Fifty ways to become a famous artist

 

1.     Falling into reverie. Maak uit brons een gevlochten, kronkelig touw van 67 meter hoog. Monteer daar bovenop een ballon waarin je gezicht staat uitgehouwen. Leg in je gelaat een smartelijke uitdrukking, alsof je gevangen zit in een onbereikbare droom. Laat de ballon schitteren door hem met bladgoud te beleggen. De ballon lijkt elk moment te kunnen wegvliegen, maar hij doet het nooit. Hoe pijnlijk is niet de spanning tussen je zwaartekracht en je drang om weg te vliegen, vogel op de wind te zijn.

2.     Fancy-man. Verbeeld jezelf als serafijn. Je portretteert jezelf uit brons. Je draagt een lange, openstaande jas tot aan de voeten. Als de toeschouwer je nader bekijkt, ziet hij hoe de jas twee prachtige vleugels verbergt, zorgvuldig gemaakt uit tienduizenden exotische vlinders. Uit fancy-man straalt gelukzaligheid. Hij lijkt te zeggen: weg met de ironie, weg met het cynisme, het is nu tijd voor vreugde. Zijn mondstand doet vermoeden dat hij een lied zingt. In interviews zeg je over fancy-man dat hij een loflied zingt op het bestaan. Je wordt kwaad en roept: Mag dat dan niet meer? Is in deze tijd dan elke vrolijkheid ongepast geworden?!

3.     Ill-judged. Uit marmer laat je een melkwitte, naakte vrouw kappen. Ze beantwoordt aan het heersende schoonheidsideaal. Ze is van een afstandelijke schoonheid. Deze vrouw laat zich niet nemen. Ze dwingt respect af. We willen haar oordeel horen. Wat denkt zij van ons? Wat zij te zeggen heeft, is ontegensprekelijk. Maar dan wandelt de toeschouwer rond het beeld en uit haar achterhoofd komt de kop van een bromvlieg. De immens uitvergrote facetogen spiegelen alle kleuren van de regenboog. Ook het insect is mooi, maar tegelijk beangstigend. Niets is wat het lijkt. De kleuren contrasteren sterk met het doffe, statige wit van het marmer.

4.     Horn-owl. Je laat door een taxidermist een uil opzetten. Op zijn hoofd laat je twee echte horens monteren. De ogen vervang je door twee juweelkevers. In de catalogus laat je schrijven: De uil staat symbool voor de wijsheid. Men associeert wijsheid doorgaans met goedheid. Daarbij vergeet men dat wijsheid ook het slechte kan dienen. De wijze mens kan op indringende wijze in de ander kijken en daar zijn wil opleggen. Men zou kunnen stellen dat de horn-owl de goeroe verbeeldt; de goeroe die verleidt, mensen tegen elkaar opzet en ze van hun oorspronkelijkeid, hun dromen berooft.

5.     Hermitage. Maak van duizenden juweelkevers een fuik en noem het werk Hermitage. De symboliek zal snel door een gewillige recensent als volgt verklaard worden: Een fuik is een langwerpig gevlochten vistuig met verschillende, door hoepels gescheiden, steeds nauwer wordende afdelingen, waarvan de laatste in een gesloten punt uitloopt. De kluizenaar is er vrijwillig ingekropen. Elke afdeling symboliseert een verdere onthechting. De kevers staan voor het krioelende en onrustige leven buiten, voor de schittering van de schijn. In een interview voeg je daar zelf nog aan toe: Ook de kluizenaar is niet vrij. Ook hij wil worden bevestigd in wat hij doet. Daarom heeft hij zijn fuik uitgezet. De fuik staat derhalve ook voor de ijdelheid, waaraan geen mens kan ontkomen.

6.     Grotesque. Je beeldhouwt uit was een miezerige, kleine man. Hij is tergend gewoon. Zijn ogen zijn dof, zijn huid is schraal. Hij gaat gekleed in een onopvallend, goedkoop kostuum. Ter hoogte van zijn navel is uit de kledij een gat gesneden. In zijn navel prijkt een juweelkever. Grotesk? Ja, zeg je, ik vind het veel grotesker om bescheiden te zijn, om niemand te willen zijn, om je op de achtergrond te houden. Had deze man zijn navel ontdekt, dan had hij kunnen uitstijgen boven zichzelf. De interviewer vraagt: Zoals u hebt gedaan? Je zegt lachend: Dat hebt u gezegd. En dan wandel je weg.

7.     Flesh double. Enkele jaren later knoop je uit stevig ijzerdraad de gestalte van een drie meter grote man.  Je laat een bekend couturier een patroon uittekenen van een modieus gesneden maatpak. Dat kostuum vervaardig je door plakken ham op het ijzeren geraamte aan te brengen. Het vlees moet lijken op mensenvlees. Je legt uit: De mens wordt naakt geboren. Meteen na zijn geboorte wordt hij gekleed. Nooit zal hij nog kunnen teruggrijpen op de ideeële zuiverheid van het naakte vlees. De mens is immers bij voorbaat een gekleed mens. Hij moet zijn eigen vlees derhalve heruitvinden. Dat is de ware missie van de kunstenaar. -- Flesh double ziet er heel indrukwekkend uit.

8.     Bloodrelation. In samenspraak met een arts voer je het volgende uit. Je staat in een witte kamer, met een witte vloerbedekking. Je draagt een witte smoking. Je handen, armen, hoofd en hals zijn wit geschminkt. Je mouwen zijn opgestroopt. Uit je linkerarm komt een plastic buisje dat overgaat in een motortje en dan weer in een buisje dat in je rechterarm verdwijnt. Het motortje zorgt ervoor dat je bloed van je ene arm naar de andere wordt gepompt. Het buisje is doorzichtig. Het rood van het trage fluïdum in het wit van de kamer levert een erg mooi beeld op. Iemand schrijft de volgende dag in de krant: De mens is vandaag eens te meer op zichzelf aangewezen. Het individu is niet zo ondeelbaar als het lijkt. Het is, zolang het bestaat, steeds weer betrokken op zichzelf. In zichzelf heeft het individu een breuk te verwerken.

