Artikelen 1965‎ > ‎

[1965] Iets over het klooster Olijfberg, alias Groendijk; Omstreeks 1463 in de huidige Stadsfenne gesticht

 

 

Het bouwrijp maken van de uitgestrekte terreinen aan weerszijden van de Groenedijk, tussen Leeuwarderstraatweg en de Oudvaart, leverde in de voorafgegane jaren talrijke oudheidkundige vondsten op, welke onze kennis over de stad Sneek en haar naaste omgeving in lang vervlogen eeuwen ten zeerste vermeerderden. De talloze potscherven daargelaten heeft het Fries Scheepvaartmuseum er een vijftigtal hele potten aan te danken en daarmee is het in één slag een verzameling rijk geworden, die elders in Friesland zijn weerga niet heeft. Zij valt voor het overige in twee delen uiteen. De oudste stamt uit het begin van de jaartelling of iets daarvoor en heeft betrekking op een verspreide groep boerderijen, bewoond door veehouders. deze waren afkomstig van de hoger gelegen kweldergronden verder noordwaarts hadden zich door de grasrijkdom op de met zeeklei overdekte venen laten verlokken het hier ook eens te wagen, de zee iet hen echter niet lang met rust, overstroomde wijd en zijd het land en verjoeg de kolonisten, voor zover zij er nog het leven af hadden weten te brengen. De overlevenden keerden na enige tijd evenwel terug en wierpen de terpjes op waarmede het grondgebied van Sneek tot in de vorige eeuw als het ware was bezaaid, zoals de Hegewier aan de Lemerstraatweg, Barrewjer thans Joodse begraafplaats en Sytsingawier, bij de Domp. Ook het voormalige klooster der Johannieters stond op zulk een terp  wier en ontleende er zijn naam aan “Sint Jansberg" In 1828 werd de heuvel vergraven en ingericht tot algemene begraafplaats.  'Maar weldra was ieder vergeten, dat er tevoren allerwegen mensen op de inmiddels met een zware kleilaag afgedekte vlakten hadden gewoond, wier huizen en haarden eerst 18 of meer eeuwen later weer aan het verbaasde mensengeslacht worden geopenbaard.

 

De Middelzee nam

In de loop van de twaalfde eeuw zag men kans de Middelzee te bedijken en viel het vruchtbare kleiland aan weerszijden voorgoed droog winterse overstromingen door hoog boezemwater daargelaten. Opnieuw vestigde de mens zich weer op dezelfde plek, onwetend evenwel van zijn voorgangers op de laag slib, die de nieuwe woonsteden van de oude scheidde. Maar men had zich in de kracht van de Middelzee vergist: In de negentiger jaren van de twaalfde eeuw spoelde deze binnenzee keer op keer de dijken weg totdat de landeigenaren the arm waren geworden om nog aan herstel te kunnen denken. Scharnegoutum en omgeving hadden het ergste van het zoute water te lijden gehad, zodat de Seinere Monniken uit Oldeklooster bij Hartwerd te hulp werden geroepen, de zee weer de baas te worden. Sommige buurtschappen werden echter niet meer herbouwd, en daartoe behoorde ook het gehucht achter De Domp. Het geraakte zelfs volkomen in vergetelheid, totdat in het jaar 1964 talrijke, met klei opgevulde waterputten, bestaande uit zoden of op elkaar gestapelde lege biertonnen werden ontdekt zwijgende doch welsprekende getuigen van een ramp, die zich hier eens, ruim 750 jaar geleden, had afgespeeld. De vele potscherven, maar ook talrijke gave potten, op de bodem van deze putten, circa 3 meter beneden het maaiveld, opgevist, bevestigden de mededelingen door kronieken en oorkonden tot ons gekomen, ten volle.

 

Nonneklooster

Maar er valt nog meer te vertellen over deze terreinen, in het bijzonder de weilanden aan de oostzijde van de Groenedijk, vanouds de Stadsfenne geheten. Vanwaar deze naam? Landerijen, welke de stad Sneek toebehoorden sinds deze in 1580 in het bezit was gesteld van de bezittingen van het aldaar eenmaal ge¬ legen nonnenklooster .Olijfberg'. Het ver¬ rees eenmaal op een terpje, waaraan de boerderijnaam Sytsingawier nog altijd herinnert en lag enige tientallen meters meer naar het oosten binnen een wijd, orngracht vierkant. Op de stadsplattegrond van Sneek, omstreeks het jaar 1560 in de vorm van een handgekleurde vogelvluchtkaart door Jacob van Deventer getekend  in opdracht van het Spaanse bewind te Brussel ziet men het klooster duidelijk aangegeven. Het was St. Elisabeth gewijd en werd omstreeks het jaar 1463 gesticht door het echtpaar Tsjomme Wiarda en Ath Broers dochter Bonninga. Zeer vermogende lieden, die ook het Franciscanenklooster te Leeuwarden stichtten. Tsjomme kwam van Goutum bij Leeuwarden,  Ath daarentegen van het  naburige Loënga. Zjj zal dus wel de landerijen met de bijbehorende gebouwen, welke haar familie te Loënga bezat, hebben ; bestemd om het nieuwe klooster tot basis te dienen. Vermoedelijk werd het klooster gebouwd op een plek, waar tevoren reeds een boerderij stond daar pleit ook de naam   Sytsingawier weer voor.

 

Louw Broerzoom

In 1580 werd het klooster afgebroken, niet zozeer omdat men de bewoonsters zo kwaad gezind was, maar uit vrees, dat de Spanjaarden er zich in zouden nestelen, gelijk men ook het Johannieter klooster haastig slechtte, alsmede Nijeklooster, alias Aula Dei, tussen Scharnegoutum en Deersum. De kloosterheuvel bleef achter, totdat ,men ruim een eeuw geleden bemerkte, dat er onder het puin puike terpmodder stak, waarmee de terpschippers best raad wisten. Vorige zomer hebben wij nog wat op deze plek rondgedwaald, doch vonden er niets anders meer dan een enkele muur van kloostermoppen, mogelijk resten van een kelder. In de universiteitsbibliotheek te Leiden bevindt zich evenwel nog een oud boek, in 1488 te Zwolle gedrukt. Een exemplaar van het bekende „Bienboec", en een vertaling van het twee eeuwen oudere latijnse origineel, geschreven door de Dominicaan Thomas van Cantimpré. Het bijzondere nu van dit boek Is, dat het een aantekening bevat, ontdekt door prof. dr. P. Gerbenzon uit Groningen, Deze aantekening luidt: ,,Item Dit boeck oech Low Broer zoen" ,,Dit boek schonk Louw, de zoon van Broer". Daaronder: „Item dit boeck hab ick capet om XX Stuuren" „Dit boek heb ik voor 20. stuivers gekocht". Wie was deze Louw Broerszoon? Daarover geeft een tweede aantekening opheldering, waaruit blijkt dat hij een broeder was van Ath Bonninga en in het jaar 1494 sneuvelde tijdais een veldtocht met het Sneker leger naar Warns. Maar daarover een volgende keer. H.H.

 

Bron; Sneeker Nieuwsblad 16-12-1965

Autur; H. Halbertsma

 

  

Door © ArGeoS
Sneek 2009 (September)

 

Comments