Schoolrijpheid

Naar School

Door Aart van der Stel

 

De overgang op school van spelen naar leren is niet meer zo duidelijk gemarkeerd. Daardoor

zou je bijna vergeten te kijken of het kind er wel aan toe is de kleuterfase definitief de rug toe

te keren. De Rotterdamse huisarts Aart van der Stel beschrijft de ontwikkeling van een kind in

de eerste zeven jaar. Aan de hand daarvan maakt hij duidelijk hoe je kunt merken dat een kind

echt schoolrijp is.

Vroeger ging een kind met zes jaar naar de lagere school. Nu gaat het naar groep

drie. Dat lijkt hetzelfde, maar dat is schijn. Het drukt uit dat het bewustzijn

vervaagt over het verschil tussen een kleuter en een lagereschooltijd. Het

doortellen van groep één naar groep drie en hoger wil ons doen geloven dat de

overgang van de kleuterschool naar de basisschool geleidelijk gaat. Maar we doen

onze aankomende basisscholieren onrecht aan als we niet bewust stilstaan bij de

veranderingen die optreden rond het zesde, zevende jaar. Kinderen zijn niet

allemaal op hetzelfde moment klaar voor de basisschool. Bij de een zal er met

zes jaar al sprake zijn van een zekere uitgerijptheid, bij de ander pas met zeven.

Om er een idee van te krijgen wanneer een kind schoolrijp is en wat je je

eigenlijk bij het begrip schoolrijpheid moet voorstellen, moeten we goed kijken

naar de ontwikkeling van een kind.

. Lopen

. Spreken

. Denken

. Spelen

. Groeikracht

 

Lopen

De ontwikkeling van het kind verloopt niet in een vloeiende lijn, maar in fasen. In het eerste

jaar is het kind vooral bezig met het ontwikkelen van zijn motoriek. Het leert zijn spieren

onder controle krijgen, zijn ogen te coördineren om naar één punt te kijken, zijn handjes te

gebruiken om van alles vast te pakken en, het allerbelangrijkste, zijn beentjes te beheersen om

ermee te staan en te lopen. Rond het eerste jaar is een kind in staat zijn lijfje te gebruiken

zodat hij de wereld kan gaan verkennen. Dat betekent ook dat hij van alles gaat waarnemen.

Om goed te kunnen waarnemen moet je afstand nemen. Een schilderij bekijk je niet door je

neus erin te begraven, maar door er een stukje vanaf te gaan staan. Doordat hij kan staan en

lopen, kan het kind nu ook afstand nemen van de wereld om hem heen. Daardoor krijgt hij

een steeds scherper beeld van de mensen en dingen, maar ook een helderder idee over

zichzelf. Hij ervaart voor het eerst dat hij een apart wezen is, los van zijn omgeving. Dat is

een unieke gebeurtenis. Niets is fantastischer voor ouders dan hun kind letterlijk te zien

stralen als het voor het eerst staat en de sensatie van onafhankelijkheid ondergaat.

Spreken

Aan het eind van het eerste jaar gaat een kind experimenteren met de taal. Het gebrabbel

maakt plaats voor het spreken van herkenbare woorden. De tot dan toe anonieme wereld

wordt benoemd met bijpassende, al dan niet aan de eigen fantasie ontsproten namen. Taal

wordt langzamerhand een instrument om de wereld mee te herkennen. Dat proces verfijnt zich

voortdurend, de woordenschat wordt voortdurend groter en het kind kan zich steeds beter

uitdrukken. Het kan nu ook laten zien wat er bij hem van binnen omgaat. Gevoelens van

plezier, onbehagen, pijn of honger kunnen naar buiten worden gebracht omdat hij er woorden

voor heeft.

Het kind maakt nu dus contact met de wereld om hem heen en met zijn eigen binnenwereld.

Als uitdrukking van dat nieuw verworven besef van zijn eigen gevoelsleven, kan een kind in

deze fase soms eenkennig worden. De ontwikkeling van de taal bereikt in het derde jaar een

hoogtepunt als hij in staat is in duidelijke, grammaticaal juiste zinnen te spreken. Het geeft

kleur aan zijn taal en kan overal over meepraten. Het kind merkt dat hij door de taal

verbanden kan leggen en gebeurtenissen begrijpen. Het begint grapjes te snappen en laat

duidelijk merken dat het nadenkt over wat hij meemaakt.