9.     Inverted sublime. Je kunst wordt door sommige critici te esthetisch geacht. Vermetel als je bent, besluit je er nog een schepje bovenop te doen. Je neemt een ronde, bolle spiegel met een doorsnede van twee meter. Daarrond leg je de contouren van een oogverblindende zon. Je gebruikt juweelkevers, bladgoud, zilver en kristal. Het resultaat is letterlijk oogverblindend. Je plaatst het object in een kamer met heel veel ramen zodat het licht naar alle kanten wordt weerkaatst. Op een tafeltje leg je voor de toeschouwers zonnebrillen klaar. Als ze vervolgens in de spiegel kunnen kijken, zien ze zichzelf vervormd gespiegeld. Ze lijken klein, dik en breed. En toch staan ze in het centrum van een magnifieke zon. Denk daar maar eens over na.

10.  Blue-rooted. Door een boekbinder laat je een boek maken van een halve meter op een meter en met een dikte van 75 centimeter. Het papier is van de allerdunste soort, zoals bijbelpapier. Het boek is gesloten en voorzien van een slot, zoals bij een poëzie-album van een kind. Naast het boek ligt uitnodigend een sleutel. Maar het is meteen duidelijk dat de sleutel te klein is voor het slot. Het boek kan derhalve nooit worden geopend. De omslag van het boek is met een blauwe bic gekleurd. Dit is mijn boek, zeg je, hierin staat alles wat ik gedaan heb en nog zal doen. Maar ook ik kan het niet lezen. Ik weet dat wie ik ben en wat ik doe voorhanden ligt in het boek. Toch zal ook ik altijd moeten tasten en zoeken naar wat in mij opgesloten zit. Dat is het drama en tegelijk de voorwaarde van de kunstenaar.

11.  Inside Outside. Je hebt in je atelier zeker nog ergens een polyesteren mal staan van jezelf. Het is nooit eerder gedaan: je plaatst die mal eenvoudigweg in het museum. Naast die mal zet je emmers met daarin verf, juweelkevers, stront, bloed, een hart op sterk water, een gedroogde penis, boeken, blauwe bics, bromvliegen, partituren, enzovoort. Je verklaart met een monkellachje: Ik heb dit kunstwerk gemaakt opdat mensen nooit meer zouden moeten vragen naar wie ik ben. Voortaan kan ik hen gewoon doorverwijzen naar mijn werk Inside Outside.

12.  Slaughterhouse 6. Je leest nooit boeken. Maar gelukkig vertelt één van je medewerkers je over het bestaan van het meesterwerk ‘Slaughterhouse-Five’ van Kurt Vonnegut jr. In deze anti-oorlogsroman reist Billy Pilgrim heen en weer door zijn eigen leven, losgeraakt in de tijd. Zijn leven is voor hemzelf te gruwelijk en verbijsterend om te bevatten. Je denkt: Ik maak mijn eigen slaughterhouse.  Onder glas op tafelhoogte ensceneer je met allerhande insecten belangrijke momenten uit je leven, kriskras door elkaar. De scènes worden begeleid door vellen tekst, geschreven met een blauwe bic, die uitleg geven. Dit is wel heel persoonlijk. Wanneer iemand je daar op aanspreekt, zeg je: De kunstenaar is een hoer. Ik zal zelfs nog meer zeggen: De kunstenaar moet een hoer zijn. Dat is hij aan zichzelf en de toeschouwer verplicht.

13.  Smoke out. Na het vorige kunstwerk krijg je plots het verwijt dat je werk te narratief is. Het is te eenvoudig. Het laat zich te makkelijk lezen. Dat ben je het jaar nadien nog niet vergeten. Je bent geërgerd door de critici. Uit brons laat je een enorm beeld maken: tientallen mensen verdringen zich – ze staan op ladders, stoelen, kruipen uit holen, verpletteren elkaar – om allemaal van die enorme sigaar, van wel twee meter lang en vijftig centimer dik, te kunnen roken. Die sigaar is al voor één derde opgerookt en rust op een stelling. De brandende askegel is duidelijk zichtbaar. Jij bent die sigaar. Je hoofd is nog net herkenbaar. Je vooruitgestrekte armen zijn tot aan de ellebogen opgerookt. – Met veel moeite sleuren de journalisten de volgende woorden uit je: Soms heb ik het gevoel dat mijn werk door de media wordt uitgerookt. En natuurlijk ben ik dan de sigaar. – Oké, je hebt weer een uiterst narratief werk gemaakt. Maar het is groots, knap gemaakt, herkenbaar en het laat niets aan de verbeelding over.

14.  Mother’s milk. Er woedt een onrechtvaardige oorlog in Irak. Je bent betrokken. Soms moet je als kunstenaar je tanden laten zien. Wat doe je? Hoe toon je je woede? Het mag geen voor de hand liggend beeld worden. Je praat urenlang met je medewerkers. Dan besluiten jullie tot het volgende kunstwerk. In een badkuip rust een naakte, gesluierde vrouw. Haar borsten zijn plat en verrimpeld. Haar tepels zijn kapot gezogen Op de badkuip is een Amerikaanse vlag afgebeeld. De badkuip is tot net onder haar borsten gevuld met moedermelk, die zorgvuldig op 37 graden Celsius wordt gehouden. Een weemakende, zoete geur. Op de moedermelk drijft een baby met zijn rugje omhoog. Hij is verdronken in moeders melk. -- Ditmaal moeten de recensenten iets langer nadenken. Na enkele uren vinden ze de oplossing: de golfoorlog wordt door de Amerikanen voorgesteld als een bevrijdingsoorlog. Ze denken het goede te doen (moedermelk voor het kind is goed), maar in hun enthousiasme (te veel moedermelk) komt het kind om. Het kunstwerk wekt heel wat verontwaardiging. Het is dan ook uitermate realistisch uitgewerkt. Het verschijnt in kranten en tijdschriften van over heel de wereld. Je naam is op ieders lippen. Je bent tevreden.

