Over het Ik en de ik-organisatie

 

Voordracht over het Ik en de Ik-organisatie, gehouden door dr. Fritz Wilmer tijdens de heilpedagogische conferentie oktober 1983)

 

Beste vrienden,

Over het Ik hebben we al met elkaar kunnen spreken, maar ik wou toch nog even het een en ander in Uw herinnering terug roepen. We hebben toen besproken dat door het Ik het mensenwezen nu geïncarneerde geest op aarde is geworden. Al datgene wat vooraf is gegaan aan die Ik~wording van de mensheid was eigenlijk werk van Hogere machten, die hun schepping ook volbrachten in de vorm van de levende plantenwereld, de levende bezielde dierenwereld, waarbij je nog niet kon spreken van een individualisatie, van een persoonswording. Pas dan wanneer die voorbereidende, die goddelijk geestelijke werkzaam­heid tot een zeker punt is gekomen, geschiedt dat: dat de mensheid met het Ik wordt begiftigd. En daardoor ontstaat weer de mogelijkheid(ik zeg dus 'mogelijkheid, dat is iets wat in de loop van de aardeperiode lang­zamerhand zal kunnen komen) dat die mens een medescheppend wezen in het heelal wordt.

Gisteren gebruikte ik in verband met het astraallichaam in het dierenrijk het woord 'zelfstandig worden'. Dat is eigenlijk niet juist. 'Zelfstandig', daar zit het woord 'zelf' in; dat geldt eigenlijk pas voor de mens. 'Zelf­standig' zijn – zelf-standig - zijn. Ik heb gisteren niet het goede woord gebruikt; Misschien vindt U een beter woord voor dat wat bij de dieren het geval is, waarbij dus wel een zekere afgescheidenheid optreedt in hun omgeving, zowel hun geestelijke als van hun fysieke omgeving.

        

Nadat we als Ik-wezens zelfstandigheid hadden gekregen en daarmee die mogelijkheid, die kiem tot zelfstandig schep­pende werkzaamheid, tot creativiteit zich is gaan ontplooien, treedt daardoor die andere eigenschap ook op, nl. dat we ons als Ik-wezens tegenover de wereld bevinden. We hebben het vermogen tot distantie, tot afstand nemen (geheel anders dan bij de dieren het geval is) tot terugtreden en van een standpunt uit nu een nieuwe verbinding actief tot stand te kunnen brengen. En dat gaat gepaard met een wijziging van al datgene wat er aan werkzaamheid in het fysieke lichaam, in het etherlichaam en in het astraal­ lichaam in de voorafgaande stadia is gebeurd.   

Een paar voorbeelden: wat we gisteren nog kon noemen gewaarwording, een woord dat natuurlijk op een bepaalde manier opgevat kan worden, is dan nu tot 'waarneming' ge­worden, je neemt waar. Je neemt iets in je op en je ontdekt dat het waar is. Het woord 'waarneming' heeft gewicht, nietwaar, als we dat zo gebruiken.        

Denkt U eens aan het begeren, aan het driftleven, zoals dat door de geastrali­seerde, bezielde wezens wordt geopenbaard. Het begeren, dat is nu iets wat op de menselijke trap, dus op de Ik­-trap is gekomen, en dan tot een gemotiveerd willen kan komen. Iets wat nu in een bewuste voorstelling eerst wordt opgenomen en dan tot een motief wordt gemaakt voor de handeling wordt.

        

We hadden het voorheen ook nog over de reflex, dat kort­ tussen dat wat opgenomen is, tussen de indruk van de buitenwereld krijgt, en de daarop volgende reactie. En we hadden geponeerd, dat het dier uitsluitend reageren kan. Dan treedt er bij de mens, bij het lk-wezen de mogelijkheid op tot een tussenfase, tussen de indruk van buiten, de ervaring van buiten, en de handeling van binnen uit. Tussenfase; ook weer een distantie scheppen, waarvoor je het woord 'overleg' kunt gebruiken. 'Overleg wat ik ga doen'. Een beroemd voorbeeld uit de oude psychologie is het volgende: Bij de experimentele dierpsychologie vonden Buytendijk, een beroemde professor in de fysiologie en psychologie in Groningen, die hele mooie lezenswaardige boeken heeft geschreven, en zijn medewerkers het volgende: dieren leren alleen maar van hun successen. Ik ga daar nu geen lange uitweiding over houden, maar het is bewezen. Dus als ze wat gaan proberen, dan is in hen dat proces ook vastgelegd door hun organisme.

