Predikanten Historie

    Bezoekers

    Geschiedenis Predikanten

    Predikantenbord en boek tellen een “herder” teveel

    door Frans Verkade 

    Zeker wanneer je wat langer in de oude hervormde dorpskerk  van Elspeet tegenover de preekstoel plaatsneemt, kan het je niet  meer ontgaan. Het gevaar bestaat zelfs dat de aandacht meer en meer wordt getrokken door de twee grote borden die aan beide  zijden de wand achter het spreekgestoelte sieren. Ze hangen er  sinds de kerkuitbreiding van 1991. Niet beschreven met de tien  geboden of de twaalf geloofsartikelen. Met grote letters staan hierop de namen vermeld van de predikanten die deze gemeente  over een periode van ruim vier eeuwen hebben gediend. Een indrukwekkende lijst van in totaal zesendertig personen. Het is  een sobere uiteenzetting. Van de eersten lees je nog welke namen er bij hun doopplechtigheid hebben geklonken. Al snel blijft de  vermelding beperkt tot de familienaam en de jaartallen van intrede en afscheid. Wie zich in de verschillende perioden gaat  verdiepen, valt het ook meteen op dat het hartje Veluwe ook op het kerkelijk erf niet altijd even rustig is geweest.  Het spijtige is even wel dat de vermeldingen op de borden zo dicht bij de preekstoel geen juiste weergave van het verleden aanreiken.  De fout ligt niet alleen bij onjuiste jaartallen, op de lijst kom je één naam teveel tegen. Van een persoon die nimmer als zodanig  aan de Veluwse kerkgemeente verbonden is geweest. Een man die er wel heeft gewoond en mogelijk ook gewerkt maar die daar  nooit predikant is geweest. We hebben het dan over Jean Moïse le Coultre.

    Om de namen van de predikanten uit Elspeet te bestuderen is de gang naar het godshuis niet meer noodzakelijk. In het jaar 2007  heeft de commissie Erfgoed van de Hersteld Hervormde gemeente te Elspeet een door G. van der Zwaan samengesteld boekwerkje  uitgegeven waarin je dezelfde personen tegenkomt. De auteur heeft in dit boek “Zijn daden gedenken” een poging gedaan om  zelfs meer wetenswaardigheden van de voorgangers opnieuw vast te leggen. Echter al lezend val je van de ene in de volgende  verbazing omdat meerdere tientallen gegevens elkaar tegenspreken of simpelweg niet kloppen. De ene keer een foutieve naam, de volgende keer een datum, ernstiger wordt het wanneer een dominee al als overleden vermeld staat terwijl hij jaren later  zijn werk nog in het Elspeetse heeft voorgezet. Te meer vanwege de titel van de uitgave roept deze publicatie om herstel.

    Al met al is het de hoogste tijd om de bronnen echt te laten spreken en beter zicht te krijgen op hen die geroepen waren om het Evangelie aan de gemeenteleden bekend te maken. Blijkens de uitgegeven acta van de particuliere synode in 1593 (zie Reitsma en Van Veen) hadden de in Arnhem samengekomen leden het te stellen met de vasthoudende pastoor van Elspeet. We leven dan reeds tien jaar na de invoering van de Reformatie in Gelderland. Derhalve oordelen de aanwezige leden dat ook deze geestelijke moet worden afgezet. De predikant van het naburige Nunspeet, ene Tilemannus Milius, zal zich vooreerst als een soort consulent ook over de schapen alhier bekommeren. Met zijn werk wordt de aanzet gegeven tot een gemeente die de gereformeerde leer hoog in het vaandel plaatst. Daarmee dus ook tot de lijst van de dienaren van het Woord die hier op uiteenlopende momenten de kansel hebben beklommen. Ook al gaat dit al eeuwen terug, vaak zijn en blijven we benieuwd welke namen zij hebben gekregen. Evenzo vanwaar ze zijn gekomen en waarheen ze zo mogelijk nog vertrokken. Mogelijk ook zelfs naar achtergronden van het geloofsgoed dat zij hebben overgebracht. Die interesse naar namen van predikanten bestaat al lang. Nadat de redactie van de Boekzael der geleerde werelt in april 1716 bekend maakt aandacht te geven aan het kerkelijk nieuws besluit de predikant van Ermelo, ene Jakobus van Medenbach (1660-1741), om alle predikanten die de classis Nederveluwe sedert de Reformatie hebben gediend op lijsten voor het publiek kenbaar te maken.

    Vijf bronnen met lijsten

    Juist de dominees uit deze regio worden als eersten opgesomd. Er zullen nog veel lijsten van andere gemeenten volgen. We zullen deze beschrijving van Medenbach over de periode tussen de jaren 1594 en 1720 onder de naam “lijst 1” in het vervolg nauwgezet volgen. Deze is ook als bijlage opgenomen. Ook ter plaatse moet er meer behoefte zijn gegroeid om dichtbij voor het nageslacht vast te leggen, wie hen door de tijden heen het Godswoord hebben uitgelegd. Deze op schriftstelling moet in de periode van Johannes Everwijn hebben plaatsgevonden. Hij heeft de gemeente gediend van 1780 tot 1823. Wellicht van zijn hand is het document dat thans nog in het Streekarchivariaat te Nunspeet wordt bewaard. Het heet “Naamregister der Predikanten, die van ’t begin der Reformatie tot op heden te Elspeet gestaan hebben”. Deze begint met de eerste zeven predikanten. Over hen staan exact dezelfde gegevens opgenomen als op de lijst van Medenbach. Vervolgens vindt een aanvulling plaats met de drie volgende dominees. Al met al lees je hierop de volledige namen van de eerste tien herders en leraars. Plus de jaartallen van hun komen en gaan. Opvolgers van Everwijn blijken dit stuk uit de archiefstukken tevoorschijn te hebben gehaald en wellicht in de pastorie van nieuwe informatie te hebben voorzien. Jammer genoeg is dit niet echt consistent gebeurd en zijn er nogal wat doorhalingen op het stuk aangebracht. Soms is het aantal gegevens uitgebreid. Bij één van de volgende predikanten worden zelfs de teksten van de intrede en het afscheid vermeld. Een enkele keer prijkt de naam van de bevestiger erbij. De handgeschreven toevoegingen stoppen in 1864. Ook dit stuk gebruiken we, genaamd “lijst 2”, als leidraad. Ook deze is in verschillende delen in deze publicatie opgenomen. Het ooit zo bekende Nieuw Kerkelijk Handboek van M.W.L. van Alphen begint in de zesde uitgave van 1883 met de plaatsing van lijsten met predikantsnamen. In bijlage U van het jaarboek voor 1903 zijn de predikanten uit de provincie Gelderland opgenomen. In één oogopslag worden de namen uitgestald van de eerste 26 dominees van Elspeet. Je leest meteen veel overeenkomsten. Ter aanvulling op de voornoemde lijst wordt aangegeven dat ds. Everhardus Palthe in 1711 met emeritaat is gegaan en zijn zoon Johannes eerst als “adjunct” aantreedt. Gemakshalve noemen we deze “lijst 3”. Ook hiervan is een opname als bijlage weergegeven.

    Gelders archief

    Mevrouw H. Huizinga-Heuvelman heeft in 1971 na bestudering van acten en notulen het boekje met de titel: “Historie rondom de Hervormde kerk van Elspeet en Vierhouten” geschreven. Het is uitgegeven door Repro-Holland te Alphen aan den Rijn. Hierin beschrijft ze vrij summier wanneer dominees kwamen en gingen en wat ze tussentijds doormaakten. Een gerubriceerde lijst ontbreekt evenwel. Derhalve zal ik er slechts een enkele keer naar verwijzen. F.A. van Lieburg heeft in 1996 een lijst van predikanten tot 1800 van alle Nederlandse classes vastgelegd, per gemeente gerubriceerd en uitgegeven. Deze citeren we als “lijst 4”. Tenslotte zijn er in het genoemde boek “Zijn daden gedenken”, een uitgave van de Gebr. Koster te Barneveld, zowel een lijst als ook vermeldingen van de afzonderlijke predikanten opgenomen. Deze opsomming loopt tot het jaar 2005. We zullen die onder de naam “lijst 5” nader analyseren. Naast deze vijf geschriften over de Elspeter predikanten zullen we hier en daar ook de gegevens betrekken die op de huidige predikantenborden zijn opgenomen en die door oud-predikant dr. P. de Vries in een bijdrage voor de rubriek Torenspitsen – Gemeenteflitsen van de Waarheidsvriend d.d. 1 augustus 1996 zijn vastgelegd. Voor deze publicatie is nader onderzoek verricht bij het Streekarchivariaat Noordwest- Veluwe te Nunspeet. Aldaar zijn de stukken van de kerkenraad en diakonie sedert de eerste helft van de negentiende eeuw ondergebracht. Daarnaast zijn gegevens opgespoord in het Archief van de gemeente Barneveld. Tot het jaar 1817 valt Elspeet onder het zogeheten schoutambt Barneveld. Het college van ambtsjonkers houdt zich dan controlerend bezig met de beheeraspecten van kerkelijke gemeenten. Tenslotte is in het Gelders archief te Arnhem gezocht naar gegevens uit de begintijd in geschriften van de classis Nederveluwe. Deze stukken zijn thans nog in een depot in De Steeg ondergebracht en wachten nog op een nadere inventarisatie. Derhalve beperkt het speurwerk hierin zich thans tot de notulen en enkele ingekomen stukken.

    Eerste predikant Antonii

    De eerste speurtochten naar geestelijk leven in “hervormd” Elspeet komen tijdens de classisvergadering van 14 en 15 november 1592 aan de orde. Een zestal predikanten en twee ouderlingen zijn hiervoor naar Oldebroek afgereisd. Drie zijn afkomstig uit de “steden” Elburg, Hattem en Harderwijk. De drie anderen vertegenwoordigen het “platteland”. Het zijn de “pastors” van Heerde, Nunspeet en Oosterwolde. Er worden wel meer afgevaardigden verwacht. Echter die van Ermelo, Epe en Elspeet hebben zich afgemeld. Laatstgenoemde heeft dit schriftelijk kenbaar gemaakt. Daarbij onthult hij zijn protest tegen de vernieuwing van de gereformeerde leer. Hij wil liever de pastorie dan z’n gedachtengoed vaarwel zwaaien. Blijkens de verklaring vertolkt hij zijn leer inmiddels “inde 37 jaer”. Overigens wenst hij bij z’n vertrek wel een uitkering van honderd daalders. De Elspeter geestelijke staat hierin niet alleen. Eerder hebben zijn collega’s uit Putten en Voorthuizen laten weten de overstap niet te kunnen meemaken. Anderhalf jaar later praat de classis over halsstarrige “papen”. De vergadering besluit de “pastoren” uit Putten en Elspeet te laten verwijderen. Zoektochten naar een eigen gereformeerde voorganger worden, zeker voor die tijd, snel beëindigd. Reeds in het najaar stuurt het Hof van Arnhem ene Johannes Antonii (of Antonides) naar deze gemeente. Zijn naam komen we in de gemelde acta (als zodanig gespeld) reeds twee jaar eerder tegen als predikant van “het Nijebroeck”. Dat het hier over dezelfde persoon gaat, wordt duidelijk in de notulen van de classisvergadering, die in het volgende voorjaar te Hattem bijeen komt. Tijdens dat samenzijn wordt Antonii opgedragen een “getuigenis van losmaking” van zijn vorige classis Overveluwe te tonen. Hij mist deze en moet dit hiaat voor de volgende vergadering in orde brengen. Eerst in het voorjaar van 1596 legt hij de in Harderwijk bijeen gekomen predikanten een “goede attestatie” over van zowel de gemeente Nijbroek als ook van de classis. Opmerkelijk is dat genoemde Van Lieburg in zijn “Repertorium van Nederlande hervormde predikanten tot 1816” en ook de recente uitgave van de Herstelden het verblijf in Nijbroek missen. Van Lieburg laat de eerste dominee pas in 1595 met zijn werkzaamheden in de kerk beginnen. Echter de beschrijving van de in 1592 nog wel te Nijbroek gehouden synode noemt hem als één van de afgevaardigden van de negen vertegenwoordigde kerken. De pastor loci verzorgt aldaar voor de aanwezigen, waaronder de meer bekende Johannes Fontanus, een preek over Markus 8 vers 34. Er bestaan aarzelingen over zijn uitleg. Daarom wordt hem opgedragen nog twee keer voor de kerkenraad van Arnhem een uitleg te komen verzorgen. Tijdens deze synodezitting wordt ook duidelijk dat het financieel in Nijbroek niet zo makkelijk gaat. Antonii klaagt met de predikanten van Hattem en Wageningen over het sobere onderhoud. Het kan er nog wel eens van komen dat hij vanwege de armoede zijn dienst moet verlaten. Een jaar later is het nog niet zover. Hij heet dan nog steeds de “dienaer des woorts” van “Niewebroeck” en krijgt de opdracht zich ook over “Oeijen” te ontfermen. Hiermee wordt ongetwijfeld Oene aangeduid.

    Geen salaris

    Totnutoe gaan schrijvers over de dominografie er van uit dat deze eerste predikant naar Mastenbroek en of Zalk is vertrokken. Wellicht betreft het hier evenwel een naamgenoot. Immers reeds in het najaar van 1595 kom je ene Antonii uit Mastenbroek op de synode in Zwolle tegen. In deze hoedanigheid meldt hij zich ook twee jaren later te Hasselt. Daar ontvouwt de voorganger een overeenkomst waarin hij belooft zijn gemeente drie jaar te zullen dienen mits hem jaarlijks tenminste tweehonderd gulden wordt voldaan. Die beloning blijft evenwel uit. Hij wil daarom wel naar een andere plaats worden beroepen. De synodeleden vinden dit geen goed plan. De drost zal worden ingeschakeld voor tijdige betaling van zijn honorarium. Wanneer het geld dan nog achterwege blijft, mag hij wel naar elders afreizen. Wellicht is het resultaat van de bespreking met de drost niet bevredigend geweest. Immers in 1598 treedt hij aan als de tweede predikant die de gemeente van Zalk en Veecaten zal dienen. Hij verblijft aldaar gedurende tenminste zeven jaren in de pastorie. In de acta heet hij dan “Johannes Anthonides”. Er kan overigens geen sprake zijn van een combinatie tussen Zalk en Mastenbroek. In deze laatste gemeente wordt hij immers al snel opgevolgd door ene Wynandus Wijnandi. Reeds in 1603 komt deze opvolger van Antonii te overlijden en worden de predikanten uit de classes Kampen, Zwolle en Steenwijk opgedragen eens per veertien dagen aldaar een preekbeurt te vervullen. Blijkens het werkstuk van Van Lieburg raakt de gemeente Bathmen in 1605 vacant. Vijf jaar later treedt ook daar ene Antonides aan. Wellicht gaat het om een naamgenoot, die juist zijn studie in Steinfurt heeft afgerond. Deze is in 1622 te Havelte overleden. Wellicht is de Antonii uit Mastenbroek en Zalk in het jaar 1605 overleden, zoals onder andere Van Lieburg schetst. Vast staat dat in Zalk in de zomer van 1606 de predikant Hildebrandus Willenius werkzaam is.

    Foutieve vermeldingen

    Zoals we zojuist hebben gezien, verschijnt de Elspeter Antonii op 2 juni 1596 als predikant van deze gemeente in Harderwijk ter vergadering van de classsis. Eerst dan wordt het boek over zijn attestatie gesloten en kan de officiële bevestiging plaatsvinden. Het volgende voorjaar meldt hij zich present in Elburg. Dan rijzen er problemen met de koster van Elspeet.  Buiten de steden blijken er hier en daar van dergelijke dienaren werkzaam te zijn die zelfs niet kunnen lezen of schrijven. Dat gaat de geachte synodeleden te ver. Derhalve besluiten zij dat er meer bekwame personen moeten worden aangesteld. Het is juist deze gemeente die als enige bij name wordt genoemd. Antonii moet er in die zitting zelf nog op hebben gewezen dat voor hem de kosten van de reis naar de vergaderingen van de classes en de synoden bezwaarlijk zijn. Daarom oordelen de aanwezigen een tegemoetkoming redelijk. Blijkens de notulen wordt de Elspeter predikant als vierde aangewezen om een vacaturebeurt in Heerde te vervullen. Hij wordt daarvoor netjes bij huis opgehaald. Vaak zal het niet zijn voorgevallen. Immers het volgende voorjaar wordt reeds over zijn vertrek uit Elspeet geschreven. Bovendien blijken er dan verregaande vorderingen te zijn gemaakt bij de aanstelling van een opvolger. In de notulen blijft het echter geheel onduidelijk waarheen Antonii in de loop van het jaar 1597 of het volgende voorjaar is afgereisd. Je komt zo’n naam vervolgens nog in 1606 te Westbroek tegen en in het volgende jaar te Odijk. Met deze kennis uit de acta in het achterhoofd willen we de vermeldingen rond zijn persoon nader bezien. Op de eerste twee lijsten met de Elspeter predikanten wordt alleen het jaartal 1594 aangegeven. Dat zou betekenen dat de opstellers ervan uitgaan dat hij alleen in dat jaar alhier heeft gewerkt. Op de lijsten 3 en 4 worden twee jaartallen genoemd. Beiden geven aan dat hij in 1595 is vertrokken en nummer 3 voegt er aan toe dat “Antonie” in Mastenbroek aan de slag is gegaan. Lijst nummer 5 (Zijn daden gedenken) vermeldt dat hij eerst in 1599 naar de gecombineerde gemeente van Zalk en Mastenbroek zou zijn gegaan. Dat jaartal prijkt ook op het predikantenbord in de hervormde kerk van Elspeet. Echter de vermeldingen over het vertrek, zowel wat betreft datum als ook van de nieuwe gemeente mist evenwel elke historische fundering. Ten onrechte wordt zijn overlijden in 1603 gedateerd. Concluderend kan worden gesteld dat de betreffende Antonii van het jaar 1594 tot zeker ver in 1597 of zelfs het volgende voorjaar te Elspeet werkzaam is geweest.

    Tweede predikant Hesselius

    Opmerkelijk is de wederom snelle invulling van de vacature. De “kerspellieden” van Elspeet laten hun ogen vallen op Johannes Hesselius, schoolmeester te Barneveld. Zo’n “promotie” zie je in die dagen met een enorme schaarste aan voorgangers in de kerk vaker voorvallen. Hij moet een preek houden voor de gedeputeerden van de classis. Als tekst is hem Matteus 11 vers 28 opgegeven. De score van de schoolmeester tijdens de classisvergadering van april 1598 valt tegen. “Dwelck den brudern nit qualich hefft behagt”. Gewoonlijk wordt een kandidaat ook meteen over het tekstgedeelte aan de tand gevoeld. Hoewel Hesselius zich daartoe bereid verklaard, lijkt het de gedeputeerden beter om dit eerst op 8 mei in de kerk van Harderwijk te laten volgen. Aldus besloten. Zodoende krijgt hij meer tijd om zich de teksten eigen te maken. Tijdens de genoemde vergadering wordt reeds gesproken over de bevestiging. Daarvoor zal Guilhelmo Wirtzfeldio uit Harderwijk aantreden. Expliciet wordt daarbij wel aangegeven “so hy angenhomen wirdt”. De volgende classisvergadering, eerst op 18 juli 1599, heet Hesselius “dienaer tot Elspeet”. Overigens is hij nog niet bevestigd. Die taak wordt dan aan ds. Wolterus de Bruin uit Voorthuizen opgedragen. Het ene na het volgende jaar verschijnt Hesselius op de preekstoel. Niet altijd op die van Elspeet. Reeds snel na de bevestiging wordt aan hem en twee andere buurpredikanten opgedragen de zogeheten vacaturebeurten in Elburg te verzorgen. De gemeenteleden blijken ook niet altijd ter kerke te komen. De voorganger klaagt in 1600 dat er op zondag hout wordt opgehaald met als gevolg dat sommige gemeenteleden de diensten verzuimen. Hij krijgt het ook te stellen met de kerkmeesters die hem onvoldoende voor zijn onderhoud afdragen. Deze heren wachten zelfs jaren met een noodzakelijke reparatie aan de pastorie. Dertien jaar na zijn aantreden heet hij tijdens de classisvergaderingen in Barneveld en Nijkerk nog immer de “minister verbi (m.v.) van Elspeet”. Over het moment van zijn vertrek lopen de vermeldingen uiteen. Op de eerste drie lijsten wordt geen einddatum aangegeven. Op de vierde lijst wordt als einddatum 1612 genoemd. Volgens Van Lieburg is de tweede predikant overleden op 3 september 1612. In de uitgave van de Hersteld Hervormden (lijst 5) heet hij ten onrechte “Johan Heselius” en wordt het jaar van zijn vertrek in de predikantenlijst op 1614 gezet terwijl bij de nadere beschrijving wordt aangegeven dat zijn overlijden in 1613 zou hebben plaatsgevonden. Derhalve is ook op het predikantenbord met “1614” een foutief jaartal opgenomen. In april van het voorafgaande jaar wordt reeds over het beroepen van een opvolger geschreven. Eveneens heet Hesselius’ vrouw dan weduwe.

    Derde predikant Ernesti 

    De ogen zijn ondertussen gevallen op ene Georgius Ernesti. Wellicht als een verschrijving heet hij bij de uitwerking van lijst 5 evenals op het bord in de kerk Gregorius Ernestie. Voor zijn aanbeveling reist zelfs “kerkmeester” Gerrit Janssen Mouw naar de de classisvergadering. Zijn pleidooi wordt overgenomen. De classisdeputaten zullen het beroep uitbrengen en het examen voorbereiden. Ondertussen mag de in Arnhem geboren Ernesti de dienst in zijn toekomstige gemeente alvast waarnemen. Tussen de regels door proef je dat dit ook al enige tijd het geval is geweest. Hij mag evenwel geen kinderen dopen. Op de volgende vergadering, het is inmiddels een jaar later geworden, vindt de aanstelling tot tot lid van het classicaal bestuur plaats. Daarvoor moeten eerst de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Catechisumus en “den Acten der naerder Unie van Bernevelt” worden ondertekend. Tenslotte wordt hem opgedragen bij de volgende samenkomst in Hattem de preek te verzorgen. Hij wordt met vier andere predikanten al snel ingeroosterd tijdens een vacature in de kerk van Voorthuizen. Eens per twee weken moet één van hen aldaar de dienst verzorgen. Op 2 juni 1616 wordt hij voor zo’n vervanving in Barneveld verwacht. Ernesti valt de eer te beurt in de classis Nederveluwe als zogeheten inspector of deputaten aan de slag te gaan. Deze personen zijn onder meer verantwoordelijk voor de examens van kandidaten en de losmaking van predikanten na het aanvaarden van een beroep naar elders. Hij zal hiervoor niet vaak aantreden. Immers een jaar na de aanstelling reist hij af naar het fort Nassau aan de Voorn (onder de classis Tiel). Van Alphen vermeldt een zevental “garnizoenspredikers” die tussen 1599 en 1674 aldaar hebben gearbeid. Ernesti moet er voor 20 augustus 1633 zijn overleden. Ondertussen staat vast dat hij een gezonde gereformeerde leer heeft verkondigd. Rond 1619 zie je veel hervormde gemeenten vacant raken omdat de predikant wordt afgewezen wegens remonstrantse gevoelens. Daarvan is bij hem geen sprake. De vermeldingen van de derde voorganger zijn in de diverse lijsten, uitgezonderd de naam, gelijkluidend.

    Vierde predikant Cornelii

    Het duurt enige tijd alvorens voor hem een opvolger wordt gevonden. Men is op zoek gegaan naar een prediker met ervaring. Daarvoor brengt ds. Godeschalcus Aeltius uit Arnhem een persoon in beeld. Deze Aeltius is een beslist volgeling van Gomarus maar “te zacht van aard om heftig te worden tegen andersdenkenden”. Ten tijde van de synode van Dordt probeert hij in Bolsward de gemoederen te bedaren. Zijn zwager, geboren in het Friese Hallum, dient reeds sedert 1599 de combinatie van Ureterp en Wijnjeterp. Naar verluidt is deze Hajo Cornelii voorheen de pastoor van deze combinatie geweest. Hoe dan ook, de geboren Fries pakt graag na tenminste ruim twintig dienstjaren elders de herdersstaf op. De toestemming van de classis laat eerst nog op zich wachten. In 1622 begint hij z’n laatste ambtsperiode alhier. Vijftien jaren later volgt zijn overlijden. Over de data rond deze predikant wijzen alle bronnen dezelfde kant uit. Zijn naam wordt op de eerste lijsten, als ook op nr. 4 met een dubbele “i” geschreven. Van Alphen en het boek van de Herstelden schrijven daarentegen met een “ie” namelijk Cornelie.

    Vijfde predikant Ab Eibergen

    Zijn opvolger, Rutgerus ab Eibergen, heeft eveneens elders ervaring opgedaan. Volgens Van Lieburg is hij omstreeks 1600 in Harderwijk geboren. Goed onderwezen vangt hij 31 jaar later zijn loopbaan aan in het Veluwse Kootwijk. Zes jaren later treedt hij alhier aan als de opvolger van Cornelii. In beschrijvingen wordt er op gewezen dat tijdens zijn verblijf de huidige preekstoel en nog eens twee luidklokken worden aangeschaft. Hij blijkt ook de eerste prediker die op de Veluwe een veel langere periode zal volmaken. Hij blijft maar liefst ruim dertig jaren. Het werk bij gemeenten in de classis blijft ook voor hem niet vreemd. Zo is hij op 20 september 1643 met twee collega’s te gast in Vaassen voor de bevesting van een kerkenraad. Over de datum van zijn heengaan kun je wederom enig verschil bespeuren. Op de eerste vier lijsten wordt steeds het jaar 1668 genoemd. Hij zou in dat jaar zijn overleden. Terwijl in de vijfde lijst (Zijn daden gedenken) en op het bord in de hervormde kerk het jaartal 1655 vermeld staat. Bij de uitwerking van genoemd boek wordt evenwel de overlijdensdatum van 22 december 1669 weergegeven. In de zeventiende eeuw hebben meer predikanten onder de naam “Ab Eibergen” gewerkt. Rutgerus heeft zelfs een naamgenoot gehad. Onderzoek in de publicaties van dr. Abels geeft echter geen aanleiding te vermoeden dat er een directe familieband heeft bestaan.

    57 jaar Palthe

    Bij de volgende predikant zie je in eerste instantie geen herkomst uit Gelderland of inbreng van predikanten uit deze regio maar moeten we naar Twente afreizen. Op zoek naar ene Palthe, soms ook door hem zelf als Palthen geschreven. Deze naam zal bijna zestig jaar aan de Elspeter pastorie verbonden blijven. Vader en zoon wisselen elkaar af. De oudste, Everhardus, is omstreeks 1645 in het gezin van Everwijn Palthe (mogelijk burgemeester) te Enschede geboren. Voor zijn studie reist hij sedert het voorjaar van 1661 af naar de universiteit van Groningen. Wellicht heeft hij aansluitend enige tijd op een beroep moeten wachten. Eerst op 15 augustus 1670 komt deze aanstelling vanuit Elspeet er en kan hij een kleine twee maanden later in het ambt worden bevestigd. Omstreeks dezelfde tijd trouwt hij met Sara van Eibergen. Zij blijkt vooralsnog geen familie van zijn voorganger te zijn. Palthe (sr.) maakt een aanvang met het lidmatenboek en komt bij zijn arriveren tot een 56-tal lidmaten. Overigens zonder zichzelf daarbij te rekenen. Opmerkelijk is de scheiding in het boek tussen de mannen en de vrouwen. Voor beide seksen wordt een afzonderlijke lijst aangelegd. Even bijzonder wellicht is het feit dat de vrouwen met een totaal van 37 een groot overwicht hebben. De kerkenraad moet blijkbaar uit slechts negentien mannelijke lidmaten worden gekozen.

    Zuivere leer

    Palthe vermeldt tot vier keer toe een eigen zoon in het register. Twee keer gaat het om ene Everwijn. De eerste (mogelijk de eerstgeborene) als nr. 48. Hij is “in de Heere ontslapen ende geniet de eeuwige ruste”. Vervolgens wordt de naam van Rutgerus (52) ingeschreven. Hij is geboren of gedoopt op 19 november 1671 en zal later predikant van Voorthuizen worden. Twee plaatsen verderop staat de naam van zijn broer Johannes. Die is op 25 februari 1686 geboren. Op hem komen we later terug. Bij de tweede Everwijn, die de 70-ste plaats in het lidmatenboek inneemt, voegt zijn vader toe: “Is in den Heere ontslapen ende geniet de bruijloft des Lams”. In het vrouwenregister worden de op 28 mei 1676 geboren Gerharda (73) en de op 9 juli 1682 geboren Cuennera (80) aan de lijst toegevoegd. Het gezin heeft ook nog een Sandrina geteld, die eveneens jong is overleden. Hoe dan ook, het moet in die tijd in en rond de pastorie een behoorlijke drukte zijn geweest. Overigens schrijft Palthe ook ene Anthonius Frederik Morser in het lidmatenboek. Het oog valt meteen op hem daar er bij zijn naam is toegevoegd “proponent”. Blijkbaar heeft hij voor zijn predikantschap te Voorst alhier gewoond en mogelijk ook gewerkt. Zijn zonen Johannes en Ditmar Elisa Morser zijn eveneens in de kerk werkzaam geweest. Als zijn kleinzoon Ferdinand Wilhelm in 1798 als predikant van Maasland overlijdt, wordt er nadrukkelijk op zijn “zuivere leer” gewezen.

    Boetepsalm

    Palthe (sr.) maakt hier ruim 45 jaren vol alvorens hij op 28 maart 1716 in de leeftijd van circa 71 jaar sterft. Niet dat hij het ambtelijk werk tot die datum heeft waargenomen. In de zomer van 1711 verlenen de Barneveldse ambtsjonkers aan de vader “vanwege hoge ouderdom en afnemende krachten” zijn emeritaat. Zijn zoon Johannes springt daarna voor hem in. In tegenstelling tot z’n broer (de latere predikant van Voorthuizen) die in Utrecht z’n studie voltooit, reist Johannes hiervoor naar Leiden. Op 23 maart 1711 volgt het grote moment dat hij als kandidaat wordt toegelaten. Eerst zo’n acht maanden later volgt de benoeming om in de voetsporen van pa het werk in Elspeet te aanvaarden. Formeel in de begintijd als hulp, maar in de praktijk betekent dat in die dagen meestal voorzien van alle rechten. Zijn broer uit Voorthuizen verricht op 3 februari 1712 de bevestiging en Johannes begint met de verklaring uit Psalm 51: “Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen”. Het blijft opmerkelijk dat bij dit feestelijke moment uitgerekend Davids boetepsalm wordt opgeslagen. Evenwel is mij tijdens een onderzoek naar gebruikte Bijbelteksten voor intredeen afscheidsdiensten door Drentse predikanten in de achttiende eeuw gebleken dat juist teksten uit Psalm 51: 14-15 en 2 Corinthe 5: 19-20 met vijftien vermeldingen van de 270 gebruikte teksten hoog scoren.

    Geen opvolger

    Als pa is overleden en de pastorie tot zijn beschikking staat, huwt Palthe (jr.) zo’n beetje een jaar later (21 maart 1717) met Agnes Eusebia Pannekoek. Tien jaren trekken ze samen op totdat hij zelf nog jong als 41-jarige op 25 september 1727 het tijdelijke met het eeuwige verwisselt. Ondertussen hebben ze twee kinderen gekregen, Sara en Johan. Laatstgenoemde is op zeer jeugdige leeftijd overleden. Pathe (jr.) reist in 1723 als afgevaardigde van de classis Nederveluwe naar de provinciale synode. Hij wordt zelfs gekozen om als correspondent de synode van Noord-Holland te bezoeken. Daar komt het niet van. Mogelijk vanwege zijn slechte gezondheid. Al met al heeft hij ruim vijftien jaar leiding aan de Veluwse gemeente mogen geven. Er is dan geen zoon die kan aantreden. Het huwelijk met de burgemeestersdochter van Harderwijk heeft geen opvolgers gebracht. Op broer Rutger kan ook geen beroep worden gedaan daar hij een maand eerder is overleden. De vermeldingen over pa en zoon Palthe laten hier en daar afwijkingen zien. In het algemeen wordt van Palthe (sr.) als einddatum alleen het jaar van zijn overlijden aangegeven. Derhalve wordt als afsluiting zijn sterfjaar 1716 aangegeven. Van Alphen wijst in de derde lijst op het emeritaat in 1711. Datzelfde vind je in lijst 4. Echter de Herstelde lijst (nr. 5) en het predikantenbord dateren zijn aftreden ten onrechte reeds in het jaar 1710. Evenzeer is het een onjuiste vermelding dat hij in het jaar 1710 zou zijn overleden. Wellicht is ooit het laatste cijfer, de zes, ten onrechte voor een 0 aangezien. In de bijdrage van De Vries wordt eveneens de foutieve suggestie gewekt dat Palthe (sr.) tot zijn dood alhier heeft gepreekt. Vanzelf leidt dit ook tot afwijkingen betreffende de zoon. In de lijsten 1, 2 en 5, op het bord schuin achter de preekstoel en in het artikel van dr. De Vries wordt de start van Johannes in 1711 gedateerd. In de derde lijst wordt vermeld dat hij in dat jaar als adjunct is beroepen. Van Lieburg bevestigt in de vierde lijst de datum van 3 februari 1712 als zijnde de start als hulpprediker. In lijst 5 wordt niet gesproken over het werk als hulpprediker. Daarop staat wel ten onrechte, G. zn. Volgens deze lijst zou hij tot 1728 hebben gearbeid. De Vries rekent eveneens met dit jaartal. Ook dat kan niet waar zijn daar hij in het voorafgaande jaar reeds is overleden.

