PARENTEEL TEN CATE IV.ai Arnold Marc Gorter

Arnold Marc Gorter

ouders: Barend Gorter en Geertruida Catharina ten Cate Hoedemaker

geboren: Ambt-Almelo 3-12-1866

gedoopt: (doopsgezind)

overleden: Amsterdam 16-9-1933

begraven: crematus Westerveld 20-9-1933

beroep: kunstschilder

woonplaats / adres: Amsterdam (Pieter de Hooghstraat 30, 1933)

relatie: trouwt Amsterdam 14-5-1903

Sophie Helena (Fieke) Hertz

Arnold Marc Gorter in zijn atelier (Wikimedia Commons)

beroep:

woonplaats / adres: Amsterdam (Nic. Witsenkade 5hs: 1935-aug 1968) (Donarstraat 4hs aug. '68-juni '74)(Louis Chrispijnstr. 50, "De Drie Hoven", 1974-1979)

kinderen:

  1. Marc Barend Gorter, 1906-1977, X 1947 Wilhelmina J. Schwantje, VOLGT PARENTEEL TEN CATE V.bn

  2. geboren: Amsterdam 22-10-1906, gedoopt: (niet/doopsgezind)

  3. overleden: Amsterdam 6-11-1977, crematus Westerveld 10-11-1977,

  4. beroep: 45 jaar lang directeur Van Wouw BV,

  5. woonplaats / adres:

    1. Amsterdam, (Nic. Witsenkade 5bv: 1937-aug. 1968) (Donarstraat 4hs, aug '68-1979)

    2. relatie: getrouwd Amsterdam 1-4-1947

    3. Wilhelmina J. Schwantje, geboren Soerabaja (NOI) 2-9-1917, gedoopt:

    4. overleden:, begraven:

    5. beroep:

    6. woonplaats / adres: Amsterdam, (Nic. Witsenkade 5bv: 1937-aug. 1968) (Donarstraat 4hs, aug '68-1979)

    7. ouders:

  6. Hans Paul Gorter, geboren Amsterdam 9-1-1914, gedoopt: (niet/doopsgezind)

  7. overleden Vorden 14-2-2001, begraven:

  8. beroep: employé, Directeur vereniging Natuurmonumenten

  9. woonplaats / adres:

  10. relatie: getrouwd Doorn 30-5-1952

  11. Alida Johanna (Lies) ter Pelkwijk, geboren Arnhem 6-6-1911

  12. overleden in 2003

  13. beroep: tuinarchitecte

  14. woonplaats / adres: Wageningen (?-1933), 's-Gravenhage (1933-1938) Utrecht (1938-?) Naarden, (Meerkade 8, 1412, juni 1952-1979)

  15. ouders: Gerhard Abraham Willem ter Pelkwijk en Alida Johanna Jacoba Donath

ouders: Joseph Hertz (koopman) en Hélène Bachrach

geboren: Amsterdam 15-5-1883

gedoopt: (Evang. Luthers)

overleden: Amsterdam 20-5-1979

begraven: crematus

Hans Paul Gorter (1914-2001), Natuurbeschermer

tuinarchitecte Lies Gorter-ter Pelkwijk

(1911-2003)

Biografische aantekeningen

Uit: De Roskam 12-02-2007: A.M. Gorter, oeuvre van Almelo tot Amsterdam

Dat kon wa biej oons an ‘t kanaal wean, dacht ik, toen ik op ongeveer vijf meter afstand een aquarel zag met een 'Haagse School'-waterkant in tere kleuren. Een landschap van een dromerige rust. Ik liep er op af en tot mijn niet geringe verbazing las ik op het kaartje naast het werk 'Kanaal Almelo-Nordhorn' dat het was geschilderd door Arnold Marc Gorter. Wat een toeval! Waarom is er in zijn moederstad nog geen straat naar hem genoemd?

Ik liep in september 1999 met een Leeuwarder vriend op de PAN - dé jaarlijkse kunst- en antiekbeurs van Nederland - te Amsterdam en werd daar verrassend geconfronteerd met een stukje thuis: het kanaal waaraan ik zo lang heb gewoond. Standhouder Schoonbroodt, van de chique kunsthandel ROCOCO in het Limburgse Margraten, zag dat ik nogal geïnteresseerd was. We raakten in gesprek, over de schilder, zijn werk en de (pittige) prijs van het schilderij. Er rijpte een plannetje. Ik vroeg hem om een afbeelding. Die werd me later thuis bezorgd.