 

U weet hoe dat gaat, bij kleine poesjes en bij kleine hondjes (ofschoon huisdieren meestal niet het goede voorbeeld zijn, maar je hebt ze dicht bij de hand)Ze gaan spelen en daarbij oefenen ze. En wat ze dan tenslotte kunnen, hebben ze alleen maar geleerd door hun successen bij het proberen. Ze proberen net zo lang tot het een keer lukt, zo van 'ja, zo moet je het doen'.

Bij de mens is dat anders. Die leren uiteraard ook van hun successen hoor, gelukkig wel, maar een mens kan ook leren van mislukkingen. Voor een dier is een mislukking iets waar het totaal machteloos tegenover staat. Het is heel interessant als je naar een poes kijkt die een vogeltje gemist heeft, · daar staat hij gewoon sprakeloos tegenover. Maar als bij een mens iets mislukt is, dan gaat hij eventjes op een stoel zitten en denkt: 'waarom is dat mislukt?' Er ontstaat bij de mens, zegt Buytendijk, heel interessant, een vraag. Bij een dier ontstaat nooit een vraag. Vragen is een Ik-daad. U weet dat het moeilijk is om te vragen.

Dat gaat helemaal van je Ik uit, het ver­mogen om een vraag te stellen. Dat vermogen ontstaat uit een andere eigenschap die we ook al hebben genoemd, nl. uit 'interesse', uit de belangstelling. Mooie woorden hoor! 'Belangstelling', ik stel dat iets belang heeft. Prachtig woord. Helemaal door ons Ik te bekijken. ‘Interesse', dat dan een vreemd woord is, het 'er tussen zijn', is ook een woord dat we altijd weer gebruiken en dat in die zin toch ook een grote, verduidelijkende betekenis heeft. Dat is dus wat ik de vorige keer al zo'n beetje aan U heb voorgelegd.

Nog een opmerking die misschien hier op zijn plaats is: dat, nu door de goddelijk-geestelijke leiding die mensheid met het Ik is begiftigd, de enkele mens door de verschil­lende bestaansvormen heen ook in een continuïteit leeft.

Dus door de verschillende bestaansvormen heen: van levens op aarde en van bestaansvormen daar tussenin, in de geeste­lijke wereld. Tussen een dood en een volgende geboorte duurt dat mensenwezen voort. Hij gaat niet bij wijze van spreken, zoals bij de dieren en planten het geval is, hele­maal spoorloos over in het heelal.

 

Het mensenwezen blijft als individualiteit in zijn verschillende bestaansvormen als Ik-kern in stand en verinnerlijkt steeds meer van al datgene wat hij dus in de loop van zijn verschillende bestaansvormen aan ervaringen heeft opgedaan. Verinnerlijkt dat steeds meer en meer in zijn wezen en ondergaat daardoor een voortdurende, een voortlopende ontwikkeling, die dan weliswaar verschillende kanten heeft, zowel geestelijke bestaanskanten alsook aardse bestaanskanten.

Welnu, die Ik-organisatie wordt telkens weer voorbereid. Wanneer de mens de weg naar een nieuw aardebestaan inslaat, wanneer hij dus door het middernachtelijke uur van het bestaan heengegaan is en onder de leiding van de leidende machten weer een nieuwe incarnatie moet voorbereiden, dan wordt deze Ik-organisatie overeenkomstig zijn wezen ook weer voorbereid. En in die zin kun je dus wel zeggen dat in de Ik-organisatie ingebouwd is, als instrument voor het Ik, de vrucht van de ervaringen van het Ik uit vorige incarnaties. Je zou zelfs kunnen zeggen, dat de Ik-organisatie zoals het kind die meekrijgt al bij zijn geboorte, eigenlijk het instrument is, het door het uit vorige incarnaties gevormde instrument. Dat zou je kunnen zeggen, en dat is met enkele argumenten die ik straks wel zal noemen, te funderen.

   U weet dat bij die gang naar het komende aardeleven de mens dus op de eerste plaats een Ik-organisatie als instru­ment, ja als werktuig voor zijn Ik, krijgt, en dat hij dan met een astraallichaam (daar hebben we het gisteren over gehad) wordt omkleed en dat kort voor de conceptie, voor­dat dus werkelijk een vereniging met de fysieke kiem zal gaan plaatsvinden, dan ook nog de omkleding met een vorm­krachtenlichaam plaatsvindt.