    51 jaar Martinius

    Elspeet moet op zoek naar een man met een andere achternaam. Die wordt gevonden. Zelfs dichtbij. De predikant van Nunspeet, ene Franciscus Martinius, heeft nog een jongere broer die een gemeente zoekt. Ze komen beiden sowieso uit een domineesgeslacht en kennen de Veluwe door en door. Niet alleen hun vader heeft bijna veertig jaar in Nunspeet gewerkt. Hun in Kampen geboren opa heeft eerder vijftien jaar in de pastorie van Epe volgemaakt. De eerste die in Elspeet aantreedt, is Dithmar. Hij is in november van 1696 wellicht in Nunspeet geboren. Voor de theologiestudie worden eerst in Harderwijk de hoogleraren Meyer en Cremer beluisterd. Aansluitend in Leiden de professoren Fabricius en Van den Honert. Vervolgens is het wachten in de Nunspeter pastorie op een beroep. Hij wordt wel benaderd om in de vacante gemeenten Elburg, Mastenbroek en Wilsum te komen preken, maar steeds valt de keuze op een ander. Dit pakt anders uit als de kerkenraad van Elspeet op maandag 26 juli 1728 voor het beroepingswerk bijeen is. Het laat zich raden dat hij daar de vorige dag tenminste één dienst heeft geleid. Als het gratiejaar voor de weduwe Palthe (jr.) ten einde is gekomen, kan het laatste examen op 12 oktober plaatsvinden. Ook weer in Nunspeet. Nota bene z’n eigen broer zit met Johannes Schaart uit Veessen en Franciscus Doede uit Nijkerk aan de overkant van de tafel. Dithmar komt er goed doorheen. Op 7 november stroomt de kerk van Elspeet vol om getuige te zijn van de bevestiging van de 32-jarige kandidaat. Zijn broer beklimt als eerste de kansel en vraagt aandacht voor het weiden van “de kudde Gods” en verwijst met Petrus naar de verschijning van “de overste Herder”. De nieuwe predikant legt het Psalmenboek open. “Ik zal u onderwijzen en u leren van den weg, dien gij gaan zult; ik zal raad geven, mijn oog zal op u zijn”, zo houdt hij de gemeente met Psalm 32 voor. In een vergadering van de classis preekt hij enkele jaren later over de onvruchtbare vijgeboom. Hij wordt namens dit kerkelijk orgaan uitgezonden naar de Gelderse synode. Bovendien wordt hij aangewezen om nieuwe predikanten te examineren: Johannes Proper die naar Vorchten komt en Jutphaas Benjamin van Blijenburg, die alszodanig in Oene aantreedt.

    Oranjegezind

    We weten ook meer over de invulling van de dienst op zondag 6 februari 1752. Erfstadhouder de “Doorlugtigsten Prins van Oranje Willem Carel Hendrik Friso” is in oktober 1751 gestorven. De begrafenisplechtigheid vindt eerst op 4 februari van het volgende jaar plaats. In veel gemeenten vinden één of twee herdenkingsdiensten plaats. Ook hier. Naar het gebruik van die dagen worden in elke dienst drie gedeelten uit de Bijbel opengelegd. Voor de zogeheten “voorafspraak” kiest ds. Martinius de toepasselijke tekst uit Psalm 89 vers 49. Ter inleiding wordt de blik vervolgens geworpen op de eerste drie verzen uit het derde hoofdstuk van de profeet Jesaja. Uiteindelijk gaat de preek over Psalm 146 vers 3 en 4. Wellicht heeft de bijna twaalfjarige Bernardus Martinius ook in de kerk gezeten. Althans het Oranjegevoel wordt hem thuis door pa en moeder Henrica Fabricius (de domineesdochter uit Elburg) met de paplepel ingegoten, zo zal later blijken. Veel meer verschijnt er niet in de landelijke kerkelijke pers over deze periode in Elspeet. Alleen worden we nog bijgepraat over de laatste preek van dominee. Het is zondag 15 mei 1763. De gemeente komt samen om zich voor te bereiden op de bediening van het Heilig Avondmaal. Dithmar wijst er met Jezus’ rede tot de discipelen op dat ze dienen te worden als een kind. Dan alleen kunnen ze het Koninkrijk van God ingaan.

    Ernstige fouten

    Ruim drie weken later, op 9 juni overlijdt hij op 66-jarige leeftijd. De gemeente heeft ondanks een “langdurige ziekte en verval van leevenskragten” geruime tijd van zijn inzet kunnen profiteren. Evenzo de classis Nederveluwe waarvan hij bij het heengaan nog altijd als deputaten te boek staat. De gepubliceerde lijsten 2, 3 en 4 noemen als jaren van intrede en vertrek de jaartallen 1728 en 1763. Lijst vijf van de herstelden, het predikantenbord en de publicatie van dr. De Vries wijken wederom flink af. Ten onrechte wordt als naam “Martinus” opgegeven. Volgens het in 2007 uitgegeven boek, de vastlegging op het bord in de kerk en de beschrijving in de Waarheidsvriend zou hij zelfs reeds in 1737 zijn overleden, terwijl de gemeente dan tot 1764 herderloos heet. Zo wordt het helaas ook vervolgens onjuist door de auteur in Zijn daden gedenken uitgewerkt. Juist drie maanden na het overlijden van Dithmar rondt zijn zoon Bernardus de theologiestudie af voor de classis Amsterdam. Op de volgende Hervormingsdag wordt hem de beroepingsbrief aangereikt. Wat zal hij er blij mee zijn geweest. Alleen al in Nederland staan er ruim honderdzestig kandidaten te wachten op een beroep. Dan vergeten we gemakshalve de afgestudeerden uit Ost-Friesland en Bentheim, die eveneens graag alhier aan de slag gaan.

    Stemming door gemeente

    Voor de tweede keer treedt er een predikant aan die in de Elspeter pastorie is geboren. Vijf dagen na het Paasfeest van 1741, op 7 april, is moeder Fabricius van deze tweede zoon bevallen. Na het volgen van de voorbereidende lessen als tienjarige in Deventer, begint ook hij zeven jaren daarna de theologiestudie in Harderwijk. Daar publiceert deze Bernardus op 21-jarige leeftijd de Latijnse wijsgerige verhandeling “De animabus Brutorum rationalibus”. Het volgende jaar verzorgt hij bij de beroemde hoogleraar T. Scheltinga een opstel onder de titel “De ratione in revelatione”. De classis Amsterdam gaat op maandag 5 september 1763 over tot zijn examen. Het loopt goed voor hem af. Ruim een maand later volgt het beroep naar Elspeet. Opmerkelijk is dat de brief waarop één en ander is vermeld door een zevental predikanten uit de classis wordt ondertekend (zie bijlage). Men blijkt op zoek naar een “godzalig, zuiver, geleerd, welbegaafd en onstraffelijk prediker”. De meeste gemeenteleden die bij de stemming zijn opgekomen, hebben het oog laten vallen op Martinius (jr.).

    Rechtzinnig

    Zij mogen een keuze maken tussen een vijftal personen. Het zijn in volgorde van plaatsing na de zojuist genoemde ene Henricus Gerhardus Brouwer, eveneens uit Elspeet, de ongehuwde Wilhelmus van Bommel en Albertus Eggen uit Harderwijk en Cornelis Wijnmalen uit Barneveld. Allen dus afkomstig uit de directe omgeving. Brouwer wacht inmiddels een jaar op een beroep en solliciteert eerst twee jaar later met succes naar Oosterend op Texel. Hij komt later ook in beeld voor het predikantschap te Garderen maar vertrekt uiteindelijk naar Oost-Indië. Voor Van Bommel moet de afwijzing wel hard zijn aangekomen. Hij reist al ruim acht jaren van de ene naar de andere preekstoel om zijn gaven te laten horen. Uiteindelijk zal hij drie jaar later in Mastenbroek aan de slag gaan. Na het overlijden van deze Van Bommel als ook van Wijnmalen (later te Aalst en Zaamslag) wordt hun “zuivere leer” benadrukt. Het blijft bijzonder dat gemeente en classis bij dit beroep zo’n grote rol vervullen. De kerkenraadsnotulen zouden over de achtergrond hiervan meer helderheid kunnen scheppen. Echter deze ontbreken vooralsnog. Op 15 januari 1764 wacht het grote moment dat Bernardus aan de gemeente Elspeet zal worden verbonden. Twee ooms zijn hiervoor overgekomen. Lubbertus Conradus Fabricius (1710 -1773) uit Genemuiden verricht de bevestiging na een preek over de toepasselijke woorden: “In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn; Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde.” Ook zijn oom, Bernhardus Fabricius (1704 - 1774) inmiddels emerituspredikant van Beets, legt hem de handen op.

    Op de kansel in Londen

    Vervolgens vraagt de nieuwe predikant aandacht voor het Psalmenwoord: “Komt gij kinderen hoort naar mij, ik zal u des HEEREN vreze leren”. Een tekst uit Psalm 34 die je bij zo’n moment veel vaker uit de mond van een rechtzinnig prediker hoort verklaren. Hij meldt zich enkele jaren later in Garderen voor de handoplegging van Joannes Sluiter (1741-1782). Dat zie je hem eveneens doen bij Paulus Matthias Kesler (1746-1820) te Beekbergen, Johannes Jacobus Houssart te Twello en bij Henricus Mecima (1755-1805) te Voorthuizen. Je komt Martinius (jr.) nog meer dan zijn vader in de classisstukken tegen. Hij is in 1772 als deputaten aanwezig bij het beroepingswerk te Vorchten. Aan hem valt de eer te beurt om twee jaar later de classis te vertegenwoordigen tijdens de Provinciale synode te Arnhem. Evenzeer zal hij graag hebben toegestemd in het verzoek om Andreas Moojen (1745-1821) te Oldebroek aan de gemeente te bevestigen. Het is hem ook gegeven om z’n neef Bernardus Johannes Fabricius aan hervormd Genemuiden te verbinden. Beide keren kiest hij voor een tekst van Paulus. Als er bij vacatures over een nieuwe predikant wordt gesproken, valt ook met enige regelmaat die van de Elspeter dominee. Zo komt hij voor op de nominaties te Elburg (2x), Genemuiden, Harderwijk (3x) en Muiden, maar steeds niet hoger dan de tweede plek. Een ander gaat hem dan voor. Hij reist nog eens naar vriend J.M. van Effen in Londen. Preekt daar ook twee keren. Uiteindelijk volgt de aanstelling in de handelsgemeente van het in Rusland gelegen Archangel, het huidige Archangelsk. Voordat Sint Petersburg in 1772 alle papieren krijgt, vormt deze plaats dè handelsstad aan de Oostzee. Volgens Wikipedia telt het inwonertal in 2002 maar liefst 356.051 inwoners.

    Naar Rusland

    Aldaar is in 1660 een Hollandse gemeente opgericht. Ruim veertien jaar, tot 25 november 1776, is deze gemeente gediend door ene Egbertus Hoolboom. Het blijkt vervolgens niet mee te vallen voor deze overleden predikant een opvolger te vinden. Herhaaldelijk verschijnen er oproepen in de kerkelijke pers. Daarbij wordt gewezen op het riante salaris van zo’n negenhonderd tot duizend gulden. Bovendien kan men rekenen op vrij wonen, een hof bij de kerk, vuur, licht en ook nog een bediende. Enkele maanden na de laatste “advertentie” wordt de Elspeter herder beroepen. Wellicht is hem de periode alhier lang genoeg gevallen en ziet hij na vijftien jaar uit naar een andere werkplek. De classis Amsterdam heeft deze roepstem in de vergadering van 12 april 1779 bekrachtigd. Reeds dertien dagen later zorgt de classis Nederveluwe, bijeen in Hattem, voor de losmaking van de gemeente Elspeet. Vervolgens kan het afscheid op de voorlaatste dag van mei in de kerk plaatsvinden. Martinius (jr.) hanteert een zelfde “liturgie” als zijn vader. Vooraf wordt gesproken over het negende vers van Judas. Een toepasselijke tekst die handelt over de archangel. Bij de inleiding behandelt hij 1 Samuël 12 vers 3. De preek gaat over het bijzondere slot van Job 31. Het lijkt erop dat hij allerlei ontwikkelingen voorziet waarmee hij zich allerminst kan verenigen. Dat zal later ook blijken. 

    Vijftien maanden cel

    De gemeente zingt de vertrekkende herder en leraar toe met Psalm 89 vers 4, 5 en 6. Toepasselijk gaat het over “de woeste zee, het barre noord en ’t zoele zuiden saam”. Je mag aannemen dat de verzen zijn gezongen uit de berijming die nog altijd in Elspeet wordt gebruikt. Immers in de zomer van 1773 is deze berijming gereed gekomen en van hogerhand is de invoering op de eerste dag van 1775 bepaald. In Montfoort geschiedt dit reeds op 7 oktober 1774. Met name in Maassluis, Vlaardingen en verschillende Zeeuwse gemeenten heeft deze vernieuwing tot grote rellen geleid. Het publiek wil daar vasthouden aan de oude zangwijze waarbij één couplet maar liefst twaalf minuten kan aanhouden. Geen wonder dat in die dagen gedurende een hele dienst vaak niet meer dan twee of drie coupletten worden gezongen. Op 7 juni volgt de bevestiging van Martinius (jr.) in Amsterdam, waarop de reis kan worden aanvaard. Een kleine twee maanden later is hij met zijn gezin in gezondheid aangekomen en breekt het moment van de intrededienst aan. Daarvoor legt Martinius de Bijbel opnieuw open in 1 Samuël 12. Hij behandelt het begin van vers 23 en het slot van vers 24. Negen jaren later, in 1788, keert hij met zijn vrouw M.J. Nieuwenhuis en de vijf kinderen terug naar Holland. Opnieuw stelt hij zich beroepbaar. In de plaatsen Elburg, Bunschoten en Ravenswaaij wordt aan een beroep gedacht. Het is uiteindelijk het Zeeuwse Elkerzee dat hem weet over te halen. Zijn vrouw komt daar al snel te overlijden. Na vijf jaren trekt hij vervolgens richting het Noordhollandse St.Maarten. Daar wacht hem bij de politieke omwenteling met het verzet tegen de prins en de opbloei van het patriottisme in 1795 een moeilijke periode. Op de kansels van Petten en Wieringerwaard spreekt hij zo scherp en politiek over woorden van Jesaja dat hij zelfs van zijn ambt wordt afgezet. Gedurende vijftien maanden verblijft hij in de cel. Vijf jaren moet hij het met z’n drie overgebleven kinderen zonder inkomen doen. Derhalve gaat hij op 59-jarige leeftijd nog als veldprediker aan de slag, eerst in Engeland, daarna in Ierland en tenslotte zelfs in Normandië in Frankrijk.

    Niet tot 1799

    Na de vredesluiting keert hij terug naar Nederland en werkt gedurende een kwartaal als hulppredikant te Schoorl. Aansluitend wordt hij op 12 juni 1803 in Blankenham bevestigd. Hij hertrouwt daar met mejuffrouw G. van Sichem. Op zondag 16 januari 1814 is het hem nog gegeven in deze laatste gemeente het vijftigjarig ambtsjubileum te gedenken. Twee weken later komt hij te overlijden. Een viertal geschriften van hem is in druk uitgegeven en bij zijn sterven ligt er een uitgave met de veelzeggende titel “Gethsemané” gereed voor de pers. Dit boeiende leven afrondend, slaan we een blik op de verschillende vermeldingen in de predikantenlijsten. De nummers 2, 3 en 4 geven bij deze naam dezelfde jaartallen van 1764 en 1779. Lijst 5 van de Herstelden daarentegen geeft niet alleen de onjuiste naam “Martinus” door. Ook het jaar van afscheid op de lijst klopt. Dat is eveneens niet het geval op het bord in de kerk. Hij zou eerst in 1799 zijn vertrokken. Bij de uitwerking in het boek wordt ineens het jaartal van 1780 genoemd. De afscheidspreek is evenwel op 30 mei 1779 in de kerk van Elspeet uitgesproken. Daar wordt ondertussen met veel vaart gezocht naar een opvolger. Wat voor deze tijd in deze Veluwse gemeente ondenkbaar is, gebeurt dan in 1779. Er verschijnt in de Boekzael een verzoek richting beschikbare kandidaten om zich aan te melden voor een preekbeurt. Nog altijd zijn er ruim honderd op zoek naar een gemeente. Een tiental wordt op een lijst apart gezet. In tegenstelling tot zestien jaar geleden komen ze nu van veel verder weg. In de volgorde op de lijst betreffen het Johannes Henricus Schmidt en Johannes Meijer Cluwen uit Amsterdam, Petrus Mensinga uit Amersfoort, Jan Albert Smith uit Amsterdam, Helmich van Wijhe uit Kampen, Hendrik Willem van Woelderen uit Cuijk, Jan Hendrik Bruinier uit Zwolle, Johannes Everwijn uit Emmerik, Johan Arnold Cloot uit Amersfoort en Hubertus van de Bijllaardt uit Utrecht. Hun leeftijden lopen uiteen tussen de 22 en 32 jaar. De herkomst en loopbaan van sommigen laten duidelijk zien dat ze getekend zijn door het piëtisme. Zo is Smith geboren in het Midwolda van Schortinghuis. Hij blijft daar ook dichtbij werken, in Termunten-Borgsweer. Van de Bijllaardt zal nog een korte tijd in Veenendaal doormaken. De meesten moeten gedurende hun loopbaan met twee of drie beroepen genoegen nemen. Van Wijhe en de in Hoogeveen geboren Cluwen schieten er met acht en negen voor die dagen nogal uit.

    Keuze door lidmaten

    De mannelijke lidmaten uit Elspeet zitten op dinsdag 21 september bijeen om hun keuze te bepalen. De meerderheid kiest voor de ongehuwde kandidaat uit Emmerik. In die tijd zie je veel meer contacten met deze plaats even ten zuiden van ’s-Heerenberg in het Hertogdom Cleve. Vanuit die regio, evenals vanuit Bentheim en Emden zijn meerdere predikanten naar Nederland overgekomen. Het lijkt erop dat zij geruime tijd ook meer verbondenheid met de Nadere Reformatie kennen. Hoe dan ook, Everwijn is op 6 december 1755 te Emmerik geboren en aldaar ruim twintig jaar later beroepbaar gesteld. Ook hervormd Zetten-Andelst heeft hem bij de eerste drie voor de te vervullen vacature geplaatst. Hij aanvaardt de roep vanuit Elspeet en wordt acht weken later aan de tand gevoeld over zijn kennis van Psalm 1 en Jakobus 4. Voor zijn examinatoren Egbertus Johannes Brink uit Oosterwolde (Gld.) en Jacobus Johannes van Doorne uit Elburg en andere afgevaardigden preekt hij uit Jakobus 4: 4. Deze door hen opgegeven tekst laat toch ook wel iets van hun achtergronden zien. “Overspelers en overspeelsters, weet gij niet, dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is? Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand Gods gesteld.” Op de tweede zondag van het nieuwe jaar (9 januari 1780) volgen de bevestiging en intrede. Dominee Andreas Moojen uit Oldebroek verschijnt als eerste op de preekstoel en waarschuwt de nieuwe voorganger acht op zichzelf en op de leer te houden.

    Drie opvolgers

    In de tweede dienst ontvouwt Everwijn de kern van zijn prediking: het Evangelie van Christus “een kracht Gods tot zaligheid” voor een ieder die gelooft. De zojuist genoemde Brink uit Oosterwolde (Gld.), die later evenals Martinius vanwege zijn betrokkenheid op het Oranjehuis wordt afgezet, neemt deel aan de handoplegging. Het wordt een lange periode, sterker nog de langste, die een predikant hier werkzaam in het ambt heeft doorgebracht. Dat terwijl hij tenminste één keer de mogelijkheid heeft gekregen naar elders te vertrekken. Het is het veel kleinere Gendt in Gelderland dat in het voorjaar van 1788 een beroep op hem uitbrengt. Hij bedankt en verbindt zich opnieuw aan deze gemeente met de woorden: “Dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven en met u allen zal verblijven tot uw bevordering en blijdschap des geloofs.” Er is dan om meer redenen een spannende tijd aangebroken. De Elspeter herder is enkele jaren tevorden getrouwd en zijn vrouw is in verwachting van de tweede zoon. Met korte tussentijd worden er drie jongens geboren, die allen in de voetsporen van pa zullen treden. Overigens komt zijn naam in meerdere gemeenten bij een vacature ter sprake. Steeds gaat het beroep evenwel naar een ander. De plaatsen die het betreffen zijn in alfabetische volgorde Arnhem, Deventer, Elburg, Garderen, Harderwijk, Nijkerk (3x), Nunspeet (2x), Oosterwolde (Gld.), Ouderkerk aan den Amstel, Renkum, Sprang, Voorthuizen (2x) en Wageningen.

    Zonen bevestigd

    Het feit dat hij tot tweemaal toe naar de provinciale synode wordt afgevaardigd onderstreept dat hij bestuurskwaliteiten in zich heeft. Namens deze synode reist hij in 1792 als correspondent naar deze vergadering van de Groninger predikanten en negen jaar later wordt hij verkozen tot assessor (tweede praeses). Je ziet Everwijn ook door de classis reizen om werkzaamheden te verrichten. Bij de handoplegging van Hendrik Jan Bruins (1759-1789) en Hendrik Willem Benier (1761-1838) te Garderen, bij Dirk Bruins (1788-1862) te Hoevelaken, bij Johan Peter Bosken en J. Wanrooy te Kootwijk en bij Albert van Eerde te Oosterwolde (Gld.). In deze laatste gemeenten kom je zijn naam vaker tegen om als consulent vergaderingen rond het beroepingswerk voor te zitten. Het meest bijzonder is het wellicht voor hem geweest dat hij tot twee keer een zoon aan een gemeente mag verbinden. Bernhardus Johannes krijgt het beroep naar Loenen op de Veluwe aangeboden. De bevestiging aldaar vindt op de Eerste Pinksterdag van 1814 plaats. Pa preekt bij die gelegenheid over de zendingsopdracht zoals de evangelist Mattheüs die aan ons doorgeeft. Zoon Jacobus Gijsbertus bevestigt hij op 3 oktober 1819 in zijn tweede gemeente Burgharen. Deze heeft tevoren ruim zeven jaar in Over- en Neder-Asselt gearbeid. De derde zoon die in pa’s voetsporen voortgaat, Arnoldus Lucas, begint zijn loopbaan eerst op 7 maart 1824 in Voorthuizen. Deze Everwijn zal later nog enkele keren in de Elspeter consistorie aantreden voor de zogeheten kerkvisitatie.

    Beroofd

    De bijzondere tijd rond 1795 gaat al evenmin aan Everwijn voorbij. Hij zal met z’n gezin zorgelijke uren hebben doorgemaakt als de Franse troepen al plunderend over de Veluwe trekken. Schadelijsten laten zien dat juist bij de Elspeter predikant veel wordt gestolen of vernield. Ondermeer gaat het daarbij om zijn nieuwe gouden horloge, een atlas, vijfstudieboeken, mantels en een hoed, de koffiemolen en –kan, de visketel en –plaat, twaalf wijnglazen, zeven dekens, slopen en beddenlakens, de nieuwe studeerlamp, zowel het wafelijzer alsook het Nieuwjaarsijzer, 250 pond rundvlees en gerookte worst, 6 schepel rogge, 2 korenzakken, 4500 inlandse turf of Kluin. Zelfs al het aardewerk in de keuken is gebroken en vernield en de twaalf tinnen lepels zijn weg. De kosten belopen het voor die tijd forse bedrag van maar liefst ruim 552 gulden. Dominee komt er nog goed af in vergelijking met Hendrik en Elis Gangelhoff en Jan Beertsen Mouw die respectievelijk 745 en 855 gulden schade ondervinden. Op 22 oktober 1823 komt er een einde aan de loopbaan van deze Elspeter predikant. Hij overlijdt onverwacht op 67-jarige leeftijd. Het bericht waarin dit wordt bekend gemaakt, verhaalt dat hij al enige jaren met lichaamsgebreken heeft geworsteld. De eerste zondag van november komt de aangewezen consulent over om de gemeente op te wekken “veel te gedenken aan die nuttige lessen en vermaningen”. Deze Daniël Moreau (1790-1869) uit Garderen preekt over de tekst: “Lazarus onze vriend slaapt”. Tenslotte kijken we naar de vermeldingen over deze predikant. Lijst 2 geeft het jaartal 1780 als begin aan. Duidelijk is te zien dat eerst later zijn overlijden wordt ingevuld. Als jaartal 1813 en vervolgens als datum “22 october”. Zijn heengaan blijkt eerst achteraf te zijn ingeboekt op een verkeerd jaartal. De lijsten 3 en 4 noemen als begin 1780 en 1823 als het jaartal van afsluiting. In lijst 5 (uitgave van Herstelden) en op het predikantenbord worden geheel ten onrechte de jaren 1799 en 1813 aangegeven. Temeer bijzonder daar bij de uitwerking in het boekwerk “Zijn daden gedenken” wel de datum van het overlijden in 1823 wordt verantwoord. Dan zou je dus moeten concluderen dat hij gedurende tien jaren “emeritus” is geweest. Dat is evenwel niet realistisch daar de kerkenraadsstukken bij voortduring door Everwijn worden ondertekend. Hij legt zelfs een nieuw boek aan voor de periode 1816 tot 1853 met de titel: “Handelingen van den kerkenraad te Elspeet, beginnende met den jare 1816”.

    De dwaling van Elspeet

    De lijsten 2 en 5 en het genoemde geschrift van mevrouw Huizinga vermelden vervolgens ene J.M. le Coultre. Echter bestudering van lijst 2 laat meteen zien dat zijn naam eerst later, na de intrede van Everwijns opvolger “Staaverman” er veel kleiner tussen is geschreven en als “de dwaling van Elspeet” is ontstaan. Le Coultre zou van 1813 tot 1817 alhier hebben gewerkt en vervolgens naar Kolhorn zijn vertrokken. Zijn naam prijkt eveneens op het predikantenbord. Daarbij wordt nog aangegeven, net als in de uitgave van mevrouw Huizinga, dat er van hem “geen verdere gegevens bekend zijn”. Hoe deze dwaling ook is ontstaan, de levensloop van genoemde Jean Moïse le Coultre laat geen predikantschap in Elspeet toe. Als opheldering volgen we de start van zijn loopbaan in de kerk nauwgezet. Hij is geboren op 28 augustus 1791 in Amsterdam, bezoekt aldaar het gymnasium en wordt op de vergadering van de classis Nederveluwe de datum 16 juni 1813 te Elspeet als kandidaat beroepbaar gesteld. Dit kan erop wijzen dat hij hier ook woonachtig is geweest. Het is zelfs aannemelijk daar er bij zijn overlijden ook gewag wordt gemaakt van Elspeet. In december van 1813 prijkt de naam van kandidaat Le Coultre op het veertiental te Kuinre. Overigens wel als “kandidaat”. Het volgende voorjaar staat zijn naam onder de classis Nederveluwe als beroepbare kandidaat. Vervolgens is te lezen dat in dat jaar het vacante Wilsum hem op de lijst plaatst om eventueel te worden beroepen. Wederom als kandidaat. Zo ook te Olst, Soest en Wilp. Op 8 november van gemeld jaar komt de kerkenraad van Kolhorn bijeen voor het uitbrengen van een beroep nu hun predikant Johannes Kroon (1745-1816) emeritus is verklaard. De lijst met twaalf namen wordt aangevoerd door acht dienstdoende predikanten. Vervolgens blijken ook vier kandidaten voor deze kleine plaats in de kop van Noord-Holland in aanmerking te komen. Als voorlaatste prijkt daar de naam van “J.M. le Coultre, proponent onder de Classis van Nederveluwe”. Twee weken later wordt hij in de gecombineerde vergadering van de kerkenraad en mannelijke lidmaten beroepen.

    Wel naar Kolhorn

    Hij neemt het aan en wordt op 3 januari 1815 voor de tweede keer geëxamineerd over het bekende zestiende vers van Johannes 3. Als hij reeds predikant zou zijn geweest, is dit examen overbodig. Evenwel wordt ook op 12 maart bij zijn bevestiging nog eens onderstreept dat hij als kandidaat aantreedt. Een zevental predikanten neemt deel aan de zogeheten handoplegging. Daarbij is geen enkele Everwijn aanwezig. De bevestiging wordt verricht door dominee S.D. de Keizer uit Schagen. Le Coultre wordt vervolgens op 9 november 1817 aan Zuilichem-Nieuwaal verbonden. Hij is vanaf 2 juli 1820 de eerste predikant van het zelfstandige Stellendam op het eiland Goeree- Overflakkee. Tenslotte zal hij van 9 juli 1826 tot zijn emeritaat op 1 april 1854 hervormd Blokzijl dienen. Op 28 oktober 1856 overlijdt hij, terug in Noord-Holland, namelijk te Enkhuizen. In Elspeet is in tegenstelling tot sommige vermeldingen ene Johannes Reinardus Staverman in 1824 als opvolger van de overleden Everwijn aangetreden. Blijkbaar wil de gemeente niet, net als zestig jaren eerder, wachten op het afstuderen van de laatste van de drie zonen van hun oud-predikant. Er wordt een herder met ervaring gezocht, zo blijkt reeds enkele maanden na het heengaan. In het notulenboek staan de twaalf namen opgetekend die in eerste instantie hiervoor in aanmerking komen. De eerste zullen we later uitwerken, het is die van Staverman. Dan volgt de naam van Aalt van Dijkhuizen (1788-1864) uit Ouddorp. De nummers drie en vier komen van dichterbij. Het betreffen Johannes van Gorcom († 1843) uit Bennekom en consulent Moreau uit Garderen.

    Oudere opvolger

    Op de vijfde en zesde plek staan Bernhardus Johannes Everwijn (1787-1839) en diens broer Jacobus Gijsbertus (1788-1866). De volgende vijf komen allen uit de regio. Het betreffen Arend Ketz (1768-1838) uit Putten, de indertijd veel beroepen Johannes Schoonderbeek (1770-1827) uit Nijkerk, de in Hoogeveen geboren Johan Albert Hartman (1771-1843) uit Hierden, Gerrit Jan Smalbraak (1777-1858) uit Kootwijk en G. Lamers († 1869) uit Harderwijk. De hekkensluiter is ene Matthijs Louis Bonzet (1775-1852) uit Denekamp. Het is opvallend dat de gemeente duidelijk een oudere predikant wil zien aantreden. Staverman is met 61 jaar de oudste van het twaalftal. De lijst geeft ook de indruk dat men iemand uit de omgeving zoekt. Voor het overige valt op dat het predikanten betreffen die zich nog niet met de opkomende Groninger richting inlaten. De eerste zes namen verschijnen op het zogeheten zestal. Vervolgens de eerste drie op het drietal. Daaruit wordt op 6 januari 1824 genoemde Staverman beroepen. Hij neemt het ook aan en wordt op de zogeheten “Wezenzondag” 30 mei bevestigd. Consulent Moreau roept de gemeente op: “Ontvangt hem dan in den Heere met alle blijdschap, en houdt dezulken in waarde”. Staverman vraagt aandacht voor Jakobus’ oproep: “Ontvangt met zachtmoedigheid het Woord dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zalig maken. En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende”.

    Uit Drenthe

    Wie is deze Staverman? Laten we eens nader met hem kennismaken. Immers al snel zullen we ook de naam van zijn broer Henricus Johannes tegenkomen. Hij is een Drent van geboorte en heeft zijn eerste levensjaren sinds 1762 doorgemaakt in de pastorie van Wapserveen. Vader Albertus, geboren in Ootmarssum, is daar halverwege de jaren vijftig van de achttiende eeuw na zijn studie aan de Groninger universiteit neergestreken. Diverse schrijvers, waaronder dr.J.C. Kromsigt, wijzen erop dat juist in die tijd de gevolgen van de Nijkerker beweging juist ook in deze Drentse gemeente onder de rook van Steenwijk worden opgemerkt. Pa vertrekt, evenals zijn voorganger in Wapserveen, naar Beilen. Om precies te zijn in het jaar 1781. Tegen de tijd dat hij in Midden-Drenthe zijn ambtsbediening afsluit, is zoonlief klaar met de theologiestudie en door de classis beroepbaar gesteld. Hij heeft daarvoor de colleges van de hoogleraren Meiling en Campstede in Lingen gevolgd. Bij de Groninger professoren Chevalier, Kuipers en Lubbers is hij tot de voltooiing van zijn studie gekomen. De classis Meppel stelt hem daarop beroepbaar. Reeds op de Tweede Pinksterdag A.D. 1786 volgt de bevestiging in, jawel de standplaats van vader, Beilen.

    Ernstige ziekte

    Deze Drentse gemeente prijkt als één van de weinigen uit die omgeving in de fraai uitgevoerde boeken met foto’s van kerken en korte beschrijvingen van predikanten, uitgegeven door de Gereformeerde Bijbel Stichting. Daarin wordt het oog gevestigd op Johannes Beeltsnyder (1603-1683). Uit de dagboeken van Sicco Tjaden is het bekend geworden dat hij als kandidaat decennia later ook in Beilen heeft gepreekt en bijzondere ontmoetingen aldaar doormaakt. Johannes Reinardus komt van lieverlede in beeld in Denekamp, Genemuiden, Hattem, Spankeren, Staphorst en Zwartsluis. Hij bedankt voor het beroep naar Nijeveen en gaat in 1806 wegens ziekte met emeritaat. Ruim vijf jaren later wordt hij in het Friese Sint Johannesga beroepen en doet daar op de derde zondag van 1812 zijn intrede met Paulus’ woord: “Mij, den allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen den onnaspeurlijken rijkdom van Christus.” Aan de vooravond van het Friese Reveil zie je dat in Balk, Stavoren en Workum bij herhaling wordt overwogen hem daarheen te roepen, evenals in Ulsen (Bentheim). Zijn derde gemeente wordt evenwel het Veluwse Doornspijk, alwaar hij sinds 7 juni 1818 werkzaam is. Tevergeefs proberen de Friezen uit Koudum hem terug te halen. Elspeet wordt sinds de zondag voor Pinksteren, op 30 mei 1824, zijn vierde en laatste plaats. Zoals gemeld is het niet zijn broer maar de consulent die de bevestiging verricht.