Ondertussen verdiepte ik me in de persoon van de schilder. Ik herinnerde me een afbeelding uit Historie van Almelo van de auteur Kokhuis. Daar stond de Almelose schilder, pontificaal in het pak, het palet in de linker- en de verfkwast in de rechterhand. Slechts luttele regels waren aan de kunstenaar gewijd. Ik besloot de plattegrond van mijn geboortestad er bij te nemen.

Zoln ze in Beetwöttelstad wa ne Gorterstroate hebn? Nee! Nou ja, een Egbert Gorterstraat, die wel.

Ik maakte een verhaaltje bij de ontvangen afbeelding en deed een oproep om het schilderij voor het Almelose museum aan te kopen. Vervolgens nam ik contact op met Gerard Vaanholt, de heemjournalist van de Twentsche Courant. Hij zag er wel wat in. Een dag na plaatsing van het artikel belde Sipke Dronkers van het Museum voor Heemkunde. Hij had wat rondgebeld. Het schilderij werd aangekocht! Wie de aquarel zien wil zien, spoede zich naar de Korte Prinsenstraat.

Maar wie is Arnold Marc Gorter? En had hij nog wat met Almelo en Twente, ook nadat hij naar Amsterdam verhuisde? Het blijkt moeilijk informatie over hem te vinden. Het uitvoerigst is de prachtige catalogus uit 1983 van de tentoonstelling De andere Gorter in het Rijksmuseum Twenthe te Enschede. Die is nergens meer te koop. Het grote publiek kan niet gemakkelijk kennis nemen van het werk van deze eens vermaarde Tukkers-Amsterdamse kunstenaar.

Arnold Marc Gorter werd 3 december 1866 in, toen nog, Ambt-Almelo geboren in een doopsgezind geslacht. Hij was de jongste van twaalf kinderen van de in zijn tijd bekende Almelose fabrikant en assuradeur Barend Gorter (1828-1913) en Geertruida Catharina ten Cate Hoedemaker (1828-1907). Het welgestelde paar betrok na hun huwelijk in 1852 de villa Friso aan de Bornsestraat, later de aula Vredehof, nummer 293. Hij kwam van Sneek (vandaar de naam van het huis) en zij was een geboren Enschedese. Over de jeugd van Arnold Marc is niets bekend, maar hij zal vermoedelijk veel in de natuur gezworven hebben en hebben getekend. Beide passies erfde hij van zijn moeder. Zij was een begaafd aquarellist, befaamd om haar bloemenstillevens, en werd wel de 'rozenkoningin' genoemd. Ze kweekte bloemen in allerlei varianten in de royale tuin die het huis omringde.

De jonge Gorter koos voor een artistieke scholing. Hij volgde een opleiding tot tekenleraar. Daarom vertrok hij in 1884 naar Amsterdam en werd leerling van de Rijksnormaalschool voor Teekenonderwijs. In 1888 behaalde hij er de akte Middelbaar-Teekenen. Daarna zette hij zijn studie voort aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. Na zijn academietijd bleef Gorter in de hoofdstad, maar menigmaal keerde hij terug naar het oosten van het land.

Om financieel onafhankelijk te zijn van thuis werd hij leraar aan de Teekenschool voor Kunstambachten. In 1888 meldde hij zich bij de Rijksacademie van Beeldende Kunsten en volgde er drie jaar kunstonderricht. Daarna vestigde hij zich als zelfstandig (landschap)schilder. Zijn inspiratie haalde hij voornamelijk uit het natuurschoon van Twente, omgeving Almelo. Zijn ouders' huis diende als pied-à-terre, later was dat vooral hotel Carelshaven in Delden, hotel Dinkeloord in Denekamp en Het Wapen van Gelderland in Vorden.