        

Waarde vrienden, ik wou toch hier een paar woorden over die Geestkiem zeggen, want dat schijnt toch bij velen van U een brandend probleem te zijn. Die Geestkiem is iets wat wel degelijk met ieder van ons persoonlijk individueel te maken heeft, verbonden is. Ieder mens heeft zijn eigen geestkiem voor het fysieke lichamen toch is die geestkiem aan de onmiddellijke invloed van Ik, astraallichaam en etherlichaam onttrokken. De geestkiem van het fysieke lichaam is zelfs voordat Ik, astraal- en etherlichaam zich met de kiem verbinden al reeds werkzaam geweest, drie weken lang (meestal gedurende niet helemaal drie weken), na de bevruchting.

Dus die geestkiem werkt de eerste 2 ½ week (zullen we maar zeggen na de bevruchting op de fysieke kiem in en dan pas mogen in de geestkiem voorbereide fysieke kiem ook het Ik, het astraallichaam en het etherlichaam indalen. Dat is voor U dus een probleem. Het is zelfs zo'n probleem, dat ik er de helft van mijn embryologieboek aan heb gewijd. Maar ik wil er hier toch met een paar woorden op ingaan. Waarom eerst Geestkiem en dan het andere? Ik wil hier als het ware lapidair iets neerzetten: De mensheid heeft van de boom der kennis der kennis gegeten en daardoor is zij tot het onderscheid gekomen van goed en kwaad. Zij is door de zondeval gegaan. En de ge­volgen van de zondeval werken door in de wezensdelen.

De mens heeft echter niet mogen eten van de boom des levens. Dat is hem onthouden. Maar datgene wat de vrucht van de boom des levens is, dat werkt wel degelijk in ons fysieke lichaam. En wat nu die Geestkiem als krachten in zich heeft, dat is lapidair gezegd eigenlijk boom-des-levens­ substantie, boom des levens. Het is iets dat werkt nevens dat andere: die invloeden van Ik, astraallichaam en etherlichaam. En dat moet dan ook eerder werken. Het moet een zodanige grondslag leveren, dat al datgene wat onvolmaakt is, wat we in ons aardeleven weer moeten meebrengen, dat dat een goede, volmaakte, harmonisch voorbereide grond vindt voor de boom des levens.

Maar als je nou vraagt: "Wat ontstaat er eigenlijk in de eerste 3 weken van de embryonale periode?" Dat weet men nu van de natuurwetenschappelijke kant eigenlijk pas nauwkeurig sinds relatief kort geleden. Nu mag U denken: waarom? Dat hangt samen met het verschijnsel van de gelegaliseerde artificiële abortuspraktijken, waardoor er onbegrensd 'materiaal' voor embryologisch onderzoek ter beschikking is gekomen. En dan blijkt uit de nieuwe resultaten van onderzoek, dat in de eerste 3 weken nog niets van het eigenlijke lichaampje wordt gevormd. Nog niets! Alles wat in die eerste 3 weken gebeurd, is 'omtrekwerking', is perifere, omhullende werking, is beschermende werking.

 

Daaruit worden dan na die 3 weken de zg. hulporganen placenta, amnion (is resp. moederkoek, vruchtwaterzak), de zg. embryonale hulporganen, gevormd. Dat worden zij dus nadat ik, astraal lichaam en etherlichaam aan het werk mogen om aan het eigenlijke embryonale lichaampje (na 2 1/2 a 3 weken) te gaan vormen. Daarmee heb ik natuurlijk niet de hele zaak zodanig verklaard dat U er veel mee kunt beginnen, maar ik wou dit hier toch eens op zo'n manier zeggen.

Het gaat dus bij die Geestkiem enerzijds en bij die andere wezensdelen anderzijds om twee elementen: de boom des levens en de boom der kennis. Ik durf dat hier zo wel uit te spreken; ik zou het niet wagen zo­iets in een boek op te schrijven!