    Veel foutieve vermeldingen

    Of broerlief toen ook kennis heeft gemaakt met de gemeente en de kerk blijft onbekend. Johannes Reinardus treedt slechts zestien zondagen aan op de preekstoel “tot leering en stichting van velen”. Hij lijdt aan een ‘uitterende’ ziekte en komt bij het begin van de Adventtijd op dinsdag 7 december te overlijden, in de leeftijd van 62 jaar. In het rouwbericht wordt nog gemeld dat hij “het Evangelie van zijnen Heer zuiver” heeft verkondigd. De nieuwe predikant uit Garderen, ene H. Slothouber, preekt als consulent anderhalve week later over Openbaring 14 vers 13. In lijst 2 worden de intrede en het overlijden in 1824 gedateerd. Lijst 3 plaatst zijn heengaan ten onrechte in 1825. In de uitgave van de Hersteld Hervormden zijn de vermeldingen zeer tegenstrijdig. In de lijst wordt al gesproken over ene L.R. Staverman. Vervolgens wordt zijn periode geduid van 1817 tot 1824. Bij de uitwerking wordt wellicht per abuis over de bevestiging op 3 mei 1824 geschreven. De naam van “Moriaan” uit Garderen is foutief geschreven. De naam van de nieuwe consulent luidt niet “Slothouder” maar Slothouber.

    Broer Staverman

    Daar Staverman ongehuwd overlijdt, kan het beroepingswerk meteen ter hand worden genomen. Je zou denken dat de kerkenraad teruggrijpt naar de lijst van het vorige jaar. Niets is minder waar. Slechts één naam keert op een nieuw zestal terug. Alleen die van Bonzet. De nieuwe consulent van Garderen staat op de tweede plek. Deze keer ook de naam van de derde Everwijn, het is Arnoldus Lucas uit Voorthuizen. Vervolgens lees je over ene A.R. Rutgers uit Lent, Huibert van Blokhuizen uit Kethel en A. Radijs uit het Brabantse Oss. Het drietal vermeldt de namen van Bonzet, Slothouber en Rutgers. Eerstgenoemde heeft met zijn 49 levensjaren de meeste ervaring opgedaan. Eerst in Kamerik, vervolgens te Noorden en Denekamp is al weer zijn derde gemeente. Hij heeft eerder twee keren voor een beroep naar Benthuizen bedankt en ook het verzoek van de kerkenraad uit Noordeloos afgewezen. Op 25 februari 1825 besluit de kerkenraad van Elspeet het beroep op hem uit te brengen. Twee dagen later licht hij z’n gemeente in. Daar is de vreugde groot als hij zich op 20 maart opnieuw aan haar verbindt. Dus begint de speurtocht voor de zevenhonderd zielen alhier opnieuw. Het zestal wordt voor de helft van nieuwe namen voorzien. De beroepene, de consulent en Van Blokhuizen vallen af. Hun plaatsen worden ingenomen door ene Henricus Johannes Staverman uit Kolderveen. Opnieuw komt de naam van Smalbraak uit Kootwijk op de lijst en bovendien die van A. Lambrechts uit Lienden. De 59-jarige Staverman voert het drietal aan, gevolgd door Radijs en Everwijn. Eerstgenoemde wordt eind maart beroepen. Hij zal de vacature sedert het overlijden van zijn broer gaan vervullen.

    Uit Drenthe

    Ook deze Staverman zal het grootste deel van z’n leven in Drenthe doormaken. Hij begint op 11 november 1792 in de gemeente Wapserveen met ook al die aangrijpende woorden van Paulus uit Efeze 3 vers 8. Zijn broer heeft hem daar en vervolgens ook anderhalf jaar later te Kolderveen bevestigd. De volgende zondag, op 11 mei 1794, doet hij in z’n tweede standplaats intrede met Paulus’ verantwoording van de verkondiging uit het begin van de Romeinenbrief. Je ziet hem vervolgens her en der in de classis aantreden. Deze Staverman wordt zelfs de voorzitter van de ring Meppel. Hij bedankt voor beroepen uit Oldeholtpade en Ulsen (Bentheim) maar maakt aan zijn bijna elfhonderd gemeenteleden op de eerste mei van 1825 zijn vertrek naar het kleinere Elspeet bekend. Het afscheid volgt eerst ruim drie maanden later met Mozes’ afscheid waarin hij het volk Israël oproept te kiezen voor het leven en niet voor de dood. Met zijn vrouw Elizabeth Radijs betrekt hij alhier de pastorie. De bevestiging wordt op 21 augustus verricht door consulent Slothouber uit Garderen. Deze vertolkt de woorden: “Doe het werk van een evangelist”. De nieuwe predikant vraagt aandacht voor de tekst: “Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij Godes en niet uit ons”. Gedurende bijna zeven jaren zie je hem allerlei besluiten van de kerkenraad ondertekenen. Op 11 maart 1832 komt Staverman op 66- jarige leeftijd te overlijden. Consulent B.J. Dibbetz uit Garderen tekent aan dat dit na “een sleepende ongesteldheid” geschiedt. De gegevens betreffende de naam en herkomst als ook de jaartallen staan ook op lijst 2 en 3 vermeld. Lijst 5 uit het meest recent verschenen boekwerk over Elspeter predikanten wijkt wederom af. Hij heet daar H.I. Staverman en zou reeds in 1824 zijn intrede hebben gedaan. Beide weergaven zijn onjuist en worden ook tegengesproken in de uitwerking twee pagina’s verderop. Daar wordt aangegeven dat de consulent, ten onrechte wederom als Slothouder aangeduid, zou hebben gepreekt over “2 Tim. 4 en 5”. De naam van de nieuwe consulent wordt ten onrechte als Dibbets geschreven. Dit moet zijn Dibbetz.

    Ander spoor

    Het roer gaat na het heengaan van de tweede Staverman helemaal om. Na twee oudere predikanten, die betrekkelijk snel een vacature doen ontstaan, gaan alle ogen naar een veel jongere persoon. Op de lijst met zes namen van de gewenste opvolger komen alleen jonge kandidaten voor. De 26-jarige Christiaan Daniël Louïs Bähler uit Zwolle voert de lijst aan. Hij wordt gevolgd door M. van Selms uit Woerden, Jan Pieter Hendrik Reijers uit Deventer, Steven Hendrik Gerritzen uit Arnhem, C. Vrendenberg uit Amsterdam en H. Tanner uit Arnhem. Over deze Van Selms tekent dr. Rienk Klooster aan dat hij de orthodoxe richting is toegedaan. Hij speelt zelfs een rol in de Friese afdeling van de zogeheten Vrienden der Waarheid. Vanuit deze organisatie wordt gepoogd de bevindelijk orthodoxe prediking in allerlei gebieden door evangelisatie te bevorderen. Van de overige vier personen is minder beschreven. Gelet op hun standplaatsen lijkt het erop dat zij zich steeds meer door de zogeheten Groninger Richting en of de modernen aangetrokken hebben gevoeld. Bähler heeft zijn studie volbracht aan de universiteit te Leiden. Daar bouwt hij een vriendschap op met Anthony Brummelkamp, Hendrik Peter Scholte, George Frans Gezelle Meerburg en Simon van Velzen. Deze vier vrienden laten zich in de roerige tijd rond 1834 meeslepen in de Afscheidingsbeweging. Aangaande het gedachtengoed van Bähler zijn tenminste drie bronnen beschikbaar. Dr. A. Sulman plaatst hem als eerste van drie Elspeter predikanten die door het Réveil zijn getekend. Klooster typeert zijn ligging als orthodox. In een korte beschrijving over hem in het Gereformeerd Weekblad van 7 mei 1960 wordt hij geduid als iemand “die trouw is aan de gereformeerde prediking”.

    Volgeling Réveil

    Hoe dan ook, hij heeft van huis uit het nodige over het Revéil meegekregen. Vader Louis Henry Bähler schaart zich als Waals predikant in Zwolle achter de opvattingen van Isaäc da Costa. Meerdere preken worden van hem uitgegeven. Zijn moeder Henriëtte Wilhelmina Mathilde Despar staat haar man terzijde. Ze voorziet deze uitgaven van gedichten. Christiaan wordt in 1806 geboren. Goed en wel aan de studie barst de discussie uit nadat Da Costa zijn “Bezwaren tegen de geest der eeuw” laat uitgeven. Pa Bähler sluit zich hierbij aan en vraagt aandacht voor “de diepe ellende, bederf en dood in Adam”. Hij vervolgt “dat Jezus is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, niet het geen waarin Hij reeds van natuure eenige deugd of goede neiging vindt (gelijk de hoogmoed beweert, die het evangelie met een bloot uitwendige belijdenis heeft aangenomen), maar hetgene verloren was, geheel en volkomen, verloren, te weten allen, die Hem de Vader gegeven heeft opdat Hij haer het eeuwige leuwen geve, tot welken einde Hem macht gegeven is over allen vleesche; het verkondigt eindelijk, dat alles Genade is, louter Genade en Barmhartigheid, gave Gods, niet uit ons, eeuwige ontferming en mededogen van Jezus Christus den Heiland Zijner Kerke, over allen die gelooven, opdat geen vleesch gerechtvaardigd worde voor God uit de werken, en alles zij tot lof en heerlijkheid van den God hunner Zaligheid!” In oktober 1832 wordt Bähler (jr) door de kerkprovincie Zuid-Holland beroepbaar gesteld. Reeds de laatste novemberdag wordt hij door de kerkenraad beroepen om hier de herder en leraar voor de 132 lidmaten te worden. Het is wederom de consulent uit Garderen die de bevestiging eerst op de Tweede Paasdag van 1833 verricht. Deze Dibbetz zinspeelt ongetwijfeld op hetgeen de nieuwe predikant van huis uit heeft meegekregen: “O Timotheus, bewaar het pand u toevertrouwd”. In de intrededienst wordt het Evangelie open geslagen. Hij legt Jezus’ woord aan de gemeente voor: “Ik moet werken de werken Desgenen Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan”.

    Bekende kleinzoon

    De pastorie wordt weer door een jong echtpaar bewoond. Slechts enkele maanden tevoren is de herder gehuwd met Maria Elizabeth van ’t Hooft. Blijkbaar is het hier nog altijd de gewoonte om het Heilig Avondmaal op de Eerste Kerstdag te bedienen. Zo niet in 1836. Dominee is vanwege een zware ziekte aan bed gebonden. Hij herstelt. Drie maanden later volgt het beroep naar Oosterwolde (Gld.), hetgeen door hem wordt aanvaard. Op zondag 9 april wordt de gemeente op de hoogte gebracht en na de middagdienst besluit de kerkenraad dit nieuwtje ook door te geven aan de correspondent van de Boekzael. De volgende maand vindt de losmaking plaats door eerder genoemde ds. Everwijn uit Voorthuizen. Vervolgens wacht de afscheidsdienst op 4 juni 1837. Daarin houdt hij de gemeente Paulus woord uit 1 Corinthe 2 vers 5 voor. Mogelijk is de spoedige verhuizing ingegeven door het feit dat hij weer dichter in de buurt van pa en moe in Zwolle wil wonen. Zijn vader zal echter ruim een maand later overlijden. Bähler (jr.) doet gedurende zijn loopbaan van bijna een kwart eeuw nog eens zeven gemeenten aan. Het zijn respectievelijk Aalst (1840), Heemse (1843), IJlst (1844), Ede (1845), Op- en Neder-Andel (1851), Wemeldinge (1856) en Poortvliet (1857). Opmerkelijk is het dat Bähler een tweede keer naar Elspeet en Oosterwolde wordt beroepen. Hij wordt in de zomer van 1852 zelfs twee keren naar zijn eerste standplaats geroepen. Wanneer de tweede beslissing in de Kerkelijke Courant aan een breed publiek kenbaar wordt gemaakt, prijken er drie vraagtekens achter de verantwoording van “een ernstig en biddend beraad” van de dominee. Wemeldinge krijgt eerst een “ja-woord” op het vierde beroep. Op 17 augustus 1857 is Bähler overleden. Dan is zijn zoon Louis Henri Antoine bijna gereed om het ambtswerk eerst in Kesteren en later eveneens in Oosterwolde (Gld.) te aanvaarden. Meer bekend wordt zijn kleinzoon dr. Louis Adrien, enige tijd predikant van het Friese Oosterwolde. Zijn pleidooi voor het boeddhisme, neergelegd in de brochure Het christelijk barbarendom van Europa, dragen bij aan de oprichting van de Gereformeerde Bond. Ook over deze Elspeter predikant zijn de vermeldingen niet allemaal gelijk. In lijst 2 wordt melding gemaakt van zijn intrede in 1833, alsmede van zijn vertrek op 4 juni 1837. Bijzonder genoeg is hierbij later vermeld dat hij is overleden in 1860. Dat jaartal is onjuist. Lijst 3 bericht alleen de naam en de jaartallen van de start en het afscheid, geheel overeenkomstig de bevindingen. Lijst 5 van Van der Zwaan geeft eveneens jaartallen. Voor zijn intrede wordt daar, als ook op het predikantenbord, geheel onjuist het jaartal 1832 opgegeven. Hier heet hij ten onrechte “G.D.L. Bähler”. Bij de uitwerking wordt overigens wel gesproken over de start op de 2Paasdag van 1833. Opnieuw is de naam van consulent Dibbetz onjuist geschreven. Daarbij is de afscheidstekst veel ruimer opgegeven dan de weergave in de Boekzael.

    Oogje op Moorrees

    Reeds een maand na het afscheid zit de kerkenraad bijeen om een nieuwe voorganger te zoeken. Vooraf is in de Boekzael aangegeven dat er niet opnieuw een kandidaat zal worden beroepen. Na het nodige overleg wordt een lijst gemaakt met zes namen van dienstdoende predikanten. De meeste stemmen worden aansluitend uitgebracht op de in die dagen zeer bekende Bernardus Moorrees. Hij is dan voor de tweede keer predikant van Wijk bij Heusden. De aldaar geboren predikant H. Harkema (jr.) beschrijft hem als degene die, verbonden aan de Belijdenis, wellicht het meest in de openbaarheid is getreden. Overigens is in zijn eerste standplaats Vuursche gebleken dat hij in tegenstelling tot zijn voorganger meer de objectieve kant van het heil benadrukt. Als tweede komt Sijpko Haijo Sijpkens te Idsegahuizen uit de bus. De zeer bekend geworden Jan Jacob Knap (sr.) uit Aarlanderveen neemt de derde plaats in. Mogelijk al bekend vanwege de uitgave van zijn preken. De drie volgende personen, die ook meteen weer afvallen, komen uit de directe omgeving. Het zijn de consulent, zijn inmiddels bekende buurman Smalbraak uit Kootwijk en de dominee van Hierden, ene Johannes Petrus Verff. Voorheen werkzaam te Maasbommel, Wijk bij Heusden, Bleskensgraaf, Emmelenkamp, Hasselt en Elburg en ondanks of juist door de Afscheiding gewoon in de Vaderlandse volkskerk gebleven. Deze predikant heeft eerder ondermeer bedankt voor beroepen uit Doornspijk, Nieuwe-Tonge, Opheusden, Streefkerk en Waarder. Moorrees wordt beroepen, echter hij bedankt. Zomermaand of niet, krap een maand later zitten de mannenbroeders wederom bijeen. De lijst met zes namen wordt aangevuld met de oud-consulent Slothouber, inmiddels te Huizen. Vervolgens wordt Sijpkens uit Idsegahuizen beroepen. Het is een Fries dorp met in die dagen een hervormde gemeente van slechts 150 zielen, waarvan er 36 belijdenis hebben gedaan. De Afscheiding is aan deze kleine gemeente bij Makkum voorbij gegaan. Opgelucht halen de kerkgangers adem wanneer hun in Ulrum geboren predikant op 27 augustus 1837 bekend maakt dat hij na bedankjes voor Molkwerum en Exmorra ook de kerkenraad van Elspeet verder laat zoeken.

    Bekeerd

    Evenwel komen zij na een unaniem besluit nog geen twee weken later opnieuw bij hem terug. Het is wellicht interessant nog eens te onderzoeken wat het verschil tussen de beroepingsbrieven is geweest. Nu aanvaardt hij de roepstem wel en zegt hij z’n gemeente op 19 november gedag, eveneens met Mozes’ oproep de goede keuze te maken. Een week later verricht consulent Dibbetz uit Garderen wederom de bevestiging van de Elspeetse scheper, nu met Ezechiëls’ tekst over de foute herders van Israël. Aan de vooravond van Advent spreekt de nieuwe dominee over “het getrouwe woord dat alle aanneming waardig is, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.” Zoals aangegeven, is hij in de pastorie van Ulrum geboren. Vader Willem heeft daar van 1796 tot 1823 het Godswoord verkondigd. Sijpko Haijo wordt op 24 augustus 1805 geboren. Ruim zeventien jaar later begint hij z’n studie te Groningen om krap vijf jaar later in Drenthe als kandidaat beroepbaar te worden gesteld. Hij trouwt met de domineesdochter Alida Beerta Hulsewé. Samen krijgen ze vijf kinderen die allen in de eerste gemeente worden geboren. Daar is hij in het voorjaar van 1828 door zijn zwager R.L. Kijlstra bevestigd en begint de jonge dominee met een rede over de eerste verzen van 2 Corinthe 4. Blijkens de uitgegeven afscheidspreek van Idsegahuizen is op te maken dat hij eerst zeven jaar na zijn intrede een bekering doormaakt. Eerst dan, zegt hij zelf, leert hij God en Christus kennen. “O! het was zoo mijn lust en mijn leven naar het harte van die kleinen te spreken, welke uit groote bekommering en zoo heilbegerig vraagden wat zij doen moesten om zalig te worden.” Uiteindelijk sluit hij de preek af met een oproep naar de verschillende groepen van “onbekeerden, huichelaars, Godvergetenen, meer bevestigde Christenen, duurgekochten, vrijgemaakten en geloovigen des Vaders welbehagen”.

    Meer toepassing dan uitleg

    De heer K.A. Gort komt bij analysering van zijn “onderscheidenlijke” preken tot de conclusie dat de toepassing meer aandacht krijgt dan de tekstuitleg. De notulen van de kerkenraad laten zien dat hij zich in Elspeet enorm inspant om nieuwe lidmaten te bevestigen. In 1839 maar liefst twintig en het volgende jaar weer bijna zo’n getal. Daarnaast lees je ineens over een situatie waarin de tucht moet worden toegepast. Van her en der wordt met jaloerse blik naar de voorganger van deze Veluwse gemeente gekeken. In Aalst, Genemuiden, Hoogeveen, Overschie en Zwartsluis blijkt dit het geval te zijn. In de zomer van 1840 komt er een beroep uit het Friese Woudsend. Sijpkens besluit dan evenwel zuidelijker af te reizen, namelijk naar ’s-Grevelduin-Capelle. Dus bewoont hij met zijn vijf kinderen de pastorie alhier niet langer dan krap drie jaren. De oudste zoon Willem gaat in de sporen van vader en zal later onder meer in de pastoriën van Elburg en Veenendaal verblijven. We zullen zijn naam hier ook nog tegenkomen. Pa neemt op zondag 27 september afscheid met het tijdens deze diensten veel opengeslagen Handelingen 20. Hij kiest voor de verzen 26 en 27. Een week later verklaart hij in ’s-Grevelduin-Capelle zijn intentie om “als een gereformeerd Leeraard die vrije zaligmakende genade zuiver te verkondigen, waartoe ik nederig hoop op de ondersteunende genade des H. Geestes, zonder wien ik in dezen niets vermag”. Ondanks beroepen naar Hoogkerk, Oostermeer (2x), Aarlanderveen en Hantum blijft hij krap vier jaren in Brabant werken. Vervolgens komt hij terug naar de Veluwe, namelijk naar Putten. Z’nintrede aldaar vindt plaats op 28 juli. Reeds op 14 december van datzelfde jaar komt hij te overlijden, slechts 39 jaren oud. Ondertussen heeft hij in de haast bedankt voor een beroep uit Doornspijk. Sijpko Haijo heeft zelf bij zijn aantreden hiervan melding gemaakt op de lijst van predikanten (nr. 2). Zelfs met de intredetekst erbij. Iemand anders heeft later melding gemaakt van zijn vertrek. Deze dateert de afscheidsdienst een dag te vroeg. In lijst 3 worden de jaartallen 1837 en 1840 vermeld. In lijst 5 staat, evenals bij de beschrijving en op het “Elspeter domineesbord”, als jaar van vertrek 1839 aangegeven. Dat is dus een jaar te vroeg gedateerd. Bij de uitwerking wordt wel weer over een verblijf van twee jaar en 10 maanden geschreven en de dag van vertrek tenminste twee dagen te vroeg op 26 september 1840 verantwoord. Ook wordt de plaatsnaam “Idsigahuizen” onjuist geschreven evenals de persoonsnaam “Dibbets”.

    Naar Ledeboer

    Het lijkt erop dat de kerkenraad opnieuw een alom bekend predikant naar het hartje van de Veluwe wil overhalen. Reeds op 1 oktober 1840 wordt unaniem besloten uit een vastgesteld drietal ds. Lambertus Gerardus Cornelis Ledeboer uit Benthuizen te beroepen. Als tweede staat op dat lijstje de acht jaar tevoren in Leiden afgestudeerde kandidaat A.J.C. van Blokhuizen. Hekkensluiter is de broer van de vertrokken predikant, ene Rutger Adolf Benthem Sijpkens uit Lutjegast. Ledeboer bedankt. Het kan niet anders, het moet slechts enkele weken geweest zijn voor de bijzondere 8-ste november waarop hij midden tijdens de preek zowel het Gezangenboek als ook het ondertekeningsformulier van de preekstoel gooit. Als een vrouw het wil oppakken, moet hij hebben gezegd: “Laat het liggen, straks zullen wij het begraven”. Dat vindt bijzonder genoeg nog diezelfde zondag na afloop van de dienst plaats. Je vraagt je wel af hoe de kerkelijke staalkaart van Elspeet er zou hebben uitgezien als hij wel was overgekomen? Zijn oordeel over Elspeet is hard. J.H. Landwehr, die het leven van Ledeboer heeft beschreven, vermeldt dat hij twee beroepen heeft ontvangen. Eén naar een “liberale” kerk en één naar een “afgescheiden” kerk. Een speurtocht in het beroepingsnieuws laat zien dat hij slechts twee keer een beroep uit een hervormde gemeente heeft ontvangen. Het gaat dan om Benthuizen en Elspeet. Wel heeft hij ook op de nominatie gestaan te Harderwijk, Hoogeveen en Oosterwolde (Gld.). Maar verder is het daar nooit gekomen. Dus ontstaat de indruk dat met die liberale kerk deze gemeente is bedoeld. Minstens zo bijzonder is ook zijn kerkopvatting. Landwehr verwoordt: “Hij beschouwde de Hervormden als lieden, die vroeger uitwendig tot de kerk behoord hadden, maar zich nu van de kerk verwijderd hadden. Niet hij, Ledeboer, had zich afgescheiden; maar zij hadden zich afgescheiden”. Volgens ds. H. Wildeboer heeft Ledeboer kort voor zijn dood deze dwaling erkend. In Elspeet komt de kerkenraad desondanks op 11 november opnieuw bijeen om toch een beroep uit te brengen op een predikant die minder bezwaren tegen het ene verplichte Gezang heeft. Nummer 2 wordt gepasseerd. Dus gaat de brief, na unanieme besluitvorming, richting de pastorie Lutjegast. De naam van de pastor loci kennen we inmiddels: Benthem Sijpkens. De toevoeging Benthem heeft hij te danken aan zijn opa van moeders kant. Ook al predikant van beroep en wel ruim veertig jaren te Usquert. De opa van deze R.A. Benthem heeft als enige gemeente hervormd Ruinerwold gediend, de gemeente waarbinnen schrijver dezes nu voor de tweede keer mag arbeiden.

    Tweede Sijpkens

    We kijken nu wat vreemd tegen deze naamscombinatie aan, echter in die dagen gebeurt het veel meer dat kinderen de familienaam van moeders zijde in hun naam opnemen. Dit om t voorkomen dat de gedachtenis hiervan verloren zal gaan. Voor zover na te gaan heeft de genoemde ds. Benthem van Usquert geen zonen voortgebracht. Rutger Adolf komt op 27 mei 1811 eveneens in de pastorie van Ulrum ter wereld. Hij maakt een bijzondere studententijd in Groningen door. Niet alleen vanwege de opkomst van de zogeheten Groninger Richting, hij laat zich in 1831 roepen om vrijwillig deel te nemen aan de Tiendaagse Veldtocht tegen de opstandige Belgen. Met ruim honderd Groninger studenten besluit hij onder leiding van de Groninger hoogleraar J.F. van Oordt “het bedreigde vaderland te gaan verdedigen”. Ruim twee jaren later wordt hij door het kerkbestuur van Drenthe toegelaten tot het areaal van beroepbare kandidaten, dat in die dagen weer zo’n honderddertig personen omvat. De wachttijd voor hem valt mee. Het Groninger Lutjegast richt met succes een verzoek aan hem. Niet zijn broer, maar ook nu treedt zwager Kijlstra op 31 augustus 1834 voor de bevestiging aan. Bijzonder genoeg treedt zijn broer ook niet voor de handoplegging aan terwijl de afstand van Idsegahuizen naar Lutjegast toch wel te overbruggen moet zijn geweest. Tevergeefs zoek je later naar een moment waarop beiden samen zijn. Wat dat betreft is het bijzonder dat zes jaren later niet alleen de kerkenraad van Longerhouw een beroep op hem uitbrengt, maar ook die uit Elspeet. Hier laat hij zich op 2 mei 1841 door ds. A. Dekkers uit Garderen bevestigen en verklaart de nieuwe herder vervolgens “Christus den Gekruigde te preken”. Niet lang in deze plaats overigens. Nog voordat de kerkenraad weer bijeen komt om de nodige instructies over te brengen heeft deze tweede Sijpkens een beroep naar Garijp-Suameer ontvangen en ook aangenomen. Wat zal men zijn geschrokken rond die 23-ste juni als van het beroep wordt vernomen. Alle moeite tevergeefs? Ja dus, zo blijkt drie weken later. Mogelijk is één en ander het gevolg van ziekte bij zijn eerste vrouw Wemelina de Jonge. Zij komt nog hetzelfde jaar te overleden.

    Geen toeval

    Reeds op 19 september is het tijd voor de afscheidsrede waarin hij de Elspeter kudde te allen tijde in allerlei wijze de vrede van de Heere toe bidt. Niet dat deze predikant nog vaker zijn spullen zo snel weer laat verplaatsen. Blijkbaar is hij meer een apostel voor de Noorderlingen. Zo zal hij na het vertrek in 1847 uit Garijp nog in het Groninger Spijk (voor de overkomst van ds. A.P.A. du Cloux) van zich doen horen en van 1864 tot 1885 het Groninger Zuidwolde dienen. Aldaar stapt bij de Doleantie helaas een groot deel uit de hervormde kerk. Deze Sijpkens is op 10 maart 1901 in de Martinistad overleden. Het werken in de pastorie zie je bij zijn nageslacht terug. Zo zal zijn achterkleindochter Gerharda Willemina Oosterhuis slechts enkele jaren na zijn heengaan in het huwelijk treden met Coenraad Bernardus Holland. Een naam die we hier later ook zullen tegenkomen. Je blijft benieuwd hoe deze predikant in die zorgelijke tijden in de kerk heeft gestaan. Juist als hij in Elspeet verblijft, stuurt de eerder genoemde Moorrees een adres voorzien van 8790 handtekeningen. Daarbij worden instemmende reacties ingezonden van de kerkenraden te Elspeet en ’s-Grevelduin-Capelle. Wie staan daar aan het roer? De gebroeders Sijpkens. Dat kan geen toeval zijn. Eveneens komen er reacties van de vorige standplaats van Moorrees, namelijk Nijkerk. Daar staat inmiddels de welbekende Cornelis Carel Callenbach (1803-67) op de preekstoel. Als die vertrekt zal onze Rutger Adolf er maar liefst drie keren worden beroepen. De vierde en laatste kerkenraad die bezwaar aantekent is die van Oosterwolde (Gld.). Daar is zojuist C.D.L. Bähler vertrokken. Van hem hebben we eerder gehoord. Wellicht moeten ook van deze tweede Sijpkens wel preken zijn uitgegeven. Naast de genoemde beroepen bedankt hij er voor nog eens elf. Het gaat dan niet alleen om de meer bekende plaatsen in die dagen zoals Bodegraven, Hantum, Meeuwen Nunspeet, Oldebroek en Onstwedde maar ook om Ee, Jorwerd, Schraard en een deel van zijn derde gemeente namelijk Suameer en Wouterswoude.

    Witteveen bedankt

    Het hoofdstuk Sijpkens afrondend, kijken we naar de vermeldingen op de lijsten. Het lijkt dat op nr. 2 de predikant zelf rond zijn vertrek zowel zijn aantreden als ook het afscheid meteen aan het stuk toevertrouwt. Hij noemt de eerder gemelde bevestigingsdatum en geeft aan dat hij op 22 september “weer is vertrokken”. Dat zou dus op de woensdag na het afscheid zijn. De lijsten 3 en 5 vermelden twee keer het jaartal 1841. In deze laatste lijst wordt als voorletter ten onrechte alleen de letter “B” genoemd. Bij de uitwerking heet hij dan “B. Bentem Sypkens”. Deze lijst doet vermoeden dat Ledeboer, die als enige “godzalig” wordt genoemd, meteen bij het horen over het beroep heeft bedankt. Er vanuit gaande dat dit eerst aan de avond van die eerste oktober is besloten, lijkt het bedanken wel heel snel te zijn gebeurd. Het moment van aankomst van Sijpkens wordt ten onrechte in maart gedateerd. Daardoor is het ook niet juist dat Sijpkens eerst na vier maanden zijn vertrek aankondigt. Dit gebeurt ruim twee maanden later, reeds op zondag 18 juli, overigens een jaar nadat zijn broer over diens vertrek had gesproken. Ook de genoemde afscheidsdatum van 25 juli klopt niet, het betreft immers 19 september. Blijkens de opgave in de Boekzael handelde de intredetekst over vers 23 èn 24 van het opgegeven gedeelte. Ook op het predikantenbord staan de initialen van deze weer snel voort reizende herder onjuist vermeld. De eerste oktober van 1841 komt de kerkenraad wederom bijeen om een beroep uit te brengen. Consulent Dekker maakt geen melding van een zes- of drietal. We lezen alleen over het beroep, dat op Cornelis Witteveen wordt uitgebracht. Niet vaak zal het voorkomen dat er zo dichtbij wordt gevist. Hij bewoont namelijk reeds zeven jaar een pastorie te Harderwijk. Meer bekendheid heeft zijn zoon Harmanus Willem als afgezet predikant van Ermelo gekregen. Over pa schrijft Gunning dat hij “een godzalig, algemeen geacht predikant” is geweest. Wolffram wijst erop dat hij “één van de weinige orthodoxe predikanten in Friesland is geweest” en van heinde en verre het rechtzinnig kerkvolk naar zijn diensten weet te trekken. De Groot voegt er nog aan toe dat hij hoogachting genoot ook bij degenen die met de Afscheiding zouden meegaan. Evenwel bedankt hij, zoals korte tijd later ook voor Nunspeet.

    Ongehuwde kandidaat

    De speurtocht krijgt wederom een vervolg bij een kandidaat. Op het tweetal dat in aanmerking komt, staat als eerste Bernard Jan Hendrik Taats en vervolgens de domineeszoon Frederik Constans van der Ham (1818-1863). Als vrienden bezoeken ze samen later de samenkomsten van predikanten ten huize van dr. Nicolaas Beets. Van den Ham zal de gemeenten van Veenendaal, Harderwijk en Utrecht dienen. Hij raakt ook bevriend met de bekende Joodse volgeling van Da Costa, dr. Philippus Samuel van Ronkel. In Elspeet geven ze de voorkeur aan Taats. In hem krijgen ze weer een voorganger die geboren en getogen is in Gelderland. Hij is immers op 6 januari 1819 in Nijmegen geboren. In tegenstelling tot zijn vijf voorgangers niet in de pastorie. De studie wordt door hem in Utrecht voltooid. De kerkprovincie Gelderland stelt hem aansluitend op 7 oktober 1841 beroepbaar. Hij kan bijna meteen de brief vanhier tegemoet zien en wordt op 6 februari 1842 bevestigd door zijn “geliefde” leermeester professor Henricus Egbertus Vinke (1794-1862) uit Utrecht. Volgens de opgave uit de Boekzael als ook uit de notulen van de kerkenraad wordt daarbij Efeze 4: 11-16 behandeld. Behalve de consulent uit Garderen neemt ook ds. P.W. Prins uit Ermelo aan de handoplegging deel. De nieuwe, ongehuwde predikant vraagt aandacht voor Paulus’ gelijkenis over het planten, begieten en het verkrijgen van de wasdom. We kunnen over Taats meer gewaar worden dankzij de beschrijving door P.J. Meertens in het Biografisch Lexicon. Door zijn vriendelijkheid en welwillendheid moet hij de algemene sympathie hebben verworven. Bij Meertens lezen we dat hij orthodox is. Elders wordt onderstreept dat Taats zich fel tegen de modernen keert. In het jaar van zijn aantreden publiceert hij reeds de “Bijdrage tot verdediging van de leer der voldoeninge aan Gods geregtigheid, door het lijden en sterven van Christus”. Samen met de bekende dichter J.J.L. ten Kate, ook van diverse Gezangen, geeft hij enkele preken uit. Tijdens zijn korte verblijf alhier groeit het lidmatental opnieuw spectaculair, in 1843 met 25 en het volgende jaar zelfs met 32. Hij krijgt het wel “aan de stok” met ene oud-organist Visser, die in Vierhouten zogeheten oefeningen houdt. De kerkenraad laat daar geen gras over groeien. Reeds drie dagen later komen ze bijeen om maatregelen tegen dit soort “afscheiding” te treffen.