Denken

Na lopen en spreken is denken de derde grote stap die het kind maakt. Het denken wordt het

werktuig waarmee hij nog dieper in de wereld kan doordringen dan met de taal mogelijk was.

Maar er gebeurt nog iets. In zijn derde levensjaar gaat het kind zich vroeger of later afvragen,

ook al is het onbewust: wat is nu het verband tussen de dingen om mij heen, die ik kan

waarnemen en benoemen, en mijzelf?

Dan doet het kind een enorme ontdekking, die vaak de eerste bewuste herinnering is aan de

kindertijd: het ontdekt zijn "ik". ‘Ik ben het die loopt, spreekt en denkt. Ik ben iemand!’ Nooit

zal ik vergeten dat een van mijn kinderen in die fase plotseling verzuchtte: ‘Ik ben een mens’.

Dit is in het kinderleven een heel belangrijk moment dat de eerste drie jaar van zijn

ontwikkeling afsluit. Van nu af draait alles in zijn leven om het besef een individu, een ik te

zijn. Alles wat een kind verder doet, moet te maken hebben met het uitgroeien en verdiepen

van dat ik-gevoel.

Spelen

Tot nu toe waren lopen, spreken en denken nog slechts vaardigheden. Het zinvol hanteren van

die vaardigheden, naar eigen inzicht en vanuit de eigen wil, moet nog komen. Dat gebeurt in

de tweede helft van de kleutertijd. Het kind gaat experimenteren met lopen, spreken en

denken en het grappige is dat het die vaardigheden nu in omgekeerde volgorde afwerkt. Het

denken wordt verkend in de ontwikkeling van de fantasie. Het kind, inmiddels een peuter,

verandert willens en wetens iets in zijn omgeving en bestudeert het effect van zijn handelen.

Dat noemen we spelen. In het spel staat niets vast. Alles staat in dienst van de fantasie, die

niets anders is dan het praktisch gemaakte denken.

Spelen

De volgende stap is het samenspel. In de peuterklas speelt elk kind nog een beetje voor

zichzelf, maar in de kleuterklas begint het met andere kinderen te spelen. Dat maakt het spel

leuker en spannender. Het sociale element voegt duidelijk iets aan het spel toe. Het sociale is

in feite niets anders dan een intensivering van wat in het tweede jaar ontstond als spreken. In

de kleuterklas oefent het kind zich in het spreken vanuit zichzelf, vanuit zijn ik.

In het laatste kleuterjaar gaat het spel wat tanen. Het heeft het open, toevallige karakter

verloren en is doelgericht geworden. Het kind neemt de leiding op zich als de kleinere

kinderen spelen. De grote kleuter wil iets hebben om te doen en zich niet alleen door zijn

fantasie laten vermaken. Het is moeilijk de oudste kinderen in de kleuterklas nog zinvol bezig

te houden. Een kind van zes of zeven is, zoals kleuterjuffen dat noemen, letterlijk uitgespeeld.

Het weet wat het wil en staat daarvoor. Deze fase doet denken aan het leren staan en lopen uit

het eerste jaar, zij het dat het kind van zes niet alleen lichamelijk onafhankelijk is, maar dat

die onafhankelijkheid zich nu ook uitstrekt tot zijn gedrag. De waarneming, die eerst was

verbonden met het staan en lopen, richt zich nu op de eigen wil. En net als toen het voor het

eerst stond, straalt ook nu het zelfbewustzijn van het kind af.

Natuurlijk doet ieder kind het op zijn eigen wijze, maar in grote lijnen zal de ontwikkeling

van kinderen in die eerste zes, zeven jaar ongeveer zo verlopen. Er zit systeem in de manier

waarop een kind in zijn lijfje groeit. Spel is daartoe een belangrijke voorwaarde.

Aan het spel dankt het kind zijn harmonische ontwikkeling en het goed begeleiden en voeden

van de behoefte aan spelen is een van de belangrijkste taken voor ouders en leerkrachten

Groeikracht

Op de basisschool gaat het kind heel andere dingen doen dan op de kleuterschool. Lopen,

spreken en denken staan niet meer in het teken van de fysieke ontwikkeling en het leren

kennen van de eigen binnenwereld, maar dienen het ontdekken van de wereld om hem heen.

Daarvoor moet hij zich allerlei vaardigheden eigen maken, zoals leren lezen, schrijven en

rekenen. En daar heeft hij veel energie voor nodig.