15.  Caped. Je besluit op hetzelfde thema nog even verder te borduren. Er zijn zoveel mogelijke kunstwerken te bedenken. Het is zo verschrikkelijk moeilijk kiezen. Je lief kiest uit een lijstje uiteindelijk dit idee: uit duizenden juweelkevers laat je een manshoge cape maken. Dat ziet er al heel mooi uit. Gewoon mooi. Dan komt de meerwaarde. In de cape ontwaart de toeschouwer een gesluierd hoofd. Hij gaat dichterbij zodat hij onder de cape komt te staan. De sluier blijkt nu gerafeld. En daaronder ziet hij een andere sluier en daaronder weer een andere, enzovoort, zoals een ui die je afpelt. De toeschouwer kijkt verder en verder door de lagen stof totdat hij uiteindelijk, minuscuul maar onmiskenbaar, een fragment van de Amerikaanse vlag ontdekt. – Het is een proces, zeg je, om te ontdekken wat versluierd is. De waarheid schuilt dikwijls in een klein hoekje. De kunstenaar moet de mensen daar op wijzen.

16.  Naïveté. Maar je moet jezelf geen geweld aandoen. En opletten dat je niet het imago van geëngageerd kunstenaar krijgt opgekleefd. Uiteindelijk wreekt zich dat. De kunstenaar moet, zoals je altijd hebt voorgewend, verwonderd en kinderlijk in de wereld staan. Hij tracht steeds weer die onschuld terug te vinden. Die onschuld heeft nooit bestaan. Net daarom moet je haar zien te raken. Onschuld heeft te maken met ongeschondenheid, met naïeviteit. Daarom maak je uit brons twee gespreide vrouwenbenen, met daartussen een gesloten schaamspleet, die zich duidelijk niet kan openen. Het oogt onnatuurlijk, maar tegelijk zo mooi, nog zo vol van alles wat komen gaat, eerlijk en afwachtend. – Plots wordt er je in de pers sereniteit toegedicht.

17.  Dance dance dance. Je hebt te veel energie. Je wordt het ook moe om steeds weer een kunstwerk te bedenken, te laten uitvoeren, in een museum te plaatsen en vervolgens de reacties af te wachten. Je wilt in het middelpunt gaan staan, tussen de mensen. Je wilt anderen motiveren, opzwepen. Je voelt het aan je water: we leven in een high-tech samenleving, in een spektakelcultuur. Daarom ga je met een gezelschap van dansers, muzikanten en acteurs de bühne op. De werktitel is ‘camp’. De dialogen zijn niet belangrijk. Het stuk begint als apotheose en eindigt als apotheose. In prachtige, felrode en kanariegele kostuums wordt er gedanst en gezongen. Het is overdonderend. Iedereen is laaiend enthousiast. Een enkele criticus merkt op: Ik heb genoten en toch had ik na afloop een heel leeg gevoel. Je antwoordt: Dat was de bedoeling. We leven in een onzinnige tijd. Daarom zeg ik met mijn stuk: de onzin moet schitteren; ze moet worden aangekleed in prachtige, felle kleuren. – Je maakt enkele van die stukken na elkaar.

18.  Poetry emotion. Een kunstenaar weet dat eb volgt op vloed. Hij moet van tijd tot tijd terug naar het kleine gebaar. Je neemt 101 grote vellen zwart papier. Dit kunstwerk maak je helemaal alleen. Elke keer als je ergens ter wereld in een hotelkamer bent, masturbeer je en vang je het zaad op. Met een uiterst fijn penseel schrijf je met je sperma: ‘Het leven is niets. Het is niets.’ In de linkerbovenhoek schrijf je met potlood stad, hotel, datum en uur, bv. ‘NY Manhattan, Roosevelt Hotel, 21/3/2002, 4.56 AM’. Het zaad vergeelt en wordt duidelijk leesbaar. Soms schrijf je iets anders. De spermageschriften gaan later voor grof geld van de hand. Vooral vrouwen zijn er tuk op en dat pleziert je.

19.  Humour. Het is weer tijd voor een performance. Je laat een oudere man en vrouw naakt door een kamer lopen. Ze lachen en zingen. Je zou kunnen denken: deze mensen zijn in het paradijs. Dit is heerlijkheid. Totdat de man een grote emmer ontdekt waarin choco zit. Hij brengt de pasta met stuntelige bewegingen aan op zijn lichaam. De vrouw ontdekt een emmer met ketchup. Ook zij smeert zich in. Hoe meer choco en ketchup op hun lijf, hoe meer de man en de vrouw beginnen te lijden: ze jammeren, vallen over elkaars voeten, stoten hun hoofd tegen de muren. Een recensent vraagt na de voorstelling nieuwsgierig naar de titel. Daar was je op voorbereid. Je zegt: In het Engels betekent ‘humour’ zowel ‘humor’ als ‘lichaamsvocht’. De toeschouwer weet dat de choco en de ketchup niet echt stront en bloed zijn. Het heeft iets lachwekkend, maar is tegelijk een verwijzing naar de commercialisering van het lijden. Pijn en lijden zijn doorheen de geschiedenis altijd als authentiek ervaren, als «plaatsen» waar een mens zich vindt. Dat is vandaag steeds minder het geval. – De recensent krabt achter zijn oor, denkt lang na en besluit uiteindelijk dat je gelijk hebt.