    Naar Harderwijk

    In Bodegraven, Nunspeet, Staphorst en Vlissingen wordt wel gedacht hem een tweede gemeente aan te reiken. Het wordt evenwel Harderwijk en vervolgens Middelburg. Op 18 augustus 1844 wacht de afscheidsdienst met een preek over het zesde vers van Colossenzen 2: “Gelijk gij dan Christus Jezus den Heere hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem”. Op 27 september 1861 is hij in de Zeeuwse hoofdstad overleden. Op de achterzijde van de predikantenlijst (nr. 2) is de komst van Taats bijgeschreven. Door een ander persoon is aangegeven dat hij eerst op 1 september 1844 zou zijn vertrokken. Dat lijkt onwaarschijnlijk daar de bevestiging en intrede te Harderwijk reeds op 25 augustus zijn geschied. Later is als overlijdensdatum 28 september 1861 genoteerd. Dit moet een dag eerder zijn. Lijst 3 schrijft ten onrechte over zijn vertrek naar Harlingen. In lijst 5 uit “Zijn daden gedenken” wordt een verkeerde bevestigingstekst aangereikt. Bovendien wordt zijn vertrek daar ten onrechte op 2 juni 1844 gedateerd. Op 1 september wordt wel de opvolger voor Taats beroepen. Het is zijn vriend Johan Justus van Toorenenbergen uit Utrecht, die alle stemmen krijgt. Deze kort tevoren afgestudeerde kandidaat geeft gehoor aan de roepstem en wordt slechts drie maanden na het vertrek van Taats, om precies te zijn op 17 november, door zijn voorganger aan de gemeente verbonden. De Harderwijker predikant benadrukt: “Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus den Heere”. De 22-jarige in Utrecht geboren dominee sluit er naadloos bij aan “en onszelven, dat wij uw dienaren zijn om Jezus’ wil……” Ongetwijfeld is zijn verloofde ook aanwezig. Echter het gaat allemaal zo onvoorstelbaar snel dat het huwelijk met Elise Marie Petronella Schuyt van Castricum eerst een kleine drie weken later plaatsvindt. Ze krijgen vier kinderen, drie dochters en een zoon, die zeer jong overlijdt. We weten ook dat bij de bevestiging de consulent uit Garderen aanwezig is. Evenals de predikant van Hierden, de eerdergenoemde ds. Verff. Beiden nemen deel aan de handoplegging. Het valt in de notulen op dat de nieuwe herder de touwtjes strakker wil aantrekken. Er komen meer tuchtzaken aan de orde.

    Tegen sterke drank

    Mensen grijpen zo graag naar sterke drank dat dominee zijn kerkenraad verzoekt hiertegen te waarschuwen. Hij benadrukt dat dit vooral dient te geschieden “door een goed voorbeeld”. De predikant vraagt ook meer zeggenschap bij de uitdeling van de diakonie. Eens per twee weken vergadert hij hierover met dit college. Zijn biograaf R.A. Flinterman wijst erop dat hij zich in de begintijd aangetrokken voelt door het Reveil. Later komt hij als zogeheten “etischirenische” in conflict met de confessionelen. Hij beoogt slechts handhaving van de formulieren “voor zover zij de hoofdzaak van het Evangelie belijden”. Wellicht heeft de hervormde gemeente in deze Van Toorenenbergen de predikant aan het roer die het meest van zich doet lezen. Als student bij de hoogleraren H.J. Royaards, H.E. Vinke en H. Bouman en actief lid van het Utrechtsch Studenten-Zendingsgezelschap Eltheto publiceert hij het ene na het volgende stuk in de Studenten-almanakken. In het jaar van zijn intrede alhier verschijnt de vertaling van het geschrift van dr. H. Kurtz, De Sterrekunde en de Bijbel. Hierin wordt gepoogd de resultaten van de wetenschap te laten zien in het perspectief van de Bijbel. Ondanks de voorrede van Isaac da Costa levert het de jeugdige Godgeleerde een scherp protest op. Dat roept een tegenreactie op waarover de latere hoogleraar Bakhuizen van de Brink schrijft dat Van Toorenenbergen zich “een strijder van klassieken bodem toont”. “De scherpzinnigheid van den jeugdigen geleerde, welke bij zijne latere historische onderzoekingen en in zijn polemiek gedurig zou blijken, openbaart zich hier reeds duidelijk.” Zo’n drie-en-een-half jaar doet hij op de Veluwe van zich horen. Het afscheid wegens vertrek naar Vlissingen volgt op 28 mei 1848. Het wordt een emotionele dienst naar aanleiding van Jesaja 40: 6-8. Het verslag in de Boekzael verhaalt dat enige uren later de “vrome” ouderling Helmert van Asselt komt te overlijden. In de januarimaand van 1864 verlaat Van Toorenenbergen zijn Zeeuwse gemeente om zich aan de Utrechtse Zendingsvereniging te verbinden. Tevoren heeft hij bedankt voor twee beroepen naar Hilversum, zo’n verzoek uit Woerden en de benoeming tot hoogleraar aan de Theologische School te Stellenbosch (Zuid- Afrika). In deze tijd zoekt hij aansluiting bij de zogeheten Evangelisch-Confessioonele Predikanten Vereeniging. Hij hanteert tijdelijk de voorzittershamer.

    Hoogleraar in Amsterdam

    Vijf jaren later neemt hij de herdersstaf in Rotterdam op. Hij maakt zich daar met anderen ook sterk voor de uitgave van belangrijke kerkhistorische documenten. Vanwege zijn verdienste als kerkhistoricus bevordert de Utrechtse universiteit hem in het voorjaar van 1878 tot doctor honoris causa. Twee jaren later volgt zijn benoeming als opvolger van professor W. Moll tot hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. Hij aanvaardt dit ambt met een rede over Het wetenschappelijk karakter der geschiedenis van het Christendom en wordt in die dagen ook voorzitter van het Nederlands Bijbel Genootschap. In 1892 volgt zijn emeritaat. Op 12 december 1903 is hij in Amsterdam overleden. In het voorafgaande jaar doet hij nog een bundel met twaalf preken onder de titel “Laatste Kerkreden” het licht zien. Hij verantwoordt zijn prediking met het citaat dat het gaat om “de levende eenheid van gebod en belofte, van de woorden en de daden des Heeren.” “Hoe minder levendig bij den prediker de bewustheid is van zijne bestemming, Christus te verkondigen, des te meer verliest zijne prediking van haren grond en haar aanzien, haren zegen en hare kracht.” Bij elke preek worden een drietal te zingen of gezongen liederen aangegeven. Meer dan eens gaat het daarbij om twee Gezangen en slechts één Psalm. Het is wederom te betreuren dat juist ook rond deze historicus weer fouten vermeld zijn. Op lijst 2 is hij later bijgeschreven als “de heer Toornebergen”. Er wordt verhaald over zijn komst in december 1844. De afscheidsdatum klopt wel. Zo ook de vermeldingen op lijst 3 en 5. Echter in de beschrijving bij de laatste lijst wordt over de bevestiging op 14 november gesproken. Als tekst voor de bevestiging worden de woorden van de intrededienst vermeld. Johan Justus is de eerste van het kwartet Van Toorenenbergen dat het ambt aanvaardt. Ook de tweede kan hier nog regelmatig worden beluisterd. Het betreft Petrus Aleid, die eveneens in Utrecht heeft gestudeerd. Op 3 augustus 1848 wordt hij door de provincie Overijssel beroepbaar gesteld. Ook het Friese Balk laat het oog op hem vallen. De berichten van zijn broer zijn wellicht zo bemoedigend dat hij besluit diens opvolger te worden. Reeds op 10 augustus is de kerkenraad hiervoor onder leiding van ds. G.H. Fabius uit Garderen bijeen.

    Tweede Van Toorenenbergen

    We krijgen weer zicht op een zestal namen. Bovenaan prijken die van Van Toorenenbergen en kandidaat Jacob Adolf Ruijs. De consulent krijgt de derde plek toebedeeld. Zijn buurman, de bekende ds. Witteveen uit Ermelo, de vierde. De laatste plaatsen worden ingenomen door twee predikheren die ook bekend in de oren klinken. Het betreffen de twee Harderwijker voorgangers Taats en zijn voormalige rivaal dr. Van den Ham. Echter Fabius voelt er helemaal niets voor zijn naam bij deze nominatie wereldkundig te maken. Dus moet er een nieuwe lijst komen. De nummers vier, vijf en zes schuiven een plaats naar boven en als zesde wordt de Nunspeter predikant Johannes Christiaan Eijkman toegevoegd. Op het drietal blijft laatstgenoemde net binnenboord. Dankzij het lot, dat de predikanten Taats en Witteveen minder welgevallig is. Het maakt weinig uit, de eerste wordt gekozen. Deze laat zich graag op 5 november 1848 bevestigen door zijn broer en voorganger uit Vlissingen. De oud-predikant vraagt met een zinspeling op de naam van zijn opvolger aandacht voor het eerherstel van Petrus. Consulent Fabius neemt deel aan de handoplegging. De tweede Van Toorenenbergen begint evenals zijn voorganger Benthem Sijpkens met Paulus’ uiteenzetting “Christus den Gekruisigde” te willen preken. Ook hij moet vervolgens nog meer dan eens vermanend in actie komen vanwege misdragingen. Hij zal in 1851 de eerste steen voor de huidige pastorie aan de Nunspeterweg 4 leggen. Je leest zijn naam na twee jaren steeds meer bij het zogeheten beroepingswerk. In anderhalf jaar komen er zes beroepen voorbij. In volgorde van ontvangst betreffen het Vinkeveen, Zuid- Beijerland, Opheusden, Elst (Utr.), Harderwijk (de vacature van Taats) en Waarder. Naar deze laatste gemeente worden zijn bezittingen overgebracht na het afscheid op 27 juni 1852. De Bijbel ligt dan open bij Galaten 6 vers 16. Het verblijf in Waarder zal zo’n drie jaar aanhouden tot hij de herdersstaf in Barneveld opneemt. Ondanks elf pogingen er daar een punt achter te zetten, blijft hij hieer een kleine vijftien jaar totdat hij op de Tweede Kerstdag van 1869 overlijdt. Als voorzitter van zowel de ring als de classis Harderwijk heeft hij voor deze omgeving het nodige mogen betekenen.

    Geen scheepsrecht

    Raadpleging van de lijsten laat zien dat hij op nr. 2 “Van Torenenbergen” heet. Daarop wordt zijn vertrek gedateerd op 28 juni, de dag na het afscheid. Lijst 3 en 5 geven hetzelfde beeld als bovenstaande gegevens. In de uitwerking in het geschrift van de Herstelden wordt het beroep evenwel te vroeg (op 22 mei) gedateerd. De bevestiging daarentegen vindt twee dagen eerder dan “7 november” plaats. Zijn broer is dan nog geen doctor in de theologie. De twee andere broers Van Toorenenbergen, Albert in Polsbroek en Justus Eliza die juist aan zijn theologiestudie is begonnen, komen nu en later niet in aanmerking om in deze Veluwse gemeente van start te gaan. Het ziet er naar uit dat de kerkenraad een terugkeer wil naar de dagen van Bähler. Letterlijk zelfs. Op het eerste twaalftal, dat slechts enkele dagen na het afscheid wordt samengesteld, prijkt zijn naam bovenaan. Gevolgd door elf anderen, die allen min of meer door het Réveil zijn getekend. Als tweede, ofwel ook hoog aangeschreven, lezen we de naam van de Nunspeter predikant Eijkman. Consulent A. Mac Pherson uit Hierden valt de eer van de derde plek te beurt. Vervolgens is er ook oog voor ene Marinus van Leeuwen uit het Zeeuwse Meliskerke. De zendingspredikant Witteveen uit Ermelo is eveneens opnieuw in beeld. Hekkensluiter van het zestal wordt H. Rietveld Creijghton uit IJsselmuiden. De volgende zes namen betreffen G.A. van der Flier uit Oosterwolde (Gld.), J.A.C. Nonhebel uit Garderen, N. Osti uit Putten, S.J. Hoest, C.C. Callenbach (beiden uit Nijkerk) en tenslotte H. Gann Dun uit Harderwijk. Kortom de Veluwe is goed vertegenwoordigd. Uit de drie eerst genoemden wordt uiteindelijk de 46-jarige oud-predikant uit Op- en Neder- Andel op 1 juli beroepen. Hij laat weten niet terug te komen naar zijn eerste standplaats. De aanhouder wint, moeten ze drie weken later in de kerkenraadskamer hebben gedacht. Er gaat een tweede beroep naar hun herder van twintig jaren eerder. Hij bedankt opnieuw. En,… de kerkenraad gaat niet tot het scheepsrecht. Dat zullen later de gemeenten Wemeldinge en Poortvliet wel bij deze predikant doen.

    Eén Verhoeff

    Hier op de Veluwe worden de schijnwerpers op een andere persoon geplaatst. Het ingeslagen spoor wordt niet vaarwel gezegd. Wel komen er ineens vijf nieuwe namen om de hoek kijken. Zo te zien worden de schijnwerpers steeds op de nummer één van de nominatie gericht. Het betreft eerst ene Nicolaas Hendrik de Graaf die nog in zijn eerste standplaats Elden verblijft. Hij geeft reeds vooraf aan niet voor Elspeet in aanmerking te willen komen. De Graaf blijkt meer een stadsdominee die als eerste de tweede predikantsplaats van Apeldoorn en vervolgens Rotterdam en Amsterdam gaat dienen. Op zijn plaats verschijnt vervolgens J.F.W. Königsfeldt, die inmiddels zeven jaar het Gelderse Rheden dient. Naast hem lees je op het drietal de namen van J.D. Ruijs uit Veenendaal en kandidaat W. Sijpkens, de zoon van oud-predikant Sijpko Haijo. De kerkenraad gaat toch voor ervaring en laat daarmee deze markante Sijpkens (de latere schoonvader van de zobekende ds. J.D. Domela Nieuwenhuis) naar het Friese Longerhouw vertrekken. Echter ook de predikant van Rheden meldt zich af voor het beroep dat op 15 september op hem is uitgebracht. Er wordt een vierde poging gedaan. De kerkenraad werkt er op 12 oktober snel mee af. Unaniem gaan alle stemmen naar de wat oudere kandidaat Jacob Gerard Verhoeff. Reeds enkele dagen later gaat het door het dorp: hij komt. Het zal nog wel ruim drie maanden duren maar op de bewuste 30-ste januari 1853 komen de bezoekers van allerlei kanten om de bevestiging en intrede van de beginnend prediker mee te maken. In hem krijgt Elspeet de tweede predikant die door zijn inzet grote landelijke bekendheid heeft gekregen en ook in het Biografisch Lexicon is vermeld. Hij is overigens de laatste die tot heden als kandidaat alhier zijn eerste ervaringen opdoet. Verhoeff is op 11 mei 1823 in een onderwijzersgezin te Utrecht geboren. Zijn oudere broer Justus Cornelis is zeven jaar eerder in Elden als predikant aan de slag gegaan en zijn jongere broer Hillegond Willem Adriaan twee jaar eerder in het Belgische Vilvorde. Jacob Gerard komt na een omweg tot zijn studie. Ter voorbereiding verblijft hij enkele jaren bij zijn broer in Elden. Als 25-jarige wordt hij na een bijzonder examen toegelaten tot de academische lessen van de Universiteit te Utrecht. Hij raakt betrokken bij het theologische studentengenootschap Secor – Dabar (Gedenk het Woord). Dit gezelschap werkt in de geest van het Réveil waarbij het gebedsleven belangrijker wordt gevonden als de leer. Evenals J.J. van Toorenenbergen zet hij zich in voor de zendingsvereniging Eltheto. Verhoeff voert enige tijd de redactie van het periodiek van deze vereniging.

    Meerdere beroepen

    Als hij op 6 oktober in Gelderland beroepbaar wordt gesteld, kloppen er binnen enkele dagen drie gemeenten aan zijn deur. Het betreffen Elspeet, Otterlo en Zaamslag. Eerstgenoemde heeft wellicht de pré dat eerdere speurtochten al drie bedankjes hebben opgeleverd. Laatstgenoemde mogelijk dat de omvang van de gemeente twee keer zo groot is als de anderen. Daarentegen is de afstand naar het ouderlijk huis wel zeer veel groter maar niet naar z’n broers die respectievelijk het Zeeuwse Sluis en Zuid-Beijerland dienen. Blijkens het verslag is alleen zijn oudere broer bij de bevestiging aanwezig. Hij begint de dag met de oproep: “Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet”. Zijn broer begint hier met de tekst uit Psalm 51, die eerder ook door Johannes Palthe is uitgewerkt. Aan de handoplegging nemen maar liefst zes predikanten deel. De eerder genoemde consulent uit Hierden, evenals de ringcollega’s Gann Dun uit Harderwijk, Osti uit Putten en W. van den Bijtel uit Voorthuizen. Oud-predikant P.A. van Toorenenbergen is hiervoor overgekomen, evenals de aanstaande zwager van Verhoeff, ene J.J. Gobius du Sart uit Nigtevecht. Op 21 juli zal de Elspeter predikant met zijn zus Petronella Hendrika in het huwelijksbootje stappen. Al snel en regelmatig valt de naam van deze Verhoeff in consistories van vacante gemeenten. Dat is het geval in Barneveld, Elst (Utr.), Garderen, Maasdam, Meeuwen, Monnikendam, Nieuwe-Tonge, Scherpenisse, Terneuzen, Veenendaal, Vreeland en Zaamslag. In de decembermaand van 1855 moet er een beslissing vallen voor de beroepen uit Maasdam en Terneuzen. Het volgende voorjaar meldt de eerste plaats zich een tweede keer en vraagt ook Zaamslag wederom met een beroepingsbrief zijn aandacht. Nog voor de zomer voegt zich Nieuw-Loosdrecht daarbij. Dat wordt aangenomen zodat elke poging vanuit het vaker genoemde Op- en Neder-Andel tevergeefs blijkt.

    Aanval van Du Cloux

    Volgens het Biografisch Lexicon heeft Verhoeff reeds in zijn eerste gemeente landelijke bekendheid verworven met zijn preek nadat er vanuit hervormd Amsterdam een beroep op de moderne predikant L.S.P. Meyboom wordt uitgebracht. De Elspeetse herder heeft de personen die hiertegen een protest laten horen betiteld als “de kern der kerk”. Evenwel aanvaardt hij tijdens zijn verblijf alhier het lidmaatschap van de zogeheten Broederkring “Ernst en Vrede”. Het betreft een groep van “etisch-irenische” predikanten, die zich zelfs zullen bezig houden met het veschijnsel van de “ziekelijke orthodoxie”. Vanwege de bekrompenheid rond het Evangelie start Verhoeff eind 1854 het blad “Geloof, Hoop en Liefde”. Deze pennevruchten lopen uit op een stevige confrontatie met ds. A.P.A. du Cloux. Zeer tegen zijn denken stelt Verhoeff dat de leer van de algemene verzoening op de Bijbel is gerond. Du Cloux oordeelt daarop dat zijn opponent de Nederlandse Hervormde Kerk dient te verlaten. “Volgens mijn innige overtuiging betoont gij u een vijand, een tegenstander van de oude beproefde leer onzer vaderen”. Verhoeff antwoordt dat Du Cloux de wet en niet het evangelie predikt. Hij hekelt een orthodoxie die “calvinistischer dan Calvijn” vervalt in een lijdelijke vroomheid. De Elspeetse predikant roept in 1861 predikanten bijeen voor een bidstond tegen het heersende modernisme. Slechts vijf geven er gehoor. Een half jaar later komen meer predikanten opdraven, waaronder zijn voorganger J.J. van Toorenenbergen. Het komt dan tot de oprichting van de Evangelisch-confessionele predikantenvereniging, die enkele jaren later als Nederlandse Hervormd Predikantenvereniging verder gaat.

    Confessionele Vereniging

    Twee jaren later staat hij opnieuw aan de wieg van een vereniging, deze keer om hulp te verstrekken aan gemeenten en personen in de Nederlandsche Hervormde Kerk “die om des geloofs wil in noord verkeren”. Later gaat deze vereniging onder de naam Confessionele Vereniging verder. Verhoeff is vele jaren lid van het hoofdbestuur en fungeert zelfs enige tijd als voorzitter. Van hem zijn veel preken gepubliceerd. Samen met E. Gerdes krijgt hij bekendheid door de uitgave van de eerste Christelijke scheurkalender. Ook de afscheidspreek, die op 24 augustus 1856 naar aanleiding van Handelingen 20 vers 32 door de kerk klinkt, is meteen uitgegeven en vervolgens nog eens ten bate van het Orgelfonds herdrukt. De uitgave laat zien dat er tijdens de preek tot twee keer toe een “tussenzang” is. Vooraf is eens gezongen en nadien nog een keer. Verhoeff eindigt zijn preek met afzonderlijke oproepen aan “de leden van den Raad dezer gemeente”, de Ouderlingen en Diakenen, de Kerkvoogden en Notabelen, de Onderwijzers in de gemeente, de “Geliefde Broeders in de H. Bediening” (zijn collega’s), de Consulent en tenslotte de Gemeente van Elspeet. De kerk met zo’n 225 zitplaatsen moet goed vol zijn geweest. Althans daar duidt de correspondent van de Kerkelijke Courant op. Met “zigtbare aandoening” heeft de schare geluisterd en de inmiddels losgemaakte predikant het derde vers van Psalm 134 toegezongen. Het zal niet bij dit afscheid blijven. Na Nieuw-Loosdrecht doet hij de gemeenten Zevenbergen (1859), Vaassen (1862), Ridderkerk (1865), Herveld (1867), Wissenkerke (1871), Maassluis (1874), Heeg (1877) en Bodegraven (1879) aan. Tussendoor zijn er nog 25 beroepen beschreven, die hij afzegt. In zijn laatste gemeente neemt hij op 2 april 1905 voorgoed afscheid. Hij komt aldaar op 17 mei 1909 in de leeftijd van 86 jaar te overlijden. In het blad De Gereformeerde Kerk is een uitgebreid verslag van de begrafenis opgenomen.

    Ervaren opvolger

    Opvallend is dat zijn naam in de genoemde lijsten over de predikanten wisselend als “Verhoeff” of “Verhoef” wordt geschreven. Echter is deze laatste variant bij de uitwerking van lijst 5 van de Herstelde uitgave en op het predikantenbord onjuist. Ten onrechte wordt bij beiden als jaar van intrede het jaartal 1852 opgegeven. Zoals gemeld, heeft dit op 30 januari 1853 plaatsgevonden. Op lijst 2 is later bijgevoegd dat hij op 25 augustus is vertrokken, de dag na het afscheid derhalve. De speurtochten naar een opvolger worden in Elspeet opnieuw snel ter hand genomen. Slechts enkele weken later ligt er weer een lijst met twaalf namen van geschikte predikanten op tafel. Blijkbaar laat men nu het oog vallen op iemand die ervaring heeft. Desondanks komen de twee broers van Verhoeff niet in aanmerking. Opvallend is dat het wederom veel namen van Veluwse predikanten betreffen. Maar niet de nummer één. Dat is de in de pastorie van Harkstede geboren Jacob van der Werff. Hij is zo’n 34 jaar oud en inmiddels in zijn vierde gemeente Kesteren werkzaam. Later zullen we nader met hem kennismaken. Nummer 2 zijn we ook vaker tegen gekomen. Sterker nog, hij is als consulent aanwezig om eventuele besluiten kracht bij te zetten. Het betreft Marinus van Leeuwen, die inmiddels dichterbij de herdersstaf heeft opgepakt. Hij staat aan het hoofd van hervormd Garderen. De derde op de lijst heeft al eerder die plaats ingenomen, het is de predikant van Putten, Jan Jakob Knap. Het lijkt wat eentonig te worden, nummer vier kennen we ook. Het is de Nijkerker predikant Callenbach. Eijkman uit Nunspeet komt net onder hem. Op de zesde plek lezen we de naam van oud-predikant P.A. van Toorenenbergen, inmiddels werkzaam te Barneveld. De volgende zes namen komen minder bekend voor. Het zijn die van respectievelijk H.J. den Boer uit Ouderkerk aan den IJssel, C.J. Brijce uit Sint Johannesga, de bekende H.E. Gravemeijer uit Losdorp, J.A. ten Bokkel Huinink uit Doornspijk, S.J. de Hoest uit Nijkerk en J.P. Nonhebel uit Heemse. Stuk voor stuk, predikanten die in het spoor van Verhoeff gaan.

    Na loting

    Op het zestal kom je alleen de eerste zes nog tegen. Zo verloopt de uitdunning opnieuw als er een drietal moet worden samengesteld. Uiteindelijk wordt op 4 september unaniem Van der Werff beroepen. De man was in z’n eerste drie gemeenten gewoon het eerste beroep meteen aan te nemen. Hij heeft inmiddels bedankt voor roepstemmen uit Garderen en Voorthuizen. Ook Elspeet krijgt nul op het rekest. Huizen later zelfs twee keer achter elkaar. Naar Elspeets’ gebruik wordt het volgende twaalftal aanzienlijk gewijzigd. Van de laatste zes worden er vier door een andere persoon ingenomen. Trouwens wel weer door dienstdoende dominees. De vier jaren eerder tevergeefs geroepen Königsfeldt, nog immer in Rheden, komt weer in beeld. Daarnaast meer Veluwse namen, namelijk die van Witteveen uit Ermelo, Daniël Gildemeester (1825-69) uit Elburg, B.L. Muller uit Hierden en G.A. van der Flier uit Oosterwolde (Gld.). Na twee stemrondes prijken op het drietal de namen van respectievelijk Van Leeuwen, Eijkman en Knap. De briefjes voor de finale stemming worden weer uitgedeeld en ingevuld. En wat blijkt, Van Leeuwen en Knap halen beiden evenveel stemmen. Dus, moet naar de bepaling van die dagen, het lot beslissen. Ooit zo ingesteld met de redenatie dat God Zelf wel de goede persoon zal aanwijzen. Dit middel is ook hier al eerder beproefd, zij het bij de vaststelling van een drietal, maar voor zover thans bekend niet bij het uitbrengen van een beroep. De spanning in de vergaderruimte stijgt ten top en ontlaadt zich geheel als duidelijk wordt dat consulent Van Leeuwen het beroep krijgt.

    Woedende ouderling

    Immers zo tekent deze zelf in de notulen aan: “Ouderling M. Drost verlaat in volle woede de vergadering en zegt het beroep niet te zullen teekenen.” Ook in de uitgave Zijn daden gedenken wordt nog al stellig verklaard dat deze houding voortkomt uit het gebruik van het lot. Dat staat er in ieder geval niet en die verklaring zou voor consulent en notulenschrijver Van Leeuwen zeer goed zijn uitgekomen. Het is zeer de vraag of de woede niet voortkomt uit verzet tegen de betreffende persoon. Die meldt zelf in de volgende notulen dat er geen bezwaren zijn ingediend. De Hoogeveense geschiedschrijver Albert Metselaar heeft over Van Leeuwen letterlijk een boekje open gedaan. Hij heeft zijn bevindingen vastgelegd in de beschrijving over het ontstaan van Elim. Marinus is op 24 augustus 1817 als domineeszoon geboren. Zijn vader dient dan inmiddels veertien jaar de gemeente van Nieuw-Hellevoet en zal er nog veertig jaren aan verbonden blijven. Alleen kort na zijn aantreden heeft hij de kans gekregen naar Goudswaard af te reizen. Die mogelijkheid is afgewezen. De jonge Van Leeuwen gaat in de sporen van vader. Hij rondt zijn studie aan de universiteit van Leiden af en wordt op 4 oktober 1843 door de kerkprovincie Noord-Holland beroepbaar gesteld. Het duurt even, maar vervolgens valt zijn naam in een drietal gemeenten. Te Moerkapelle komt hij op een gros met zestien namen, in het Zeeuwse Gapinge scoort hij beter. Op het twaalftal neemt hij de vierde plek in, op het zestal al de tweede en zijn naam staat bovenaan bij het drietal. Toch wordt hij op 1 november 1844 gepasseerd.

    Geen kandidaat?

    Hij moet langer wachten. Dat lot is niet alleen em beschoren. Inmiddels is het overschot aan kandidaten met een kleine tweehonderd fors te noemen. Het volgende jaar gloort er nieuwe hoop. De predikant van Melis- en Mariënkerke, we kwamen zijn naam al eerder tegen, Van Königsfeldt, heeft het beroep naar Rheden aangenomen. De kerkenraad blijkt er bang voor te worden overstelpt met brieven van zoekende kandidaten en laat daarom meteen weten dat zij heeft besloten een predikant te beroepen. Zo lijkt het op 1 mei ook te gaan. Er wordt gestemd over een lijstje met zes namen, vervolgens drie en uiteindelijk wordt met “eenparigheid” van stemmen ds. J.J. Knap van Fijnaart gekozen. Opmerkelijk dat er later tussen deze twee in Elspeet zal worden geloot. Knap krijgt meer beroepen. Hij heeft wel beloofd zich hierop “ernstig te beraden”. Maar het wordt een bedankje. Deze eerste keuze geeft wel een inkijkje in de ligging van de gemeente. Hervormd Meliskerke is dan nog formeel de enige kerkelijke gemeenschap van het dorp en telt ruim vierhonderd leden, waarvan de helft lidmaat is geweest. Het hele beroepingsproces wordt 3 juni herhaald. Dan komt de minder bekende A. de Ronde Bresser uit Oudelande uit de bus. Maar ook hij wijst het beroep af. Op 1 juli is de kerkenraad weer tezamen. Deze keer kiezen de leden niet alleen predikanten met ervaring op het zestal. De laatste drie zijn kandidaten: Van Leeuwen, W. Hoffman en J.C. Verhoeff, de broer van de Elspeter dominee. Op het drietal volgen de namen van twee predikanten en Van Leeuwen. En jawel deze keer wordt hij unaniem gekozen. Bij de verslaglegging wordt meteen vermeld dat de kandidaat het ook heeft aangenomen.

    Gedwongen huwelijk

    Zondag 12 oktober 1845 zal het kerkje van Meliskerke goed zijn gevuld. Vader Didericus verzorgtde bevestiging na een preek over de zendingsopdracht uit Markus 16. Met consulent J. Binneweg uit Westkapelle, en de ringpredikanten H.M. Bouvin uit Koudekerke en P.J. Zijnen uit Vlissingen legt hij z’n zoon de handen op. In de namiddag start de 28-jarige vrijgezel zijn kerkelijke loopbaan met Paulus’ verklaring: “Ik schaam mij het Evangelie van Christus niet, want het is een kracht Gods tot zaligheid, een iegelijk die gelooft”. Deze boodschap weet Marinus zozeer uit te dragen dat het volgende voorjaar maar liefst 24 personen belijdenis van hun geloof doen. Kort na de intrede valt z’n oog op de Zeeuwse Jacomina van Sorge. De liefde wordt zo innig dat ze moeten trouwen. Dat gebeurt en als zoon Didericus geboren is, volgt een schorsing van zes weken. Blijkens de kerkenraadsnotulen moet hij er vervolgens een betrekkelijke rustige tijd hebben gekend. Slechts een enkele keer wordt iemand het Avondmaal ontzegd vanwege een misstap. Krap drie jaar aan de slag melden zich kerkenraden van elders. Rilland-Bath verzoekt hem tot twee keer toe over te komen, echter tevergeefs. Ook het verderop gelegen Grijpskerke ziet in Van Leeuwen hun voorganger. In de wintermaand van 1851 treedt hij aan als consulent van Zoutelande. De kerkenraad geeft hem een hoge plaats op de nominaties, het wordt toch een ander. Zo ook in Berkel-Rodenrijs, Hierden, Koudekerke, Westkapelle en Zuid-Beijerland. Ook vanuit Elspeet laat men reeds een oogje op hem vallen, maar het is uiteindelijk de hervormde gemeente Garderen, die als tweede zijn “ja-woord” krijgt. Voor hem zijn er tenminste vier andere personen in de vacature van J.A.C. Nonhebel beroepen geweest echter zij hebben de overkomst afgewezen. Metselaar concludeert dat Garderen “geen geliefde gemeente moet zijn geweest”. Dat lijkt me toch wat voorbarig wanneer je in ogenschouw neemt dat een bepaalde groep orthodoxe predikanten in die tijd veel beroepen krijgt en ook weer snel van plaats verandert.

     
    Vriend van Binneweg

    De consulent van Garderen, ds. J. Binneweg uit Harderwijk, weet na de bedankjes wel een andere geschikte persoon. Eerder heeft hij als predikant van Westkapelle niet slechts een collega maar ook een vriend in Meliskerke kunnen verwelkomen. Het gelukt hem om eerst de kerkenraad van de Veluwse gemeente zo ver te krijgen en vervolgens ook Van Leeuwen. Deze slaat bij het afscheid van zijn eerste gemeente, op 24 september 1854, de laatste oproep van Mozes open en stelt zowel het leven als de dood, de zegen en de vloek te hebben voorgesteld. Hij sluit “de goede oude tijd” in Meliskerke af met de oproep: “Kies dan het leven”. Reeds een week later verbindt hij zich aan Garderen met Paulus woord: “Wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig!” Vooraf is hij bevestigd door de genoemde consulent. Ruim een jaar later gonst het door de gemeente: “Dominee heeft een beroep”. Het is de combinatie van Garijp en Suameer die bij herhaling een poging onderneemt. Ook in Harderwijk en Opheusden valt zijn naam. Uiteindelijk komt het volgende beroep na de bewuste loting op 14 oktober 1856 vanuit Elspeet. Even later meldt zich ook de kerkenraad van Hollandscheveld met hun voornemen de koning te adviseren op hem een beroep te laten uitbrengen. Hij besluit eerst nog op de Veluwe te blijven en de pastorie van Garderen te ruilen voor die van Elspeet. Overigens zal hij nog regelmatig in zijn tweede gemeente terugkeren om de honneurs van het consulentschap aldaar waar te nemen. Daarbij blijkt dat niet iedereen uit Garderen even blij met de dominee is. Het lijkt er ook op dat Van Leeuwen met de afscheidstekst nog eens wil onderstrepen dat hij dit werk van Godswege moest doen. Het is een woord dat veel meer bij een intrede wordt opengelegd: “En ik dank Hem, Die mij

    bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus onzen Heere, dat Hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende”. Met dit woord wordt op 4 januari 1857 de periode Garderen afgesloten.

