Standerdmolen

 
Als mensen enthousiast zijn over hun hobby kunnen ze er vaak aanstekelijk over vertellen. Dat kan heel inspirerend zijn. Zo sprak ik onze oom Co. Hij vertelde over genealogisch onderzoek dat hij doet als hobby. Inmiddels had hij diverse voorvaders gevonden met dezelfde voornaam. Welgeteld kon je stellen dat hij in de lijn van afstamming zich Jacobus de 10e mocht noemen. Jacobus de 1e had in 1760 een molen gekocht in sint Annaland. Ik was geïnspireerd en dacht meteen; dat molentje wil ik wel schilderen.

 

 
Figuur 1
 
 
 
figuur 2
 
Stap 3 Molen Sint Annaland
figuur 3
 
 
figuur 4
 
 
 
figuur 5 
 
 
figuur 6 eindresultaat
 
 
 
 

Ik begin altijd met een zorgvuldige tekening. Zodra je met aquarel aan de slag gaat moet je soms snel beslissingen nemen. Met een tekening heb je houvast en voorkom je dat de gebouwen er onbedoeld uit gaan zien als bouwvallen.

 

Meestal start ik met de lucht. Met de tekening ondersteboven in een schuine hoek is het ideaal om de wassing gecontroleerd uit te voeren. Bij de keuze voor de gewenste kleur blauw kijk ik enerzijds naar de ‘temperatuur’ van de kleur; met een ‘groenig’ blauw is de uitstraling veel koeler dan met een blauw dat richting rood gaat. Je kunt daarmee de indruk van het tijdstip van de dag en het jaargetijde goed mee sturen. Anderzijds let ik op het type pigment. Ceruleum, kobalt of ultramarijn hebben de neiging om te granuleren. Soms is dat een heel welkom effect, maar voor een strakblauwe lucht geeft ik de voorkeur aan phtaloblauw. Het droogt heel strak op; het bijt als het ware in het papier. Als het zich heeft vastgezet is het niet meer weg te spoelen.

 

Bij deze aquarel wilde ik een dunne wolkenband aanbrengen. Door met een tissue nog wat pigment weg te halen net voordat de phtaloblauwe wassing droog is kun je het wit nog terughalen met een zachte overgang. De wolken ogen dan niet zo geïsoleerd alsof het plukjes watten zijn.

 

Nadat het papier weer helemaal droog was heb ik in het wit van de wolken met een vochtige penseel de ondergrond iets bevochtigd. Daarin heb ik hier en daar een heel klein beetje grijs/paars aangebracht. Een mengseltje van waterig phtaloblauw met een heel klein beetje kraplak voldoet al. Je moet er op letten dat je penseel iets minder vochtig is dan het papier waar je het in laat kruipen. Is je penseel te vochtig dan krijg je namelijk bloemkooleffecten.

 

Verder heb ik over de rest van de aquarel al vast een lichte wassing van oker aangebracht. In de bovenkant van de wolken laat ik ook wat terugkomen. Dit helpt om de eenheid te creëren in de aquarel. Bovendien geeft het al vast een warme ondertoon die moet bijdragen aan de indruk van lekker weer. (figuur 1)

 
 

Vervolgens breng ik een lichte kleur groen aan voor de bomen en struiken. Ik gebruik daarvoor sapgroen dat ik iets afzwak met oker tot een natuurlijk ogend groen. Toch blijft de kleur nog heel helder in deze fase. Verder afzwakken kan altijd nog, maar als je de frisheid nu al verliest tover je die niet meer terug.

 

Voor het graan richting de voorgrond maakt ik een lichte wassing van gebrande siena. Om straks structuur van graan te kunnen suggereren spaar ik op de voorgrond al vast wat plekken uit. Hiermee kan ik dan wat meer contrasten aanbrengen in de voorgrond. Dit is een effectief middel om de voorgrond optisch naar voren te halen en daarmee diepte te creëren. (figuur 2)

 
 
 
 
 
 
 
 
Dan ben ik toe aan de invulling van het middenplan. Ik bekommer me nog niet te veel om de schaduwen. De kleuren mogen relatief rijk zijn, het draagt allemaal bij aan de suggestie van helder zonlicht. De pannendaken mogen lekker oranje oplichten. De molen heb ik geschilderd met engels rood, verrijkt met kraplak om het een hogere kleurwaarde te geven. Wit wordt nu nog overdreven zorgvuldig uitgespaard. De scherpe randjes gaan er in een volgende fase nog wel van af. (figuur 3)
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
  

De voorgrond heeft meer donker en kleur nodig om qua ‘gewicht’ een stabiele compositie op te leveren. Ik gebruik opnieuw engels rood maar dan verdund. Naar beneden toe voeg ik steeds iets meer pigment toe, bovendien laat ik het verlopen naar groen. Opnieuw spaar ik naar de voorgrond toe steeds grotere plekjes uit om het graanveld mee te suggereren. (figuur 4)

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
  

In de volgende fase zoek ik de licht donker contrasten op door de schaduwpartijen te schilderen. Merk op dat door de contrasten het zonlicht in de aquarel scherper wordt. Ook de groen partijen werk ik verder op. Ik maak wat variaties in toonwaarden. De donkertjes maak je door het groen te mengen met rood in plaats van dikker te smeren van dezelfde kleur groen. Kraplak werkt goed, maar ook meer aardse tinten als engels rood of gebrande siena. (figuur 5)

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
  

Ik vond sommige schaduwen toch te zwaar aangezet. Met een iets vochtige penseel heb ik het hier en daar iets teruggenomen. De vlakjes worden daardoor ook wat minder egaal waardoor het boeiender wordt. In de voorgrond zet ik naast de eerder uitgespaarde plekken met wat groen nog wat streken. In de voorgrond zijn ze wat langer, iets verderop worden ze geleidelijk aan korter. Nadat het droog is spat ik met cadium rood en cobaltblauw in de voorgrond nog wat bloemetjes erbij. Wat mij betreft is het nu klaar; een cadeautje voor oom Jacobus de 10e. (figuur 6, eindresultaat)

Comments