20.  Myth O! Mania. Je kan het allemaal zwart op wit nalezen, kort en bondig: God is dood, de grote verhalen zijn voorbij, het ‘ik’ bestaat niet, idealen zijn verdacht, de samenleving is bloedarmoedig, kortom: de wereld is onttoverd. Je geeft de resumé terug aan je medewerker en begint te freewheelen. Je verzamelt een hele hoop menselijke botten. Sommige beenderen overtrek je met dierenhuid. Andere bedek je met juweelkevers. En nog andere laat je bloot. Met die botten bouw je een mens. Als hoofd neem je de schedel van een paard, dat mooie dier. Het moet gezegd: het resultaat is prachtig. En het toont de toeschouwer dat we het ongrijpbare resultaat zijn van versluieren en ontsluieren, van schijn en zijn. Geen enkele wetenschap die daar vat op heeft…

21.  Heavenly Garden. De koningin vraagt je om de de tuin van het paleis op te luisteren met een kunstwerk. Daar draai je je hand niet voor om. Je koopt een twintigtal replica’s van bekende oud-Griekse standbeelden; bij sommige beelden ontbreken de handen of het hoofd. Die beelden bekleed je met juweelkevers. Dit is meesterlijke decoratie. De bekeverde standbeelden gaan op en ook weer niet op in het groen van de tuin. De kleuren contrasteren én versmelten. Een fotograaf maakt prachtige foto’s in de morgendauw, wanneer de kevers glinsteren, lijken op te lichten. Een bekend essayist schrijft: Het klassieke en ietwat duffe schoolse thema van de Griekse standbeelden wordt door de bekleding met duizenden kevers op een hoger plan getild. Het is alsof we met nieuwe ogen kijken, alsof we voor het eerst kijken naar de schoonheid van die vormen. De kunstenaar heeft de hemel op aarde gebracht. – Tijdens de vernissage fluistert de koningin in je oor: Ge hebt van onze tuin de tuin van Eden gemaakt.

22.  Worked by hammering. Je bent een man van de straat. Nooit heb je je volkse afkomst verloochend. Je hebt altijd benadrukt dat je tussen de mensen wilt staan. Je wilt hun taal blijven spreken. Al dat elitaire kunstgelul is niet aan jou besteed. De titel van dit kunstwerk verwijst naar het procédé waarmee goud, als het plooibaar is, wordt bewerkt. Je maakt een video-opname. Je draagt een bruin slipje en bent van top tot teen met een roestkleurige verf beschilderd. Je draagt bruine bokshandschoenen. Je staat in een boksring. Je tegenstander is helemaal beschilderd met goudverf. Zijn bokshandschoenen zijn goudkleurig. Jullie vechten. Het lijkt heel echt. Elke keer als je een slag moet incasseren, blijft er iets van het goud van je tegenstander op je lichaam achter. Na dertig minuten van slagen incasseren, ben je helemaal van goud. De toeschouwer denkt: Een mens moet aan zichzelf werken, moet zichzelf polijsten, beschilderen, boven zichzelf uitstijgen. En dat doe je niet zonder bloed, zweet en tranen.

23.  Father and Son. Je bent al wat ouder. Je verlangt naar een intiem, oprecht werk. Naar iets klein en verhelderend. Je zet een performance op die vier uur zal duren. Je maakt er ook een video-opname van. Een jongeman en een oudere man hangen in elastieken die aan de zoldering zijn bevestigd. Ze bewegen op en neer. Dan eens hangt de vader boven de zoon, dan weer de zoon boven de vader. Vier uur lang zeggen ze tegen elkaar de volgende zinnen: Father, I love you. Son, I love you. Father, I hate you. Son, I hate you. Ze zeggen het monotoon, zonder emotie. Na verloop van tijd keren de rollen om. Ze beginnen elkaars zinnen te zeggen, zodat ook de vader kan zeggen: Father, I hate you. En de zoon: Son, I love you. Enzovoort. Een dialoog die de verwarring eigen aan de vader-zoon-relatie blootlegt.

24.  That ostrich commands a fine view. Je wordt langs alle kanten benaderd. Er zijn zoveel kunstprojecten die je bijna smeken om je medewerking. Je kan niet aan alles meedoen. Dat zou ook niet slim zijn. Je wilt toch een zekere exclusiviteit bewaren. Onlangs heb je toch toegezegd om een kunstwerk te maken dat op een strand aan de kust zal worden geplaatst. De deadline nadert. Je laat een enorme struisvogel maken die zijn kop in het zand verbergt. Op de rug van de struisvogel zit jij, met de benen gespreid, als op een paard. Je kijkt over de oneindige zee, naar de horizon. Aan een journalist verklaar je dat het inderdaad een arrogant werk is. Je geeft toe: Ja, succes maak je op de rug van de dommen, de angstigen, de benepenen. Zij bieden je als het ware een opstap naar vergezichten, naar een wijds en open leven. Ik zou bijna durven zeggen: zonder hen geen verlangen naar Utopia. – De volgende weken volgt er wel wat kritiek op dit werk. Er komt zelfs een polemiek op gang. Je bent tevreden.

25.  Born liar. Je beschouwt je kunst als een ode aan de verbeelding van de leugenaar. In het diepst van je gedachten ben je de opperleugenaar. Uit plakjes menselijk en dierlijk bot bouw je een monnik. Het resultaat doet afgrijzen en nadenken. De monnik heeft een januskop; hij heeft twee gezichten. Op die manier heb je in één persoon een aantal (soms tegenstrijdige) betekenissen gesloten: het verval, de cyclus van leven en dood, de veronderstelde wijsheid van de monnik, de dubbelhartigheid van de janusfiguur. Janus was tevens de Romeinse god van de tijd. De gezichten zijn jouw gezicht. De synthese: jij bent niet te grijpen; als leugenaar spreek je de waarheid van de wijze; door de monnikspij duidt je aan dat het onmogelijk is om jezelf helemaal bloot te geven; de twee monden wijzen erop dat er altijd iets is dat aan jou ontsnapt; de ware kunstenaar maakt kunst ondanks zichzelf. – Je legt dit allemaal uit aan een recensent.

26.  Me, myself and I. Er is zoveel te doen rond de versplintering van het ‘ik’. Boven je werktafel hangt sinds kort een citaat van een schrijver: ‘Je est un autre’. Wat moet je daarmee? Je weet dat je dit inzicht in je kunst moet verwerken. Het is te belangrijk om het te laten liggen. Maar hoe? Je weet het niet. Je bent immers altijd een mens uit één stuk geweest. Je gelooft in de spontaneïteit, in de naïviteit, in de droom van het dagelijkse ‘ik’ waarmee je denkt en werkt. Je bent geen theoreticus. Dus besluit je volstrekt het omgekeerde te doen van al die kunstenaars die de verbrokkeling, de collage, de verscheurdheid voorstaan. Je maakt naar het voorbeeld van Da Vinci een volstrekt gave man uit was. De man houdt zijn armen verticaal naast zich uitgestrekt. Zijn benen zijn gespreid. De man staat in een zodanige positie dat je hem in een perfecte cirkel kunt vangen. Dat doe je ook door rond hem een uit metaal vervaardige cirkel te monteren. Je zegt: De mens is in de eerste plaats een identiteit die op alle mogelijke manieren bijeen wordt gehouden.