Je kunt je afvragen waar een kind die energie vandaag haalt. Het antwoord is even

ingewikkeld als eenvoudig: zijn groeikrachten. De krachten die hem de eerste jaren in staat

stelden zich lichamelijk en motorisch te ontplooien, komen nu voor een deel vrij, want het

lichaam is grotendeels voltooid en hoeft ‘alleen’ nog maar te groeien. Er is een overschot aan

groeikracht. Door dat overschot kan een kind zich gaan verbinden met de wereld om hem

heen en dat doet hij door te leren. Wil een kind dus op een zinvolle manier kunnen leren, dan

moet de energie over hebben, en dat heeft het alleen als het die energie niet meer nodig heeft

voor zijn lichamelijke ontwikkeling.

Of een kind klaar is voor de overstap van de kleuterklas naar de basisschool, hangt dus van

meer af dan van zijn intellectuele vermogens. Het kan heel goed zijn dat een kind de krant al

kan lezen, maar er lichamelijk nog lang niet aan toe is zich helemaal aan het leren te wijden.

En omgekeerd is het helemaal niet gezegd dat een kind dat zijn naam nog niet kan schrijven,

niet schoolrijp is. Het is de taak van de kleuterjuf om aan het eind van de kleuterschool samen

met de ouders, en bij twijfel eventueel met de orthopedagoog of de schoolarts, te beoordelen

of een kind in staat zal zijn op de basisschool zinvol te functioneren.

Het is de ervaring van veel artsen en leerkrachten dat er steeds meer kinderen zijn met

problemen op school, variërend van dyslexie en motorische stoornissen tot verveling in de

klas en concentratieproblemen. Een van de oorzaken daarvan is dat onze samenleving meer

nadruk legt op activiteiten met je hoofd en zintuigen, dan met je ledematen. Daardoor krijgen

kinderen niet echt de kans om door spel en beweging hun lichaam in te groeien. En dat is nu

juist het allerbelangrijkste voor een kind. Pas als het het proces van leren lopen, spreken en

denken in de eerste zes of zeven jaar helemaal heeft afgesloten -en dan ook nog op een

manier die bij zijn persoonlijkheid past -heeft het de energie over om zich echt op het leren te

storten.

 

Wat betekent "schoolrijp zijn"?

 

 

Indien de Steinerschool kinderen wil begeleiden in hun ontwikkeling in denken, voelen en

willen verwachten we dat ze bij het begin van de eerste klas niet alleen op intellectueel

(cerebraal) gebied wakker en rijp zijn, maar ook emotioneel en fysiekmotorisch. In onze

cultuur is het intellectuele kunnen meestal minder een probleem. Toch worden in het reguliere

onderwijs kinderen naar onze mening meestal te vroeg naar de eerste klas gestuurd. Dit

standpunt komt voort uit onze heel specifieke visie op wat schoolrijpheid, d.w.z. "denkend

kunnen leren" betekent.

Denkkrachten zijn namelijk gemetamorfoseerde groeikrachten; dezelfde vitale krachten die

ons lichaam gedurende de eerste zeven levensjaren opbouwen komen vanaf een bepaalde,

voor elk kind individuele, leeftijd vrij -ten minste gedeeltelijk. Rond de leeftijd van zes à

zeven jaar is dit het meest duidelijk in het gebied van het hoofd: dan gaan de tanden wisselen.

De groeikrachten die voor de opbouw van de definitieve tandkronen nodig waren hoeven

daartoe nu niet meer beschikbaar te zijn, ze kunnen vanaf dan gebruikt worden om op een

meer abstracte manier te beginnen denken dan bij een kleuter het geval was. Dit (inderdaad

niet zo maar te begrijpen) principe van de metamorfose van groeikrachten in denkkrachten is

een van de grote inzichten van Steiner wat de ontwikkeling van de mens betreft.

Het is echter van het grootste belang omdat het eveneens betekent dat het te vroeg wegtrekken van deze vitale krachten uit het lichaam (door kinderen te vroeg op een intellectuele manier aan te spreken) aan de oorsprong kan liggen van latere ziekten, vroegtijdige veroudering, snelle vermoeibaarheid, enzovoort. Het ligt ook aan de basis van het feit dat in de eerste klassen van de lagere school het intellectuele leren eerder langzaam gaat; het is bekend dat de

hersenen pas rond het tiende levensjaar (derde klas) volledig rijp zijn.