     
    Bescherming

    De te overbruggen afstand naar zijn nieuwe standplaats is niet groot. Een week later staan er opnieuw bijzondere diensten op het programma. In Elspeet verricht ds. A.J. Molenaar uit Harderwijk de bevestiging met een verwijzing naar Johannes de Doper: “De stem des roependen in de woestijn”. De nieuwe voorganger grijpt terug naar z’n intredetekst uit Meliskerke. Ruim een maand later wordt zijn opvolger voor Garderen beroepen. Het lijkt erop dat personen uit zijn vorige gemeente wraak willen nemen. Als Van Leeuwen op zondag 29 maart na een preekbeurt in zijn tweede gemeente zich richting Elspeet laat vervoeren, lijkt hij aan een ingrijpend ongeluk te zijn ontsnapt. Eén of ander onverlaat laat hem weten dat dit nog maar het begin is geweest. De Elspeetse predikant verzoekt de burgemeester van Barneveld ervoor te zorgen dat hij bij drie volgende diensten met rust zal worden gelaten. Metselaar komt het dan ook niet vreemd voor dat in de bevestigingsdienst van zijn opvolger door Van Leeuwen wordt onderstreept: “Spreek dit en vermaan en bestraf met allen ernst. Dat niemand u verachte!” Hoewel hij vaker consulent in Garderen zal worden, zelfs nog enkele keren op het zestal voor de beroeping komt te staan, is het hem later niet meer vergund een nieuwe predikant aldaar in het ambt te bevestigen. In Elspeet laten onenigheden evenmin op zich wachten. De kerkenraad wil het beheer van de pastoralia zelf blijven uitvoeren, terwijl de predikant meent dat dit aan hem behoort. Metselaar constateert dat deze raad en de gegoede inwoners zich tegen hem keren, terwijl de eenvoudigen met hem weglopen.

    Onenigheden

    Op de achtergrond speelt oud-predikant Verhoeff wellicht ook een rol. Er verschijnt in de landelijke media althans een bericht dat een aanhanger van hem wordt geslagen. Zelfs zodanig dat de veroorzaker drie jaar cel en een boete van 70 guldens opgelegd krijgt. Enige tijd later ontstaat er ook gedoe tussen de kerkvoogdij en de kerkenraad over de aanstelling van een tijdelijke voorlezer. De koster kan dit werk niet langer vervolgen. Toch weet Van Leeuwen hier op zondag 11 april 1858 maar liefst 62 nieuwe lidmaten te bevestigen. Wie zal zeggen in hoeverre hem dat heeft aangemoedigd, hij besluit in die tijd en kort daarna voor beroepen nar Loon op Zand en Poortvliet te bedanken. De onderwijzer moet hem op de Oudejaarsavond wel hebben gewaarschuwd zich tijdens zijn preek over allerlei voorvallen in te houden. Na het derde beroep in het voorjaar van 1859, naar Beekbergen, wordt er in de collectezak een geheimzinnige brief gevonden. Van Leeuwen bedankt evenwel. Ook voor Berkel- Rodenrijs, Staphorst, Scherpenisse en Urk. Metselaar verhaalt zelfs dat tegenstanders enkele jaren later een aanbevelingsbrief richting de kerkenraad van Scheveningen sturen. Het heet een aanbevelingsbrief voor pa, ondertekend door de tienjarige zoon Adriaan.

    Dienstmeid

    De classis informeert in de zomer van 1861 naar het opreden van ene ouderling Lubbert Redeker. Die zou met Pinksteren hebben gepreekt. De kerkenraad ontkent dit evenwel. Het zal uiteindelijk mislopen rond de dienstmeid Jannetje Boonen. Ze wordt ongeschikt geacht voor het werk in de pastorie en moet op 1 oktober 1862 het veld ruimen. Twee weken later uit ze haar beschuldigingen dat de dominee handtastelijk is geweest. Tot in detail begint ze het onzedelijk gedrag van hem te beschrijven. Dus moet Van Leeuwen eerst voor de kerkenraad verschijnen. Alles wordt wel ontkend, echter de ingrediënten voor een nader onderzoek liggen op tafel. De zaak gaat naar de classis. Hoe dubieus het soms ook klinkt, het Provinciaal Kerkbestuur gelast een onderzoek en schorst de predikant per 7 november. Er blijken nu drie dienstboden aanwezig die zich met klachten melden. Kerkdiensten verlopen ook niet meer even vlekkeloos. Dominee moet eens het vierde vers van Psalm 120 hebben opgegeven, waarop zijn tegenstanders de kerk verlaten, aldus Metselaar. De beschuldigingen gaan vervolgens over en weer. Op 14 januari besluit de kerkenraad van Elspeet onder leiding van consulent A.F. Simons dat Van Leeuwen de toegang tot het Heilig Avondmaal wordt ontzegd. Ruim twee maanden later is hij zelfs dominee af. Als reden wordt zijn “onchristelijke wandel” opgegeven. Hij tekent meteen bezwaar aan. Maar liefst 197 gemeenteleden verzoeken eveneens om eerherstel. Later voegen zich daarbij nog eens 79 leden uit zijn vorige standplaats Garderen. Ondertussen uit de kantonrechter aan de burgemeester zijn zorgen over een uitbarsting in het dorp. Laatstgenoemde ziet minder problemen.

    Ontzet uit ambt

    Een synodale commissie, bestaande uit acht predikanten, de secretaris en een ouderling, moet de zaak in 1863 beslechten. Maar liefst vijf zittingen worden door het hoogste orgaan in de kerk aan het onderwerp gewijd. Twee leden reizen voor een nader getuigenverhoor af naar Elspeet. De synode acht hem schuldig aan “voortdurende ontuchtigheid in woorden en handelingen” en besluit op 30 juli hem “te ontzetten van zijn ambt en bediening als predikant in de Nederlandsche Hervormde Kerk”. Van Leeuwen voelt er nog niets voor zich terug te trekken en laat de synode in september in buitengewone zitting opnieuw bijeen komen. Ondertussen is onder andere de synodepresident ds. R.J. Koning uit Limmen naar Elspeet afgereisd en zijn enkele betrokkenen en de kerkenraadsleden zelfs onder ede gehoord. Uit de formuleringen blijkt dat er alleen nog maar meer mensen tegen de predikant hebben getuigd. Derhalve blijven de synodeleden op 24 september bij hun standpunt. Dat gebeurt ook het volgende jaar als hij andermaal de synode om herziening verzoekt. Metselaar weet te vermelden dat de predikant zich vestigt in een eenvoudig boerderijtje aan de huidige Pirkweg. Vandaar trekken de zoons Didericus en Adriaan erop uit om kruidenierswaren aan de man te brengen. In de zomer van 1865 probeert Van Leeuwen een getuigenis van een goed zedelijk gedrag bij de kerkenraad te verkrijgen. Echter deze besluit hierop “geen acht te slaan”.

    Naar Elim

    Drie jaar later ligt er wederom een brief bij de synode. Van Leeuwen schrijft daarin over schuld en berouw en verzoekt om herstel in de bediening. Hij wordt doorverwezen naar de Synodale Commissie, waarop een jaar later alsnog “na ingewonnen berigten” de afwijzing volgt. Ondertussen heeft de kerkenraad zich wel meer achter haar oud-predikant geschaard. Het mocht niet meer baten. Omdat de weg in de kerk voor hem afgesloten is, besluit hij in het voorjaar van 1871 naar aanhangers in het Drentse Elim te vertrekken. De hervormden zijn in die dagen nog op de moederkerk van Hollandscheveld aangewezen. Onder de vlag van de “Vrije Nederlands Hervormde Gemeente op Gereformeerde Grondslag met volledige bediening der sacramenten” neemt Van Leeuwen het werk in het buitengebied ter hand. Na zijn overlijden begin november 1877 heet het ineens “zonder” de sacramenten terwijl rond de Doleantie bij deze beweging aansluiting wordt gezocht. Het wordt evenwel een Vrije Ledeboeriaanse Gemeente en de laatste tien jaren tot 1917 een Vrije Oud-Gereformeerde Gemeente. Metselaar heeft het volgende gedicht rond de Elspeter predikant opgenomen:

    In het Veluws dorpje Elspeet
    Werd een dominee benoemd,
    Die zich vurig van zijn taak kweet;
    In de omtrek werd geroemd.
    Tot het volk met veel verhalen
    Tegen hem werd opgezet,
    En hij na een felle kerkstrijd,
    Als hun herder werd ontzet.
     
    In het onbekende oosten
    Van het Hoogeveense land,
    Is de dominee Van Leeuwen
    Met zijn vrouw en kroost beland.
    Ondanks alle tegenslagen,
    Had hij slechts één ding gehoord:
    “Predikt ieder ’t Evangelie,
    Ieder volk in ieder oord”.

    Opvolger Van der Werff

    Kijken we tenslotte naar de vermeldingen rond deze predikant in Elspeet dan ontdekken we zijn naam als voorlaatste op lijst 2. Alleen zijn bevestiging wordt beschreven. De lijsten 3 en 5 vermelden de gegevens zoals bovengenoemde. Zo’n zes weken nadat de synode in tweede instantie haar oordeel over Van Leeuwen heeft geveld, komt de kerkenraad op 12 november samen voor een nieuw beroep. We lezen deze keer slechts drie namen van kandidaten. De eerste herkennen we van zeven jaar terug, het is de 51-jarige Jacob van der Werff, die inmiddels in Huizen staat. De tweede is wederom J.A. ten Bokkel Huinink, die als opvolger van Van der Werff naar Oud-Alblas is afgereisd en nummer drie is consulent S.H. Buijtendijk uit Harderwijk. Opmerkelijk genoeg lees je na bovenstaande rond Van Leeuwen nimmer meer over een vervanger uit Garderen. De consulent komt nu uit Harderwijk en zal al snel door Hierden moeten worden geleverd. Onder leiding van Buijtendijk valt de keuze unaniem op Van der Werff. Hij is ook al weer een domineeszoon. Zijn wieg heeft in de pastorie van het Groninger Harkstede gestaan. Hij is aldaar op 10 augustus 1812 geboren. Zijn vader, Luitje van der Werff (1750 -1825) voorheen predikant te Sellingen, is eerst op 49-jarige leeftijd gehuwd. Desalniettemin heeft hij nog negen kinderen geboren zien worden. Gelet op door hem gebruikte Bijbelteksten kun je aannemen dat hij tot de orthodoxe kring heeft behoord.

    Start in Zwartsluis

    Zoonlief herdenkt de dag na het overlijden van pa zijn dertiende verjaardag. Twee jaren na de Afscheiding wordt hij door het kerkbestuur in Drenthe beroepbaar gesteld. Echter met zeer velen wacht hij op het moment dat hij ergens aan de slag kan. Die roep komt vanuit Zwartsluis. Indertijd zeker een orthodox bevindelijke gemeente, waarin twee predikanten het werk onder de ruim zesentwintighonderd hervormden verrichten. Hij begint de eerste van zijn tien intredediensten met het begin van Efeze 2 vers 17. Een tekst die hij later bij deze gelegenheid meer zal gebruiken. Ruim vijf jaar later volgt de overstap naar Aarlanderveen. Daar verblijft hij zes jaren, alvorens zijn inventaris naar de pastorie van Hedel wordt verhuisd. Reeds anderhalf jaar daarna wordt Kesteren aangedaan. Zoals geschreven, wordt steeds het eerste beroep door hem meteen aangenomen. In het voorjaar van 1858 volgt hij ds. A.P.A. du Cloux in Oud-Alblas op. Consulent L.H. Schotsman zoekt na een anderhalf jaar durend verblijf tevergeefs naar aantekeningen in het notulenboek. De periode Van der Werff is zo snel verlopen dat er geen tijd voor het maken van aantekeningen rest. Tevergeefs pogen de gemeenten Aarlanderveen, Bennekom, Elst (Utr.), Polsbroek en Poortvliet hem over te halen. Het wordt dan Wijk bij Heusden. Daar weten de kerkenraden van Staphorst, Genemuiden en Huizen hem te vinden. De laatste plek is het volgende tussenstation.

    Veel “hoorders”

    De kerkenraad van Garderen krijgt in de zomer van 1863 nog nul op het rekest. Daarentegen ziet hij geen mogelijkheid voor het tweede beroep naar Elspeet te bedanken. Hij zal hier één van zijn langste periodes doormaken. Het is consulent Buijtendijk die op 14 februari 1864 de bevestiging verricht, opnieuw met Jakobus 1: 21b, het begin van de intredetekst van J.R. Staverman van veertig jaren terug. Van der Werff ziet het als zijn taak om “mensen tot Jezus te leiden”. Over zijn ruim negenjarig verblijf alhier word je ook niet veel van hem gewaar. Tot twee keer toe moet er gestemd worden over de vraag wie verantwoordelijk is voor de benoeming van kerkenraadsleden, inclusief de predikant. Wordt de eerste keer door 124 van de 158 stemgerechtigden de kerkenraad hiervoor aangewezen, vier jaar later komen veel minder gemeenteleden ter stemming en wordt met 28 voor en 19 tegen een kiescollege ingesteld. Daarin hebben naast de kerkenraadsleden ook gemeenteleden zitting. Uit de verantwoording in de kerkelijke pers valt ook op te maken dat Van der Werff regelmatig wordt verzocht naar elders te komen. Tot negen keer toe volgt een afwijzing. Het tiende beroep uit IJsselmuiden wordt aangenomen. Ondertussen moesten de kerkenraden uit Heemse, Aalst, Ommeren, Giessen-Oudkerk, Ommeren, Waspik, Ooltgensplaat, Blauwkapel en Staphorst verder zoeken om de vacatures vervuld te krijgen. De gemeente komt op 28 september 1873 voor zijn afscheidsdienst bijeen. Evenals Verhoeff sluit hij af met de tekst uit Handelingen 20 vers 32. Na de dienst wordt hij in aanwezigheid van de nieuwe consulent W.E. Noordink uit Hierden meteen door de Nunspeter predikant E.B. Gunning “op vereerende wijze van zijne betrekkingen tot classis en gemeente ontslagen”. Ook IJsselmuiden wordt nog niet zijn eindstation. Als 62-jarige trekt hij opnieuw naar Kesteren. Ondanks beroepen naar Zuilichem en Maartensdijk maakt hij daar ruim elf jaren vol. Op 29 januari 1887 sterft hij op de leeftijd van ruim 74 jaar. Lijst 2 vermeldt alleen de genoemde datum van de bevestiging. De lijsten 3 en 5 geven dezelfde gegevens weer. Bij de uitwerking van lijst 5 in het boek van de Herstelden wordt de beroepingsdatum ten onrechte op zondag 22 november gedateerd.

    Redenaars

    Het zoeken naar een opvolger houdt deze keer langer aan. Niet eerder moest zoveel pogingen worden ondernomen. Om uiteindelijk toch een nieuwe bewoner voor de pastorie te krijgen, wordt met succes om dispensatie op de synodale regels gevraagd. De leden van het kiescollege zitten ruim veertien dagen na het afscheid van hun dominee nog wat onwennig bijeen. Wie moet de opvolger worden? Het eerste beroep gaat naar de 42-jarige Willem Jacobus Geselschap. Wie er verder nog in aanmerking komen, lezen we niet. Hij staat inmiddels in z’n zesde gemeente Delfshaven. Het heeft iets van achter in de rij aansluiten. Hij zal daar voor 28 gepubliceerde beroepen bedanken alvorens hij naar Reitsum vertrekt. Dat beroep volgt zo’n twee maanden later. Als tweede wordt op 2 december Gerrit Boer (44) uit Ouderkerk aan den IJssel met 15 stemmen gekozen. J. Kromsigt uit Kortgene behaalt twee stemmen. De derde op de nominatie is Gerrit van Herwaarden uit Garijp. Bij ds. Boer zijn tenminste 67 beroepingsbrieven tevergeefs afgegeven alvorens hij wordt geschorst. De 38-jarige Christiaan Hendrik Koopman, oud-predikant van Staphorst en thans te Waspik, wordt op 16 januari van het volgende jaar nummer drie voor de beroepingsbrief. Hij kiest later voor de grote stad Amsterdam. Op het zestal lees je voorts de namen van C.A. Renier uit Bergschenhoek, N.A. de Gaaij Fortman uit Vleuten, Peter Deetman uit Nijkerk, Willem Reinier Kalshoven uit Ede en Willem Mense uit Heeg. Het college houdt er de vaart in en besluit op 6 maart Geurt Arend Rademaker (39) uit Sneek te kiezen. Naast hem bespeur je aandacht voor de genoemde predikanten Deetman en Kalshoven. Eerst de roep vanuit ’s-Gravenhage dringt Rademaker Friesland vaarwel te zwaaien. Even iets meer dan een maand later gaat het beroep naar de eveneens 39-jarige Willem Reinier Kalshoven uit Ede. Ook hij schudt nog nee. Op het drietal staan voorts de namen van Elisa Anne Lazonder uit Oldebroek en die van Deetman.

    Een emeritus?

    De notulen van de kerkenraad geven aanleiding te vermoeden dat als nummer zes de 66-jarige emeritus-predikant Alphones Pierre Antoine du Cloux van het Groninger Spijk in aanmerking komt om de gemeente met twaalfhonderd zielen te gaan leiden. Het zal weinig emeriti zijn overkomen dat ze na het afscheid nog veertien keer “nee” op een beroep moeten antwoorden. Ook nummer zeven, ene Pieter Steffens Bartstra uit Klundert (op een dag na 33 jaar) legt het op 23 juni uitgebrachte beroep naast zich neer. Hij ziet in enkele jaren zesendertig beroepen voorbij komen. Eindelijk lijkt er meer kans van slagen als met de pastor loci in Westbroek, Gerrit Boxman, is gesproken. Deze 49-jarige predikant wil wel naar de twee keer zo grote Veluwse gemeente komen, echter volgens de regels kan hij niet. Bij het ingaan van de vacature moet hij immers reeds twee jaar aan Westbroek verbonden zijn. Dat is niet het geval. Derhalve wordt er dispensatie aangevraagd en verkregen zodat hij op 11 september, inmiddels bijna een jaar na het vertrek van Van der Werff kan worden beroepen. De acht keuzes overziende blijkt dat deze personen veel verder weg worden gezocht dan voorheen. Ze kennen allen ongetwijfeld verbondenheid aan Schrift en Belijdenis. De één zet zich in voor de eerder genoemde Waarheidsvrienden, een ander is op andere wijze bij evangelisatiewerk betrokken. Tenslotte is het opvallend dat geen van hen later met de Doleantie meegaat.

    Vrij beheer

    Boxman is in 1825 te Muiden geboren. Na zijn studie te Utrecht is hij eerst op hogere leeftijd in mei 1872 in deze kerkprovincie beroepbaar gesteld. Meteen melden zich de gemeenten Hei- en Boeicop, Nieuwe-Tonge, Polsbroek, Schoonrewoerd, Waverveen en Westbroek. In de laatste plaats volgt op 21 juli de bevestiging door de Kohlbruggiaan Joan Jacob Gobius du Sart uit Nijkerk. Elspeet komt als eerste en enige hem onder de rook van Utrecht opzoeken. Het afscheid aldaar vindt op 25 oktober 1874 plaats. Ook hij kiest voor de laatste dringende oproep van Mozes. Een week later wordt hij hier door de bekend geworden ds. Du Cloux bevestigd. Hij vraagt met het zevende vers van Jesaja 52 aandacht voor de bode die heil doet horen. Boxman verklaart dat er geen ander fundament dan Jezus Christus kan worden gelegd.De bevestiging is afgestaan door consulent W.E. Noordink uit Hierden. Deze heeft overigens niet alle werkzaamheden waargenomen. De catechisatielessen zijn de vorige winter door godsdienstonderwijzer Brouwer uit Nunspeet verzorgd. Ook over de periode van twee-en-een-half jaar Boxman lees je niet veel bijzonderheden. Bij een stemming over de beheersvorm kiest een grote meerderheid voor “vrij beheer”. Schellingerhout weet over de predikant te schrijven dat hij in z’n volgende gemeente Oud- Alblas de gewoonte heeft om meningsverschillen met gemeenteleden op de volgende zondag tijdens de preek te verhandelen. Dat kost hem kerkbezoekers. Of dit hier ook zo is geweest, blijft onbekend. Hij weet hier wel kerkenraden voor zich te winnen. Een maand of drie na z’n intrede proberen ze hem naar Nunspeet te halen. In de zomer sluiten Arnemuiden en Poortvliet zich hierbij aan. Oud-Alblas is de volgende gemeente, die z’n ja-woord krijgt.

    Veel ervaring

    De kerk stroomt op 29 april van 1877 vol voor het afscheid van deze 22-ste predikant. De gemeente wordt bepaald bij het lied van Mozes (Exodus 15: 3). Een week later start hij te Oud-Alblas, opnieuw als 22-ste predikant, met de woorden uit Psalm 12 vers 7a. Boxman zal aldaar voor nog twaalf beroepen bedanken alvorens hij op 17 mei 1886 op 61-jarige leeftijd overlijdt. We hebben nog slechts twee lijsten tot vergelijking over. Genoemde jaartallen komen zowel op lijst 3 als lijst 5 voor. In de uitwerking van “Zijn daden gedenken”ontgaat het de samensteller blijkbaar dat als eerste ds. Geselschap wordt beroepen. De naam “Rademakers” moet als “Rademaker” worden gelezen. Het is een foute veronderstelling dat Boxman door de consulent wordt bevestigd. Deze heet overigens geen “Woordink”, maar “Noordink”. Ruim een maand na het vertrek van Boxman worden de pogingen voor een opvolger aangevat. Als consulent is hierbij de Hierdense predikant George Everhard Kruger Arnold Roskott aanwezig. De ogen worden gevestigd op de dertigjarige Adriaan Renier uit Wilnis. Hij heeft ruim twee jaar in deze eerste gemeente achter de rug en ziet in korte tijd elf beroepen voorbij komen. Een bedankje is het resultaat. Op 13 juli volgt een tweede poging, opnieuw bij Gerrit Boer in Ouderkerk aan den IJssel. Ook hij wijst het beroep van de hand. De derde keer wordt in Friesland gezocht en gevonden. Het is Jan Felix Franciscus van de Hamme die op 7 september unaniem wordt gekozen. Elspeet krijgt een betrekkelijk jonge predikant met voor zijn leeftijd veel ervaring. Hij komt inmiddels naar zijn zesde gemeente.

    Snelle wisselingen

    Van den Hamme is in 1840 geboren. Het kerkbestuur van Gelderland stelt hem in de zomer van 1864 beroepbaar. Binnen korte tijd aanvaardt hij het beroep naar Hoenderloo. Het duurt nog tot 11 juni 1865 alvorens ds. P.J.R. Laan uit Muiden hem bevestigd. Van den Hamme vraagt bij de eerste intrede aandacht voor de roeping van Jeremia. Een kleine drie jaar later begint hij het werk als eerste predikant van de tweede predikantsplaats in Hellevoetsluis. Een jaar later wordt het Ouddorp. Die gemeente ruilt hij in de wintermaand van 1872 in voor Polsbroek. Daar bedankt hij onder andere voor roepstemmen uit Lienden, Veenendaal en Wemeldinge en reist ruim drie jaar later naar het Friese Ee (een gemeente met bijna duizend zielen in de omgeving van Dokkum). Aldaar heeft hij op 2 april 1876 intrede gedaan. Hij zal er snel vertrekken. Immers op 21 oktober van het volgende jaar is de gemeente reeds voor het afscheid bijeen. De reis gaat nu naar Elspeet. De volgende zondag bevestigt de consulent hem na een preek over Fillippenzen 2: 29. De nieuwe predikant begint met de zendingsopdracht zoals die in Markus beschreven staat. Het valt op dat Van den Hamme als één van de weinige predikanten alhier in het notulenboek precies aantekent wanneer hij een beroep heeft ontvangen en de beslissing is gevallen. Na twee jaren doet Harderwijk een poging. In het voorjaar van 1881 volgen Wilp en Meppel. Later in het jaar meldt zich de kerkenraad van Pernis. In de eerste maand van 1882 komt het beroep uit Oud-Beijerland. Negen maanden later voegt Ooltgensplaat zich hierbij.

    Tegen Doleantie

    Op 27 maart van 1883 doet Meppel een tweede poging. Deze keer om de naar Amsterdam vertrokken Hendrik Willem van Loon op te volgen. Een man die later naam zou maken bij de Doleantie. De predikant ziet zich daarheen geroepen en verlaat de Veluwse gemeente op 24 juni met een preek waarin hij dankt omdat de gemeente de prediking heeft aangenomen “als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft”. Hij valt in zijn nieuwe gemeente met de neus in een nogal roerige tijd. Zo’n twaalf jaar eerder besluit een groep confessionelen tot eigen kerkdiensten. De gemeente wordt in die dagen geheel geleid door moderne predikanten. Het is uitgerekend de Harderwijker dominee Buijtendijk, wiens naam we al eerder zijn tegengekomen, die als eerste orthodox predikant, weer een dienst in Meppel leidt. De personele bezetting van diverse colleges wijzigt zodanig dat Van Loon uit het Veluwse Voorthuizen op de eerste zondag van 1878 aan de Drentse stad wordt verbonden. Het is aan zijn opvolger Van den Hamme om de gemoederen in de dagen van de Doleantie tot bedaren te brengen. Drs. Coster weet te vertellen dat de Doleantie door zijn inzet in Meppel weinig aanhang heeft gekregen. “De pluriformiteit in de kerk was voor hem een zaak van gewetensnood, maar hij kon niet besluiten door kerkelijke machtspolitiek een oplossing te forceren”, aldus Coster. Op 30 mei 1887 heeft hij ook deze gemeente vaarwel gezegd, daarmee de eerste roepstem naar Wemeldinge volgend. Tevergeefs proberen nog zeven kerkenraden hem daar weg te halen, waaronder Veenendaal en Wijk bij Heusden. Per 1 juli 1895 krijgt hij wegens ziekte zijn emeritaat.

    Trouw belijder

    Van den Hamme vestigt zich dan in Apeldoorn en overlijdt er op zondag 6 maart 1898. In het blad van Hoedemaker, De Gereformeerde Kerk, wordt uitgebreid verslag gedaan van zijn begrafenis onder leiding van ds. C. Hattink. Hij wordt daarin geschetst als “een liefhebbend vader, een oprecht vriend en een trouw belijder van den Heer, dien hij liefhad”. In lijst 3 van Van Alphen staan ook bovengenoemde jaartallen vermeld. Ten onrechte wordt de suggestie gedaan dat hij vanuit Polsbroek hierheen is gekomen. Daarbij wordt zijn werk in Ee vergeten. Bij de uitwerking van lijst 5 wordt voor het eerst de naam van Renier als “Reinier” geschreven. De datum voor het beroep van Van den Hamme is onjuist. Op die dag is namelijk Gerrit Boer beroepen. De intredetekst staat eveneens niet goed weergegeven. Markus 16: 25b bestaat niet. Het gaat om vers 15b. Tenslotte wordt gesteld dat hij “eind 1883” naar Meppel vertrekt, echter dit moet zijn in de zomer, op de laatste juni-zondag. Het zogeheten kiescollege is na tien jaar weer opgehouden te bestaan. De kerkenraad kan weer zelf naar een opvolger uitzien. In deze jaren onderweg naar de tweede forse scheuring in de hervormde kerk is het boeiend te zien wie de kerkenraad op het oog heeft. Als eerste komt G. van Goor uit Oud-Beijerland in beeld. Hij is zo’n 35 jaar oud en staat inmiddels voor de tweede keer in Oud-Beijerland.

    Domineesgeslacht Renier

    Het moet een bijzonder redenaar zijn geweest, immers de ene na de volgende kerkenraad meldt zich bij hem. Zo ook bij het begin van de zomer in 1883. De beroepen naar Rouveen en Stellendam zijn nog maar goed en wel afgezegd, of Elspeet komt op 6 juli en Bunschoten zes dagen later. Dit laatste beroep neemt hij aan. In het voorjaar van 1887 besluit hij met de kerkenraad uit de hervormde kerk te stappen. De tweede die ruim een maand later wordt verzocht naar de Veluwe over te komen is de 28- jarige Dirk Martens Boonstra. Hij staat inmiddels twee jaar in z’n derde gemeente, het Friese Wanswerd-Jislum. Hij zegt het beroep van hier en tenminste nog vijf anderen af om eerst naar Renkum en vervolgens naar Oud-Alblas te trekken. Deze gemeente verwisselt hij in het najaar van 1887 voor, let wel, de dolerende kerk van Zwolle. Zes jaren later keert hij op z’n schreden terug en zal hij nog negen hervormde gemeenten dienen. Voor de derde poging reist de kerkenraad naar Bergambacht. Daar is ondertussen eerder genoemde Adriaan Renier neergestreken. Hij laat zich deze tweede keer wel overhalen. De nieuwe predikant heeft thuis reeds stage kunnen lopen. Pa en opa hebben beiden jaren in Zeeland gemeentes gediend. Opa Jacobus (1765-1837) komt van oorsprong uit de stad Leiden. Hij staat enige tijd aan het hoofd van de gemeenten Nisse, Aardenburg, Ijzendijke, Colijnsplaat en bijna veertig jaar te Veere.

    Twaalfhonderd leden

    De vader van Adriaan heeft ruim veertig jaren het Zeeuwse ’s-Gravenpolder gediend. Daarbij kan hij voor vragen ook terugvallen op z’n drie jaar oudere broer Cornelis Adriaan, die eveneens van de ene naar de volgende pastorie trekt. De hervormde gemeente van Wilnis biedt onze Renier de mogelijkheid zijn loopbaan aan te vangen. Dat gebeurt op 21 maart 1875 na bevestiging door zijn broer uit Bergschenhoek. Adriaan begint met Paulus’ oproep “opdat Christus door het geloof in uw harten wone”. Uit dertien beroepen (waaronder Elburg, Elspeet, Monnikendam en Wouterswoude) kiest hij ruim vier jaar Bergambacht als tweede standplaats. Na het afscheid met opnieuw de woorden van zijn intredetekst volgt daar op 16 februari 1879 de bevestiging, opnieuw door z’n broer die inmiddels in Amsterdam is aangetreden. Ook hier weten vele gemeente hem te vinden. Oudewater opent de rij van twintig nieuwe uitdagingen. Ook Axel, Haarlemmermeer, Heerjansdam, Lemmer, Maassluis en Raamsdonk melden zich bij hem. Als de kerkenraad van Elspeet aanklopt, heeft hij zo’n beetje gelijktijdig visite uit Wijnjeterp-Duurswoude, Nederlangbroek en Kootwijk. Zijn hart gaat uit naar de ruim twaalfhonderd kerkleden alhier.

    Voorspel Doleantie

    Consulent M.H. Bolkestein uit Hierden verricht op 13 januari 1884 de bevestiging. De nieuwe predikant begint zijn dienst met Titus 3: 3-8, hetzelfde gedeelte dat hij ook bij de start in Bergambacht heeft verklaard. Tijdens zijn verblijf wordt de kerkenraad geconfronteerd met de eerste signalen die de Doleantie inluiden. Z’n broer zal als predikant in Amsterdam daarin een belangrijke rol vervullen. Adriaan lijkt zich toch wat meer afzijdig op te stellen. De kerkenraad van Kootwijk verzoekt de gemeenten in de regio om ondersteuning bij het beroep op kandidaat Houtzagers. Het bijzondere rond deze man is dat hij zijn studie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam heeft volbracht. In Elspeet wordt dit evenwel afgewezen. Wel wordt het voorstel van dr.Ph.J. Hoedemaker met een geschrift richting de synode over de belijdenis aangenomen. Wellicht overeenkomstig zijn gedachten wordt ook bewerkstelligd dat herbergen op zondagen voor het eigen publiek zullen worden gesloten. Het verbod is niet van toepassing op “de doortrekkende reizigers”. Wie weet, gaat het daarbij ook om luistervinken van her en der die dominee willen weghalen. Zij melden zich wel. In de zomer van 1885 staat de afvaardiging van Otterloo op de stoep. Het volgende jaar komt het beroep uit Elburg. Tjerkgaast, Nieuwerkerk aan den IJssel, Nijehaske en IJsselmuiden kloppen nagenoeg gelijktijdig aan in de zomer van 1887. Deze laatste gemeente krijgt zijn “ja-woord”. Hij zal daar ene J. Beijer opvolgen, die kort tevoren naar Hierden is gekomen en zich bij het afscheid in Elspeet als consulent zal melden. Soms is het kringetje verdacht klein.

    Zes keren Efeze 3?

    Op 25 september is dat zover. Het vertrek wordt niet meer in de Kerkelijke Courant meegedeeld. Wel maakt het periodiek Stemmen voor Waarheid en Vrede er melding van. Echter daarin ontbreekt de tekst van het gesproken woord. Ook in de notulen van de kerkenraad is elke speurtocht tevergeefs. Hoe dan ook, een week later wordt hij door de dominee van Wilsum, E. Weidner, aan zijn nieuwe standplaats verbonden. Renier begint voor de derde keer met het gedeelte uit Titus 3. Hij zal er maar liefst achttien jaren volmaken. Niet dat Renier er niet weg kan. Sowieso 27 keren moet er een beslissing op een beroep volgen. Twee keren zelfs na de herhaalde roep uit Onstwedde en Staphorst. Opvallend dat ze zich ook vanuit Burgwerd, Oldeboorn en Ressen bij hem melden. Vol spanning zal wellicht zijn uitgezien naar de beslissing op het verzoek uit het Friese Anjum. Of hij daar bij de Ned. Gereformeerde Gemeente de dolerende ds. Jenne Langhout wil opvolgen. Renier handhaaft zijn standpunt van voorheen en wijst dit af. Bijzonder genoeg is het zelfs in de geschiedschrijving van deze roerige tijd in dat dorp onvermeld gebleven. Eerst in de zomer 1907 verlaat hij IJsselmuiden om zich in de hervormde kerk van Ouderkerk aan den IJssel te laten bevestigen. De afscheidstekst komt ons wederom bekend voor. Het is hetzelfde uitgangspunt als in zijn eerste gemeente Wilnis. Reeds drie jaren later vertrekt hij vandaar naar Eemnes-Buiten, na bedankbrieven richting Brakel en Staphorst te hebben verzonden. In deze laatste plaats blijkt de pastorie hem niet aan te staan. Let op, wederom gaat de Bijbel in die laatste dienst open bij het derde hoofdstuk van Paulus’ brief aan de Efeziërs. Het wordt eentonig, maar je mag er vanuit gaan dat het de zesde keer is, als hij vanwege zijn emeritaat op 25 juni 1916 bij zijn laatste afscheid opnieuw dat Bijbelgedeelte opslaat. Op 74-jarige leeftijd komt hij in zijn laatste gemeente op 12 april 1921 te overlijden.