27.  Parted. Je bent gefascineerd door tweelingen. Misschien ben je zelf wel de helft van een tweeling. Je hebt immers altijd het gevoel gehad dat iets aan je ontbreekt, dat je op zoek bent naar je andere helft. Je weet: grote kunst komt voort uit een gemis. Kunst is een zoektocht naar iets dat je kan vermoeden, maar je kan het niet benoemen en nooit bezitten. (Want dan zou alles ophouden.) Je boetseert van jezelf een beeld in de positie van De Denker van Rodin. Maar dan zaag je het beeld overlangs door. De rechterhelft laat je staan. Je maakt het beeld weer volledig door het aan te vullen met de belangrijkste symbolen uit je werk: juweelkevers, botjes en beenderen, allerhande insecten, gestold bloed, blauwe bics, vlees, enzovoort. Dit kunstwerk heeft geen verdere uitleg nodig. Een vijandig criticus schrijft: De kunstenaar had beter zijn duim in zijn mond gestoken. Want daar komt zijn kunst op neer: zijn zogenaamd andere helft is natte vinger werk. Je reageert door te zeggen dat dit de Belgische ziekte is, die eeuwige ironie die geen enkele oorspronkelijkheid nog toelaat.

28.  Meeting. Je wordt gecontacteerd door de in New York wonende Russische kunstenares Sofja Petrowna Karpoechina. Zoals jij bent gefascineerd door de juweelkever, heeft zij haar werk opgehangen aan de libel, dat poëtische insect. Op een ochtend, bij het eerste licht, gaan jullie verkleed in jullie favoriete insect op het dak van de Chrysler building in Manhattan staan. Daar draaien jullie wat rond elkaar heen. Er worden foto’s gemaakt. In Central Park volgt later die dag een filmopname. Sofja zit dan op de tak van een boom, terwijl jij doet alsof je op de boomstam kruipt. Iedereen vindt het fantastisch. Het is ludiek en kinderlijk schoon om te zien. Jullie samenwerking wordt bezegeld met een tentoonstelling in het Guggenheim. Tijdens de opening ontmoet je heel veel beroemde beeldend kunstenaars, muzikanten, schrijvers en acteurs. De wereld ligt aan je voeten. Je bent tevreden.

29.  Me and Dalí. Je komt net terug van Madrid waar je in het Museum Thyssen-Bornemisza het schitterende Droom verwekt door de Vlucht van een Bij rond een Granaatappel één Seconde voor het Ontwaken van Dalí hebt gezien. Je bent enorm onder de indruk van de olifant die op dit schilderij op tientallen meters hoge poten stapt. Je werd net gevraagd om op een plein een kunstwerk te plaatsen. Je maakt jezelf uit brons op benen die wel dertig meter uitschuiven. Het is een prachtig beeld. Je armen reiken naar de wolken. Dit is waar je altijd van hebt gedroomd: op stelten door het leven gaan, met grote stappen, met een blik gericht op de hemel. Het grenzeloze kunstenaarsschap. De ultieme verbeelding. De vijandige criticus schrijft: Had de kunstenaar maar een put gegraven voor dit beeld. Enige zelfrelativering kan geen kwaad. – Je schudt meewarig het hoofd. Dit kunstwerk wordt meteen door twee buitenlandse steden besteld. Je reikt weldra in drie steden naar de wolken.

30.  Swords of Damocles. Je maakt een voorstelling voor de bekende acrobaat Daniel Guérin. Boven een podium hang je aan gevlochten paardenhaar een vijftiental zwaarden met de vlijmscherpe punten naar beneden. Op het podium zet je een tafel, vier stoelen, twee fauteuils, een pick-up en een marmerblok. De toeschouwer ziet Guérin aan de tafel schrijven. Of hij luistert naar muziek. Of hij kapt in het marmerblok. Of hij gaat in een hoekje stiekem masturberen. Maar van tijd tot tijd valt er een zwaard naar beneden die hij ternauwernood weet te ontwijken. Telkens er een zwaard valt, schrikt het publiek op. Het is erg spectaculair. Toch wordt de voorstelling in de pers maar matig ontvangen. Tegen een journalist zeg je: De acrobaat in dit stuk is een hedendaagse Zarathoestra. Een wat? vraagt de journalist. Je stottert: Een hedendaagse Za-ra-thoe-stra!!

31.  Sigh. Je hebt, wat men noemt, een midlife crisis. De wedloop binnen de beeldende kunst vergt veel van je. Je durft het haast niet te bekennen: je bent moe. Moe van de wereld, het leven, ja, van jezelf. Je laat iemand van de gerechtelijke politie op computer een portret van je maken zoals je er zou kunnen uitzien binnen dertig jaar, op je zeventigste. Naar dit portret boetseer je een man uit was. Je kleedt hem aan en legt hem op de grond. De temperatuur in de kamer drijf je op totdat de man lichtjes begint te smelten. Dan laat je de gesmolten was weer stollen. Zijn mond is geopend alsof hij zijn laatste zucht uitademt. Zijn ogen zijn diepblauw. Er komt een juweelkever uit de mond gekropen. De bijna vloeibare man, versmolten met de aarde, met de kever die als een laatste levensdroom uit hem ontsnapt. Het is een mooi, ingetogen beeld. Je krijgt er veel lof voor. Het werk wordt voor 54.000 euro verkocht aan een Japanse verzamelaar. Langzaam voel je je jeugdige kracht weer terugkeren.