Natuurlijk is de tandenwisseling maar één aspect van een geheel: de lichamelijke

schoolrijpheid uit zich ook in de verhouding van de totale lichaamslengte tot de lengte van het

hoofd, in het zich uitvormen van hals en lendenen, en voornamelijk in de motorische

vaardigheden van het kind. Bij de overgang naar de eerste klas moet een kind letterlijk "in

zijn voeten" aangekomen zijn, wat zich niet alleen uit in de lengtegroei van de benen (en

armen) maar ook in de ontwikkeling van zijn lichaamsbewustzijn, zijn links-rechts

dominantie, in de vaardigheid zijn lichaam motorisch te beheersen… Dat wordt nagegaan aan

de hand van allerlei stap-, spring- en evenwichtsspelletjes en in ritmische klap- en stapoefeningen.

Via allerlei teken- en andere opdrachtjes wordt nagegaan of een kind voldoende kan luisteren,

begrijpen, pauzeren en uiteindelijk uitvoeren wat gevraagd wordt.

 

 

 

 

Wat testen wij?

Schoolrijpheidsonderzoek

Bij het beantwoorden van de vraag of een kind schoolrijp is, wordt gekeken naar

verschillende aspecten in de ontwikkeling van het kind. De combinatie van al deze

aspecten is bepalend; de ontwikkeling op alle gebieden samen moet een harmonisch

geheel vormen. Het gaat daarbij niet allen om de vraag of het kind een aantal

vaardigheden beheerst, maar vooral ook om de vraag hoe het ermee omgaat.

 

Onderscheiden kunnen worden:

1. De lichamelijke ontwikkeling

2. De motorische ontwikkeling

3. De sociaal-emotionele ontwikkeling

4. De wilsontwikkeling

5. Taal- en spraakontwikkeling

6. De ontwikkeling van het denken

 

Meer in detail wordt de ontwikkeling getoetst aan de volgende elementen, die hier in

steekwoorden zijn genoteerd

 

1) Lichamelijke ontwikkeling

*Lengtegroei - strekking - benen lang en slank

*Gewrichten zichtbaar - spieren zichtbaar - vetreliëf verdwenen

*Romp slanker - taille zichtbaar

*Ruggenwervels in S-vorm - meer hals

*Gezicht meer vorm, weekheid verdwenen

*Ogen kleiner - mond dunner

*Uitdrukking anders, bewuster: kritisch-afwachtender

*Tandenwisseling: begint met 3e kies, overgangsperiode is ingezet

*Schoolkindgestalte, verhouding 1:6 - ledematen overheersen (is ook ontwikkeling van

de wil) *Soepele lenigheid - doelbewust - zelfstandigheid

*Mager door lengtegroei

*Wereld, horizon is verbreed

*Op eigen benen staan - minder hulp en omhulling nodig

*Het lopen gaat anders, doelgerichter (niet dribbelen)

*Plezier in het gebruik van eigen lichaam

 

2) Motorische ontwikkeling (gecombineerd met lichamelijke vaardigheden)

*Oor over het hoofd kunnen pakken (strekking)

*Kunnen huppelen - springen - hinkelen - staan - touwtje springen - bal gooien en

vangen

*Hoe loopt, huppelt, hinkelt het kind. Doelbewust gebruik van het lichaam, ergens in

zichzelf op kunnen staan. Bijvoorbeeld achteruitlopen en de juf aankijken, slootje

springen, bal gooien en vangen, afstanden schatten, boom in de wind zijn, blijven staan

*Fijne motoriek: Ooghand coördinatie: draad-in-naald - planten water geven - knippen

- weven - materiaal hanteren - anderen kunnen helpen - samenwerken - knopen en

strikken maken

*Zelfstandigheid in de dagelijkse dingen: aankleden (volwassene is niet meer nodig) - op

eigen benen staan - hand geven (kruisen) - bewust van zichzelf zijn - duim top vingers

bewegen - in goede volgorde bewegen - scheiding tussen ik en de buitenwereld. Bij dit

alles gaat het erom dat het kind vat heeft op het eigen lichaam, bewustzijn hebben voor

de dingen in de omringende wereld, grip hebben op hun lijf, plezier hebben in hun

lichamelijke vaardigheid (graag en veel oefenen om iets te kunnen)

*Hoe is het gesteld met de ruimtelijke oriëntatie (slurfmotoriek, symmetrische motoriek,

lateralisatie)

 

3) De sociaal-emotionele ontwikkeling

 Onderzocht wordt in hoeverre de kleuter kenmerken van het schoolrijpe kind vertoont.

