Wegen en grenzen
over het heilige in de kunst

een studie over de verhouding tussen religie en kunst


Gerardus van der Leeuw 

 

INLEIDING

§ 1  Rivaliteit of uiteindelijke eenheid
De verhouding tussen religie en kunst, moraal en wetenschap stuit in het menselijk denken en begrijpen op grote problemen. Voor streng-gelovigen is het moeilijk om de kunst als dienares te erkennen. Kunstenaars van l'art pour l'art kijken wantrouwend en soms minachtend op religie neer. De moraalfilosofie eist haar vrijheid op, los van religieuze verbanden. Religies die streven naar oppermacht veroordelen de 'werken' en verheerlijken het geloof. Sommige godsdiensten vinden wetenschap gevaarlijk en sommige wetenschappers zien religie als iets van vervlogen en voorbijgaande aard.
Er is dus rivaliteit tussen de algemene religieuze geest en de esthetische, ethische en wetenschappelijke geest. Religie, hoe vaag en algemeen zij ook is, eist altijd alles voor zichzelf op. Kunstzinnige, ethische en wetenschappelijke aanspraken worden hoogstens gedoogd maar niet als zelfstandig recht erkend. Dit gold al voor het romantische pantheïsme van de jonge Schleiermacher maar des te meer nog voor de specifieke historische vorm die religie in het christendom vond. Zeker, de meeste christenen erkennen dat God zich ook op andere wijze in de wereld openbaart maar dat is eigenlijk geen echte openbaring. Mooie namen zijn er voor bedacht zoals gratia communis en algemene openbaring. Maar er is geen wezenlijk verband tussen Gods openbaring in de Christus en de  ongeordende openbaring in de rest van de wereld. Hoewel het woord van Johannes dat de wereld slecht is niet makkelijk in de mond wordt genomen, is er geen weg – er wordt gewoonlijk ook niet naar gezocht – die loopt van de openbaring in Christus naar kunst, moraal en wetenschap. In de Christus wordt de heilige God gevonden. Schoonheid, goedheid en waarheid worden niet ontkend maar niet in Hem gezocht. Men aarzelt om in Hem het mooie. goede en ware te vinden. De relatie tussen religie en kunst lijkt wel wat op de verhouding tussen de Zeven Provinciën tot de Staten-Generaal. Ze horen er wel bij, maar vooral om te gehoorzamen. Ze hebben geen stem. Het valt ook niet mee om het anders te zien want is Gods volheid niet immers in de Christus geopenbaard en daarmee basta?
Aan de andere kant zijn ook wetenschap, kunst en moraal uit op oppermacht, zowel in combinatie als elk afzonderlijk. Zoals het niet mogelijk is om God én de Mammon te dienen, zo is het blijkbaar ook niet te doen om naast de kunst, die strenge meesteres, nog andere heren te dienen. Het is ook niet nodig:

Wie wetenschap en kunst bezit,
bezit ook religie.
Wie geen
wetenschap en kunst heeft,
heeft in ieder geval religie.

Hoewel ze elkaar voor de voeten lopen vinden ze elkaar ook. Er is religieuze kunst en er is een nauwe relatie tussen religie en moraal. Er schijn zelfs een punt te zijn waarop de wetenschap zich in religie verliest. Hoe komt dat. Heeft de rivaliteit het laatste woord, of is er een uiteindelijke eenheid? Waar en hoe is die te vinden?

