel kan de werkelijkheid der dingen ontdekken, de eigenaardigheden van wezens begrijpen en de mysteriën van het bestaan doordringen. Alle wetenschappen, kennis, kunsten, wonderen, instellingen, ontdekkingen en ondernemingen ontstaan door het toegepaste waarnemingsvermogen van de rationele ziel. Er was een tijd dat het onbekende, bewaarde mysteriën en verborgen geheimen waren; de rationele ziel ontdekte ze langzamerhand en bracht ze van het niveau van het onzichtbare en verborgene naar het rijk van het zichtbare. Dit is het grootste waarnemingsvermogen in de wereld der natuur, dat in zijn hoogste vlucht en opgang der werkelijkheid, de eigenschappen en de invloeden van de vergankelijke wezens begrijpt. Maar de universele goddelijke geest, welke de natuur te boven gaat, is de milddadigheid van de Vóórbestaande Kracht. Deze universele geest is goddelijk, hij omvat bestaande werkelijkheden en hij ontvangt het licht van de mysteriën Gods. Het is een bewust vermogen, niet een vermogen tot onderzoek en tot navorsing. Het verstandelijke vermogen van de wereld der natuur is een vermogen tot onderzoek en door navorsing ontdekt het de werkelijkheid der dingen en de eigenschappen der bestaansvormen, maar het hemelse verstandelijke vermogen dat de natuur te boven gaat, omvát de dingen en is bekend met de dingen, kent ze, begrijpt ze, ze is zich bewust van mysteriën, werkelijkheden, goddelijke betekenissen en is de ontdekker van de verborgen waarheden van het Koninkrijk.” [17]

 

In dit laatste citaat wordt onderscheid gemaakt tussen onze natuurlijke rationaliteit en ons goddelijke weten, dat van het intuïtieve hart. We herhalen even dat citaat van Frits van Haeften: “Het hart heeft zijn redenen die de rede helemaal niet kent. De ‘redenen van het hart’ zijn, naast die van het hoofd, voor de volle waarheid onontbeerlijk. De redenen van het hart betreffen volgens Blaise Pascal[18] niet alleen fundamentele persoonlijke keuzen en onze liefde, maar ook de eerste kennisbeginselen – denk aan bewustzijn, ruimte en tijd, beweging en getallen. Die worden met grotere stelligheid door het hart gekend dan met redeneringen (esprit de géometrie). Die persoonlijke kennis van het hart – esprit de finesse – wordt volgens Pascal nog overtroffen door een andere bevattelijkheid, namelijk voor het bovennatuurlijke – esprit de grace. Bij dit laatste is waarheid een openbaringsgebeuren.”

 

Het gezonde, natuurlijke, rationele vermogen moet hier nader belicht worden. Het gaat dan om een scherpe aandacht voor details in een onderzoekende geest. In de grond is dit het vermogen tot analyse van de verschijnselen in onze wereld. Er is verschil tussen analyserende en synthetiserende waarneming. [En op het vlak van de idealiserende instelling is er natuurlijk een groot verschil tussen de 'reductionistische' en de 'holistische' mentaliteit] De eerder genoemde Frits van Haeften schrijft: “Analyse berust op ontbinding in samenstellende onderdelen volgens consistent logische oordelen: iets is waar óf niet waar. Het onderscheid wordt gemaakt op exclusiviteit. Analytische oordelen zijn slechts mogelijk op de verschijnselen van de objectieve werkelijkheid. In de zelfbevattende innerlijke werkelijkheid gelden paraconsistente en inclusieve waarheidscriteria die samenvoegend, synthetisch van aard zijn. De synthetische waarheid is gekoppeld aan het weten, de analytische aan het kennen. Synthetische waarheid ontleent haar evidentie aan zichzelf, niet aan iets daarbuiten, immers het betreft een ervaringswereld waarin geen dualiteit als ‘binnen’ of ‘buiten’ geldt. Zo is het ware zelf een synthetische ervaring, aduaal en volstrekt authentiek, niet berustend op externe kenmerken.”