Nu nog een kleine aanvullende opmerking: alles wat met geestkiem werkzaamheid samenhangt, is gevrijwaard van Luciferische en Ahrimanische invloeden. Daar hebben Lucifer en Ahriman geen toegang toe, tot het werk van de Geestkiem. Maar ze hebben wel degelijk toegang tot     alles wat het gevolg is van het eten van de boom van goed en kwaad, dus op ons Ik-wezen, de Ik-organisatie, ons astraallichaam, ons etherlichaam en ook op ons fysieke lichaam in zoverre dat door die andere wezens­delen wordt bewerkt

We gaan verder, want dit was eigenlijk een intermezzo Ik wil nog wat over die Ik-organisatie zeggen. Die Ik­-organisatie heeft ook een element waarin die werkt. Dat is de warmte, het warmte-element. We weten dat het warmte-element al het andere doordringt. Je kunt lucht verwarmen, je kunt water verwarmen, je kunt vaste stof­fen verwarmen, en de warmte doordringt altijd alles. Natuurlijk probeert men in de techniek warmtewerende materialen te construeren en ook warmtevasthoudende, maar aan de andere kant merk je dat ze op den duur de warmte of kou toch doorlaten. Het is dus een element dat al het andere doordringt. Typisch ook voor de werkzaamheid van het Ik-organisme. Daardoor hebben we de mogelijkheid om vanuit ons warmteorganisme, ook een organisme dus, ons in ons Ik-wezen te manifesteren. U kent dat uit het dagelijkse leven, nietwaar: wanneer U het koud hebt, dat U dan veel minder vrij in Uw bewegingen bent, en als U het lekker warm hebt voelt U zich juist vrij in Uw zelfopenbaring, Uw zelfwerkzaamheid.

Het orgaan van het Ik-wezen, de Ik-organisatie, is het

Bloed. En zo hebben wij als mensen een bloedsomloop, die helemaal menselijk gevormd is. Die helemaal als bloedvaten­stelsel het stempel van de menselijkheid draagt.

Bijvoorbeeld: wij zijn in onze bloedsomloop van onze geboorte af zo geconstrueerd, zo gestructureerd, dat we rechtop kunnen staan. Het is toch heel interessant dat het zo maar mogelijk is, dat ons bloed van onze tenen zonder moeite naar ons hart kan stromen, ook al staan we 1 ½ uur lang stil. Als U gezond bent kunt U dat, daar merkt U niets van, U hebt dan na afloop geen dikke enkels. Heel merkwaardig, een wonder. Het is een veel groter wonder dat we geen dikke enkels hebben wanneer we 1 ½ uur gestaan hebben, dan dat we ze wel zouden hebben... Eigenlijk zou het heel gewoon moeten zijn als we dan allemaal zulke dikke enkels zouden hebben! Zo heeft Dr. Leen Mees dit eens gezegd. U weet dat Dr. Mees de dingen zo graag als paradoxen vertelt. Zo ook deze tegenoverstelling en dat vind ik een prachtige paradox. Die is me bijgebleven.

 

 

Zo is dat hele bloedvatenstelsel aangelegd. Kijk eens, op je kop staan, daar is het bloedvatenstelsel nu niet op ingesteld. Je hebt van die mensen die er een gewoonte van maken van tijd tot tijd op hun kop te gaan staan; bij bepaalde vormen van yoga schijnt dit voor te komen. Dat is een uitzonderingstoestand. Je bent er echt niet op gebouwd om op je hoofd te staan. En wanneer U dat onge­oefend doet, dan merkt U dat ook heel gauw. U krijgt er zelfs een andere bewustzijnstoestand door en dat is - ik heb het zelf nooit gedaan- voorwaarde voor die bepaalde yogaoefening. Je vraagt je wel af of dat heden ten dage nog de juiste weg is, maar bij de yogaontwikkeling be­stond dus inderdaad die mogelijkheid.

 

We hebben dus een warmteorganisme, een bloedorganisme. En verder werkt dit als afdruk, als uitdrukking van onze Ik-organisatie. Wanneer we de Ik-organisatie willen bestu­deren in zijn eigen zijn, dan houdt U zich bezig met ons warmteorganisme en met onze bloedsomloop. Maar er komt nog meer: ons ik – ik spreek nu weer even over ons Ik – dat vormt dus weer onze andere wezensdelen om. We denken een ogenblik aan het astraallichaam. Hoe wordt het astraallichaam omgevormd? Een voorbeeld daarvan: alles wat bestaat als gewaarwordingvermogen van het astraallichaam als grondslag, als instrument voor het zielenleven, wordt nu, wanneer het door het ik doordrongen wordt, omgevormd, gemetamorfoseerd, en wel in het waarnemingsvermogen en ook in het vermogen tot voorstellen. De enkele gewaarwording wordt tot voorstelling, tot beelden van datgene wat je gewaar geworden bent en waar­genomen hebt. Het is niet uitsluitend -daar kom ik straks op - een omvorming van het astraallichaam wat tot ons voorstellingsvermogen voert, het etherlichaam doet daar ook aan mee, wordt daar ook voor gebruikt.