§ 2  Wat is het heilige?
Wanneer wij wegen en grenzen tussen het heilige aan de ene en het mooie aan de andere kant willen onderzoeken, moeten we ons eerst realiseren wat het heilige is. We kunnen hier geen onderzoek naar de aard van het heilige instellen. Evenmin willen we vooruitlopen op ons onderzoek en wat daaruit zal voortkomen over het heilige in relatie met het mooie. We kunnen gebruik maken van de studies van Rudolf Otto (Das Heilige) en Eduard Spranger (Lebensformen), beide vanuit een verschillende optiek, over de kern van het religieuze besef en zijn object, het heilige.
Rudolf Otto laat ons het heilige zien als het volstrekt andere dat naar voren breekt met een volstrekt ander karakter, oorsprong en werking dan wat  ons vertrouwd is. Naar het woord van de oude Romein is het a nobis sepositum, apart gezet van ons en onze wereld.
Onze weerklank tegenover dit zich opdringende ganz andere is tweeledig. De Scheu, het ontzag dat dit volstrekt andere oproept, splitst zich in gevoelens van vrees, huivering, eerbied en het gevoel van nietigheid, creatuur te zijn aan de enen kant. Tegelijkertijd staat in contrast hiermee de fascinatie, het zich ertoe aangetrokken voelen, verraste blijdschap en liefde. Het heilige, zoals Otto het laat zien, trekt aan en stoot af. Het doet ons de eindeloze afstand beseffen maar raakt ons ook door een niet vermoede nabijheid. Als wij wegen vinden van het heilige naar het schone, dan zal dit op welke wijze dan ook dat besef in ons moeten wakker maken, ons brengen tot het ganz andere. Dit alles gaat over de inhoud, de materie van het heilige. Spranger laat zijn licht schijnen over de vorm. Het eigenaardige van de religieuze werking in de menselijke geest is volgens hem dat er nooit een bepaalde waarde vanuit één gezichtspunt, aan wordt toegekend, maar steeds de laatste waarden, de definitieve zin. Elke handeling kan vanuit verschillende gezichtspunten worden gewaardeerd, ethisch, esthetisch, economisch enzovoort. Religieuzen waarderen haar met het oog op haar gehele waarde, haar laatste zin. Religie heeft altijd met totaliteit te maken, haar uitspraken dulden geen andere na en naast zich. Bij religie gaat het dus niet om bepaalde gezichtspunten maar om God, het gaat niet om wat mooi, waar of nuttig zou zijn, maar om wat eeuwig is. Religie spreekt tot de cultuur altijd in waarschuwingen tegen overdaad en uiterlijkheid. Kunnen deze waarden zich – al of niet met verloochening van hun eigen aard – in de profane cultuur gedijen en tot uitdrukking worden gebracht? Of staat juist dit geheel eigen karakter ze daarbij in de weg?

§ 3  Methode
Wij zullen zien hoe wegen zich in de geschiedenis hebben gebaand en grenzen afgetekend. Toch is dit geen historisch onderzoek. Het gaat over de vraag naar de laatste waarde van het heilige, het mooie, goede en ware, elk op zichzelf en in hun onderlinge relatie. Toch draagt ons onderzoek geen filosofisch of dogmatisch karakter. Het is eerder fenomenologisch van aard. Hier kunnen we niet ingaan op haar doelstellingen en methoden. Elders heb ik daar ruimschoots over gepubliceerd. Alleen dit: waar de geschiedenis vraagt 'hoe was het?', vraagt de fenomenoloog 'hoe begrijp ik het?' Waar de filosofie zoekt naar waarheid en werkelijkheid stelt de fenomenologie zich tevreden met het gegevene als zodanig zonder naar de waarheid of werkelijkheid te vragen. We onderzoeken dus geen causale maar begrijpelijke verbanden. We proberen niet de waarheid achter de verschijnselen te onderzoeken maar de verschijnselen zelf in hun eenvoudige gegevenheid te begrijpen.
Dat deze methode ook haar grenzen heeft is evident. Maar dat zij voor historisch en systematisch onderzoek onmisbaar is zal ons praktische onderzoek, in plaats van een theoretische uiteenzetting, zelf aantonen.