 

Bij analyse is er sprake van ontrafeling, het ontbinden, het uitsplitsen van een geheel in steeds kleinere ‘samenstellende delen’, het individualiseren van onderdelen, met het uiteindelijke gevolg: het fragmenteren. Bij vele wetenschappers overheerst het analytische vermogen over het synthetische vermogen, en dan ontstaat bij hen het denken in de zin van “de delen vormen samen het geheel, en daar is niets-anders-dan het toevallige samenkomen van delen voor nodig.” De werkelijkheid ‘bestaat’ dan uit toevallig samengekomen delen die vanzelf een groter geheel vormen zoals in de chemie; als je ‘toevallig’ 2 waterstofatomen samenbrengt met 1 atoom zuurstof ontstaat vanzelf 1 watermolecuul. De werkelijkheid is dan gewoon een kwestie van ‘zelforganisatie der atomen’, meer niet. Dit is eigenlijk een heel oude, zeer primitieve vorm van atomistisch denken over de werkelijkheid. Gehelen hebben geen eigen ‘bestaan’ op zichzelf, zij zijn het gevolg van samengekomen atomen. Het sciëntistisch rationalisme levert daarmee dan ook het dogma van het ‘reductionisme’ op, het “alles-is-niets-anders-dan losse en toevallig samengekomen materiële deeltjes”. Het reductionisme en het devoot aangehangen toevallisme. Voor ‘toeval’ is in de natuurkunde echter net zo min bewijs te vinden dan voor ‘God’. Echte doordenkers huiveren van dit soort naïviteit en beseffen dat het net andersom is: Het zijn de gehelen die actief en doelgericht ervoor zorgen dat de nodige ‘bouwstenen’ uit de natuur voor het functioneren van dat geheel bij elkaar gegaard en met elkaar verbonden worden! Echte doordenkers hebben naast hun analytische vermogen ook hun synthetiserende vermogen in leven gehouden. Zij reserveren reductionistische methoden uitsluitend voor wetenschapstechnisch onderzoek naar ‘feiten’ en hanteren hun holistische visie om hun vermogen tot relativering te bewaren ten behoeven van een realistisch overzicht.

 

Er zijn dan mensen die letterlijk ál het spirituele uit de wereld willen uitdrijven, al het metafysische, mystieke, mythologische eerst willen vervangen door de eenzijdigheid van mathematisch-logische algoritmen en vervolgens al die mathematisch-logische algoritmen uiteindelijk door de mechanica van de menselijke maat en maakbaarheid, de utopie van de Transhumanistische Technocratie. ‘Zelf de Schepper zijn’, reductionistische en materialistische technofantasten hebben m.i. iets van onvolwassen whizzkids.

 

De hoofdfactoren van de menselijke werkelijkheid in verbinding met De Werkelijkheid vallen rationeel niet te kwantificeren en te analyseren voor wetenschappelijk onderzoek. Denk aan liefde, haat, hoop, angst, wanhoop, geloof, vertrouwen, waarachtigheid, echtheid, schoonheid, etc. Daar kan de waarheid niet gevangen worden binnen de beperkingen van logische denkregels.

 

De evolutiewetenschappen bestuderen o.a. de levensvormen binnen hun strikt eigen niches[19]. Ook onze geestelijke, spirituele en religieuze evolutie speelt zich natuurlijk in niches af. Alle wereldreligies[20] verwijzen naar een hogere werkelijkheid die voor ons in wezen onkenbaar is, en dat is geheel verenigbaar met de evolutietheorie! Die voorspelt immers dat het kenvermogen van de mens steeds een ‘aanpassing’ is (een ‘adaptatie’) aan een veranderende ‘niche van kennis’. Het is volgens de evolutionaire visie dus zeer natuurlijk dat de niche van de menselijke soort niet alleen fysiek, maar ook intellectueel deel uitmaakt van een grotere en complexere werkelijkheid. Wij mensen hebben binnen onze niche een geheel eigen ‘logisch systeem’ ontwikkeld (op basis van onze zogenoemde ‘logische regels’), maar velen denken vervolgens dat dit logisch systeem meteen ook ‘hét enig ware logische systeem’ is om de werkelijkheid te omvatten. Dit, terwijl een ‘grotere werkelijkheid’ waarin onze logica niet van kracht is, voor ons natuurlijk ook niet te begrijpen is! En daarom hebben wij binnen onze begrensde natuurlijke werkelijkheid (dus zonder universeel omvattende logische regels) ook niet het epistemologische recht om te zeggen dat ‘de werkelijkheid’ géén paralogische eigenschappen kan hebben. De vraag blijft dus bestaan: is het echt waar dat onze logische regels ook ‘altijd’ waar zijn? Kunnen onze logische regels wel een soort 'universele' kracht dragen, terwijl er inmiddels (virtueel) andere logische systemen zijn ontwikkeld? Dat de mens in zijn leefwereld überhaupt gebruik maakt van meerdere, volstrekt uiteenlopende vormen van logica, dat mag toch als algemeen erkend worden verondersteld.