Gorter mengde zich in het Amsterdamse kunstenaarsleven. Hij werd lid van de genootschappen Pulchri Studio, Sint Lucas en Arti et Amicitiae. De geboren Tukker was niet van plan zijn licht onder de korenmaat te steken. In 1892 exposeerden moeder en zoon Gorter, blijkens de catalogus van de tentoonstellingen der levende meesters, samen in Arti. Vanaf 1900 stuurde Gorter schilderijen naar de jaarlijkse prestigieuze Salons te Parijs. Hij oogstte er belangstelling en waardering: een onderscheiding, de eerste van vele. Vier jaar later werd een ingestuurd heidelandschap zelfs aangekocht door de Franse staat voor het Musée du Luxembourg. Het werk maakt sinds 1979 deel uit van de collectie van het Louvre. In 1905 kreeg Gorter een eervolle vermelding voor zijn tentoongestelde werk. In 1910 ontving hij een gouden medaille voor een winterlandschap en in 1915 volgde nog eens eremetaal. Een jaar ervoor werd aan de overzijde van Het Kanaal een dubbeltentoonstelling van zijn werk georganiseerd, één voor de Royal Academy of Britain en een andere voor de Royal Scottish Academy.

Hoewel hij goede contacten hield met 'Moeke' (zo werd zijn moeder in haar kring algemeen genoemd) en haar wenken gaf op schildergebied, groeiden moeder en zoon door zijn leven in de hoofdstad geestelijk wat uit elkaar. Gorters huwelijk, in 1903, met de ruim zestien jaar jongere Fieke Hertz (1882-1979) zal er ook aan hebben bijgedragen.

In een brief uit 1903 aan de moeder van haar pas getrouwde schoondochter toont ze zich bezorgd over het mondaine leven dat zoon en schoondochter er op na houden: 'Als aankomende jongen was Arnold zoo vertrouwelijk en zoo hartelijk, alles wat hem betrof vertrouwde hij mij toe, zelfs zijn eerste jongensliefde. Als wij dan samen wandelden, beide vol verrukking over de schoone natuur, had ik zoo ongemerkt gelegenheid, invloed uit te oefenen op zijn gedachten. Maar later, ook door mijn toenemende doofheid, werd dat minder, men kan niet alles uit gillen en zoo langzamerhand oefende zijn verkeer met anderen ook zijn invloed op hem uit, en bracht hem een meer moderne richting, die dikwijls in strijd was met mijn ouderwetse levensopvatting. Boeken die hij mooi vond, zoals die van Zola, stootten mij af en gaven mij het gevoel alsof de wereld zoo slecht en zoo ellendig was, dat het leven de moeite niet meer waard was.'

Gorter sloot zich niet op in zijn atelier. Integendeel, hij mengde zich volop in het kunstenaarsleven, bekleedde lange tijd een vooraanstaande plaats in de belangrijkste kunstvereniging van Amsterdam en misschien wel van het hele land, Arti et Amicitiae. Deze vereniging was gesticht in 1839 en beleefde de eerste drie decennia van haar bestaan een bloeiperiode. Daarna trad er, ondanks alle activiteiten en tentoonstellingen, een tijd van artistieke verslapping en zelfgenoegzaamheid op. De eerste rang werd Arti in de jaren tachtig en daarna betwist door de opkomende Haagsche School en in het kielzog daarvan door de aan die schilderrichting verbonden Pulchri Studio (1847). Bovendien kwam in de hoofdstad zelf een tweede kunstenaarsvereniging op: Sint Lucas (1880), genoemd naar de schilderende evangelist.

Het was een roerige periode in de ontwikkeling van de kunst. Niet alle Arti-leden - om het maar eens voorzichtig uit te drukken - konden de pas der tijd bijbenen. De deftige vereniging met het imponerende pand aan het Rokin werd artistiek steeds meer ingehaald en ontwikkelde zich tot een bolwerk van conservatisme dat steeds vaker het mikpunt werd van de ongezouten kritiek van de juist in die jaren opkomende kritische pers. Het werk van de Arti-leden en de Arti-tentoonstellingen werd vaak 'middelmatig' genoemd. De meeste schilderijen zouden 'individualiteit' en 'expressie van gevoel' missen. In deze periode, waarin de vereniging, letterlijk, een slechte pers kreeg, werden tal van pogingen ondernomen het blazoen wat op te schonen. Zo werd omstreeks de eeuwwisseling een oudere generatie bestuurders afgewisseld door een jongere. Gorter was een representant van de laatste. Van 1904 tot 1907 en van 1914 tot en met 1917 zou hij het vice-voorzitterschap bekleden en in 1908, 1918 en van 1924 tot en met 1928 en in 1932 het voorzitterschap. Hij wist door zijn optreden met zijn medebestuursleden de aanhoudende kritiek van de pers niet te keren, maar hij werd door zijn werk en zijn optreden wel een geziene figuur in de Amsterdamse kunstenaarswereld.