Wat betreft het begeerteleven, driftenleven, wat alles in ons in actie brengt, in reactie brengt, dit wordt door de lk-werkzaamheid in het astraallichaam omgevormd, opgeheven tot het willen: de menselijke wil. Men kan het ook zeggen in de zin van de 'Algemene mensenkunde’, die inleidingcursus voor de eerste leraren van de eerste Waldorf-school, de begeerte wordt gemetamorfoseerd tot motief, tot motief van handelen. En datgene wat dan het innerlijk beleven van de dingen is, het dof innerlijk be­leven zoals dat in de dierenwereld nog is, wordt tot ons voelen, ons voelend beleven, weven in sympathie en anti­pathie, zoals dat ook weer door het lk bestuurd wordt.

 

Wat betreft het etherlichaam hebben we al gezien hoe dat zijn orgaanopbouwkrachten, orgaanvormende levenskrachten in dienst stelt van de Ik-functie en wel zodanig, dat men

daardoor het vermogen tot herinneren krijgt. Bij het voor­stellen werkt natuurlijk ook de herinneringskracht, dat­gene wat het etherlichaam nu eenmaal als eigenschap heeft. Het etherlichaam heeft natuurlijk als vitale eigenschap dat wat we psychisch als herinnering beleven kunnen. Het etherlichaam heeft natuurlijk een ‘geheugen’ voor dat wat het gedaan heeft: wanneer het organen vormt, wanneer het groeikrachten ontwikkelt, wanneer het behoudskrachten ont­wikkelt, wanneer het vernieuwingskrachten ontwikkelt. Daarbij heeft het etherlichaam natuurlijk als vormingslichaam, als vormkrachtenlichaam, een soort organisch geheugen voor dat wat het gedaan heeft, zodat het de volgende stap kan doen. En dit organische geheugen van het ether­lichaam wordt nu oomhooggeheven in de geestelijke sfeer en wordt daardoor dan tot het vermogen van herinnering.

U ziet hoe we met de grondslagen die wij ons met elkaar eigen hebben kunnen maken wat betreft die wezensdelen, hoe we, nu we ze alle vier in het oog hebben, kunnen gaan werken. En hoe we kunnen gaan onderzoeken hoe wisselwerking en beïnvloeding, de wisselwerking tussen de wezensdelen en de beïnvloeding van boven naar beneden van het­ ene wezensdeel naar het andere plaatsvindt.

 

 

Hoe werkt het Ik, hoe werkt de Ik-organisatie op het fy­sieke lichaam? ­

Welnu, afgezien van het bloed, het bloedvatenstelsel en de bloedsomloop die we al hebben genoemd, komt er iets heel interessants en dat is: het menselijke skelet.

        

Er staat in het zg. medische boek, "Grondslagen voor een verruiming van de geneeskunde volgens geesteswetenschappelijke inzichten”, at door Dr. Steiner en Dr. Wegman samen is geschreven, een heel interessante zin, nl." ‘het skelet is het fysieke beeld van de Ik-organisatie’.

Grandioos hoe je hier tastbaar, ja zelfs het meest concrete, vaste, het meest verharde van het menselijke fysieke lichaam hebt. Dat we hier nu juist een afbeel­ding hebben van het hoogste dat wij in ons hebben, en wel in het skelet. Het skelet in zijn substantie, maar ook in zijn structuur, zijn vorm, zijn gestalte. Ik wil daar niet over uitweiden, de tijd is daarvoor te kort, maar U begrijpt wel dat zo'n zin natuurlijk een meditatieformule is. Met zo 'n zin kan U een heel leven lang voort: "Het skelet is het beeld, is het fysieke beeld van de Ik-organisatie".

Nu de huid, de menselijke huid, zoals die ons omkleedt en ons afsluit, die heeft ook heel veel met het Ik te maken. Daar kom je achter wanneer je de zintuigen gaat bekijken. Daar heb Daar heb je de tastzin bijvoorbeeld, die over het hele lichaam is verbreid. Met die tastzin scheid je jezelf fysiek af ten opzichten van de wereld. De tastzin is als zintuig de bevestiging van ons Ik-wezen, de bevestiging van ons Ik-bewustzijn.        De dieren hebben ook zintuigen.

