E. 4de Leerjaar

 Klas 4  Groep 6 leeftijd 9/10

Subpagina's

Mens en dierkunde

Aardrijkskunde

Taalontwikkeling

 

In de vierde klas treedt het kind steeds meer uit de bescherming van de groep. Het gaat dan de individualiteit van zowel zichzelf als die van zijn medeleerlingen en begeleidende volwassenen aftasten en testen.

Het kind kan dan ervaren dat de wereld om hem heen niet altijd even leuk is, dat er veel dingen onzeker zijn en dat hij erg alleen op de wereld staat.

Dit kan voor het kind betekenen dat zijn vertrouwen in de volwassenen om hem heen begint te wankelen, hij komt er achter dat de volwassenen niet alles kunnen. Daarom zullen de volwassenen om het kind heen ervoor moeten zorgen dat zij sterk staan om te laten zien wat ze kunnen. Het kind ziet niet meer dat het volwassene alles zomaar kan, maar het kind gaat waardering krijgen voor de daden en standpunten van de volwassene.

De wereld wordt steeds verder geopend voor het kind. Vanuit zijn kleine plekje op de aarde gaat hij steeds verder naar buiten en durft hij voorzichtig over de muur rond zijn sprookjestuin te kijken. Het kind gaat van het beeldende, fantasievolle denken naar het causale denken. Dat proces op weg naar het causale denken wordt voor de vierde klasser beeldend verwoord in de verhalen van de Noordse mythologie en de Edda. In aansluiting op de gerichtheid van het 4e klas kind op de buitenwereld kunnen in het ritmische deel natuurgedichten worden gereciteerd, maar ook gedichten waarin de gerichtheid van de mens op de wereld om hem heen tot zijn recht komt. In aansluiting op de vertelstof uit de Noorse mythologie (de Edda) kunnen teksten aan de orde komen in de alliteratie /stafrijm vorm. Het stafrijm heeft als eigenschap de wilskracht van het kind aan te sporen.

Leerplan inhoud voor de vierde klas

Vertelstof

De oud Germaanse mythologie, beschreven in de Edda, vertelt van de gouden wereld van de goden, altijd strijdend met de reuzen. Voor de goden nadert de ondergang. Deze verhalen van de mensheidsgeschiedenis zijn de verbeelding van wat de kinderen nu innerlijk beleven: de ondergang van de fantasie als alles verklarende kracht. Het kind wil meer realist worden. Vaak wordt een toneelstuk rond deze thema geoefend en opgevoerd. De kinderen genieten van de verhalen van Thor met zijn hamer, de god van de donder. Ze leven mee met de angst van de goden voor de nader komende ondergang. Door deze vertelstof voelt de vierdeklasser zich begrepen. Spelend en oefenend de kinderen op eenvoudige wijze laten ervaren hoe het verschil in tijd aangeduid wordt in de taal. 

 

Taalontwikkeling

In het taalonderwijs wordt de werkwoordtijden aangeleerd. Spelend en oefenend ervaren de kinderen de drie tijden: tegenwoordig, verleden en toekomst. De kinderen krijgen een gevoel voor de plasticiteit van de taal.  De voorzetsels en aanwijzende voornaamwoorden worden aangeleerd. Op een eenvoudige kunstzinnige en speelse manier de kinderen bewust maken van de persoonsvorm in enkelvoud en meervoud Het beleefbaar maken van de voorzetsels door eigen lichaam/dingen in de ruimte te ervaren. Gedichtjes, spelletjes.

Gedichten waarin alliteratie/stafrijm in voorkomen, passen goed bij deze leeftijdsfase. Het stafrijm heeft een aansporende werking op de wilskracht. Alliteratie werkt bewustzijnwekkend.

 

Mens- en dierkunde

Vanuit het beeld van de veelzijdige mens komen de dieren aan bod in hun eenzijdigheid en specialiteit: klimmen, graven, rennen of vliegen. Steeds staat hun bijzondere gestalte in relatie tot de mens centraal. De verwondering wekken voor wat dieren in hun specialismen kunnen in vergelijking met de mens. Door middel van verhalen over leefomgeving en typische eigenheid van het dier kunnen de kinderen nader kennismaken met het dierenleven. Er wordt o.a. getekend, geschilderd en geboetseerd.

 

Heemkunde

De eigen omgeving van de plaats en streek beleefd in hun geschiedenis. Het ontstaan van de menselijke activiteiten in de eigen omgeving.

De heemkunde in de 4e klas kent een aardrijkskundig en een geschiedkundig aspect, uitgaande van verbondenheid met de eigen woonomgeving (huizen, wegen, bossen en velden). Welke producten worden verbouwd of geproduceerd – vroeger en nu? Het is een eerste oriëntatie in ruimte en tijd.

De windroos. De omgeving van de school. Een plattegrond van de omgeving door middel van een reliëf opbouwen.

 

Boetseren

Boetseren van de mens en van dieren.

 

Schilderen

Het uitbreiden van kleuroefeningen in nat-in-nat schilderingen en het schilderen van dieren door het schilderen van contouren, niet de details. Vanuit kleurstemmingen ontstaan vormen, landschappen en dieren. De aardekleuren doen hun entree. Door de mengkleuren (paars, groen, oranje) te kombineren met de niet aanwezige derde primaire kleur of met een ander mengkleur, onstsaan bruinen en grijzen.

 

Tekenen en vormtekenen

De leerlingen schetsen dieren. Bij het vormtekenen krijgen eenvoudige vlechtmotieven de aandacht.

 

Handwerken

De kruissteek staat centraal. Inventief omgaan hiermee - hoe kunnen wij de essentie van het kruizen en samen vlechten van strengen op een andere wijze beleefbaar maken aan de kinderen?

 

Rekenen

De inhouden van dit leerjaar worden steeds moeilijker voor het heilpedagogische kind. Het is nu zaak om de kinderen op een kunstzinnige wijze toch een en ander te laten ervaren van breuken (het verdelen van een taart?) maten en gewichten en schatten van verhoudingen (bakken?)

Het tafeldekken en boodschappen doen zijn verdere oefenvelden. Winkelspel, echt boodschappen gaan doen en de kinderen uitdagingen geven; het aanbod aanpassen (desnoods individueel) Doorgaan met tellen in ritmen terwijl er geklapt of gelopen wordt; trappen lopen en tellen, telraam, rijgen en sorteren.

Gymnastiek – Spelen, toestellen, Bothmeroefening.

Muziek - Samenspelen en samen zingen, zingen in canon (proberen!).

De gangbare leerplaninhoud wordt uiteraard langzaam abstracter. Het vraagt nu om veel verwerking en aanpassing om het op een zinvolle wijze aan te brengen aan de kinderen met een ontwikkelingsachterstand. Het vraagt vooral om veel creativiteit. Het is belangrijk om de essentie te zoeken, van de aan te bieden lesinhouden. Probeer dan een beeld te vinden waarmee deze essentie als belevenis, als ervaring, tot bewustzijn kan komen. Probeer vooral om het eenvoudig en beeldend te houden. Een enkel beeld is goud waard, als het zo gebracht wordt, dat het echt interessen wekt bij de kinderen. Het is volstrek niet nodig om een wijd kennisveld te presenteren. Met een schildering, een verhaal, een toneelspel of een bordtekening is het doel al vaak bereikt. Veel herhaling is nodig.