Roorda van Genum

Ten tijde van Sint-Nicolaas wordt altijd erg positief gedacht over de Moorse hulptroepen in Myra. Vooral armen, kinderen en wezen, zijn dan erg gelukkig met de inzet van huurlingen om alle luxe versnaperingen te bezorgen. Tijdens de kruistochten echter, keerden de Friezen zich faliekant en fel tegen dit 'grote, zwarte, gevaar'. De Moren hadden Jeruzalem helemaal ingenomen en begonnen, gedurende het beleg, zelfs hun overleden familieleden, te begraven, in de kerk, dicht bij het graf, van Jezus Christus. Al snel werd heel anders gedacht over de misdadige en morsige Moren. Bovendien waren er voor de succesvolle kruisvaarders aanzienlijke belastingvoordelen te behalen. Toen Paus Innocentius III een flink bedrag uitloofde bij de deelname aan de Vijfde Kruistocht, kwamen ook twee Friese broers uit Genum aan de beurt: Ruurd en Johan Roorda. De kruistocht verliep zeer voorspoedig tot men in het Heilige Land in het leger van de Christenen tegenover de Saracenen kwam te staan. Een Moorse prins stapte uit dit gezelschap naar voren in volle wapenuitrusting en begon de christenen te bespotten en zelfs uit te dagen. Toen hij opriep tot deelname aan een duel, nam Roorda deze uitdaging aan. Hij wist de Moor in het begin niet te doden, daar deze groot en sterk was, maar onthoofdde hem uiteindelijk wel. Hij nam het hoofd van de Moorse prins hierna mee naar zijn leger en droeg het eervol bij zich op schoot. Sinds deze heldhaftige daad voert het trotse geslacht Roorda van Genum een Moors hoofd op het eigen wapenschild. Met de broer van Ruurd, Johan, liep het minder goed af. Hij sneuvelde enige dagen later in het volgende gevecht tegen de Moren. De overwinning betekende dus toch een gróót persoonlijk verlies voor Ruurd. Nou schijnt één van mijn voorouders een nakomeling, van Johan te zijn.