 

 

Heel vaak zijn die zintuigen bij dieren veel grandiozer dan bij de mens. Wat ziet een arend niet met zijn ogen. Wat ruikt een vlinder niet met zijn reukorganen enz. Wat proeft een haai niet met zijn smaakorganen; U weet wel, die mooie sensatieverhalen. Maar goed, daaruit ziet men, dat een dier ook zintuigen heeft en wel tot een volmaakt­heid, tot een specialisatie ontwikkelt, dat je er als mens haast jaloers op zou worden. Het interessante is echter dat bij de mens wat betreft die zintuigstructuur altijd weer optreedt: de ontwikkelingsmogelijkheden. Wat bij de mineralen, bij de planten, bij de dieren tot hun uiterste eindpunt gespecialiseerd heeft, uitgegroeid is, dat wordt bij de mens teruggehouden. Maar daarvoor treedt alzijdigheid op. Wat bij het dier eenzijdigheid is, en daar thuis hoort, is bij de mens teruggehouden opdat bij de mens als Ik-wezen alzijdigheid kan optreden. En zo hebben wij in ons de totaliteit van onze 12 zintuigen. De f totaliteit van onze 12 zintuigen, waarde vrienden, die eigenlijk allemaal gelijkwaardig zijn. Die als Ik-poorten, fysieke poorten voor het lk naar de wereld toe alle 12 gelijkwaardig zijn.

De levenszin is ook een poort naar de wereld toe, alleen moet je dat 'wereld' als je eigen lichamelijk-zijn betitelen. Dat is voor het lk ook 'wereld', het lichaam is voor het lk 'wereld', de 'binnenwereld' 0 En het kan zijn bij onze gestoorde kinderen bijvoorbeeld, dat uit die alzijdigheid van de zintuigsfeer voor het lk nu toch een eenzijdig worden optreedt. Dat dat lk van het zieke, gestoorde kind dan te veel wordt gebonden, te veel wordt gebannen in de sfeer van een gedeelte van de zintuigen en dat daardoor bijvoorbeeld die verschijnselen optreden, dat ze gefixeerd, gefascineerd zijn door bepaalde zintuig­gebieden. Een gebied waarover Prof. Lievegoed grondleggend werk heeft verricht en wat in publicaties van hem te vinden is.

 

Nu kom ik op iets wat hier nog bij hoort, nl. de kwestie van ons Ik-bewustzijn en vitaliteitbevorderende organen in ons organisme.

En daar moeten we dan ook hier een ogenblik stilstaan. De Ik-voorstelling, hoe ontstaat die? Doordat wij het vermogen hebben tot vasthouden van ons hele afgelopen biografiedeel, vasthouden in de herinnering, doordat we een wezen zijn met een geheugen, dat zich als zodanig ook kan concentreren zodat we daarmee het hele verleden vasthouden. Daaraan danken we onze Ik-voorstelling. Dat is iets wat in het geheel van de beeldvorming, van de voorstellingsvorming, thuishoort. We hebben voorstellingen van de wereld om ons heen; we hebben ook een voorstelling van ons Ik. We hebben een voorstelling van ons Ik die blijkt te bestaan (ik heb betreffende citaat voorgelezen) uit de som van onze herinneringen. U weet wel, op de eerste middag heb ik U een citaatje voorgelezen uit de cyclus: "Antroposofie, een Inleiding". Dat is de Ik-voorstelling. Maar die Ik-voorstelling is natuurlijk toch tot op zekere hoogte ab­stract. Daar kun je over discussiëren, met jezelf en met anderen. Je hebt namelijk van jezelf een   heel andere voorstelling dan anderen van je Ik hebben. Begrijpt U? Meestal heb je een heel aardige voorstelling van je eigen Ik, maar het kan best zijn dat anderen er een heel onsympathieke voorstelling van hebben. Zo, daar hebt U het al: abstract, die Ik-voorstelling. Het is een abstractie. Maar je hebt toch ook eigenlijk een heel andere beleven van je Ik-wezen, en dat heeft nu in een andere sfeer van je wezen zijn grondslag. De Ik-voorstelling bouw je op uit dat deel van het Ik, de etherlichaamsfunctie, die meer met het zintuigzenuwstelsel te maken heeft. Maar je Ik hebt ook aan de kant van het stofwisselingsledematen­    stelsel ergens een ontmoeting met je eigen Ik. Je kunt het geen voorstelling noemen, maar het is wel een ont­moeting. Je hebt aan de kant van je stofwisselings­-ledematenstelsel een ontmoeting met je eigen Ik.