Reden voor zijn populariteit was onder andere de toen algemeen aanvaarde en gewaardeerde impressionistische stijl. Om diezelfde reden treffen we Gorters naam overigens ook maar weinig aan in kunsthistorische boeken. Hij was niet vernieuwend, stond met zijn kunst dichterbij het einde dan aan het begin van deze schilderstijl. Dat neemt niet weg dat zijn werk van hoge kwaliteit is en nog altijd gezocht in de kunstwereld.

In 'De Ware Jacob' van 20 augustus 1904 werden vier 'caricaturen' van prominente Arti-leden door Jan Rotgans geplaatst. Die van Gorter werd voorzien van een lang, enigszins afgunstig gedicht.

A.M.Gorter

Geen enkel schilder wordt er

Zoo zeer gekocht als Gorter,

't Klinkt wel vreemd, maar 't is toch waar,-

Vraag het de firma Buffa maar.

En zijn eminent penseel

Wrocht dan ook verbazend veel.

Hij maakt met den Franschen slag

Wel drie, vier tableaux per dag;

Onbegrijpelijk hoe hij 't doet,

Maar ze zijn altijd haast goed.

't Is een wonderbaarlijkheid,

Dat hij zooveel vrijen tijd

Daag'lijks overhouden kan.

Als representatieman

Van Sint-Lucas en van Arti;

't Al bewijst dan ook, hoe hard ie

Nacht en dag maar door penseelt,

En daarbij als lijfdeun kweelt

Alsmaar Siegmund's Liebeslied

(Burgstaller beschaamt hem niet)

Zingt hij af en toe wat valsch,

't Komt door zijn te langen hals.

(...)

Meer dan aan eenvoudigheid

Lijdt hij aan welsprekendheid,

En zijn redenaarstalent,

Met het achterhoeksch accent,

Staat dan ook zóó puik bekend,

Dat geen kunstevenement

Kan gebeuren, zonder dat

Arnold's geest zijn vonken spat.

Wel raakt hij de kluts soms kwijt,

Maar dan staat te rechter tijd,

Abram Hesselink gereed,

Die hem te souffleeren weet.

Als Arnold Gorter maar één ding onthoudt:

Dat spreken is zilver en schild'ren is goud.

Na de Eerste Wereldoorlog verruilde Gorter het drukke leven in de hoofdstad dikwijls - hij woonde aan de Pieter de Hoochstraat - voor de landelijke rust van Vorden in de Achterhoek. Daar kocht hij in 1918-1919 een stuk grond van het landgoed Wientjesvoort. Hij liet er in 1926 een huis met atelier bouwen, dat de naam Oude Voorde droeg.

Niet alleen in het buitenland werd de schilder gevierd. Ook in eigen land. Zijn faam was doorgedrongen tot de koninklijke familie waarmee Gorter een goede band onderhield. In 1920 logeerde hij bijvoorbeeld op paleis Het Loo. Hij verstrekte raadgevingen aan koningin Wilhelmina die niet onverdienstelijk schilderde (in 2006 was er een grote expositie van Wilhelmina's schilderijen op paleis Het Loo - ook Gorter's naam was er meermalen te lezen). In 1922 maakte hij zelfs een studiereis met de koningin naar Noorwegen. Hijzelf vervaardigde er een aantal werkstukken, die een bijzondere plaats binnen zijn oeuvre innemen, omdat ze allemaal scherp en precies in helder koloriet zijn weergegeven.

Hoe hoog Gorters ster gerezen was bleek ook in 1923. Toen werd hem het 'Membre Correspondent de l'Institut de France' verleend, een onderscheiding die slechts een zeer beperkt aantal buitenlandse schilders ten deel is gevallen.