§ 4  Kan kunst een heilige handeling zijn?
In deze vorm komt de vraag naar de wegen en grenzen tussen heiligheid en schoonheid het scherpst tot haar recht. We gaan dus niet proberen een filosofische definitie van schoonheid te geven. We gaan ons ook niet verdiepen in de vraag of de natuur in zichzelf mooi is, of dat schoonheid een projectie van onszelf is. Dat zou vragen zijn naar de absolute, los van de voor mensen geldende waarde van schoonheid. En dat behoort tot zijn metafysica.
We vragen niet naar schoonheid an sich, maar naar schoonheid zoals zich dat voor onze geest manifesteert en door onze geest wordt uitgedrukt. Indruk en uitdrukking van de schoonheid noemen wij gewoonlijk kunst. Niet in de technische betekenis en bedoelen ook niet het kunstenaarschap. Wie de schoonheid van het landschap ziet, onder gaat de indruk ervan. Als hij kan zeggen, dat en hoe mooi het is, kan hij zijn ervaring uitdrukken, dan is hij een kunstenaar. Kan hij dat laatste niet, dan beleeft hij de schoonheid in de natuur op dezelfde wijze als hij de schoonheid van een kunstwerk in zich opneemt. Maar in beide gevallen gaat het niet om de schoonheid zelf, maar om zijn beleving daarvan. Dat wil zeggen dat het of impressionistisch of expressionistisch is.
We brengen de vraag dus terug tot de verhouding tussen schoonheid en heiligheid zoals wij mensen die ervaren, met andere woorden tussen heilige handeling en mooie handeling of kunst.
Uit onze omschrijving van het heilige volgt, dat de verhouding zich alleen kan uitdrukken in de vraag: 'kan kunst een heilige handeling zijn?' De omgekeerde vraag: 'kan religie kunst zijn of zich daarin oplossen?' is door onze bepaling van het heilige als het volstrekt andere en volstrekt geldende ontoelaatbaar geworden.
Je kunt en moet je natuurlijk wel afvragen in hoeverre de bewustwording en realisatie van het heilige kunst kan zijn.
Binnen deze formulering van de vraag ligt de mogelijkheid van zowel een ontwikkelde en moderne kunst die met de religie op nader te onderzoeken wijze tot één geheel samengroeit, als die van de eenvoudiger kunstuitingen die met de heilige handeling van magisch-religieuze aard in even nauwe, maar anders ontstane verbinding staat.
Die verbinding is zo verschillend van aard – al naar gelang of het nu om een primitieve of ontwikkelde context gaat – dat we ons onderwerp indelen volgens de primitieve geesteshouding.

§ 5  'Primitief' en 'modern'
Het is hier niet op zijn plaats om dieper in te gaan over de aanduidingen 'primitief' en 'modern'. Ik heb dat elders gedaan. En het blijkt vanzelf uit het volgende. Ik wil slechts dit erover zeggen: 'primitief' betekent nooit een vroegere of van elders komende geestesgesteldheid. Modern nooit die van nu. Beide zijn geen beschrijvingen van evolutionele gradaties van de menselijke geest. Het zijn structuren. We zien ze vandaag de dag net zo goed als drieduizend jaar geleden, zowel in Amsterdam als op Vuurland. Natuurlijk laten de antieke volken een completer realisatie van de primitieve geestesstructuur zien dan de West-Europese van deze tijd. Maar zelfs bij de meest moderne stadsmens ontbreekt het primitieve nimmer geheel. En het moderne ontbreekt op zijn beurt ook weer niet geheel bij de 'primitieve' mens.
[Voor een kritische beschouwing over de 'primitieve mentaliteit' leze men hoofdstuk 2 van Wij mensen; religie en wereldbeschouwing bij schriftloze volken door dr. Th. van Baaren, Utrecht 1959.]

§ 6  De indeling van dit boek
In dit boek worden in 6 opeenvolgende hoofdstukken de verschillende kunsten besproken: dans, drama, woordkunst, beeldende kunst, bouwkunst en muziek. De bespreking heeft een vast schema dat dus zes keer terugkeert.

  • Eerst worden de primitieve kunstuitingen, die niet anders zijn dan religieuze handelingen, onderzocht en beschreven.
  • Dan volgt een overzicht van de ontwikkeling van die kunst die zich steeds weer losmaakt van religie en zelfstandig wordt. Hierbij treedt onvermijdelijk het conflict tussen religie en kunst op.
  • Op basis van de feiten van een beginnende toenadering beschrijven wij op de vierde plaats enkele momenten die noodzakelijk blijken voor een opnieuw tot leven roepen van de oorspronkelijke eenheid, dus voor de religieuze kunst.
  • Elk hoofdstuk wordt afgesloten met een theologische esthetica. Daarin wordt het verband gezocht naar wat als wezenskenmerk van de betreffende kunst kan worden beschouwd en de openbaring van God.
  • Het 7e hoofdstuk gaat over algemene theologische esthetica. Hier word een centraal overzicht van de kunsten en hun organisatie, eenheid en onderlinge afhankelijkheid gegeven. Daarna volgt een fundamentele theologische behandeling van de samenhang tussen kunst en religie. Wij vinden deze wezenseenheid in het feit dat beide een antwoord zijn op de roep van God. Het beeld van God, dat wil zeggen de Christus vormt hier de centrale gedachte.
    De grenzen tussen de verschillende kunsten kunnen natuurlijk niet al te scherp worden getrokken. Ook feitelijk raken ze elkaar.