Bijvoorbeeld: door alles wat jij doet, wat je kunt en wat je niet kan, wat dus in een wisselwerking van jezelf en jouw omgeving ontstaat. Dat iets lukt, iets mislukt, dat wordt tot een ontoetingsbeleven van je Ik-in-de-wereld.         Kunt U zich dat zo voorstellen? Dus dat je je telkens stoot aan de wereld, in zoverre het lukt wanneer je iets doet. Dat vind je ook bij een menselijke ontmoeting, je vindt begrip wanneer je iets wilt, of jij vindt het niét.

Het is een ontmoeting met de wereld en daardoor tevens een ontmoeting met je eigen zelf. Vooral wat we met daden beleven, met invloeden die we uitoefenen, het wordt tot een ontmoeting met je eigen zelf. En het kan ook subtieler worden. En dat werkt in ons onderbewustzijn wel degelijk door. In ons slapende bewustzijn dan, dat je daarin namelijk op die manier heel subtiel ook het hogere Ik, je Ik dat alleen maar in het slaapleven werkt kunt ontmoeten.

Namelijk daar waar je het vermoeden hebt: "Mens, daar zit toch lijn in mijn leven. Ik word telkens naar iets geleidt in mijn leven wat goed voor me is, wat bij me hoort.      En als je dan je gehele leven gaat bestuderen, dan merk je dat je Ik niet alleen hier zit, maar ook in de wereld uitgespreid is, en dat is net zo ruimteloos en tijdloos als het maar zijn kan. Het is eeuwig. Maar het is ook alomtegenwoordig.

Waarde vrienden, het ik zit dus geankerd in het aardeleven. Het is niet zelf het anker, het heeft een anker. En we leven dus werkelijk overal in dat Ik, en doordat onze biografie door ons hogere Ik als het ware in een soort levensplan is aangelegd - tijdens het leven tussen de vorige dood en de nieuwe geboorte- (dat noem je dan karma) hebben we een vermoeden van op handen zijnde ontmoetingen met onszelf, ·wanneer we daarop subtiel onze levensloop bekijken. Kortom, daar waar je dus dadenwezen bent, daar waar jij aan de gang gaat, daar waar je dus je voetstappen gaat zetten, werkt ook een Ik. En wel een heel wezenlijke Ik! Een Ik dat geen abstractie is, maar een realiteit. En dat begeleidt ons voortdurend onbewust, onderbewust, door ons dagelijks leven heen.

We hebben dus aan de ene kant ons Ik wat ons uit het verleden tegemoet komt, als Ik-voorstelling. En aan de andere kant wat ik nu net heb aangeduid, (dat je zou kunnen betitelen met iets als Ik-beleven, maar dan zeer onbewust en vaag, doch wel heel werkelijk, heel reëel.

En daar tussenin, in ons midden, hebben we dan datgene(het zijn termen die je dan willekeurig kiest, woorden waar U helemaal geen bijzondere waarde aan hoeft te hechten) wat het Ik-bewustzijn zou kunnen zijn, wat dus niet een Ik-voorstelling vormt, maar iets wat helemaal in het middengebied leeft, in ons gevoelsleven, Het Ik-bewustzijn dus. En daar is dat gebied waar je dus bij jezelf bent, waar je dus het vermogen blijkt te hebben dat jij aan een ogenblik duurzaamheid kunt verlenen. Waar je in staat bent om stil te gaan staan, stil te gaan zitten, en het verleden, de toekomst in een verband te brengen, plannen te maken, terugblik te houden, je te concentreren, te mediteren en de ‘tijdloze ruimte’ te scheppen waardoor het tijdloze je geest binnen kan dringen. Waarin je jezelf als geestelijk wezen in de ontmoeting met jezelf hebt.       