 

Waarom verdelen we ‘dé werkelijkheid’ niet gewoon in deelgebieden, het ons bekende gebied waarin onze ‘strenge’ logische regels wel gelden en onbekende deelgebieden waarin deze regels niet gelden. En vervolgens concluderen we dat onze ‘logische ruimten’ worden begrensd door onze eigen logische regels. Kortom: de ruimten waarbinnen deze regels gelden, is het deelgebied waarvoor wij evolutionair wel zijn ‘aangepast’. En de ruimte waar deze regels niet gelden, een deelgebied is waar wij evolutionair niet voor zijn ‘aangepast’ (ge-adapteerd).

 

Het komt dus echt neer op[21] ‘vertrouwen’, op waar we in ‘geloven’, en vooral: wat volgens ons ‘goed werkt’. Hoe ‘rationeel’ of ‘wetenschappelijk’ we onze eigen geest ook noemen, zij blijft gebaseerd op een zeer brede geloofsbasis, op een heel fundament van vertrouwensartikelen, op een systeem dat bestaat uit een grote verscheidenheid aan (vaak onbewuste!) uitgangspunten, aannamen, axioma’s, vooronderstellingen, geloofsovertuigingen, vooroordelen, dogma’s, tradities, drogbeelden, mens- en wereldvisies, paradigmata van waaruit we persoonlijk gemotiveerd worden tot percepties, interpretaties, houdingen, gedragingen en handelingen in de concrete omgang met onze realiteit. En met die gelovige geest proberen wij dan onze eigen geest te bekijken en te bestuderen, vanuit allerlei standpunten. Het lijkt vaak op de gymnastische oogbewegingen waarmee we proberen ons eigen netvlies te zien. Hoe scheel we onze ogen ook trekken om te proberen ‘inwaarts’ te kijken, we krijgen het niet voor elkaar om zintuiglijk en rationeel onze blikrichting om te draaien. Hetzelfde geldt voor de geest of de ‘ziel’: wàt we ook doen, we kunnen ‘de waarnemer zelf’ binnen in ons niet waarnemen, we kunnen ons niet bewust zijn van hoe we ons bewust zijn. [Hoe ‘zelfbewust’ we onszelf ook beleven… ;-}]

naar onze Vrije Wil>

[1] антропоморфизъм

[3] ISBN 978 90 8684 010 6  / 2007

[4] Frits van Haeften: Ultieme Werkelijkheid, 2002; Godskennis, 2004; Als het zacht gloeien van een glimlach, 2007

[7] Christopher Hitchens (Hitch), Richard Dawkins, A.C. Grayling, Sam Harris, Victor Stenger, Taner Edis, Daniel Dennett, Michael Onfray, Scott Atran, Steven Pinker, Jonathan Israel, Carl Sagan; eigenlijk niet meer dan 12 tot 15.

[8] Bahá’í Wereldcentrum: Brief aan de religieuze leiders van de wereld, 2002

[9] Bahá’í Wereldcentrum: Brief aan de religieuze leiders van de wereld, 2002

[10] Bahá’u’lláh, The Summons of the Lord of Hosts/Súriy-i-Haykan, #3, blz.4

[11] Bahá’u’lláh, Bloemlezing uit de Geschriften van Bahá’u’lláh, p. 88

[12] Philip Hefner: ‘created co-creators’

[13] De ‘nieuwe wetenschappen’ zoals de systeem-, chaos-, zelforganisatie-, complexiteits-, kwantum-, neuro-, informatie- en evolutiewetenschappen.

[14] Te beginnen met Whitehead, die voortbouwt op het denken van Teilhard de Chardin

[15] ‘Abdu’l-Bahá in Beantwoorde Vragen

[16] ‘Abdu’l-Bahá, Toespraken in Parijs, p. 108

[17] ‘Abdu’l-Bahá in Beantwoorde Vragen

[19] Alle levensvormen nestelen zich in zeer specifieke ecosystemen, biotopen, habitats oftewel 'niches'.

[20] En dan maak ik hier gebruik van het essay van Jan Riemersma: Waarom Evolutie Religie niet uitsluit, 2007

[21] De uitdrukking “Het komt dus echt neer op…” is in feite ook weer een reductionisme van de holist!