Startpagina‎ > ‎

Vertelstof voor de verschillende leeftijdsgroepen

 

    Jongste kinderen - Kleuters

 

     Eerste Klas - 6/7 jaar

 

     Tweede Klas - 7/8 jaar

 

     Derde Klas  - 8/9 jaar

 

     Vierde Klas - 9/10 jaar

 

     Vijfde Klas - 10/11 jaar

 

     Zesde Klas - 11/12 jaar

 

    Zevende en Achtste Klassen - 13 tot 16 jaar

  

   Oudere kinderen

                                                                                                   

Verhalen

 

Verhalen werken op de verbeelding van het kind en op hun zielenbelevingen. Zij doen dienst als spiegel. Sprookjes brengen archetypische beelden van menselijke kwaliteiten - grootmoedigheid en hebzucht, vriendelijkheid en wreedheid, schoonheid en lelijkheid, enz. In elk van deze verhalen triomfeert het goede over het kwaad uiteindelijk.  Hierdoor verwerven de kinderen een diep gewortelde ethische ervaring  zonder dat er van moralisering worden gebruikt  gemaakt. Het is De mens moet een lange reis afleggen alvorens hij sociaal vaardig wordt. Verhalen bieden handvaten en helpen de kinderen vaardigheden tot ontwikkeling te brengen, die hij op deze reis kan gebruiken. Archetypisch menselijke ervaringen  worden deur middel van verhalen gebracht.

 

Het vertellen van een verhaal

Wanneer een verhaal navertelt of zelf door de verteller opgemaakt wordt, deel de verteller iets van zichzelf met de kinderen. Daardoor komt het verhaal opnieuw tot leven – dit is één van de belangrijkste sleutels van het Vrije Schoolse onderwijs. Vaak is dat een drempel voor de leidster. Men denk de verhalen geen recht te kunnen doen of men denkt het vraagt te veel voorbereiding. Wanner men echter eerst een paar maal ervaring opgedaan heeft ermee, vallen de bezwaren snel weg. Het verschil is ook meteen aan de kinderen merkbaar. De verteller is met zijn gehele wezen betrokken bij de wisselwerking tussen hem/haar en de kinderen in plaats van bij het transformeren en overdragen van het geschreven woord. De verteller heeft zijn handen en zijn lichaam vrij om de nodige bewegingen en gebaren te kunnen maken om de communicatie te ondersteunen. Ook gezichtsuitdrukking en oogcontact zijn geweldige hulpmiddelen.

Kinderen met ontwikkelingsachterstand hebben vaak weinig of geen taalvaardigheden. Behalve onze eigen gebaren, gelaatsuitdrukking en lichaamstaal hebben wij, vooral bij de jongere kinderen, hulpmiddelen nodig.

Verhalen horen bij de wereld van het kind. Ze voeden de verbeeldingskracht. Via de verhalen leren de kinderen op een bijzondere manier allerlei aspecten van het leven kennen. De verhalen volgen het kind in zijn ontwikkeling.

Elementen die onder anderen in verhalen een rol spelen: fantasiekrachten, dramatisering, herhaling, ritme.

Peuters

Kleuters

Klas 1 - de sprookjes van Grimm

Klas 2 - De fabels van Aesop en de Heilige legenden 

Klas 3 - Het Oude Testament

Klas 4 Noors-Germaanse mythologie

Klas 5  Oude culturen en verhalen van India, Persië, Babylonië & Egypte en de Griekse Mythologie

Klas 6 Romeinse geschiedenis

Klas 7 & 8 Middeleeuwen, Ontdekkingsreizen, Uitvindingen, Industriële Revolutie, Andere volken, biografiën, Hervorming

Oudere kinderen

 
 

In de winter-Bijpraat stond een beschrijving van de vertelstof klas 4) In het sprookje van IJzeren Hans speelt de 8-jarige koningszoon met een gouden bal in de tuin van het paleis. Zijn bal valt in de kooi waarin de wilde man uit het bos zit opgesloten; en hoewel het streng verboden is opent de jongen de kooi van de wilde man. IJzeren Hans neemt hem op zijn verzoek mee, en nu moet hij de goudbron behoeden. Doordat hij te veel met zichzelf bezig is, ontwijdt hij de bron en wordt hij de wereld ingestuurd 'op gebaande en ongebaande wegen'.

Een prachtig beeld van het tweedeklaskind. Het kan nog spelen met de gouden bal (niet in het paleis, maar in de tuin), het heeft nog toegang tot de goudbron - maar het is leergierig en nieuwsgierig geworden, ontdekt zichzelf.

Wij vertellen in deze klas fabels en legenden van heiligen uit de middeleeuwen. In de sprookjes was het kwaad meer 'algemeen': de boze koningin, de boze kabouter. Wel zijn beide kanten (de verzoeking en de macht van het boze) duidelijk aanwezig. In de fabels leert het kind de eenzijdigheden beleven van wat men de lagere ziele-eigenschappen van de mens kan noemen. Het dier wordt in de fabels voor 100% in zijn speciale drift, begeerte, instinct getekend. Kort en zakelijk, zo is het. Verleiding tot geweld, macht, waan; sympathie- en antipathie-krachten gaan werken. In de 'wolf en het lam' zijn de antipathiekrachten groter dan de sympathie. In de 'nachtegaal en de pauw' zijn ze even groot; in de 'dankbare ooievaar' zijn de sympathiekrachten het grootst. In een tweede klas is het boeiend te ontdekken waar in de kinderen hun eenzijdigheden, hun 'diertjes' liggen. Men laat hun de fabels spelen, hun eigen 'dier' maar ook de tegenpool. En dan komt het grandioze van de keuze van de vertelstof: een vos, een leeuw, een wolf is, zoals hij is! Hij kan niet anders, nu niet en nooit. Een dier ís, maar mens moet je worden. Dat is de inhoud van de heiligenlegenden. Het grote geheim en verschil tussen een mens en een dier is dat een mens zichzelf kan veranderen.

Dit zorgvuldig te behandelen lijkt mij in een tijd waar meer op de overeenkomsten tussen mens en dier wordt gewezen (de naakte aap, de geprogrammeerde mens) dan op de grote verschillen - zeer belangrijk.

Dit 'kunnen veranderen' zien wij in de heiligenlegenden. Deze mensen zijn nl. niet als heiligen geboren. Integendeel, vaak bezitten zij 'beestachtige' eigenschappen waarvan zij pas na een zware en lange strijd met zichzelf verlost worden. Daarna komen de licht-, liefde- en levenskrachten in hen tot ontwikkeling, waardoor zij helpend en genezend kunnen werken. De naam 'legende' voor deze biografieën houdt in dat deze mensen gemotiveerd worden zich te veranderen, door beelden, dromen vanuit de geestelijke wereld. Ook hier kan men de heilige die men behandelt - al of niet geschiedkundig juist - eerst alle ondeugden en onhebbelijkheden die bijvoorbeeld in een klas leven tot in perfectie laten uitleven, om dan na de verandering te horen zeggen: 'Zo gemeen was ie eerst en tóch een heilige geworden.'

(uit: Van Roodkapje tot Parcival, de vertelstof van de Vrije School, Wil van Houwelingen)