Gorter ontwikkelde zich tot een landschapschilder met een bijzondere voorkeur voor Oost-Nederlandse motieven. Vooral de verstilde natuur, waarin iedere dynamiek ontbreekt, inspireerde hem in hoge mate. Deze artistieke uitingen vonden, mede door de aangename kleurschakeringen, spoedig aansluiting bij de door contemporaine kunstkritiek en kunsthandel gekanaliseerde publieke smaak. Binnen dit thema wijzigde hij met grote virtuositeit en een opmerkelijk compositorisch vermogen het stemmingsmoment. Het oeuvre van Gorter is dan ook in stilistisch opzicht consistent van karakter. Wat zijn voorkeuren voor weersomstandigheden en seizoenen betreft, sluit hij aan bij de Haagse School.

Gorter maakte vele voorstudies voor zijn werk buiten in de natuur, die hij later in zijn atelier uitwerkte. Het ging hem vooral om de weergave van de natuur in al haar veranderende verschijningsvormen en steeds wisselende nuances bij dag, schemering of nacht. Gorter voltooide zijn buitenstudies vaak binnen anderhalf uur. Aanvankelijk in een naturalistische trant, maar al spoedig meer impressionistisch. Dragen de voorstellingen in het begin soms nog een sober karakter - vaak in sterke mate bepaald door het gebruik van aardkleuren -, later domineert het donkergroen het kleurengamma. Hiermee wijkt hij ook af van de principes van de Haagse School. Gorter heeft de lokale kleuren niet willen opofferen aan de warm-grijze toon. Toch bewonderde hij de vertegenwoordigers in deze kunstrichting zeer en in zijn werk zijn vele overeenkomsten aan te wijzen met bijvoorbeeld Willem Roelofs en Willem Maris.

Gorter was vooral geobsedeerd door het voor- en najaar, waarin de lichtintensiteit nog niet of niet meer de zomerse waarde had. Veel van zijn motieven zijn te vinden in Twente, de Achterhoek en Drente. De meest voorkomende onderwerpen zijn landschappen met bomen, doorsneden door kronkelende beekjes, landwegen en oeverlandschappen. Een steeds weer terugkerend verschijnsel op Gorters werk is de berk. Door de witte schors steekt deze af tegen zijn omgeving en vormt zodoende een natuurlijk evenwicht binnen de compositie.

Gorter stierf 16 september in 1933 in zijn huis aan de Pieter de Hooghstraat nr. 30 te Amsterdam. Zijn schilderijen zijn tegenwoordig gezocht over de hele wereld, niet alleen in belangrijke Europese landen als Frankrijk en Duitsland, maar ook over de oceaan in Canada en de Verenigde Staten. Veel van zijn werk is bovendien opgenomen in de collecties van het Haags Gemeente Museum, het museum De Lakenhal te Leiden, het Zeeuws Museum en, zoals gezegd, het Rijksmuseum Twenthe in Enschede.

Een man 'van betaansie' dus. Daar kunnen ze in Almelo gerust een straat naar noemen!.

kind 2:

(bron: http://www.cascade1987.nl/alida-johanna-ter-pelkwijk/ )

Alida Johanna ter Pelkwijk

* * Arnhem 6 juni 1911 – † 2003

Lies ter Pelkwijk werd geboren als dochter van Gerhard Abraham Willem ter Pelkwijk, vanaf 1934 burgemeester van Utrecht (1882 – 1964) en Alida Johanna Jacoba Donath (1886-1970).

Zij bezoekt na haar middelbare school twee jaar lang een Engelse school, Swanley Horticultural College in Kent.

Na het behalen van een diploma keert zij terug naar Nederland en studeert in 1930 / 1931 een jaar aan de Tuinbouwschool voor Meisjes ‘Huis te Lande’ in Rijswijk, waar vele ‘nette’ meisjes in die tijd hun opleiding ontvingen.

Vervolgens studeert Ter Pelkwijk aan de Landbouwhogeschool in Wageningen tuinkunst en plantkunde. Ze zal daar o.a. colleges hebben gevolgd van Henri Hartogh Heijs van Zouteveen (zie Eerste Kennismaking met…nr.2). In het studiejaar 1933-1934 staat ze ingeschreven als secretaresse van de Wageningse Vrouwelijke Studenten Vereniging. Tegelijk komen we haar tegen in 1934 als aspirant lid van de Bond voor Nederlandsche Tuinarchitecten. Later is ze als gewoon lid toegelaten.