32.  Barbie doll. Je zet drie kinderen op een podium. Twee meisjes en een jongen. Ze dansen, praten met elkaar in een erg poëtische taal. De ene prachtige volzin volgt na de andere. De jongen zingt een prachtige solo. Het is allemaal heel hemels en liefelijk. Het zijn duidelijk kinderen met een bijna geniale geest en fijnzinnigheid. In een hoek van het podium zit een vrouw vast aan een zware ketting, als een hond. Ze lijkt als twee druppels water op een barbiepop. Ze gromt en blaft en tracht uit te halen naar de kinderen. Uiteindelijk slagen de kinderen erin haar te bedaren. Ze maken haar los. De barbievrouw zit een tijdje stil en staart met een wezenloze blik naar het publiek. Dan spreidt ze haar benen en baart een volwassen man. De kinderen herkennen de man als hun vader. – Het is een op het eerste zicht absurd stuk. Totdat je er langer over nadenkt. Dan wordt het erg logisch.

33.  Necessity. Ben je nu een kunstenaar of een decorateur? Die vraag wordt in de pers al eens gesteld. Zelf ken je het antwoord. Het heeft er mee te maken dat wat een decorateur maakt vrijblijvend is, willekeurig. Een kunstenaar creëert echter uit noodzaak. Zelf worstel je met een nog grotere vraag: Kan je de noodzaak thematiseren? En nog een stap verder: Kan je de noodzaak uitbeelden? Op je kunstenaarskabinet wordt hierover al een tijdje druk gedebateerd. Er wordt met kunstfilosofen gegoocheld, geschriften worden opgeduikeld en je absorbeert dat allemaal heel grondig. Het is een rijke discussie en een bijna wezenlijke vraag. Toch kent niemand het antwoord. Op een avond, iedereen is al naar huis, doe je de afwas en je snijdt je aan een aardappelmesje. Je morst bloed. Snel neem je tien vellen papier en op elk blad schrijf je met je bloed: ‘Kan je de noodzaak uitbeelden?’ De volgende ochtend vindt een medewerkster de vellen papier aan een wasdraad. Ze zegt: Natuurlijk. In de vraag zit het antwoord.

34.  Dynamics. Je bent gefascineerd door de voortgang van de tijd, het begin en het einde, dag en nacht, de opening naar andere ruimtes, de passage,… Je maakt, met de hulp van anderen, duizendeneen portretten van jezelf in blauwe bic. Maar elk portret is net iets anders dan het vorige. Sommige portretten zijn onvolledig. De ogen zijn anders. Soms spreek je, dan weer zwijg je. In de ronde zaal van een museum (als in een baarmoeder) hang je ze naast en boven elkaar, in twee rijen. Het resultaat is verbluffend. De toeschouwer waant zich in een spiegelpaleis. Het is een ode aan de beweeglijkheid, het detail, de vergankelijkheid, de metamorfose. Je bent nooit dezelfde. Knip, en je bent weer een ander. – Inspiratie baant zich dikwijls een weg door het onbewuste. Plots begrijp je het citaat boven je werktafel: ‘je est un autre’. In een interview voor een Brits magazine zeg je: I feel I am me and someone else, the eternal is present in the fertile, the drawings are not a lasting outcome, everything is preserved even though I don’t save it, a ballpoint is always at hand, and so are people around me.

35.  Awakening. De ideeën blijven maar komen. Je gaat ‘s avonds op bed liggen, sluit je ogen en het ene kunstwerk na het andere popt in je bewustzijn. Het is eindeloos. Je kunst is een eeuwige cirkelgang, een variatie op steeds hetzelfde thema. De ware kunstenaar is dan ook monomaan. Plots denk je boven jezelf uit. Je ziet jezelf liggen op het bed terwijl je hoort dat je denkt dat de ideeën maar blijven komen. Zo lucide, zo zelfbewust ben je nooit eerder geweest. Het is een heerlijk gevoel om gewaar te worden dat je in je denken nog verder kunt, dat je niet stagneert, maar dat je steeds hoger en hoger boven jezelf uit klimt. Je stelt een groot bed tentoon waarin jij, in brons gegoten, op je rug ligt. Je ogen zijn half geopend. Uit je schedelpan komt een ladder die enkele meters de lucht in gaat. Een kleinere versie van jezelf beklimt de sporten, terwijl hij met één oog omhoog kijkt en met het andere omlaag naar het hoofd waaruit hij komt. Een erg poëtisch werk.

36.  All effort has been in vain. Je bent inmiddels behoorlijk rijk en de opdrachten stromen binnen. Als je daar zo eens over nadenkt, vind je het nog het vreemdst dat je elk droombeeld zomaar kan verwezenlijken. Er staan mensen voor je klaar die de idee uitwerken. Elk materiaal behoort tot de mogelijkheden. Bestaat er dan niet meer zoiets als een gevecht met de materie, met de grondstof? Je maakt ongelijke hoopjes van beendermeel, bloed en stront waar je nog intacte juweelkevers doorheen mengt. Die hoopjes kneed je tot niets betekenende vormen. En je kwakt ze vervolgens in een zaal zomaar ergens neer of tegenaan; op de grond, tegen de muren en de zoldering. Het lijkt alsof vreemde gewassen of onbekende schimmels plots uit het niets opduiken. In een hoekje leg je een plaasteren hand.

37.  Philosopher’s stone. Op een symposium waar ook over jouw werk wordt gesproken, ontmoet je op de receptie Henry Wirtz en Alessandro Picchetti. Het is een heel aangename ontmoeting. Een medewerker fluistert in je oor dat zij twee wereldberoemde filosofen zijn. Je bent onder de indruk. Je neemt ze diezelfde avond nog mee uit eten. Jullie drinken tot in de late uurtjes. Samen bedenken jullie een kunstwerk. Een maand later spreken jullie af in Watermaal-Bosvoorde, aan de rand van het Zoniënwoud. Jullie verkleden je als bosuil en gaan in een mooie boom elk op een tak zitten. Dan geven jullie braakballen over. Na een tijdje klimmen jullie naar beneden en elk met een pincet ontleden jullie de braakballen. Jullie ontdekken holle botjes van een vogel, twee onderkaken van een bruine rat, ribben, bekkenbeenderen en enkele schedels van muizen. Heel de performance wordt op film vastgelegd. -- Zoeken naar de waarheid is geen makkelijke bevalling. De filosoof is een vroedvrouw. De waarheid komt als een oprisping.