De relatie met anderen is daarbij maatgevend. Globaal gaat het om de volgende

vergelijking

De kleuter:

*Heeft nog een steuntje nodig, is bang voor verandering

*Hij is nog zelf het middelpunt, één met de wereld, egocentrisch, kan zich niet inleven of

niet wachten

*Is impulsief: Jantje lacht, Jantje huilt

*Er is geen écht samenspel met afspraken

*Luistert niet naar andere kleuters, kan geen leiding geven

*Heeft geen doel; het gaat om het doen

*Beweeglijk

*Wil niet graag in het middelpunt staan

Het schoolrijpe kind:

*Is zelfstandig, vindt veranderingen leuk, is nieuwsgierig

*Is stabiel, laat zich niet snel meeslepen

*Kan wachten, kan delen

*Houdt rekening met anderen, kan zich inleven in anderen

*Huilt niet direct, maar vermant zich

*Toont interesse

*Kan afspraken maken en regels volgen

*Kan samenwerken en zich aanpassen

*Kan wachten als volwassenen in gesprek zijn

*Overziet het spel

*Is niet meer zo egocentrisch

*In het spel gaat het meer om de realiteit en het resultaat

*Het magische verdwijnt

 

4) De wilsontwikkeling

De wil geeft het kind ongekende krachten. Het kind is tot veel in staat en dat is nodig bij

een schoolrijp kind. Het kind moet willen werken, willen leren en moet het fijn vinden

om naar de eerste klas te mogen.

*Verandering van begeertewil naar door het ik gestuurde wil

*Stelt zich een doel, een eigen taak en houdt zich daaraan

*Continuïteit van het ik-bewustzijn (voorwaarde voor het leren)

*Wil resultaat en heeft daarvan een voorstelling

*Beseft eigen onvermogen en roept hulp in van volwassenen

*Het wil leren

*Komt van binnen uit tot spel (heeft dus eerst een voorstelling van de buitenwereld)

*Kan zelfstandig bezig zijn, is handig

*Kan een opdracht uitvoeren

*Kan zich langer concentreren en is niet direct afgeleid

*Kan reproduceren wat verteld is, via een tekening en door zelf te vertellen

*Kan een opdracht met begrip verwerken

*Is zelfstandig en grotendeels onafhankelijk van volwassenen

*Luistert actief en is minder snel af te leiden

*Is min of meer 'uitgespeeld' (het kind verliest het magische; er komt wat anders, een

soort van tussenperiode of pubertijd)

 

5) Taal- en spraakontwikkeling

Taal hangt samen met het denken. Geordend taalgebruik betekent ook geordend

kunnen denken. Bij foutloos taalgebuik kent het kind voldoende begrippen en heeft

daarmee grip op de taal

*Grip hebben op spraak en taal: spreken zonder fouten - goed gevormd - geordend en

met structuur

*Kunnen vertellen wat het kind wil, in de juiste volgorde, goed geuit

*Boodschappen kunnen overbrengen

*Verhaal kunnen navertellen

*Een voorstelling hebben bij het verhaal en in goede volgorde vertellen; een kleuter

vertelt flarden en is associatief

*Het kunnen verwoorden van gevoelens

 

6) De ontwikkeling van het denken

Bij beoordeling van het denken staat niet het vermogen, maar de inhoud centraal

*Kan het vertellen wat het kind vertellen wil (in de juiste volgorde)

*Kan het kind een verhaal navertellen (voorstellingsvermogen)

*Kan het kind een boodschap doen (onthouden)

*Kent het kind begrippen als: vandaag, gisteren, morgen, onder, boven, laag, hoog etc.

*Kan het kind tellen: d.w.z.in een keer één hoeveelheid zien en opmerken dat er iets is

weggehaald *Kan het kind zijn/haar gevoelens verwoorden

*Kent het kind de kleuren, dagen van de week, maanden etc.

*Kan het kind zich op elk willekeurig moment een voorstelling vormen (niet alleen

associatief)

*Is de verworven kennis van het kind zelf (doorleefd) of is het ‘aangeplakt’

Tekenen:

*Maakt het kind illustratief vertellende tekeningen

*Heeft ook de kleur een illustratief karakter

*Is er sprake van een duidelijke ordening (bv. lucht boven, water onder)

*Tekent het kind een duidelijk en compleet huis (met ramen en een deur)

*Is de tekening voldoende gedetailleerd

*Heeft het kind een voorstelling die hij wil tekenen

 
Comments