    Geen Dolerende

    Op de predikantenlijsten ontdekken we het volgende. Op lijst 3 wordt vermeld “ber. van Bergambacht 1883”. Daarmee wordt wellicht gedoeld op het beroep dat op 10 oktober is uitgebracht. De intrede heeft evenwel eerst op 13 januari van het volgende jaar plaats gevonden. Lijst nummer 5 van Van der Zwaan geeft de jaartallen “1883 en 1888” weer. Het moet dus zijn “1884 en 1887”. De naam “Reinier” dient als “Renier” te worden gelezen. Deze fout wordt bij de uitwerking tot drie keer toe herhaald. Daarin worden wederom de verkeerde jaartallen aangegeven. De sluiting van de herbergen had blijkens de notulen van de kerkenraad geen betrekking op “reizigers”. Door de beschrijving wordt de indruk gewekt dat ouderling Van ’t Meer gedurende de periode van Renier zich bij de Doleantie aansloot. Dat is evenwel niet het geval. Zijn vertrek wordt op 30 november 1887 in de kerkenraad bekend gemaakt. Ruim twee maanden eerder heeft Renier afscheid genomen. De vergadering staat dan onder leiding van consulent Beijer, die furieus reageert. Dat is niet het geval wanneer er een verzoek komt in de vacaturetijd de godsdienstonderwijzer C.T. Buitenhuis uit Lemelerveld hier te laten preken. Op zoek naar vervanging wordt dit met beide handen aangenomen. Hoewel we het niet in de notulen kunnen lezen, moet er wel een soort afspraak zijn gemaakt dat de kerkenraad de te beroepen predikanten bevragen op hun positie in de kerk. Namen als die van Van Goor, Boonstra en de ruim 50 andere dienstdoende predikanten die in deze roerige tijd de kerk verlaten, kom je niet meer tegen.

    Veel beroepen

    De Stemmen voor Waarheid en Vrede weten in de uitgave van november 1887 te melden dat er een beroep is uitgebracht op ds. Jan Wouter Herman Kalkman (1852-1917). Het is in deze dagen na de uittocht van meerdere orthodoxe predikanten dringen bij de pastoriedeur. Kalkman, nog maar anderhalf jaar werkzaam in z’n derde gemeente Monster, heeft inmiddels voor 22 beroepen bedankt. Er zal nog zo’n aantal volgen alvorens hij naar Alphen aan den Rijn afreist. Dan te bedenken dat hij Monster slechts drie jaren heeft gediend. Het tweede beroep gaat naar Elisa Anne Lazonder (1839-91), die drie jaren eerder betrekkelijk dichtbij in Oosterwolde (Gld.) is neergestreken. Over bijzondere hoorders heeft ook hij geen klachten. Daar zijn tenminste zeventien beroepingsbrieven afgeleverd en er zullen er nog ruim veertig bij komen. De derde reis gaat naar de grote stad Amsterdam alwaar de kerkstrijd in volle heftigheid is uitgebroken. Het beroep wordt na het besluit op 8 februari afgeleverd bij de 48-jarige Peter Deetman. Echter ook hij bedankt voor de eer. Op 3 april zoekt de kerkenraad het dichterbij, namelijk bij Justus Johannes Cornelius van Toorenenbergen (1855-1919). Hij is een neef van de oud-predikanten van Elspeet en verblijft in z’n vierde standplaats Putten. De kerkenraad van Elspeet meldt zich als eerste bij hem. Geen wonder, immers hij is er eerst goed negen maanden aan de slag. Na een bedankje besluiten de broeders op 14 mei zich opnieuw bij Kalkman te melden. Echter ook hij wil nog niet van verhuizen weten.

    Onbekende Lochter

    De zesde predikant, die op 19 juni wordt beroepen, is Jacob Bolkestein (1850-1900) uit Ter Aar. Deze vriend van eerder genoemde Boonstra maakt eveneens drukke tijden door alvorens hij naar Putten afreist. Uiteindelijk zal Gottfried Wilhelm Locher uit Aalst instemmend knikken nadat hem de op 10 augustus getekende beroepsbrief is bezorgd. De man is om de één of andere reden veel minder bekend geworden om ook in deze schaarse tijd van oost en west en van noord en zuid de aanvragen te ontvangen. Wel is er over hem van de hand van achterneef G.F.D. Locher een bijdrage opgenomen in het Biografisch Lexicon. Nog uitvoeriger wordt zijn levensloop beschreven door drs. M. den Admirant. Gottfried Wilhelm is op 4 april 1839 in Zürich geboren, in het domineesgezin van Johann Caspar en Anna Catharina Grob. Reeds vier generaties van dit Zwitserse predikantengeslacht gaat het ambt van vader op zoon. Na zijn acht jaar oudere broer Theodor Jakob studeert hij eveneens aan de universiteit van Zürich. Nauwelijks 23 jaar oud wordt hij op 22 maart 1862 bevestigd tot hulpprediker in het kanton van zijn geboorteplaats. Zijn broer, die enige tijd in Elberfeld hulpprediker is, brengt hem in contact met H.F. Kohlbrugge. Deze bekende prediker is veel eerder, namelijk op 8 juli 1824, door de Hersteld Evangelisch-Lutherse Kerk in Nederland beroepbaar gesteld.

    Naar Rusland

    Locher verricht onder andere ook in Elberfeld hulpdiensten en wordt in 1869 beroepen als predikant van de Duits-gereformeerde gemeente in Neudorf en Cassel. Plaatsen die bij de Zwarte Zee in het zuiden van Rusland gelegen zijn. Kohlbrugge moet bij de aanbevelingen over hem hebben gezegd dat ze in Locher niet een bekeerd, maar een godvrezend predikant zouden krijgen. Het werk moet hem aldaar zwaar zijn gevallen. Daarom zal het als een geschenk uit de hemel zijn ervaren wanneer in de zomer van 1872 het door ds. Van der Werff getekende beroep uit Garderen wordt bezorgd. Den Admirant vermoedt dat z’n broer, die een jaar eerder in Zevenhoven aan de slag is gegaan, hierin een rol heeft vervuld. Naar verluidt heeft de later vanwege de Doleantie bekend geworden dr. A. Kuijper aan Kohlbrugge gevraagd diens leerlingen naar Nederland te sturen om enigszins in de nood te voorzien. In ons land blijken zo’n honderdtwintig gemeenten op zoek naar een meer orthodox predikant. Locher neemt het beroep aan, maar kan vanwege zijn ziekte niet eerder dan het volgende voorjaar overkomen. Ondertussen trouwt hij met Anna Maria Margaretha Schaefer. Haar moeder Hillegonda is een dochter van ds. Joan Frederik Gobius du Sart (1783-1841), zus van Joan Jacob Gobius du Sart en een schoonzus van de vroegere voorganger J.G. Verhoeff. Wie weet, mogelijk zijn ze alhier door hem op zijn spoor gezet. Op 22 juni 1873 begint hij in z’n eerste gemeente in Holland, te weten Garderen. Zijn broer verricht de bevestiging met de roeping van Abraham op reis te gaan. Gottfried Wilhelm zet ook in met Davids’ boetepsalm 51. Vers 17 staat centraal. Den Admirant weet te vertellen dat het hem aanvankelijk veel moeite kost zich goed in de Nederlandse taal uit te drukken. Mogelijk dat veel kerkenraden daardoor hem links of rechts passerend rustig in deze Veluwse gemeente laten staan.

    “Hartenkenner”

    Zo niet door de kerkenraden in St. Johannesga en Nieuw- en St.Joosland. Reeds een jaar na de intrede kloppen zij bij de pastoriedeur aan. Tevergeefs. In het voorjaar van 1875 reist hij voor de begrafenis van dr. Kohlbrugge naar Elberfeld. Onder het uitspreken van de tekst: “Maar ik weet, dat mijn Verlosser leeft, en Hij zal mij hierna uit de aarde opwekken”, werpt Locher een handvol aarde in het graf. De volgende zomer verhuist hij naar het Gelderse Hengelo. De oom van zijn vrouw, J.J. Gobius du Sart uit Nijkerk, verricht de bevestiging. De nieuwe predikant vraagt aandacht voor Paulus’ verklaring uit het tweede vers van 1 Corinthe 2. Hij bedankt na krap vier jaar voor het beroep van Op- en Neder-Andel, maar besluit wel korte tijd later naar Aalst af te reizen. Daar wordt hij de opvolger van A.F. Simons, die naar Veen is vertrokken. Hij aanvaardt zijn dienst met het 175-ste vers van de langste Psalm. Locher neemt nadrukkelijk afstand van gemeenteleden die voor de Doleantie kiezen. Van zijn hand verschijnt de brochure: Hoe komen wij tot de ware reformatie? Stukken aan en van den kerkeraad der hervormde gemeente te Aalst in zake de tegenwoordige zoogenaamde “Reformatie der Kerken.” “Een reformatie overeenkomstig het Woord des Heren bestaat hierin, dat dit Woord weer zijn vrije loop krijgt en dat men zich eraan onderwerpt. Dan zal het Woord ook onze knellende banden breken”. “Maar zij die thans een reformatie in onze Kerk willen bewerkstelligen, hebben zich niet in waarheid aan het Woord onderworpen. Er is bij hen een uitwendig zuiveren van de kerk. Zij kennen ’s Heren Wet, maar zij willen haar opvolgen op vleselijke wijze, zonder dat zij zelf eerst zondaren zijn geworden…..” Dr. A. Kuyper trekt tegen Locher fel van leer en noemt hem in het blad De Heraut ironisch een “hartenkenner”.

    Vrouw overleden

    Wellicht is z’n taal ondertussen zodanig bijgeschaafd dat meer gemeenten belangstelling voor hem krijgen. Het “Kohlbruggiaanse” Nieuw- en St. Joosland komt weer terug. Daarbij voegen zich Aalburg, Besoijen, Dinteloord, Moerdijk, Valkenburg (Z-Holland), Willemstad en Zevenhoven. Zodra de Doleantie meer voet in aarde krijgt, voegen zich nog Arnemuiden en Dussen hierbij. Uiteindelijk gaat in augustus 1888 Elspeet “er met hem vandoor”. Ondertussen zie je Locher als consulent of als vriend tot vier keer toe een bevestigingsdienst leiden, waaronder die van J. Bolhuis in Delfshaven en Willem Engelbert Michaël Engelberts te IJzendoorn. Het afscheid in Aalst vindt plaats op 4 november met het laatste vers uit de eerste brief van Johannes. Twee weken later wordt hij hier bevestigd door genoemde Engelberts, die inmiddels in Ommen de pastorie bewoont. Hij behandelt 1 Petrus 2 vers 6. Locher vraagt aandacht voor de toespraak van Petrus uit Handelingen 10 (vers 42). De Kerkelijke Courant maakt weer sober melding van één en ander. Anderhalf jaar na z’n aantreden maken zeven lidmaten melding van hun overstap naar de Dolerenden. Ze worden beschuldigd van “muiterij in kerk aan te richten”. Den Admirant wijst er op dat hij tijdens het verblijf alhier tot een diepere bezinning van de rechtvaardigingsleer komt. “Door de verzoening in Christus is de verhouding van God tegenover de mens veranderd: God is niet meer vertoornd, maar genadig. Ook de verhouding van de mens tegenover zijn God is anders geworden: hij heeft geen angst meer voor Hem, maar er is vrede en een open toeleiding tot Zijn genade”. Voor zondag 9 januari 1898 staat wederom de bediening van het Heilig Avondmaal aangekondigd. Het zal die dag evenwel niet doorgaan daar vier dagen tevoren Lochers’ vrouw op bijna 46-jarige leeftijd overlijdt. De viering wordt slechts één week verschoven. Enige tijd later wordt het hem in zijn Elspeter tijd wel gegeven het 25-jarig ambtsjubileum te vieren. De ochtenddienst wordt geleid door zijn neef Johannes Caspar Stephanus Locher (1867-1940). In de tweede dienst preekt Locher over Psalm 118 vers 18.

    Beroep in wording

    Mogelijk is het in de wandelgangen nog besproken dat ds. H.G. Ubbink uit het Friese St. Johannesga en Delfstrahuizen de leeggevallen plaats van zijn overleden vriend Engelberts in Ommen gaat vervullen. Maar wie zal de plaats van Ubbink gaan innemen. De Friese gemeente is niet onbekend met de Elspeter predikant en vraagt hem over te komen. Hij neemt het beroep aan. Als de gemeente op 2 oktober in grote getale bijeen zit, vraagt Locher met het voorlaatste vers van Prediker om God te vrezen en Zijn geboden te houden. Twee weken later begint hij de laatste periode in zijn loopbaan. Hij doet dat met de bekende woorden uit het votum naar het slot van Psalm 124. Het is een goede afsluiting waarin meerdere preken van hem worden uitgegeven. Een kleine zestien jaar leidt hij deze laatste gemeente alvorens in de zomer van 1914 met een preek over Colossenzen 2 vers 6 en 7 de herdersstaf neer te leggen. Hij vestigt zich in ’s-Gravenmoer en overlijdt daar op 13 april 1918 op de leeftijd van 79 jaar. Op beide nog resterende lijsten over de Elspeter predikanten wordt melding gemaakt van de jaren 1888 en 1898. In de uitwerking wordt nog een enkel woord aan gedachten van vertrekkende gemeenteleden gewijd. Ondertussen is in de vacature alhier snel voorzien. De reis gaat naar een predikant die in het grijze verleden voor de komst van Boxman ook is al beroepen. Het betreft Willem Reinier Kalshoven, die thans woonachtig is in de pastorie te Kesteren. Het is een dominee van de oude stempel, geboren in het jaar van de Afscheiding.

    Zoon van musicus
     
    In Friesland heeft hij zich ingezet voor de eerder genoemde Waarheidsvrienden. Op 3 november 1898 wordt hij onder leiding van consulent D. Bax uit Hierden beroepen. Ondanks zijn al wat hogere leeftijd zal hij nog ruim twintig jaren volmaken. Daarbij kan hij, in tegenstelling tot z’n voorganger, nog op regelmatige belangstelling van andere gemeenten rekenen. Kalshoven wordt op 13 november 1834 in Wageningen geboren. Zijn vader is muziekmeester. Zo’n tien maanden nadat de studie is afgerond, wordt hij gevraagd in het grote St. Johannesga aan de slag te gaan. Vriend J. Nijhoff uit Dedemsvaart zorgt voor de bevestiging. Kalshoven begint met het “fundament Jezus Christus”. Vier Friese gemeenten, te weten Gaastmeer, Oostermeer, Warns-Scharl en Garijp-Suameer proberen hem vervolgens in de pastorie te krijgen. De laatste kerkenraad mag hem in de eerste maand van 1866 begroeten. Hij wil daar “Jezus Christus den Gekruisigde preken”. Niet lang overigens. Op de laatste novemberzondag zwaait hij de gemeente reeds gedag om een week later de Adventtijd in Wanswerd-Jislum aan te vangen. Voor de derde keer klinkt een tekst uit Paulus’ brief aan Corinthe: “Wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig”. Hij zal dat ruim zes jaren blijven doen, ondertussen uitgenodigd door Wolsum-Westhem en Warns-Scharl. Kalshoven vervolgt z’n loopbaan buiten Friesland. Hij gaat naar het Veluwse Ede. Zijn voorganger Wouter Kraijenbelt uit Bodegraven leidt de bevestiging op 30 maart 1873. De nieuwe predikant stelt zich voor als een “gezant van het Evangelie in een keten”. Ruim zeventien jaren maakt hij er vol, ondertussen zo’n veertig keren uitgenodigd om elders te komen preken. Elspeet heeft een jaar na de intrede de rij geopend. Zelfs voor de roepstem uit zijn geboorteplaats bedankt hij. Ook twee keer voor Op- en Neder-Andel, Oudemirdum en Rouveen. In het voorjaar van 1890 wordt Hasselt de vijfde standplaats. Hij begint daar met de zendingsopdracht naar het Evangelie van Markus.

    Gure Palmpasen

    Twee jaren later en zes beroepen verder leidt de verhuizing naar Kesteren. Daar begint hij met de opdracht die in Lukas 24 vers 44-48 wordt verwoord. Zelfs wanneer hij de leeftijd van zestig jaar is gepasseerd, blijven gemeenten zich voortduren bij hem melden. De herhaalde roep uit Elspeet wordt uit de zeventien beroepen gekozen. Op 19 maart 1899 luistert de gemeente in de afscheidsdienst naar een preek over de laatste tekst van de Bijbel. Een week later, op Palmpasen, wachten op een gure zondag de bevestiging en intrede alhier. Consulent Bax roept zijn collega op “enig woord van vertroosting tot het volk te spreken”. De nieuwe predikant vraagt aandacht voor de roep van de schare bij Jezus’ intocht in Jeruzalem. Twee jaar later moet er weer gekozen worden over de vraag of de kerkenraad of een kiescollege de benoemingen dient te verrichten. Er worden 34 stemmen uitgebracht. De reden blijft onduidelijk, maar Kalshoven oordeelt de stemming onwettig. Een kleine maand later volgt de herkansing. Dan worden er 112 stemmen uitgebracht. De uitslag is overigens gelijk aan de vorige: de kerkenraad mag het zelf blijven regelen. In datzelfde jaar zeggen nog eens zes personen uit Vierhouten de kerk gedag. Ook zij sluiten zich aan bij de dolerenden. Het is Kalshoven vergund op 25 augustus 1901 de nieuwe predikant van Garderen, ene A. van Kooten, te bevestigen. Hij leest daarbij als tekstwoord: “Dat al uw dingen in de liefde geschieden”. Kalshoven wordt zelf ook in de verleiding gesteld naar een achtste gemeente af te reizen. In een paar jaar tijd volgen acht beroepen, respectievelijk naar Zegveld, Kockengen, Elburg, Zoeterwoude, Nijkerk, Kamperveen (2x) en Benthuizen. Later doen de kerkenraden van Oudewater en Otterloo een vergeefse poging.

    Spek voor de armen

    Ondertussen wacht de predikant een volgende bevestigingsplechtigheid in Hoogeloon. Zoon Johannes (1875-1959) is naar deze gemeente geroepen om een vacature van zeventien jaren in te vullen. Zijn vader houdt hem op 28 januari 1906 voor: “Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij”. Kalshoven (jr.) zal later de gemeenten van Kootwijk (1908), Ovezande-Driewegen (1921) en Hien-Dodewaard (1929-43) dienen en Rhenen nog als hulpprediker. Johannes verschijnt met zijn zuster Johanna Margaretha Elisabet voor de kerkenraad alhier. Het is in het najaar van 1911. De vrouw van de Elspeter predikant, Gerardina Hendrika Fokke met wie hij in z’n eerste gemeente op 14 september 1865 is gehuwd, is overleden. Zij heeft de nabestaanden opgedragen een bedrag van duizend gulden aan de diakonie te overhandigen. Aldus geschiedt tijdens de bijzondere samenkomst. Jaarlijks moet de rente van dit bedrag worden gebruikt om in de week voor Kerst bij de armen gerookt spek uit te delen. Bij zijn vijftigjarig ambstjubileum wordt Kalshoven benoemd tot Ridder in de orde van Oranje Nassau. Nog zeven jaren worden volgemaakt alvorens hij als oudste dienstdoende predikant in de hervormde kerk op 85-jarige leeftijd er mee stopt. De laatste novemberzondag in 1919 is ongetwijfeld een zeer bijzondere voor de gemeente geweest. Om tien uur begint de dienst die tot bijna kwart voor één zal aanhouden. De preek gaat opnieuw over Openbaring 22 vers 21. “Diepbewogen was de grijze prediker”, aldus het verslag in het Weekblad der Nederlandsche Hervormde Kerk, dat vermeldt dat hij nog wel langer door wilde gaan. Geschenken worden overhandigd door de kerkvoogdij, de catechisanten en H.M. de Koningin. Behalve een hartelijk schrijven omvat dit laatste ook een stoffelijke huldeblijk. Aansluitend vindt zijn losmaking plaats door consulent F.W.Ch.L. Schulte uit Hierden en verhuist de dominee naar Bennekom. Op 19 november 1926 overlijdt hij op 92-jarige leeftijd in het Diconessenhuis te Arnhem.

    Bonder

    De vermelding op lijst 3 bevat alleen nog zijn beginjaar 1899. Lijst 5 geeft het jaar van de afsluiting aan. Bij de uitwerking blijken in deze Herstelde uitgave echter enkele fouten te zijn opgenomen. Ten onrechte wordt voor de naam van zijn vrouw “Fokker” aangegeven. Het is ook niet zo dat Kalshoven slecht bijna twintig jaar de gemeente heeft gediend. Deze periode is zelfs ruimschoots volgemaakt. Na het afscheid van Kalshoven is er een jaar nodig om zijn opvolger te vinden. Duidelijk is wel dat de kerkenraad zoekt naar een predikant die zich verwant voelt met de Gereformeerde Bond. Achtereenvolgens worden in 1919 en het volgende jaar beroepen I. Kievit uit Benschop (op 11-12), C.J. Leenmans uit Oosterwolde (Gld.) (op 5-2-1920), K.J. van den Berg uit Ermelo (op 4-3), W. Bieshaar uit Utrecht (op 14-4), C.B. Holland uit Kampen (op 18-5), H.A. Leenmans uit Oudemirdum (op 1-7), J.J. Timmer uit Montfoort (op 18-8), P. Kruijt uit Staphorst (op 30-9) en J.H. van Paddenburgh uit ’s-Grevelduin-Capelle (op 3-11). Laatstgenoemde, bekend als een meer gematigd prediker, neemt het beroep aan. Hij moet zich hier als een vis in het water hebben gevoeld daar verreweg het grootste deel van z’n ambtelijke loopbaan in Elspeet plaatsvindt. Het is eveneens bijzonder te noemen dat hij met z’n twee voorgangers maar liefst ruim een halve eeuw alhier het kerkelijk leven stempelen. Zowel Van Paddenburgh als Kalshoven zijn bij de straatnamen in het Veluwse dorp vernoemd.

    Niet naar Texel

    Van Paddenburgh wordt op 26 mei 1878 geboren, studeert vervolgens in Montauban. Eerst in het voorjaar van 1905 volgt het moment van de beroepbaarstelling. Wellicht verblijft hij regelmatig voor studie in Utrecht maar er moet ook een verbondenheid zijn geweest met het Drenste Zuidlaren. Ook die gemeente wordt soms als woonplaats aangegeven. Het eerste beroep, dat op hem wordt uitgebracht, is afkomstig van het Texelse Eierland. Aldaar wordt reeds twintig jaar naar een opvolger voor de moderne predikant S. te Gempt gezocht. Buurgemeente Oosterend is een jaar korter aan het speuren en besluit als tweede om de kandidaat een beroep te overhandigen. Eerst het derde beroep dat medio augustus vanuit Reeuwijk wordt bezorgd, krijgt een bevestigend antwoord. Zijn voorganger, ene Lambertus Oostrom, is na ruim zeven jaren arbeid vandaar naar Giethoorn vertrokken. De bevestiging in de eerste gemeente wordt op 26 november van genoemd jaar verricht door zijn wellicht aangetrouwde neef Gerrit Boersma (1859-1941) uit Goes. Althans deze oudpredikant van Hollandscheveld is gehuwd met ene Anna Christina Paddenburgh. Boersma verzorgt blijkens de correspondent van de Kerkelijke Courant “een ernstige prediking” naar aanleiding van Handelingen 10 vers 33b. Zes predikanten nemen deel aan de zogeheten handoplegging. Daarbij zijn ook Jan Hendrik Israël (1873-1945) uit Helvoirt en Willem de Lange (1875-1941) uit Jutphaas betrokken, wellicht studievrienden van de nieuwe voorganger.

    Hartelijk woord

    Het oordeel over de intrede is milder. In “een hartelijk woord” zet de nieuwe predikant zijn prediking uiteen: “Christus den Gekruisigde”. In het voorjaar van 1908 wordt de eerste beroepingsbrief verzorgd. Deze komt vanuit het Zeeuwse Sint Annaland. Hun predikant J. de Voogd is juist naar het Zeeuwse ’s-Heer-Arendskerke verhuisd. Van Paddenburgh is de derde die wordt benaderd en de roepstem aanvaardt. De eerder genoemde ds. De Lange verricht de bevestiging. Een paar maanden later is Van Paddenburgh aan zet om zijn vriend aan ’s- Graveland te verbinden. De bevestiger legt de Bijbel dan open bij 2 Corinthe 5 vers 20. Van De Lange (jr.) is nog bekend dat hij tijdens zijn verblijf in Woerden (1912-41) in aanvaring komt met Gereformeerde Bondspredikanten die op uitnodiging doordeweekse kerkdiensten in het gebouw Diligentia leiden. Door de organisatoren wordt hij niet “als een door God geroepen leraar” erkend. Hoe dat ook zij, Van Paddenburgh wordt ruim twee-eneen- half jaar na zijn aantreden in Sint Annaland weer door gemeenten van elders benaderd. Zo’n beetje tegelijk melden zich Aalst, Ameide-Tienhoven en Brakel. De loopbaan wordt in de eerstgenoemde plaats voortgezet. Daar is men druk op zoek naar een Gereformeerde Bonder zo blijkt uit verschillende beroepen. Hij blijkt nu meer contacten te hebben met J.C.C. Trillaard (1872-1953) uit Aalburg, die ook de bevestiging verzorgt. Ze hebben elkaar ongetwijfeld in het Zeeuwse leren kennen. Trillaard staat dan in Scherpenisse. De intrede in de derde gemeente vindt plaats met de verzen 3 en 4 van Psalm 43. Het blijft twee jaren rustig, maar dan wordt er weer op de pastoriedeur geklopt. Het Overijsselse Den Ham en Ooltgensplaat willlen de predikant overhalen. Dat lukt nog niet. Ook Hedel en Hoogeveen vangen in het daarop volgende jaar bot. De ongehuwde predikant zal de lege pastorie van Staphorst gaan bezetten. Ene D.E.J. Hupkes is kort tevoren naar het Friese Wanswerd-Jislum vertrokken. Daarop hebben ze in de Overijsselse gemeente tevergeefs zeven anderen, waaronder ds. P. Zandt, voor de opvolging benaderd. Van Paddenburgh laat zich op 30 mei door zijn voorganger bevestigen. ’s Middags om twee uur treedt hij in een “propvol” kerkgebouw aan en ontvouwt hij het laatste vers van Romeinen 6, aldus de verslaglegging in de Meppeler Courant. De volgende maand reeds kijkt het kerkvolk zeer verbaasd op. Dominee moet elders een vacaturebeurt vervullen. Als gevolg daarvan blijven de kerkdeuren in korte tijd drie keren op de gebruikelijke tijdstippen gesloten.

    Snel verhuizen

    De kerkenraad grijpt snel in door het preeklezen in ere te herstellen. Reeds in het voorjaar van 1917 krijgt de dominee de toezegging van beroep naar Kesteren. Hij bedankt geruime tijd later. Veel gemeenteleden blijken er niet blij mee. De predikant wordt niet toegezongen en men vreest zelfs voor een scheuring. Tijdens kerkdiensten wordt het soms zo rommelig dat de gemeenteveldwachter als “oppasser tijdens de godsdienstoefeningen” wordt aangesteld. Van Paddenburgh legt nog zes beroepen naast zich neer en neemt in de zomer van 1918 het beroep naar Waarder aan. Hij zal daar de vacature van de naar Montfoort vertrokken J.J. Timmer opvolgen. Het afscheid volgt eerst op 9 februari 1919. Tevoren heeft een ernstige ziekte hem “aan de rand van het graf gebracht”. Voor de bevestiging komt zijn “buurman” De Lange uit Woerden niet in aanmerking. Hiervoor zal vriend A. Dekker uit Hoevelaken de 16- de februari van 1919 opdraven. Bij deze intrede roept Van Paddenburgh het publiek op “te zien naar de oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus”. Ruim zeven maanden later volgt reeds de verhuizing naar ’s- Grevelduin-Capelle. Hij volgt daar de bekende Johannes Hermanus Koster (1881-1949) op, die naar Wouterswoude is vertrokken. De bevestiging geschiedt op 21 september 1919 door de Hoogeveense predikant J.H. Gunning. Van Paddenburgh begint met de eerste verzen uit Openbaring 22. Ook in deze zesde standplaats stopt het verblijf al snel. Hij neemt op 20 februari 1921 afscheid met een preek over het laatste vers van Johannes 3. De reis gaat deze keer naar Elspeet. Van de bevestiging en intrede een week later wordt uitgebreid verslag gedaan in het eerder genoemde Weekblad. Ds. Willem Jakob Kolkert uit Eemnes-Buiten verzorgt de bevestiging met de tekst uit Lukas 22 vers 32a. In de dienst wordt vijf keren gezongen. Opmerkelijk is dat votum en groet eerst na de Schriftlezing voor het gebed klinken. Zo verloopt het tijdens de middagdienst ook. Het is zo vol dat er zelfs geen staanplaats meer open is. Van Paddenburgh begint zijn verkondiging met een zogeheten voorafspraak. Hij preekt aansluitend over Petrus’ tekst: “Indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddelooze en de zondaar verschijnen!”

    Volgeling AR

    Hij werkt vervolgens uit dat het woordje nauwelijks “niet Gods liefde geldt, niet de ambtsbediening van den Middelaar, niet de werking des Heiligen Geestes, niet de zoen- en kruisverdiensten van Christus – het verlossingswerk van den Drieëenigen God is volmaakt”. Van Paddenburgh stelt dat dit woordje gaat over “den mensch, zijn tekortkomingen, ook die des geloovigen, in ons allen wonend verderf”. De consulent Schulte uit Hierden houdt een toespraak en laat de gemeente het twaalfde vers van Psalm 118 toezingen. Het volgende jaar maakt hij zijn politieke voorkeur wereldkundig. Hoewel dan de SGP reeds enkele jaren doende is de gunst van de kiezer te verwerven schaart Van Paddenburg zich onder een oproep in de Elburger Courant achter de Anti-Revolutionaire partij. Het zal de kerkgang geen schade hebben gedaan, immers er vindt zelfs een uitbreiding van het kerkgebouw met de zogeheten Zuidvleugel plaats. Het lange verblijf in deze gemeente is niet veroorzaakt door het feit dat hem geen alternatieven zijn aangeboden. Juist hier wordt de liefde voor zijn standplaats regelmatig op de proef gesteld. Twee jaar na de intrede komen er beroepingsbrieven uit Besoijen en Oude-Tonge. Het volgende jaar weet de kerkenraad van Dinteloord de pastorie te vinden. In 1926 sluiten Bergschenhoek en Ouddorp zich hierbij aan. Zelfs na zes jaar, als Enter, Dirksland en Dinteloord zich wederom melden, krijgen ze allen nul een afwijzing. Ook Oudemirdum en het Overijsselse Den Ham moeten verder zoeken. Tegen het einde van het jaar 1930 doen Krimpen aan de Lek, Den Bommel en Scherpenisse nog tevergeefs een poging. Gouderak komt nog in januari 1932 en Randwijk in februari 1933, maar vervolgens wordt het stil. Dominee reist vijf jaren later in het najaar nog naar de kerk van Lopikerkapel. Aan hem de eer om A.E. Kolkert aldaar te bevestigen. Hij doet dit na een preek over Efeze 3 vers 14 tot en met 20. Van Paddenburgh is enkele jaren later ziek, zo weet de redacteur van de Meppeler Courant te melden. Wellicht daarom neemt hij geen afscheid tijdens een kerkdienst. Per 1 mei 1944 gaat hij met emeritaat en vestigt zich in Zeist. De oude predikant wordt nog wel benaderd om hulpdiensten in Scherpenzeel (Gld.) te verrichten, maar hij bedankt voor de eer. Op 27 juni 1956 is hij in zijn woonplaats overleden. Dat wordt ook gememoreerd in het blad Woord en Dienst

    Snelle invulling

    Alleen in lijst 5 komen we de vermelding uit de tijd van Van Paddenburgh tegen. Daarop staan de gegevens goed vermeld. Anders is het bij de uitwerking. Daar doet Van der Zwaan de suggestie dat het beroep op Van Paddenburg op 11 december 1919 na acht teleurstellingen wordt uitgebracht. Dan zou de tijd tot de bevestiging op 27 februari 1921 wel heel lang hebben geduurd. Feit is dat tot het allereerste beroep op ds. I. Kievit in december 1919 is besloten. Ds. Holkert dient te worden geschreven als “Kolkert”. Oorlog of niet, in Elspeet is het beroepingswerk snel ter hand genomen. Een commissie is met goede bevindingen uit het Gelderse Hellouw teruggekomen, waarop nog voor het emeritaat van de vorige predikant wordt besloten tot het uitbrengen van een zogeheten “toezegging van beroep”. Lamens aanvaardt dit. Pieter Johannes Franciscus Lamens is op 6 september 1909 geboren, studeert in Utrecht en mag zich in het voorjaar van 1941 beroepbaar stellen. Hij is dan woonachtig te Zaandam. Uit de eerste drie beroepen Hellouw, Noorden en Herkingen verkiest hij eerstgenoemde. Op 6 april verricht P. Bouw uit Haaften de bevestiging. Lamens doet meteen weten dat hij “Christus Jezus den Heere wil prediken en onszelven, dat wij uw dienaren zijn om Jezus’ wil”. Wellicht is hij tijdens de studie bevriend geraakt met B.G.A. van der Wiel. Deze predikant, die in 1954 naar Elburg komt, wordt door hem het volgende jaar in zijn eerste gemeente Linschoten bevestigd na een preek over Ezechiël 3 vers 17. Ruim twee jaar na de intrede melden de kerkenraden zich reeds in Hellouw. In korte tijd komen de kerkenraden van Schoonhoven, Rijssen (2x), Oosterwolde (Gld.), Wierden en Giessendam-Neder-Hardinxveld met het bekende verzoek. Hij besluit naar Elspeet af te reizen en verlaat in juli 1944 zijn eerste gemeente na een preek over Fillippenzen 1: 27. Alhier wordt hij op de voorlaatste dag van die maand bevestigd door consulent J. van Amstel uit Hierden. Die vraagt aandacht voor Salomo’s spreuk: “Een trouw gezant is medicijn”. Lamens legt het eerste vers van Jesaja 62 open.