38.  Car graveyard. Je laat je al jaren rijden in een grote Volvo. Je houdt van die wagen. In de grote laadbak kan je je kunstwerken kwijt. Deze auto is als een tweede thuis. Hoeveel uren breng je niet in de wagen door? Hoeveel kilometers heb je er al niet mee afgelegd? Heel Europa heb je er mee doorkruist. En dan is de wagen oud en versleten, misschien zelfs onbetrouwbaar geworden, en laat je hem verpletteren tot een anonieme blok staal. Al de herinneringen, de geuren, de gesprekken verdwijnen in het niets. Daarom maak je een kerkhof met metalen kruisen, in verschillende kleuren, die netjes in het gelid, als op een militair kerkhof, staan opgesteld. Het metaal blinkt in de zon. Op de kruisen laat je de geboorte- en sterfdatum van de auto's beitelen, en het aantal kilometers dat ze hebben gereden. Dit kunstwerk zegt iets over de wegwerpmaatschappij én over de bijzondere verhouding die je met objecten kan opbouwen. Stilletjes overweeg je nog een ander kunstwerk, met de werktitel 'Graf van de onbekende computer'.

39.  Cocoon. Je maakt van jezelf uit was een naakte afbeelding van ongeveer één meter groot. Je vlees is roze als van een baby. Uit je ogen kijk je verwonderd naar de wereld. Je hoofd is framboze-zacht. Het is duidelijk: jij bent nieuw op deze wereld; jij hebt de frisheid van die eerste blik. Er straalt ook een soort erotisch verlangen uit je. De hunkering naar een eerste aanraking. Naar de moeder? Er is op je lijf geen haartje te bespeuren. Je bent kaal van top tot teen. Hier en daar zijn bloedsporen getrokken, maar die schrikken niet af. Dan ga je op zoek naar de beste kwaliteit van wit zijde. Je wikkelt het beeld in tot een cocon, zodanig dat het beeld zichtbaar blijft, als onder een melkwitte waas. Je zegt: Zo, op die manier, elke dag opnieuw geboren worden, is het verlangen van de kunstenaar die ik ben.

40.  Stuffed beauty. Je holt enkele tientallen prachtig gekleurde juweelkevers uit. Je vult de kevers weer op met verse filet américain. Je plaatst de kevers in een aquarium op een ondergrond van gras. Op het aquarium leg je een gaas. In het aquarium sluit je twee vliegen op. Boven het aquarium plaats je een sterke broeilamp. Dan wacht je. De vliegen zullen in de kevers hun eitjes leggen. Die worden larven die weldra zullen uitkomen. Dus uit die prachtige kevers fladderen al snel vliegjes op. Is dat niet mooi? Hoe zo iets mooi als de juweelkever verval in zich kan dragen. Hoe uit dat rottingsproces van het verval weer nieuw leven komt. Dus hoe leven en dood, schoonheid en lelijkheid heel dicht bij elkaar blijken te liggen. Heel dit proces vereeuwig je op film. Die kan je dan later versneld afspelen en aan toeschouwers over heel de wereld tonen.

41.  Marching in. Overal is er oorlog. Het leven is een strijdtoneel. Niet alleen tussen mensen wordt er gestreden, uit haat en uit liefde, maar ook binnen de mens woedt er die nimmer aflatende strijd. Je vraagt je af: Wat is nu het uiteindelijke doel van al dat geweld? Waar moet het heen? Je neemt een tafel van enkele vierkante meters groot. Het oppervlak bedek je met was in een reliëf dat op een maanlandschap lijkt. Vanuit de vier hoeken vorm je met honderden juweelkevers formaties. Het lijken wel colonnes die ten strijde trekken. Ze bewegen zich naar het midden van de tafel. En daar staat in donkerrood warm vlees een baarmoeder die zich langs vier zijden opent.

42.  Drift. Je bent al enkele dagen verliefd op een jonge vrouw met rood haar. Als je verliefd bent, voel je je altijd fantastisch. Je gaat niet achter de vrouw aan. Je probeert haar niet te verleiden. Als kunstenaar wil je de verliefdheid uitbuiten, opzuigen als een toverbol. Verliefdheid maakt je ook megalomaan. Dat weet je. Je houdt van dat gevoel. Je laat uit staal een enorme zwaan maken van wel tien meter hoog. Je laat haar in een spuitcabine oogverblindend wit lakken. Dan plaats je haar op een vlot van autobanden. Je reist af naar Oostende. Daar laat je de zwaan tien kilometer in zee slepen. Met een sloepje word je tot aan de zwaan gebracht. Met een speciaal gemaakte ladder kruip je op haar rug en ga je in haar hals zitten. Je draagt een zwarte smoking met hoed. De zwaan wordt losgemaakt van de sleepboot. Vanuit een helikopter wordt gefilmd hoe je op die immense, prachtige zwaan, die fonkelt in het zonlicht, op de baren van de zee op drift bent. Een romantisch beeld van de liefde, de eenzaamheid en het lot. -- De vijandige criticus verwijt je goedkoop sentiment, maar jij wéét dat het een schoon beeld is en dat is het ook.