De weinig beschikbare gegevens volgend, meen ik toch te kunnen constateren dat vooral het vak plantkunde Ter Pelkwijk’s bijzondere interesse had. In haar Wageningse tijd werkt ze als volontair in de Hortus aldaar en vertrekt daarna uit deze stad om bij de Haagse Plantsoenendienst te gaan werken, onder leiding van de alom bekende directeur van deze dienst, de heer S. G. A. Doorenbos. Daar is zij de ontwerper en begeleidt ze de uitvoering (1934, in samenwerking met Doorenbos) van de ‘landschappentuin’ (genaamd Heimanshof) in het Zuiderpark. Deze tuin was opgezet op basis van plantensociologische eenheden.

Later in 1938, is zij de ontwerper van het bosbouwkundig Arboretum op Schovenhorst in Putten (1938), waar dr. Oudemans de scepter zwaaide.

Haar tuinhistorische interesse komt in die jaren ook tot uiting, o.a. in een artikel dat zij samen met haar broer Jan Joost ter Pelkwijk schreef in het tijdschrift De Levende Natuur 44(1939, nr.8), p. 235-240, getiteld ‘Sorghvliet’.

In de jaren 1939 -1943 studeert zij M.O. Biologie in Utrecht (huisadres Emmalaan 1; later Emmalaan 10) en doet hierna enkele jaren dendrologisch en plantenziektenkundig onderzoek in Baarn (Villa Java, Centraal Bureau voor Schimmelcultures, onder leiding van de eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland, Johanna Westerdijk) en in Wijster (Biologisch Station van de Academie van Wetenschappen, 1948).

Na haar huwelijk in 1952 met Hans Paul Gorter, sinds 1946 directeur van Vereniging Natuurmonumenten, blijft zij particuliere tuinen ontwerpen en adviseren op Schovenhorst en op landgoed Gooilust in ’s-Graveland, dat sinds 1934 eigendom was (en nog steeds is) van de Ver. Natuurmonumenten. Ook was zij bestuurslid van Thijsse’s Hof in Bloemendaal. In 1975 schreef Lies Gorter-ter Pelkwijk het boek Vijftig jaar in Thijsse’s Hof.

We beschikken over erg weinig gegevens betreft haar tuinarchitectonisch werk. Uit de Map met foto’s van de BNT tentoonstelling 1940-1941 in de Bibliotheek WUR kennen we twee ontwerpen van villatuinen:

– Ontwerp villatuin Den Haag Wassenaarseweg.

– Ontwerp in Oudenrijn bij Villa Rhijnzathe.

Vanaf ca. 1950 schreef zij vele artikelen op het gebied van botanie in verscheidene tijdschriften, o.a. in De Levende Natuur. In de Catalogus van de Bibliotheek WUR zijn vele artikelen opgenomen.

In 1975 was zij actief op de buitenplaats Linschoten te Linschoten. In een artikeltje getiteld ‘De Oude Moestuin van Gooilust’ schrijft Bettie Coops-Booij in De Kleine Ratelaar van de IVN (april 2010): “In de zeventiger jaren van de vorige eeuw werd het tuinonderhoud [van Linschoten] een steeds groter probleem. Vrijwilliger van het eerste uur A. Contant stak er heel veel tijd in. Hij zorgde in samenspraak met A.J.Gorter-ter Pelkwijk dat verdwenen soorten bomen en struiken zoveel mogelijk werden teruggeplant. Zo zijn uit zijn tijd de Amberboom (Liquidambar styraciflua), de Schijnbeuk (Nothofagus antarctica) en de Trompetboom (Catalpa bignonioides)”.

Leuk om te lezen dat Lies ter Pelkwijk dus in de jaren zeventig al oog had voor terugplaatsen van verdwenen bomen en heesters in historische parken.

Hans Paul Gorter

Er bestaan tal van biografieën van Hans Paul Gorter, als directeur van Natuurmonumenten een van de grootste natuurbeschermers van de 20e eeuw (naast Thijsse en Heijmans).

Een uitvoerige biografie vindt u in de download ("document") onder aan de pagina.

H.P. Gorters archief berust bij de Universiteit van Amsterdam

bronnen

* 1866, 3-12: Hist Centr Overijssel: Arnold Marc Gorter, geboren op maandag 3 december 1866 te Ambt Almelo (akte 186) voormiddags 4.- uur in de Boomshoek

* Stadsarchief Amsterdam: gezinskaarten en persoonskaarten

openstaande vragen / discussie