    Beroepenregen

    Indrukwekkend is het grote aantal beroepen dat gedurende zijn tienjarig verblijft wordt uitgebracht. 56 stuks zijn er verantwoord in de kerkelijke pers. Het is niet één predikant voor of na hem hier overkomen. We geven ze weer met het jaartal van de publicatie in de kerkelijke pers.
    In 1946: Ede, ’s-Grevelduin-Capelle, Nijkerk, Papendrecht, Ameide-Tienhoven, Ouddorp en Waddinxveen.
    In 1947: Gouderak, Genemuiden, Giessendam-Neder-Hardinxveld, Voorthuizen en Oud- Beijerland.
    In 1948: Elburg, Gameren, Hoogeveen, Kamerik, Ijsselmuiden, Montfoort, Veenendaal, Zuilichem en Vinkeveen.
    In 1949: Hoevelaken, Nieuw-Lekkerland, Nijkerk, Oudewater, Bruchem-Kerkwijk, Zetten- Andelst, Ede, Nieuwe-Tonge, Woudenberg, Kamperveen, Groot-Ammers, Hedel.
    In 1950: Woudenberg, Putten, Nieuwe-Tonge, Wijk bij Heusden, Krimpen aan de Lek, Rijssen en Ameide-Tienhoven.
    In 1951: Voorthuizen, Brakel, Benschop, ’s-Grevelduin-Capelle en Kesteren.
    In 1952: Bleskensgraaf, Oldebroek, Klundert, Wezep, Aalst en Huizen.
    In 1953: Poortvliet, Rouveen, Ede en Huizen.
    In 1954: Kamerik.

    Op naar Kamerik

    Dit laatste beroep wordt aanvaard. Kort voor zijn vertrek roemt hij in de kerkbode nog de zondagse stilte op de Veluwe en de grote opkomst van veel jonge mensen in de kerken van Elburg en Wezep, waar hij vacaturebeurten vervult.. Op zondag 5 december 1954 vindt ’s ochtends eerst het afscheid in Uddel plaats. Daar is kort tevoren door hem de eerste steen voor het nieuwe kerkgebouw gelegd. Het moet ruimte bieden aan vijfhonderd kerkgangers. ’s Middag is de gemeente van Elspeet voor de afscheidsdienst bijeen gekomen. Lamens heeft zijn tekst gekozen uit Hebreëen 13 vers 20 en 21. Anderhalve week later bevestigd ds. L. Kievit uit Woerden hem met de zojuist ook al genoemde tekst uit Ezechiël 3. Het verslag in het Gereformeerd Weekblad verhaalt dat er meer dan honderd gemeenteleden uit Elspeet bij aanwezig zijn. Lamens begint zijn werk met een preek over Hooglied 2 vers 3. Met de nieuwe kerkorde als stok achter de deur moeten hoorcommissies een predikant voortaan de eerste vier jaren in een gemeente met rust laten. Zodra dat moment achter de rug ligt, zie je jaarlijks kerkenraden naar Kamerik trekken.
    In 1959: Ouderkerk aan den IJssel, Boven-Hardinxveld, Oosterwolde (Gld.), Opheusden en Zoetermeer.
    In 1960: Hoevelaken (2x), Veen, Houten, Waddinxveen, Barneveld, Kootwijk, Boven- Hardinxveld en Nieuw-Lekkerland.
    In 1961: ’s-Grevelduin-Capelle.
    In 1962: Arnemuiden, Bennekom en Woudenberg.
    Lamens besluit terug te keren naar de Veluwe. Echter het verblijf in Bennekom zal niet lang aanhouden daar hij reeds op 2 april 1964 overlijdt. Op de vermelding in lijst 5 en bij de uitwerking in “Zijn daden gedenken”wordt gesteld dat Lamens eerst in 1955 is vertrokken, dat moet dus zijn 1954. Als initialen worden bij herhaling de letters “P.H.F.” weergegeven. Dat moet zijn “P.J.F.”.

    Eerst godsdienstonderwijzer

    Nog voor het vertrek van ds. Lamens is ds. W.L. Tukker uit Delft benaderd. Dat moet dus een toezegging van beroep zijn geweest, ook al staat dit niet zo in de beschrijving door J.P. Neven. Tukker bedankt en dus wordt als tweede onder leiding van consulent Willemsen uit Hierden Dirk van der Ent Braat uit Opheusden gevraagd over te komen. Deze reageert wel instemmend. De nieuwe predikant van Elspeet is op 24 november 1902 te Alphen aan den Rijn geboren. In de zomer van 1927 wordt hij door de classis Leiden bevoegd tot godsdienstonderwijzer. Hij gaat vervolgens aan de slag als hulppredikant te ’s-Gravendeel. Tien jaren later ziet hij zijn theologiestudie aan de universiteit van Leiden bekroond met de beroepbaarstelling in de Nederlandse hervormde kerk. Op dat moment verleent hij ook hulpdiensten in hervormd Leiden. Hij krijgt meteen de beroepen van het dichtbij ’s- Gravendeel gelegen Maasdam-Cillaarshoek en van Overlangbroek. In deze laatste gemeente vindt op 10 oktober 1937 de bevestiging als predikant plaats. Daarvoor is ds. Joh. Kijne uit Rhenen overgekomen. Van der Ent Braat vraagt aandacht voor de gelijkenis van de zaaier. Dan mag het nog en gebeurt het ook bij hem dat zo’n twee jaar later hervormd Woubrugge met succes een beroep uitbrengt. De emeritus-predikant van Leiden, dr.J.C.S. Locher, verricht op 21 januari 1940 de bevestiging en voor de intrededienst wordt opnieuw het Evangelie opengelegd, namelijk bij de bekende Kersttekst: “En het Woord is vlees geworden”. In deze gemeente wordt hem langer rust gegund. Eerst in het voorlaatste oorlogsjaar komt de kerkenraad van Montfoort met de uitnodiging naar hen over te komen. Aldus geschiedt. Hij zal er Johannes Hermanus Koster opvolgen. Amper twee jaren later komt een vijftal nieuwe verzoeken binnen. Vanuit Ouddorp, Rhenen, Elburg, Middelharnis en nog een keer Elburg. Daar zal de levensreis sinds de Tweede Paasdag 7 april 1947 een vervolg krijgen. Vooraf neemt hij op 23 maart afscheid van Montfoort. Ook in het voormalige Zuiderzeestadje wordt er binnen twee jaar weer op de bel gedrukt. Het zijn Hedel, Oldebroek, Kamperveen, Zuilichem, Nieuw-Lekkerland en tenslotte Opheusden die de dominee binnen hun pastorie willen begroeten. Op 30 oktober zit de gemeente voor het afscheid bijeen terwijl een week later de kerk van Opheusden voor de intrede vol stroomt met belangstellenden.

    Schuldbelijdenis

    Kerkenraden kunnen nauwelijks hun beurt van vier jaar afwachten. Daarom bereiken Van der Ent Braat vooraf al drie toezeggingen vanuit Wezep, Elburg en Bleskensgraaf. Waddinxveen en ’s-Grevelduin-Capelle sluiten in 1953 snel met beroepen aan. Hij bedankt. Het volgende jaar volgen nog eens zes roepstemmen, namelijk vanuit Rijssen, Nieuwe-Tonge, Sint Maartensdijk, Tholen, Hedel en tenslotte Elspeet. Ds. P. Zandt leidt de bevestigingsdienst op 30 mei 1955 met de opdracht “Predik het Woord”.een preek uit 2 Timoteus 4: 2a. De Elspeter dominee begint met de oproep: “Jaagt de liefde na”. Kort na zijn aantreden wordt de huidige hervormde kerk van Uddel in gebruik genomen. Blijkbaar komen de kerkgangers wel van heel ver. In de winter reageert de kerkenraad van Rijssen afwijzend op het verzoek van leden uit hun gemeente om een kind in Elspeet te laten dopen. Onder Van der Ent Braat wordt de jaarlijkse bijdrage voor het Nederlands Bijbel Genootschap afgeschaft. Het gebeurt overigens op voorstel van hulpprediker Mouw uit Uddel. Reden vormt de enkele jaren tevoren uitgegeven nieuwe Bijbelvertaling. Opmerkelijk in de kerkenraadsnotulen is wel dat je meer namen van echtparen tegenkomt die een schuldbelijdenis komen doen omdat ze moeten trouwen. Vier jaar na de intrede wachten ook vier kerkenraden met het doel om de 56-jarige predikant voor een periode in hun gemeente over te halen. Het betreffen Ouddorp, Waddinxveen, Gameren en Monster. Deze laatste gemeente krijgt zijn “ja-woord”. Op zondag 11 oktober wacht daarom de afscheidsdienst alhier. Hij houdt de gemeente de vraag uit Jesaja 53 voor: “Wie heeft onze prediking geloofd? En aan wie is de arm des Heeren geopenbaard?” Twee weken later wordt hij door zijn voorganger, ds. Hette Gerrit Abma (1917-92) bevestigd. Van der Ent Braat vraagt aandacht voor Jezus’ woord: “Gijlieden moet wederom geboren worden”. Acht jaren worden volgemaakt alvorens in december 1967 het emeritaat ingaat. Vervolgens vestigt hij zich in Haarlem als voorganger van de hervormde evangelisatie op Gereformeerde grondslag. Ds. W.Chr. Hovius uit Katwijk aan Zee verzorgt op 10 januari 1968 de inleiding en de nieuwe voorganger vraagt aandacht voor de opening van het hart van Lydia. Een jaar later overlijdt zijn vrouw Adriana Lena Bodegraven. Daarop verhuist de emeritus-predikant naar het Gelderse Scherpenzeel. Op 73-jarige leeftijd ontslaapt hij aldaar “in zijn Here en Heiland”, aldus het overlijdensbericht. Zijn lichaam wordt bijgezet in het familiegraf te Haarlem. In het boek van de herstelden bemerk je dat de naam ten onrechte als “Van de” Ent Braat wordt geschreven. Het is de vraag of hij in z’n eerste twee weken alhier zozeer bij de bouwwerkzaamheden voor de kerk in Uddel is betrokken, zoals hier wordt vermoed.

    Weer domineeszoon

    In de week voor het afscheid besluit de kerkenraad een eerste poging voor een nieuwe predikant te doen. Het beroep gaat naar ds. Adriaan Jacob Timmer in Huizen. Deze in de pastorie van Montfoort geboren domineeszoon laat zich overhalen. Hij is daar op 13 maart 1920 geboren, vervolgens opgegroeid in Harderwijk. Daar de pastorie in de oorlogsjaren door de Duitsers wordt gevorderd, verblijft het gezin dan in de consistorie van de Oude Kerk en word de kooromgang als slaapvertrek gebruikt. Timmer voltooit z’n studie aan de Rijksuniversiteit van Utrecht en kan zich in november 1946 beroepbaar stellen. Ook zijn oudste broer mr. Cornelis Timmer kiest voor de pastorie en zal dat huis in de gemeenten Bunschoten en Doeveren bewonen. Hij is reeds op 36-jarige leeftijd overleden. Maar liefst negen gemeenten proberen Adriaan Jacob een start in hun gemeente te geven. In de kerkelijke pers worden de beroepen verantwoord uit Brandwijk, Hei- en Boeicop, Melissant, Nederhemert, Polsbroek, Sluipwijk, Wijngaarden en Willige-Langerak. Na het huwelijk op 18 december met verpleegster Anneke Dijkstra begint hij op 12 januari van het volgende jaar dicht bij zijn geboorteplaats, in Polsbroek, de grootste van de negen. In de kerk aldaar ziet hij vervolgens de meeste hoorcommissies aantreden. In een jaar tijd wachten hem twaalf beroepen en wel uit uit Reeuwijk, Zetten-Andelst, Ter Aar, Nieuwerkerk aan den IJssel, Op- en Neder-Andel, Poortvliet, Haaften, Dinteloord, Oude-Tonge, Gouderak, Loon op Zand en Ouderkerk aan den IJssel. In deze laatste gemeente doet hij op zaterdag 26 februari 1950 als opvolger van de bekende dr. J.G. Woelderink z’n intrede. Het zijn de kerkenraden uit Papendrecht, Wezep, Houten, IJsselmuiden, Tholen en Huizen die hem daar proberen op te halen. Het wordt de laatste gemeente waar op 5 december 1954 (dezelfde zondag waarop Lamens z’n afscheid nam) de intrede volgt. Vooraf neemt hij afscheid met Hebreëen 13 vers 20 en 21. Vader J.J. Timmer verricht de bevestiging te Huizen en zoonlief zet ’s middags in met Psalm 51 vers 14b en 15. In 1959 volgt de vierde beroepingsronde. Dan melden zich Zoetermeer, Boven-Hardinxveld, Nieuw-Lekkerland, Opheusden, Ouddorp en Elspeet. Gevolg een afscheidsdienst op 14 februari 1960. Wederom vraagt hij aandacht voor de laatste tekst in zijn vorige gemeente. Een week later volgt hier de bevestiging. Opnieuw door zijn vader, die preekt over “de wachters op de muren van Jeruzalem”. Bij de intrede vraagt Timmer (jr.) met 2 Timoteus 2 vers 19 aandacht voor het fundament van het geloof. Timmer zegt er later over te zijn geschrokken dat de kerkmensen hier zo weinig wisten en dat je tot de SGP moest behoren om zitting in de kerkenraad te kunnen krijgen. Nog niet eens na vier volle jaren meldt zich Ederveen met een toezegging. Beroepen worden vervolgens overgebracht vanuit Nieuwe-Tonge, Ouderkerk aan den IJssel, Wijk bij Heusden, Westbroek, Nieuw-Lekkerland en Woudenberg. Voor het vertrek naar deze laatste plaats neemt hij op 20 november 1967 alhier afscheid met de tekst uit 1 Johannes 2: 28. Zes dagen later wordt hij in Woudenberg bevestigd en begint zijn werk met Paulus verklaring uit 2 Corinthe 5 vers 20.

    Friese klok

    Daar wacht hem de zesde beroepenreeks. Binnen een jaar melden zich de volgende acht gemeenten: Ede, Ridderkerk, Ederveen, Wekerom, IJsselstein, Achterberg, Opheusden en Lunteren. Ondertussen wordt op zondag 16 januari 1972 in een dienst het 25-jarig ambtsjubileum herdacht. Leidraad is Paulus’ gedachte: “Al deze dingen zijn uit God”. De gemeente biedt als aandenken een antieke Friese klok aan. Krap een jaar later komt de gemeente weer voor een bijzonder moment samen. Ds. Timmer blijft niet in Woudenberg. Het afscheid is daar. Voor de derde keer wordt de Bijbel in een bijzondere dienst bij 2 Corinthe 5 open gelegd. Nu bepaalt de dominee zijn gehoor bij vers 11. De volgende zondag wacht de verbinding aan het nabij gelegen Lunteren. Het wordt met een verblijf van twaalf jaar de langste ambtsperiode in één van de zes gemeenten. Oud-Beijerland, Sirjansland, Putten, Aalburg en Streefkerk brengen nog wel een beroep uit, echter hij bedankt voor de eer. In 1985 wacht het emeritaat. Vervolgens blijft ds. Timmer in Lunteren wonen en overlijdt aldaar op 9 september 2000. De vermeldingen in het Herstelde boek komen overeen met andere bronnen. In Elspeet is de speurtocht voor een nieuwe predikant opnieuw reeds voor het afscheid van ds. Timmer ter hand genomen. De eerste toezegging van beroep gaat naar ds. Laurens Blok in Ridderkerk. Hij is inmiddels zestig jaar en heeft al een flinke loopbaan in de kerk achter de rug daarbij bestuursfuncties vervullend bij de Gereformeerde Zending Bond en in verschillende classes. Niet alleen van hier is er belangstelling voor hem, tegelijk meldt zich ook de kerkenraad van Woerden en korte tijd later ook die van Nunspeet. Hij bedankt. Als tweede beroep wordt eerst enkele maanden later dat op Sijmen de Jong (41) uit Houten verantwoord. Hij heeft daar reeds 23 keren voor een beroep bedankt. Meerdere gemeenten meer uit de rechter flank van de Gereformeerde Bond of daarbuiten komen bij hem herhaaldelijk terug. Gameren zelfs drie keer. Ook hij besluit deze roepstem niet te volgen. Hij beweegt zich meer bij de Mbumazending en zal jaren bijdragen leveren aan het blad “Het gekrookte riet”. Uiteindelijk heeft hij zich bij de Hersteld Hervormde Kerk gevoegd. De kerkenraad blijkt er snel uit te zijn dat de derde poging wederom in Huizen moet worden afgeleverd, bij ene Jacob den Besten (45). Hij zal daar nog geruime tijd voort werken alvorens dichterbij in Ede neer te strijken. Wederom blijft het in de kerkelijke pers langer stil voor mensen die het beroepingswerk in Elspeet volgen. Eerst zo’n vier maanden later kan Willem Vroegindeweij (61) uit Katwijk aan Zee de brief tegemoet zien. Het is één van zijn laatste beroepen, toch blijft hij tot z’n emeritaat in die gemeente.

    Grote blijdschap

    Het volgende beroep dat onder leiding van consulent A. van Brummelen naar buiten komt, wordt bij de veertigjarige Renne Tjipke Huizinga te ’s-Grevelduin-Capelle bezorgd. Hij is op 27 april 1928 in Groningen geboren. Bijna 25 jaar later wordt hij na zijn studie in deze stad beroepbaar gesteld. Eerst op 30 januari 1955 wordt hij in z’n eerste gemeente Nieuw- Beijerland bevestigd. Hij volgt daar Hendrik Johan ter Maat op, die naar Jutphaas is vertrokken. Huizinga start met Paulus’ tekst waarin hij verklaart niets anders te preken dan “Jezus Christus en die gekruisigd”. Vier jaren later ontvangt hij in korte tijd de beroepen naar Nieuw-Lekkerland, Waddinxveen, Ouderkerk aan den IJssel en Ouddorp. Ook hij verkiest als tweede gemeente het inmiddels geruime tijd vacante Ouderkerk aan den IJssel en wordt aldaar voor het eerst de opvolger van ds. A.J. Timmer. In zijn eerste gemeente neemt hij op 19 april 1959 afscheid. Daarbij vraagt hij aandacht voor “het enige fundament dat is gelegd, nl. Jezus Christus en Die gekruisigd”. Een week later verricht ds. J. Hovius uit Dordrecht de bevestiging. De volgende woensdagavond doet hij z’n intrede met een preek in drie punten over Paulus’ verklaring in Romeinen 1 vers 16. Reeds binnen vier jaar bereikt hem de toezegging uit ’s-Grevelduin- Capelle. Die wordt aangenomen. Op 31 juli 1963 vindt de bevestiging aldaar plaats. Vijf jaren later bereiken hem verzoeken uit drie gemeenten: Lienden, Elspeet en Doornspijk. Hij komt naar deze gemeente. Derhalve vindt op zondag 2 februari 1969 het afscheid in ’s- Grevelduin-Capelle plaats. Ook Huizinga vraagt dan aandacht voor de vraag uit het eerste vers van Jesaja 53. Een week later verzorgt ds. A.N. Langhout uit Bennekom de bevestiging met een preek over “de oogst en de werklieden”. De nieuwe predikant begint op die zondagmiddag met het gezicht van Petrus dat in Handelingen 10: 19 en 20 wordt beschreven. Kerkvoogd De Ruiter en ouderling De Visser verwoorden hun grote blijdschap over de komst van Huizinga. Ze verwijzen naar “de massale opkomst, de hoge collecten en een biddend verwachten”.

    Naar Nieuwe-Pekela

    Zes jaar na dit moment melden zich kerkenraden van elders. Als eerste klopt Noordhorn aan. Ds. C. van den Berg is vandaar naar Sellingen vertrokken. Huizinga is de tweede die in deze gemeente met zo’n vierhonderd leden wordt beroepen. Uiteindelijk gaat dr. C.A. Tukker daarheen. De tweede uitnodiging komt enkele maanden later vanuit het Friese Twijzelerheide. Daar zal een jaar later kandidaat Bert de Leede z’n intrede doen. Het derde beroep dat in Elspeet belandt, komt in het najaar van 1976 uit Driesum. Wellicht de enige keer dat deze Friese buurgemeenten het zo kort na elkaar op eenzelfde predikant hebben voorzien. P. van den Heuvel is vandaar naar Harmelen vertrokken. Ook dit beroep wordt afgewezen. Zo’n beetje een jaar later meldt na lange speurtochten de kerkenraad van Nieuwe-Pekela zich. Het is de gemeente waar eerder de bekend geworden Sicco Tjaden regelmatig op de preekstoel van zich heeft doen horen. Dit verzoek wordt door Huizinga aangenomen. In de afscheidsdienst wordt de Bijbel opnieuw in het boek Handelingen geopend. De tekst is Handelingen 9 vers 20. Ondertussen heeft zijn vrouw, H. Huizinga-Heuvelman, een deel van de geschiedenis van Elspeet en Vierhouten in boekvorm vastgelegd. Op zondag 18 december volgt de bevestiging door zijn vriend ds. A. Boertje uit Wezep. Vanwege gezinsomstandigheden verlaat hij deze gemeente reeds drie jaren later. Ds. J.J. Trouw bevestigt hem op 24 januari 1981 te Westerhaar. Per 1 februari 1984 gaat hij met emeritaat. Overigens begint hij vijf jaar later nog als bijstand in het pastoraat van Bourtange. Dat werk heeft hij tot 24 april 1994 verricht. Thans is ds. Huizinga woonachtig in Bad Bentheim. De gegevens uit “Zijn daden gedenken” geven geen aanleiding tot nadere opmerkingen. Het beroepingswerk wordt eerst na het vertrek van Huizinga ter hand genomen. Als eerste wordt ds. C. den Boer benaderd. Het is bij zijn pastorie in Wageningen een komen en gaan van kerkenraden. Zojuist hebben Harderwijk en Bleskensgraaf bot gevangen. Tegelijk met Elspeet staat Nieuwerkerk aan den IJssel op de stoep. Zij zullen snel worden gevolgd door Middelharnis en Kamerik. Korte tijd later gaat het beroep van Elspeet naar de 56-jarige ds. Jan Pieter Verkade te Montfoort. Hij aanvaardt de uitnodiging en wordt voor zover na te gaan als eerste predikant op een gewone doordeweekse dag, namelijk woensdag 16 augustus 1978, alhier bevestigd door de bekende H.G. Abma uit Putten.

    Vicaris bij ds. Moll

    Verkade is op 21 november 1921 op een boerderij in Stolwijk geboren. In het veel genoemde boek Zijn daden gedenken wordt een zevental pagina’s gewijd aan een levensbeschrijving en de roeping tot het wonderlijke werk in Gods wijngaard. Na de studie aan de Universiteit van Utrecht en de “stagetijd” in Schoonhoven volgen er in juli 1960 drie beroepen, te weten vanuit het kleine Achterberg onder de rook van Rhenen. Blijkens de vermeldingen in de kerkelijke pers betreft dit het eerste beroep van deze gemeente. Tevoren is deze gemeenschap jaren gediend door voorganger C. van Viegen. In Gameren heeft in de vorige zomer Leen Vroegindeweij afscheid genomen vanwege vertrek naar Delft. Daar zijn vervolgens G.M. van Dieren uit Ede, D. van der Ent Braat uit Elspeet en M.J. Lekkerkerker uit Montfoort beroepen geweest. Zij hebben steeds bedankt. Als derde in de alfabetische volgorde komt het veel grotere Opheusden in beeld. Dat is vacant sedert het vertrek van Van der Ent Braat naar Elspeet, ofwel vanaf 22 mei 1955. Tevoren zijn er teminste 27 beroepen uitgebracht, maar steeds met een afwijzing als vervolg. Overigens is in de vacature nog niet eerder een kandidaat beroepen. Dat zal wel worden herhaald bij G.C. Post en W.Chr. Hovius. Op donderdagmiddag 1 september 1960 volgt de bevestiging te Gameren door ds. Jacob Jan Moll (1923-76) uit Schoonhoven. Deze predikant is op 24 augustus 1947 in z’n eerste gemeente Genderen bevestigd, trekt vandaar naar Waddinxveen (1950), Schoonhoven (1955) en Driebergen (1960). Na vijf jaren wordt hij legerpredikant in Huis ter Heide en van 1969 tot 1975 is hij directeur van het vormingscentrum Beekbergen. Tussentijds is hij van 1953 tot ’55 ook legerpredikant geweest en onder meer naar Korea uitgezonden. Ds. J.A. de Waard uit Leusden schrijft na zijn heengaan in 1976 een in memoriam in het blad Woord en Dienst: “Zijn Dienst was hem heilig, toch van zijn God gegeven? Onze vriend was een man van rechte lijnen, waardoor er wel eens botsingen onvermijdelijk waren, het compromis is toch veel gemakkelijker?” In de Waarheidsvriend wordt het overlijden slechts zeer summier aangegeven. Moll preekt voorafgaand aan de bevestiging over 2 Corinthe 5: 18-21. Aan de handoplegging nemen naast hem ook de predikanten Jacob Jongerden van Bruchem-Kerkwijk als consulent, J.C. de Bie van Aalst en A.J. Mulder van Meteren-Est deel. Het eerste vers van Psalm 20 wordt staande toegezongen. Bij de intrede ’s avonds wordt gelezen uit het begin van Ezechiël 33 en uit Colossenzen 1 vanaf vers 9. Voor de uitwerking over “de prediking des Woords” naar aanleiding van het 28-ste vers van de laatste lezing worden nog vier coupletten van Psalm 119 gezongen.

    Naar Nieuwe-Tonge

    Zeven sprekers voeren na afloop het woord. Eerst de bevestiger. Vervolgens namens de classis en ring ds. Christiaan Nieber uit Zaltbommel, de man die schrijver dezes zestien jaar geleden is opgevolgd als voorzitter van de landelijke Bond voor Evangelisaties in en ten bate van de Nederlandse Hervormde Kerk. Kandidaat Sijmen de Jong verzorgt een toespraak namens de theologische studentenvereniging Voetius. Als vierde wordt de heer Van Woerden namens de evangelisatie in Stolwijk het woord gegeven. Broer Piet Verkade verwoordt de gevoelens van de familie. De consulent voegt er nog enkele gedachten aan toe, evenals ouderling G.A. van Tuijl, die de gemeente het negende vers van Psalm 119 laat zingen. Aan het begin van 1965 meldt de kerkenraad van het Zuidhollandse Nieuwe-Tonge zich. Deze gemeente is bijna een jaar vacant sedert het vertrek van B.J. Zaal naar IJsselmuiden. Vervolgens is een zevental beroepen zonder het gewenste resultaat uitgebracht. Respectievelijk ging het verzoek naar W.L. Tukker uit Katwijk aan Zee, J. van Sliedregt uit Baarn, B. Haverkamp uit Blauwkapel, T. Langerak uit Vinkeveen, A.J. Timmer uit Elspeet, S. de Jong uit Houten en A.J. Wijnmaalen uit Maartensdijk beroepen. Het achtste beroep brengt meer resultaat. Het afscheid vindt op zondag 25 juli plaats (ten onrechte wordt in het verslag van het gereformeerd weekblad gesuggereerd dat het op een woensdag plaatsvond). In dat verhaal wordt er op gewezen dat de scheidende predikant “nog maar pas van een ernstige keelontsteking hersteld is”. De tekst komt uit Jeremia 17 vers 16. Als punten worden uitgewerkt “een noodzakelijke, een nuttige en een verantwoordelijke bediening”. Toespraken volgen van ds. G. Veldjesgraaf uit Nederhemert, ds. J. Douwes uit Rossum, de burgemeester van de gemeente Kerkwijk, ouderling Van Willigen namens de jeugd, consulent S.P. van Assenbergh uit Hedel en ouderling H. van Eck. Nog voor het afscheid in Gameren wordt daar Sijmen de Jong beroepen. Echter zal de vacature bijna drie jaar aanhouden. De volgende zaterdag wacht reeds de bevestiging in de tweede gemeente. Daarvoor komt ds. Hendrik Goedhart (1919-77) van Rotterdam over. Na Reeuwijk sinds 1946 te hebben gediend, is Goedhart twee jaar later in Middelharnis aan de slag gegaan. Vandaar vertrekt hij in 1956 naar Rotterdam-Delfshaven om de vacature van Abma te gaan vervullen. Van 1970 tot 1976 doceert hij voor de Gereformeerde Zendingsbond op St Paul’s Theological College in Limuru bij Nairobi en vervolgens tot zijn overlijden aan de Sociale Academie De Vijverberg te Ede.

    Toespraken

    Goedhart dringt er op aan: “Predik het Woord”. Ds. Verkade heeft voor de intrede de teksten uit Ezechiël 33: 7 en 2 Thessalonicensen 3: 1 opengeslagen. Het thema luidt: “De prediking van het Woord”. Er volgen maar liefst zeven toespraken, namelijk van wethouder Opstelten, ds. P. van Wakeren uit Stad aan ‘t Haringvliet, oud-consulent ds. B.J. Wiegeraad uit Herkingen, ouderling Van de Doel namens de Gereformeerde Gemeente, een ouderling uit Gameren, oud-predikant ds. A.P. van der Kooij en van ouderling Vreeswijk. Door veel toespraken loopt als een rode draad de wens “Jezus Christus en Die gekruisigd te prediken, in alle eenvoudigheid, maar eerlijk en liefdevol”. Amper weer beroepbaar melden zich aan de pastorie in Nieuwe-Tonge de kerkenraden van Ouddorp, ’s-Grevelduin-Capelle, Blauwkapel, Brakel, Arnemuiden en Randwijk. Op woensdag 22 april 1970 bevestigd hij als consulent van het eerder genoemde Ouddorp zijn studievriend Sijmen de Jong uit Houten aldaar. De tekst voor de preek is gekozen uit het slot van Matteus 28. Vervolgens meldt de kerkenraad uit Houten zich aan de pastorie van Nieuwe- Tonge, voor een tweede keer gevolgd door die van Brakel. In de winter van 1971/72 ontstaan er contacten met Montfoort. Het beroep van die gemeente wordt aangenomen. Daar wordt inmiddels anderhalf jaar naar een voorganger gezocht. Na het emeritaat van de vorige predikant M.J. Lekkerkerker zijn er slechts twee beroepen uitgebracht. Een jaar na het vertrek op A.J. Wijnmaalen in Maartensdijk en ruim drie maanden later op P.J. Dorsman te Staphorst. De verhuizing naar Montfoort laat nog wel enige tijd op zich wachten. Eerst op zondagmiddag 18 juni is het moment van afscheid aangebroken. De Bijbel valt open bij Handelingen 20 vers 20, 21, 26 en 32. Het thema luidt: “Een afscheid voor Gods aangezicht”.
    Vervolgens wordt daarbij uitgewerkt:
    1) Het Woord gepredikt,
    2) Het oordeel tegemoet,
    3) De genade bevolen.
    Toespraken volgen dan alleen van ds. W. van Gorsel uit Oude-Tonge en ouderling W. Drooger. Zoekend naar een opvolger worden voorafgaand aan het afscheid twee toezeggingen van beroep uitgebracht. Allereerst op kandidaat drs. M. Verduin uit Gouda en op Jac. Catsburg uit Sint Maartensdijk. Het zal echter ruim drie jaren duren voordat de gemeente de opvolger kan begroeten.

    Ongewone drukte

    Verslagen over de start in Montfoort beginnen te verhalen over “een ongewone drukte op zaterdag 24 juni”. In de middagdienst treedt ds. Gijsbert Boer (1913-73) aan. Over zijn loopbaan in de gemeenten Eemnes-Buiten (1943), Putten (1946), Gouda (1949), Lunteren (1956), Huizen (1960), Katwijk aan Zee (1965) en Zoetermeer 1969-72) en zijn werk voor de Gereformeerde Bond en de Nederlandse Hervormde Kerk heeft dr.ir. J. van der Graaf een lijvig en interessant boekwerk geschreven. Op de preekstoel van Montfoort legt hij de Bijbel open bij Ezechiël 3 vers 17 over de “wachter over het huis Israëls”. De kanselbijbel wordt ’s avond bij het 37-ste hoofdstuk geopend, waarin het visioen van de dorre doodsbeenderen wordt beschreven. Als tekst zijn de verzen 3, 4, 9 en 10 gekozen. Als thema wordt de vele toehoorders, waaronder alle ringpredikanten, de vraag voorgehouden: “Zou iets voor de Heere te wonderlijk zijn?” Na de prediking volgen toespraken van consulent ds. Cornelis Jacob van der Plas uit Linschoten, wethouder J. Eskes, ds. C. van Schoonhoven uit Vreeswijk en ouderling J. Visser. De genoemde consulent vertrekt enige tijd later naar Delft. Daarop wordt ds. Verkade consulent van Linschoten. Als zodanig raakt hij betrokken bij het beroep aldaar op Johan Heinrich Christiaan Olie (1936-2006) en zal bij de bevestiging ook deelnemen aan de handoplegging. Kandidaat Louis Oosten uit Driebergen meldt zich als eerste voor het zogeheten leervicariaat. Hij zal op de Hemelvaartsdag van 1976 door zijn “mentor” in het Friese Wouterswoude worden bevestigd met de tekst: “En gij zult Mijn getuigen zijn”. In de zomer meldt zich vervolgens een drietal gemeenten om ds. Verkade te kunnen verwelkomen. Het betreffen Kesteren, Schoonrewoerd en Nieuw-Lekkerland. Het volgende voorjaar voegen zich Ouderkerk aan den IJssel, Oud-Beijerland, Leerbroek en Bleskensgraaf daarbij. In dat jaar komt Pieter van Bergen Bravenboer uit Driebergen voor zijn “stage” naar Montfoort. Hij zal zich op Tweede Pinksterdag van 1977 aan Molenaarsgraaf laten verbinden door ds. H. van der Post uit Bergambacht. In het voorjaar van 1978 volgen beroepen uit Elspeet en Nijkerkerveen. Het eerste wordt aangenomen. In deze tijd van afscheid treedt kandidaat Dirk Jan Budding uit Driebergen als derde leervicaris aan. Hij wordt als eerste benaderd de opvolger in Montfoort te worden. Echter hij kiest uit negen andere beroepen het Zeeuwse Scherpenisse. Later zullen we nog nader met hem kennismaken.