43.  Cello madness. Je hebt je altijd thuis gevoeld in heel uiteenlopende disciplines. Trouwens, zelf heb je niet het gevoel dat kunst zomaar in hokjes kan worden opgedeeld. Elke discipline komt voort uit hetzelfde verlangen dat zich nauwelijks laat benoemen. Je brengt in een oud pakhuis de Suites Nr. 3 en 5 voor Solo Cello van Bach. Maar je laat de cello elektrisch versterken en in plaats van één cello laat je er twee gelijktijdig spelen. Soms is de ene cello vooruit op de andere en dan lijkt het alsof ze botsen, een gewelddadige dialoog aangaan. Vooraan laat je een bijna naakte danser improviseren op de muziek. Hij is een ware Adonis, tussen jongen en man in. De voorstelling duurt maar een half uur, maar is van een enorme intensiteit. Je moet een hart van ijs hebben om na afloop de zaal onbewogen te verlaten. – Er komt kritiek. Dat is altijd zo als iemand klassieke stukken zogenaamd verminkt. Jij spreekt liever over een interpretatie, jouw interpretatie, het is te nemen of te laten.

44.  Who is alive? Je reist af naar de Franse Pyreneeën. Daar in een dorp is immers een werk van je besteld, door een burgemeester met een hart voor jouw kunst. Je hebt lang nagedacht over wat je in die immense bergketen zou kunnen maken. Je gaat op prospectie. Je krijgt er een prachtig landhuis en de beste vakmannen uit de streek staan tot je beschikking. Samen met je assistent maak je lange wandelingen. Je staat aan de rand van een ravijn en je zegt tegen hem: Het is lang geleden dat ik nog zo gewandeld heb. Ik heb de indruk dat de beweging van het wandelen me beter doet nadenken. Dan komen jullie plots op een idee. Je laat jezelf uit staal namaken, op zo een manier dat je afbeelding over het ravijn kan worden gelegd en als brug kan dienen. Je voeten en je handen haken in de rotsen. Er worden leuningen op gemonteerd. Je gelaat is naar beneden, naar die afschrikwekkende afgrond, gericht. Maar door een spiegeltje kan de wandelaar vanop de brug je gelaatsuitdrukking zien. Die is moedig, uitdagend en toch ook angstig, als een dier dat in het nauw werd gedreven.

45.  Beckett’s mouth. Je ziet een documentaire over de videoversie van het theaterstuk Not I van Beckett. Daarin wordt het filmbeeld gevuld door de close-up van een mond. Je maakt die mond na door kattendarmen te vullen met varkensbloed en ze in de juiste positie te dwingen. Maar je gaat nog een stap verder. Je laat uit die mond een volwassen man vallen, gemaakt uit honderden juweelkevers. Een recensent schrijft: De taal (de mond) gaat aan alles vooraf. Ze is tegelijk de voorwaarde van het bestaan van de man als van datgene wat aan de man ontsnapt. Hij wordt door de mond (de taal) uitgebraakt, maar hij er verliest er zijn vorm niet door. (…) De kunstenaar heeft een even meesterlijk als eenvoudig antwoord gegeven op het geniale Not I van Beckett. (…)

46.  I will die in harness. Als kunstenaar word je in deze tijden niet afgezonderd in een veilig atelier annex cocon. Nee, er wordt van je gevraagd op de voorgrond te treden. Gelukkig sluit dit aan bij je temperament. Toch dreigt ook voor jou het gevaar dat je besmet wordt met de voze en banale lucht van daarbuiten, die dromen aantast en schoonheid negeert. Om daartegen bestand te zijn, hul je jezelf in een harnas. Je staat in het museum in dat harnas. Door het openstaande vizier kan de toeschouwer kijken in een ogenschijnlijk peilloze diepte. Je bestrijdt de wereld met open vizier. Je staat lichtjes gebogen en met je gepansterde hand leg je op de grond een juweelkever. Je bestrijdt de wereld met open vizier en legt haar je eigen orde op.

47.  Temper! De Griekse geleerde Galenus onderscheidt een sanguinisch, flegmatisch, cholerisch en melancholisch temperament, afhankelijk van welk lichaamsvocht overheerst. Je laat door een team van glasblazers een exacte kopie maken van jezelf, terwijl je gelukzalig lacht. Het resultaat is een uiterst breekbare mens. Je vult je glazen afbeelding met vier vloeistoffen, met telkens een andere kleur en dichtheid, zodat ze zich niet vermengen. Dat ziet er heel mooi uit. Op het beeld laat je met zwarte viltstift allerhande formules schrijven. De formules verwijzen naar de zoektocht om die perfecte verhouding te vinden tussen de vier lichaamsvochten. Die verhouding is voor elke mens anders. – De vijandige criticus schrijft: O, wanneer gaat deze kunstenaar eindelijk eens leren wat de opdracht Kill your darlings betekent!

48.  Kill your darlings. Je verzamelt polaroids en stills van al de kunstwerken die je ooit hebt gemaakt. Je behandelt de foto’s met een waterdichte stof en zet ze in honderden weckpotten op sterk water. Die potten exposeer je op houten rekken in de ronde zaal (als in een baarmoeder) van een museum. Op de potten kleef je etiketten met daarop je naam, geboortejaar, -plaats en titel van het kunstwerk.

49.  Diary. Je maakt een tentoonstelling van al het werk dat je nooit eerder hebt laten zien. Je toont er ook voorbereidende schetsen, kladboeken, notities en maquettes. Diary biedt een inkijk in de psyche van de kunstenaar. Het laat zien dat niets vanzelf komt en dat er hard moet gewerkt worden om tot een resultaat te komen. Het is een lange weg van schrappen, herbeginnen en twijfelen. Het mooie aan Diary is, zegt men, dat het al je fascinaties en obsessies mooi op een rij plaatst. Het obsessieve van tientallen keren dezelfde tekening opnieuw maken, zegt eigenlijk alles wat er te zeggen valt. Het is immers het proces dat telt. Al de kunstwerken samen vormen een soort dagboek. Jouw oeuvre opent een heel eigenzinnig wereldbeeld.

50.  The man who fucked the world. De beheerder van een natuurgebied bestelt een kunstwerk. Je laat jezelf uit brons gieten. Je ligt op een grasvlakte, je jeans is tot aan je knieën afgestroopt, je blote kont gaat iets omhoog, terwijl je met een indrukwekkende penis een gat in de aarde neukt. Van je gezicht rollen zweetdruppels. Uit heel je gelaatsuitdrukking blijkt dat je weldra tot een orgasme zult komen.

 

David Nolens (2005)