Nu kan dat Ik, zoals U weet, zich nog verder ontwikkelen en op de andere wezensdelen inwerken. Het omgewerkte astraallichaam wordt tot gewaarwordingziel, het omgewerkte etherlichaam tot verstand of gemoedsziel, het omgewerkte fysieke lichaam wordt tot bewustzijnsziel. Dat is dus iets wat min of- meer nog vanzelf gaat, maar een echte intensieve Ik-werkzaamheid kan de verschillende wezensdelen veredelen. Het astraallichaam tot geestzelf, het etherlichaam tot levensgeest, en het fysieke lichaam tot geestesmens. Dat kan. Dat is niet vanzelfsprekend, het kost moeite. Wat helemaal geen moeite kost is, dat het Ik afhankelijk wordt van de lagere wezensdelen. Dat kost helemaal geen moeite. Weet U wel, wat verkeerd is gaat veel gemakkelijker dan wat goed is. Het foute, het ver­keerde, het kwade, het boze, dat gaat altijd vanzelf. Waarom gaat dat vanzelf? Omdat juist de tegenmachten zich voor ons interesseren en overal waar een gaatje is, komen ze meteen binnen. Dus als je ze ergens maar een klein kansje biedt, wanneer je Ik een beetje zwak is, dan duikt er zo 'n duveltje in en dat gaat dan zijn best doen om dat onoplettende, dat ongehoorzame Ik, aan onszelf onge­hoorzame Ik, te verleiden. En zo kan het dan komen dat op den duur het Ik-wezen, het lagere Ik wel te verstaan, waarvan we ons een voorstelling kunnen vormen, de slaaf wordt van de lagere wezensdelen. Dat is in eerste instan­tie een morele tekortkoming, maar het kan ook zijn gege­ven vanuit een vorige incarnatie, als levens-lot, waardoor het Ik in deze incarnatie dan aan de hand van die situatie zich opnieuw heeft te versterken. En zo krijg je dan die bin­dingen vanuit het zwakke Ik aan overheersende lagere wezens­delen, waarbij het zwakke Ik tegenover het daardoor over­heersende astraallichaam een van die gegevens is, waarmee we natuurlijk in onze heilpedagogie en in onze sociaalthe­rapie het allermeeste hebben te maken.

 

Nu zou ik nog een ding voor U willen neerzetten. Ik vind het een beetje riskant, maar ik wil het toch niet nalaten, omdat het iets is wat bijvoorbeeld op het seminarie waar ik werk een onderwerp van gesprek is. Dat is de kwestie van dat wezenlijke Ik, dat ware Ik, dat we dus ontmoeten in onzen dadenwerk en in onze levensloop. Dat ons eigenlijk ons zijnsbeleven verleent. Dat niet tot een abstracte voorstelling kan worden, maar dat aan ons ons Zijn verleent.

Weet U deze kant van het Ik, die dus in ons wilsorganisme, in ons dadenorganisme werkt, die kan nou te zwak of te sterk zijn. Dit deel van ons Ik-wezen kan zich te weinig beleefbaar maken. Het woord ‘beleefbaar’ is al niet meer goed, want het is hoogst onbewust. Zijnsbeleven is een zeer diepzittend beleven, wat ons wel begeleidt, maar waarvan we ons meestal niet bewust zijn. Het berust op de werking van ons Ik-organisatie in ons stofwisselings-ledematenstel. Is die werking te zwak, dan zwijgen onze stofwisselingsledematen krachten wat betreft hun werking in ons zielenleven. Dan zwijgen ze en dan worden we, ook wanneer we een zekere mate van Ik-voorstelling hebben, tot een voorwerp onder voorwerpen. Daar heb je de autistische beelden. De autist kan dáárom geen Ik-zeggen leren, omdat hij zijn Ik niet als zijnselement beleeft.

Het omgekeerde: het polaire beeld kan jij beschouwen wanneer jij zo sterk gevangen bent in een overmatig zich openbaren van dat zijns-beleven, dat alles nu aan Ik-werking in ons stofwisselingsledematen stelsel omhoog stijgt, de grenzen van het Ik-bewust­zijn doorbreekt, en nu als hoogst reële wereld in ons bewustzijn binnendringt. Dat is o.a. datgene wat men psychose noemt. De hallucinatoire toestanden. Al die toestanden waarin men waandenkbeelden heeft, angstgevoelens krijgt, al datgene wat op het gebied van het psychotische ligt, kun je ook zien als een verdichting, als een uitpersen van allerlei waarin het hogere Ik nog heel diep verborgen zou moeten blijven, en dat nu de neiging krijgt om toch te vroeg in dit leven zich al te manifesteren.

 

 

SPREUK

 

Wij willen ons

in onze ziel met de geest verbinden,

die in ons werkt,

en die ons de weg tot Christus wijzen moge,

dat onze zielen in elkander klinken

en de ons leidende geesten zich beraden,

hoe wij vereend de geest kunnen dienen, die zich in de mensheidswording openbaart.

 

SPREUK van Fred Poeppig uit "Wege zu einem meditativen Leben". (Verlag Die Kommenden, Freiburg)

Vertaling door medewerkers van Scorlewald en de Zonnehuizen
Comments