    Vierde vicaris

    Het afscheid uit Montfoort vindt op zondagmiddag 6 augustus plaats. Na eerder het voorlaatste vers van de Prediker te hebben behandeld gaat de Bijbel open bij 1 Corinthe 3 vers 9-11, waar Paulus schrijft over het bouwwerk van God en de medearbeiders. Op verzoek van scriba Teus de Bruijn zingt de gemeente haar scheidende predikant het derde vers van Psalm 121 toe. Kandidaat H. Penning pakt na negen maanden de herdersstaf op. Aan de handoplegging neemt ook zijn voorganger deel. Tien dagen later na de bijzondere dienst in Montfoort volgen de bevestiging en intrede te Elspeet. De eerste taak heeft de veel vaker genoemde SGP-politicus ds. Abma op zich genomen. Ook over hem en zijn arbeid in de gemeenten Driesum (1941), IJsselstein (1944), Rotterdam-Delfshavenis (1948), Monster (1955), Putten (1959-63) is recent het nodige te boek gesteld. Hij verricht de bevestiging met het twintigste vers van Handelingen 10. De tekst die ook in de intrededienst van voorganger Huizinga heeft geklonken. Ds. Verkade doet intrede met de verzen 29b en 33b uit hetzelfde hoofdstuk, waarin de vraag doorklinkt: “Waarom hebt gij mij ontboden?” Toespraken volgen van wethouder R. Leusink, ds. Laurens Vogelaar van de Gereformeerde Gemeente, consulent ds. Lubbert Doppenberg uit Nunspeet en ouderling J. van Asselt. Op de voorlaatste dag van dezelfde augustusmaand wordt kandidaat Budding aan zijn eerste gemeente verbonden. Bij de bevestiging door zijn mentor klinkt de opdracht “het Woord te prediken”. Na enkele jaren meldt zich als vierde kandidaat A. de Lange uit Staphorst voor het leervicariaat. Hij wordt op 27 april 1983 in zijn eerste gemeente Wekerom door mentor Verkade bevestigd na een preek over de laatste verzen van Matteus 28. De Lange trekt vervolgens naar Sommelsdijk (1987), Fort Macleod (Canada, 1992), Bruchem-Kerkwijk (1998) en werkt sinds 2005 in hervormd Oldebroek. Nog één keer wordt ds. Verkade de mogelijkheid geboden naar een vijfde gemeente te vertrekken. Dit verzoek vanuit Houten wordt voor de tweede keer afgewezen. De resterende jaren tot het emeritaat zullen in deze Veluwse gemeente worden doorgebracht. Steeds vaker komen er bijzondere momenten en diensten in beeld. Het verenigingsgebouw het Kerkerf komt gereed. Er wordt een bemoedigingsdag voor predikanten georganiseerd. Ds. Verkade houdt daarbij een meditatie over 1 Koningen 19 vers 4c en 9b. Andere sprekers zijn drs. W.Chr. Hovius uit Apeldoorn en ds. G.S.A. de Knegt uit Huizen. Het 25-jarig ambtsjubileum wordt herdacht met een preek over Genesis 32: 10a. Als aandenken besluit de Kerkvoogdij van Elspeet een boek met een vijftiental preken over Ruth uit te geven.

    Zoon ingeleid

    Op 30 november 1986 volgt de afscheidsdienst van Elspeet. Daarin wordt het meer genoemde gedeelte betreffende Mozes’ afscheid opengelegd. Na afloop volgen toespraken van consulent dr. W. Verboom uit Hierden, ds. E. Venema van de Gereformeerde Gemeente, burgemeester C. de Kovel en ouderling J. van Asselt. Het betekent overigens nog niet het volledige eindpunt bij het werk. Vanaf 1 januari 1987 wordt door hem nog een viertal jaren de evangelisatie van Vaassen gediend. Voor en nadien treedt ds. Verkade nog enkele keren aan voor een bevestigingsdienst. In ’s- Grevelduin-Capelle (1980) en Ouderkerk aan den IJssel (1985) om ds. Gijsbert Hendriks aan de gemeenten te verbinden. Zo ook ds. Oosten in 1984 te Hedel. Daarnaast verzoekt de uit Woerden afkomstige kandidaat Peter C. van Keulen hem aan zijn eerste gemeente Op- en Neder-Andel te verbinden. Op woensdag 17 juni 1987 gebeurt dit met als uitgangspunt Matteus’ weergave van de gelijkenis over de zaaier. Datzelfde gedeelte staat centraal bij de inleiding van zijn zoon Frans Verkade op zondag 1 mei 1988 als voorganger van de hervormde Kapelgemeente te Ruinerwold. Ds. Verkade is vervolgens in Elspeet blijven wonen en na een korte ziekenhuisopname toch nog aldaar overleden op woensdag 6 februari 2008 in de leeftijd van ruim 86 jaar. In diverse kranten en kerkbodes is daaraan aandacht besteed. Het Nederlands Dagblad meldt twee dagen later het navolgende bericht aan zijn lezers: “ELSPEET – Emeritus predikant ds. J.P. Verkade is woensdag 6 februari overleden. Jan Pieter Verkade werd geboren op 14 november 1921 te Stolwijk. Hij studeerde theologie te Utrecht en werd in 1960 hervormd predikant te Gameren. Daarna stond hij te Nieuwe Tonge (1965), Montfoort (1972) en Elspeet (1978). In 1986 ging ds. Verkade met emeritaat. Hij was lid van de raad van toezicht van het Reformatorisch Dagblad en bestuurslid van de Gereformeerde Bijbelstichting. In 2004, bij de vorming van de Protestantse Kerk in Nederland werd hij lid van de Hersteld Hervormde gemeente in Elspeet. Formeel bleef hij echter als emeritus predikant van de Protestantse Kerk te boek staan”.

    Rouwdienst

    De volgende maandag vindt de rouwdienst plaats in de hervormde kerk van Elspeet. Als eerste voert ds. H. Zweistra, hersteld-hervormd predikant te Elspeet daarin het woord. Bij de inleiding maakt hij het volgende bekend: “Geachte weduwe Verkade, geachte kinderen en kleinkinderen en Ria, we willen aan Pieter met name gedenken nu hij in Uddel is, niet aanwezig kan zijn, U hebt hem jaren mogen hebben. Vijf jaar terug bijna was er voor onze waarneming het uur om heen te gaan. God schonk hem nog een jaar of vijf bijna aan u en ook aan de kinderen om mee te zuchten aan de troon van Gods ontferming. Want dit is zeker dat er een bidder heengegaan is. Tot het laatste ogenblik toe en de handen mocht vouwen om u, Ria, en de kinderen en kleinkinderen en ons allen op te dragen aan Gods rommelend ingewand”. Zweistra vervolgt: “Zijn mond is gesloten. Zijn mond is geopend aan de andere zijde van de Doodsjordaan. Om nu, omhangen met het gewaad des lofs, zijn lieve Koning te mogen prijzen. Wat een toekomst heeft Gods kerk op de aarde reeds. Te mogen weten die na kortstondig ongeneugd, mij eindeloos verheugd. Hier is alles ten dele met veel tekort omhangen, daar is alles vol en alles heerlijk. Een stoorloze vrede en een vreugde. Dat mocht uw man ontvangen. ’t Werd gezegd, en ik was daarbij, ook Nellie was daarbij in ’t ziekenhuis. Je gaat die woorden proeven he, wat wegen toen hij zei tegen mij: “Joh, zei hij, ik was nog zo jong, zo’n jaar of negentien toen God mij riep. Mocht na de Pasen een hemelse vreugde ontvangen als jongen van twintig jaren jong. En daarna de roeping.” Maar hij zei: “Zo’n boerenjongen. Dat kan toch helemaal niet. Lagere school nauwelijks gehad.” En toch, God had hem geroepen uit die doodstaat tot dat wonderbare licht. Het was zo helder, het was zo eenvoudig, nog zo kinderlijk. Maar u moest wel later horen en nogmaals zeg ik: je gaat die woorden proeven he, ook voor de kinderen, toen hij zei: “Vrouw, de derde plaats.” Moeilijk voor u geweest. Ongetwijfeld. Eerst was God op die hoogste plaats gekomen. Niet meer ik, maar hij, die Ander, die Tegenover. Daarna ja, dat zei hij, de gemeente. En toen u. En toch zo innig aan u verbonden. Ik heb het geproefd tot op zijn ziekbed toe: het ambt ontvangen. Hij ging zelfs, ik vond het ook altijd wel apart, als hij daar zat in zijn pyjama, dan moest het jasje aan om aan te geven de waardigheid van het ambt. Het stond zo hoog in zijn leven. Waarom? Hij wist Wie hem geroepen had, die heilige, eeuwige God. Die hij verlaten had, die God geroepen had tot Zijn licht en daarop ziende was het ambt voor hem een grote en ongekende verwaardiging”.

    Als kinderen inleveren

    “En ik kan me voorstellen, ik zie ook de kinderen vanmiddag zitten, het valt niet mee he kinderen? Een vader te hebben die predikant geweest is, een dienaar Gods. Dan moet je vaak als kind voor inleveren. Dan is het hart vaak ook op andere punten aanwezig was en dacht: pa is daar. En pas was er niet om dat ook een plek in je leven te geven dat kost wat tranen. Het geeft wat spanningsogenblikken. Maar ik hoop toch dat je het hem mag vergeven, ziende die hoge ambtswaardering. Het was een kleine jongen, als leem in Gods handen, ingeschakeld om gebruikt te mogen worden en hij kon niet anders. Hij woonde in zijn ambt. Hij leefde in zijn ambt. Dat was vlees en bloed in hem geworden. Zo stond hij, zo ging hij, hij was altijd dienaar van het Goddelijke Woord. Om schuil te mogen gaan achter Gods eeuwig blijvend getuigenis. En toch die eenvoudige boer uit Stolwijk heeft God willen gebruiken voor mensen, ook in Elspeet. De getuigenissen zijn er. Die het mogen zeggen: en ik was blind en nu zie ik. En ik was dood en ik leef door Gods ingrijpen. Is dat geen grote verwaardiging? Alzo gebruikt te mogen worden als slijk aan die Goddelijke vingeren. En daarom, toch maar hoop ik he, nastaren. Want vader, ook bij jongens, is thuis hoor. Daar ben ik zo rotsvast van overtuigd. Weet je waarom, weet je waarom? Ik mocht preken kort geleden in Maartensdijk he, mijn oude gemeente en ’s avonds gesproken over die gang van Elia, die laatste gang. Er was gebeld ’s avonds dat dominee zo ernstig er aan toe was. Naartoe gereden naar het ziekenhuis. Ik heb verteld in alle eenvoud. Ook samen erover gesproken. Ik heb verteld, gezongen in Maartensdijk: dan ga ik op tot Gods altaren. Ik wist niet dat vader er toen zo aan toe was, maar het was een voorspel. Het moest alzo geschieden. In alle eenvoud, hand in hand, Dick niet waar, zo was het toch? Hand in hand mochten we daar samen zitten en God groot maken. Het was z’n liefde mens: God erkennen, God lieven, God beminnen. Niet meer ik, maar God alleen. En daarom he, ach zo’n samenspel, samenspraak, zo’n eenheid in de aanbidding, in de verwondering”, aldus de Elspeter predikant. Wat is God groot en wat is God goed. Om een doemwaardig mens op te rapen, te wassen, te reinigen, te heiligen, te verlossen en nu gezet in die troon om te schitteren en te getuigen: Door U HEERE, door U alleen. Niets van ons. Dus geen roemstof in die mens. Vlees was ook Jan Pieter Verkade. Vlees, onthoudt het. Vlees verkocht onder de zonde. Maar hij mocht ook getuigen van die enige Naam, gegeven onder de hemel en dacht ik ook, ach ’t is maar even kort vanzelf maar toch een paar dingen te mogen zeggen ook aan de hand van zijn eigen levensgeschiedenis.”

    Vaderlijke vriend

    Ds. Oosten, hervormd-emeritus predikant te Driesum voert namens de vicarissen het woord en maakt de aanwezigen met het navolgende bekend: “Mevrouw Verkade, kinderen, familie, Ria, belangstellenden, Het is op uitdrukkelijk en herhaald verzoek van de overledene, onze vaderlijke vriend, dominee Jan Pieter Verkade dat ik hier in deze rouwplechtigheid een enkel woord mag zeggen ter zijner nagedachtenis en hopelijk tot eer van Zijn HEERE en Zender. Het is geen meditatief woord, het is meer een persoonlijk woord. Want bij onze vele ontmoetingen in aldie meer dan veertig jaren dat wij elkander kennen, herinnerde hij steeds weer aan die eerste wonderlijke ontmoeting op het treinstation in Delft als een wonderlijke leiding van Gods voorzienigheid naar aanleiding van een treinvertraging. Hij herkende mijn moeder en mij van de kerkdienst ’s zondags in de Oude Kerk in Delft waar hij gepreekt had over de geschiedenis van de geraakte en de vier dragers. Al eens eerder hadden we hem ook horen preken doordeweeks over Simon van Cyrene. Toen stond hij nog in Gameren. Maar bij die ontmoeting in Delft zijn toen banden gevallen die nooit meer zijn verbroken. Want, nietwaar, kerkelijke banden kunnen breken maar geestelijke banden niet. Die kunnen hooguit wat rekken, vanwege de afstand bijvoorbeeld, maar breken nooit”. “Wij hebben uw man en vader toen leren hoogachten als een waardig dienaar van het Goddelijke Woord, die zo verlicht door de Heilige Geest het Woord van God recht mocht snijden. Maar meer dan dit, toen na veel zielenstrijd en na veel duisternis ook in mijn leven de roeping tot het ambt doorbrak en ik in de pastorie in Nieuwe-Tonge mijn hart voor hem uitstortte toen mocht hij met vaderlijke raad en troost mijn gids en steun worden ook op de weg naar het predikambt. Hij vertelde het, zoals ik daar nu bij hem zat in Nieuwe-Tonge, zo had hij eertijds zelf ook met dezelfde zaak gezeten aan de voeten van de eerwaarde heer De Redelijkheid in Ouderkerk aan den IJssel. Hij had ook gelopen met dezelfde begeerte, met dezelfde roeping. U weet het wel reeds als lid van de jongelingsvereniging in Stolwijk in zijn jeugd was het zijn lust om inleidingen te houden uit het Woord van God waaruit toen al iets mocht uitstralen, naar voren mocht komen van zijn Godsvrucht en ook van zijn lust om anderen deelgenoot te maken van de heilgeheimen. En toen die roeping er was, toen kwam tot hem de kerkvraag. In welke kerk moest hij nu predikant worden. Want de kerk waartoe hij behoorde is toch geen kerk om op te stoffen, nietwaar? Zijn broer, met wie hij zo goed overweg kon, die wist het beste antwoord. Hij zegt daar moet je zijn waar dit het hardste nodig is. In die oude vervallen vaderlandse kerk. Dat is iets, dat heb ik ook van hem mogen leren en in elk geval als een bevestiging van mijn overtuiging. Wat was het goed ook om in een tijd van overspanning eens een week tot rust te mogen komen in de pastorie in Nieuwe-Tonge te midden van het gezin Verkade, onder de trouwe zorg van Ria. Ik zal nooit vergeten de eerbiedige dagsluitingen rondom het Woord en gezamenlijk op de knieën. En toen kwam daar in 1975 het leervicariaat in Montfoort. Het was een leerzame tijd in die verwoeste, vervallen gemeente van Montfoort die toch weer tot nieuwe bloei mocht komen. Daar mocht uw man en vader een instrument voor zijn”, aldus ds. Oosten.

    Gezegende bediening

    Hij vervolgt: “Als leervicaris stuurde hij mij naar levende kinderen van God, maar hij stuurde me ook naar zoekers, naar vijanden, naar onkerkelijken, naar mensen uit de kring van de Paauwianen en ga zo maar door. Hij liet me catechiseren. Hij liet me begrafenissen leiden. Hij liet mij preken. Ik mocht getuige zijn van het opbouwwerk daar in de gemeente en al is het wat meer op afstand later ook in de gemeente van Elspeet waarvoor hij toch ook veel heeft mogen betekenen, nietwaar. Zo heeft de HEERE hem een rijk gezegende bediening gegeven. Zo heeft hij, zo mogen we toch wel zeggen, als eertijds een Andreas en een Petrus velen tot Jezus mogen leiden. Niet alleen voor de kerk, ook voor het Reformatorisch Dagblad mocht hij veel betekenen. Als lid van de Raad van Toezicht, maar vooral in de begintijd toen hij veel heeft mogen doen om het dagblad van de grond te krijgen. We herinneren ons uit 1971 met de eerste verschijning van het dagblad zijn indrukwekkende reden over de woorden: Is er geen oorzaak. Is er geen oorzaak om een dam op te werpen tegen de geest van deze tijd. Merkwaardig, zo kort na het heengaan van dominee Haverkamp, die ook zoveel voor het RD heeft mogen betekenen, nu ook dominee Verkade heengegaan en beiden thuis. Ik mag wel zeggen ook van zijn preekwijze heb ik veel mogen leren. Zijn preekwijze was vermanend, waarschuwend, vertroostend, onderwijzend, maar vooral ook een preekwijze die zo Schriftgetrouw niet alleen maar ook zo Schriftgebonden was, eenvoudig uitleggend, verklarend, toepassend. En ik mag mij denk ik nu wel opwerpen ook als tolk van de andere leervicarissen die hij gehad heeft. Dominee Budding is hier aanwezig. Dominee De Lange heb ik ook gezien. Dominee van Bergen Bravenboer is niet meer in het land der levenden. Maar ik mag toch wel zeggen namens allen, denk ik, Gode zij dank voor zulk een leermeester en vader. Ik dacht zo bij het heengaan, toen ik daarover werd ingelicht, aan de woorden van Elisa bij het heengaan van Elia: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijn ruiter”. “En nu zijn gebreken. Want dominee Zweistra heeft het al gezegd: hij was ook een man van vlees en bloed, hij was een man met gebreken, met beperktheden, met tekortkomingen. Nu zijn gebreken. Ik denk aan het woord van de eerwaarde heer De Redelijkheid bij de begrafenis van een zeker dienaar des Woords. Hij zegt: zijn gebreken gaan we begraven. Maar wat van God was, is thuis. Dat is boven. Ook van dominee Verkade geldt toch: u is een beter lot bereid want zijn Heilzon mocht ook voor hem dagen. Ook voor hem gold wat we lezen bij Daniël: De leraars nu zullen blinken als de glans des uitspansels en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk. En dan moet ik vanmiddag bovenal zeggen: dit alles om Christus wil die Zijn gemeente gekocht heeft met Zijn bloed en die nog Zijn dienstknechten uitzendt om de gekenden van eeuwigheid toe te brengen op kosten van het Lam. Moge de eeuwigheid nog rijke vruchten openbaren. Familie, vrienden, mogen we hem zo nastaren. Ik wil besluiten met de woorden uit het laatste Bijbelhoofdstuk de Openbaring 22 de verzen 1 tot en met 4: En Hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit de troon Gods en des Lams. In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de Boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijn vrucht; en de bladeren des Booms waren tot genezing der heidenen. En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en dan ja, en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen, en zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn. Soli Deo Gloria”.

    Opvolger Budding

    Eerst een kleine maand na het afscheid van ds. Verkade in 1986 brengt de kerkenraad van Elspeet het eerste beroep uit. Het gaat naar de 42-jarige Budding, die inmiddels op de dag af zijn tweede gemeente Nederhemert vier jaar heeft gediend. Hij besluit instemmend. Dirk Jan Budding is op 20 september 1944 te Driebergen geboren. Hij groeit op in de Christelijke Gereformeerde Kerk maar weet zich geroepen tot een predikantschap in de Hervormde Kerk. Op 29-jarige leeftijd gaat hij studeren aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Zo’n vijf jaren later is hij beroepbaar en ontvangt in korte tijd de “aanbiedingen” uit Aalburg, Goedereede, Leerbroek, Montfoort, Nijkerkerveen, Ouderkerk aan den IJssel, Scherpenisse, Stolwijk, Uddel en Wijngaarden. Zoals geschreven, doet hij eind augustus z’n intrede in het Zeeuwse en stelt daarbij naar aanleiding van 2 Corinthe 5 vers 19 en 20 “de bediening der verzoening” centraal. De gemeente heeft een lange vacature achter de rug. De vorige predikant, Armand Gustave Haring, is in het voorjaar van ’73 met emeritaat gedaan en heeft vervolgens de gemeente nog enige tijd als bijstand gediend. Na vier jaar Scherpenisse trekken de gemeenten Nederhemert, Tholen en Wekerom aan de predikant. In eerstgenoemde plaats wordt het werk sedert 22 december 1982 voortgezet. Daar weet de kerkenraad van Elspeet hem vandaan te halen. Op de Tweede Paasdag van 1987 volgt het afscheid met de woorden uit Handelingen 20 vers 32 en na de bevestiging door zijn voorganger heeft op woensdag 6 mei de intrede plaats met een preek over Markus 6: 34, aldus het uitgebreide verslag in de Waarheidsvriend. Strijdig hiermee wordt in het boek Zijn daden gedenken de tekst van Matteus 9 vers 35 genoemd. Onder leiding van Budding wordt de kerk met enkele honderden zitplaatsen uitgebreid. Bovendien wordt er een tweede predikantsplaats gevestigd. Die is door het vertrek van de herstelden ook weer snel beëindigd. Budding geeft ook buiten de gemeente blijk van bestuurlijke capaciteiten. Zo hanteert hij gedurende tien jaar de voorzittershamer van de Staatkundig Gereformeerde Partij en is hij bestuurslid van de Stichting Reformatorische Publicatie (SRP), die het Reformatorisch Dagblad uitgeeft. Met enige regelmaat kom je van of over hem artikelen in die krant tegen. Er verschijnen ook regelmatig pennevruchten in de vorm van een boek van zijn hand. Hij schrijft zelfs tot twee keer toe een roman “De band die nooit breekt” en “Ik zal raad geven”. Bovendien raakt hij bekend als “vakantiepredikant” in Zwitserland.

    Naar Waarder

    In 1993 en ’94 worden beroepen uitgebracht vanuit Ouddorp, Ouderkerk aan den IJssel en Waarder. Aan deze laatste gemeente wordt hij op 8 juni 1994 door ds. Oosten uit Sint Anthoniepolder verbonden. Daaraan voorafgaand heeft op de Tweede Pinksterdag het afscheid van Elspeet plaatsgevonden. Onderwerp van de dienst is: “Christus schapen”. Daarbij wordt het zestiende vers van Johannes 10 uitgewerkt. Als consulent treedt hier ds. A.L. van Zwet uit Uddel aan. In de nieuwe gemeente begint Budding met het gebed: “Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken”. Ook in de discussie over het Samen op Weg-proces houdt Budding zich niet stil. In eerste instantie waarschuwt hij dat een deel van de kerkleden in grote gewetensnood wordt gebracht. Vervolgens maakt hij duidelijk dat het voortzetten van de kerk buiten de Protestantse Kerk “een illusie is”. Juist rond de herdenking van zijn 25-jarig ambtsjubileum laat de predikant van Waarder weten de kerk niet te zullen verlaten en stelt dat er geen wezenlijke verandering plaatsvindt. Deze opmerkingen komen hem duur te staan. Verschillende verontruste personen, waaronder eerder genoemde ds. Olie, zenden stukken naar het Reformatorisch Dagblad. Eerst nadat ds. Budding ruim tien jaren in Waarder werkzaam is komt er een beroep vanuit het verre Grand Rapids in de Verenigde Staten. Vervolgens wordt Budding benaderd om naar het Canadese Springford te verhuizen. Een tweede roepstem uit Grand Rapids wordt in de nazomer van 2007 wel aangenomen. Het afscheid volgt op de Eerste Paasdag van 2008 met de oproep van Mozes uit Deuteronomium 30 vers 19.

    Twee predikantsplaats

    In het voorjaar van 1994 worden pogingen in het werk gesteld om een tweede predikantsplaats in te vullen. Als eerste wordt hiervoor ds. H. Zweistra uit Maartensdijk benaderd. Hij bedankt evenwel. De volgende brief wordt bij drs. Pieter de Vries in Opheusden afgeleverd. Die neemt het beroep wel aan en wordt behalve de eerste ook meteen de laatste die de tweede predikantsplaats zal dienen. De Vries is op 23 april 1956 in Kinderdijk geboren. Na zijn studie theologie en Semitische talen aan de universiteit van Utrecht stelt hij zich in oktober 1981 beroepbaar. Hervormd Zwartebroek wordt z’n eerste standplaats. Mentor ds. Wim van Gorsel uit Wijk bij Heusden verbindt hem op woensdag 24 maart 1982 aan deze gemeente. Aan de handoplegging nemen verder deel ds. H. Jonker uit Nijkerkerveen, zijn voorganger ds. H. Roseboom uit Oene, ds. C. van den Bergh uit Barneveld, ds. Budding uit Scherpenisse, ds. Louis Schaafsma uit Zuilichem-Nieuwaal, ds. P.J. Teeuw uit Blauwkapel, ds. R. Veldman uit Goudswaard en ds. A.P. Verloop uit Waddinxveen. De Vries begint met een in drie punten uitgewerkte preek over zijn voornemen “niet iets te weten dan Jezus Christus en Dien gekruisigd”. Enkele jaren later verschijnt van de hand van ds. C. den Boer het boek “Man en vrouw in bijbels perspectief”. De predikant van Zwartebroek komt vervolgens met de nodige kritiek op deze uitgave van het Hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond en legt dit vast in de oproep “De weg Zijner getuigenissen”. Op zondag 22 februari 1987 verlaat hij z’n eerste gemeente na een preek over de derde brief van Johannes: 4. Anderhalve week later volgt de bevestiging te Opheusden. Daarvoor is zijn vriend Schaafsma uit Doornspijk overgekomen. ’s Avonds doet De Vries intrede met een preek over Efeze 3 vers 8–11. Na vier jaar meldt zich de gemeente Driesum met een beroep. Twee jaren later volgt dat uit Ouddorp. Beiden worden bedankt. In het voorjaar van 1994 volgen beroepen naar Elspeet en naar Wisconsin in de Verenigde Staten. Hij komt naar de Veluwse gemeente.

    Ontheven

    Op 20 oktober doet De Vries hier zijn intrede. Hij vestigt zich in een nieuwe pastorie aan de Vierhouterweg. Vijf jaar later promoveert de Elspeter predikant aan de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken op een studie over de Engelse puritein John Owen (1616-83). Korte tijd later ontvouwt hij zijn problemen met het Samen op Wegproces en schrijft niet mee te kunnen. Ook na het zogeheten “convenant” ziet hij daarvoor geen ruimte. Ondertussen melden zich drie gemeenten voor zijn overkomst. Het betreffen in volgorde van beroep Sirjansland, ’s-Grevelduin-Capelle en de deelgemeente De Bron uit Urk. De Vries bedankt voor allen. Hij wordt per 1 mei 2004 ontheven als hervormd predikant van Elspeet en gaat vervolgens over naar de Hersteld Hervormde Kerk. Hij gaat al snel die kerk in Waarder dienen en tevens doceren aan het hersteld hervormd seminarie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Van de hand van De Vries zijn ondertussen meerdere boeken verschenen. Ondertussen is ook de vacature in de eerste predikantsplaats na het vertrek van Budding vervuld. Daarvoor moeten meer pogingen worden ondernomen. Enkele weken na het afscheid wordt als eerste W. van Vlastuin uit Wouterswoude benaderd. Vervolgens komen W. Pieters te Genemuiden en R. Veldman te Ouddorp in beeld. Eerst het vierde beroep, dat in het voorjaar van 1995 op Christiaan Stelwagen wordt uitgebracht, krijgt een instemmende reactie. Hij is op 23 mei 1945 in Ootmarssum geboren. Eerst staat Stelwagen als onderwijzer voor de klas en is enige tijd directeur van de basisschool te Woudenberg. In de zomer van 1980 wordt hij als kandidaat beroepbaar gesteld. Uit de drie gemeente Driesum, Bruchem-Kerkwijk en Goudswaard verkiest hij de Friese plaats. Hij is daar na een vacature van ruim twee jaar en zo’n tien bedankjes de opvolger van P. Schalk. Op woensdag 27 augustus vindt de bevestiging door drs. C. den Boer uit Woudenberg plaats.

    Met emeritaat

    Aan de handoplegging nemen de predikanten Oosten, B. Haverkamp, G.F.A. Carstens, C. van Sliedregt, P. van den Heuvel, J. Veldhuijzen, R. van Kooten en D. Verboom deel. De nieuwe predikant begint zijn loopbaan in de kerk met een preek over Hebreeën 4 vers 16. Ruim vier jaren later krijgt de vacante gemeente van Montfoort zijn “ja-woord”. Vandaar is ds. Penning inmiddels naar Nieuw-Lekkerland vertrokken. Ds. Stelwagen wordt op Tweede Paasdag van 1985 door ds. Oosten aan zijn tweede gemeente verbonden. Vandaar wordt hij gevraagd naar Nederhemert en Harskamp te komen. Eerst wordt voor beide beroepen bedankt. Vervolgens besluit de predikant alsnog naar de Veluwe af te reizen om de naar Leerbroek vertrokken predikant W. Roos op te volgen. Op woensdag 14 februari 1990 wordt hij aldaar bevestigd Na ruim vier jaren weten drie kerkenraden hem daar te vinden. De verzoeken uit Sint Maartensdijk en Maartensdijk wordt afgewezen, maar niet de vraag uit Elspeet. Hij komt op woensdag 26 juli 1995 de vacature van ds. Budding vervullen. Pogingen om hem hier weg te krijgen, zowel vanuit Springford (Canada), als ook van de buitengewone wijkgemeente te Numansdorp worden van de hand gedaan. Ook ds. Stelwagen steekt z’n overtuiging in de discussie over het Samen op Weg-proces niet onder stoelen of banken. In Elspeet en Montfoort verzorgt hij lezingen waarin hij het afscheiden van de gefuseerde Protestantse Kerk ten stelligste bestrijdt. Op de Tweede Pinksterdag van 2009 neemt hij afscheid met een preek over Colossenzen 1 vers 19. Damwoude wordt de nieuwe woonplaats van de emeritus-predikant. De kerkenraad wordt thans bijgestaan door ds. H. Westerhout uit Harderwijk. Het is inmiddels zo’n anderhalve eeuw geleden dat deze stad de consulent heeft geleverd. Onder zijn leiding is na een korte tijd ds. J. Lohuis uit Harskamp beroepen.

    Tenslotte

    Het is opmerkelijk dat in de uitgave van de Hersteld Hervormde gemeente te Elspeet geen aandacht meer wordt besteed aan ds. H. Zweistra. Hij is sinds 12 juli 2006 de opvolger van dr. De Vries geworden. Uit de predikantenlijst op pagina 31 zou je kunnen concluderen dat de gemeente bij de verschijning van het boek door één predikant wordt gediend, namelijk ds. Stelwagen. Temeer opmerkelijk is het feit dat het voorwoord van de uitgave juist door ds. Zweistra wordt verzorgd. Historisch is het een juiste weergave dat laatsgenoemde predikant niet meer wordt vermeld en moet ook worden vastgesteld dat De Vries reeds in 2004 is losgemaakt van de hervormde gemeente. Evenzo is het bijzonder dat in de lijst en de beschrijving geen aandacht wordt besteed aan ds. L. van Nieuwpoort. Hij is op maandag 22 april 1962 bevestigd voor de tweede predikantsplaats in Elspeet ten behoeve van Uddel. Die taak verricht ds. Boer uit Huizen met de woorden over het eerherstel van Petrus. De jonge predikant begint zijn dienst met een preek over Lukas’ beschrijving van Jezus’ verschijning aan de discipelen. Aan de handoplegging nemen behalve de bevestiger en de plaatselijke collega Timmer ook dr. C. Graafland van Woerden, ds. W. Balke van Langerak en ds. R.E. Kuus van Linchoten deel. Eerst bij de ingang van oktober 1965 is te Uddel een zelfstandige hervormde gemeente gevormd. Derhalve is Elspeet destijds gedurende ruim drie jaren door twee predikanten gediend. Overigens hebben bijzonder genoeg meer predikanten intrede gedaan in de hervormde kerk van deze Veluwse plaats. In de jaren dat de kerkgebouwen van de Gereformeerde Gemeenten van Elspeet en Uddel nog niet zo’n grote omvang kende, is het min of meer gebruik geweest dat de bijzondere diensten van bevestiging en intrede in het hervormde kerkgebouw plaatsvonden. Dat hebben in ieder geval ds. C. Wisse, ds. P. van der Bijl en ds. Vogelaar bij herhaling meegemaakt.   

    © Frans Verkade

    Brongegevens:    
    Frans Verkade
    tel: 0528-350209 
    e-mail: dominees@verkade.nu

    Comments