Roorda van Genum

Ten tijde van Sint-Nicolaas wordt altijd erg positief gedacht over de Moorse hulptroepen uit Myra. Vooral armen, kinderen en wezen, zijn dan erg gelukkig met de inzet van huurlingen om alle luxe versnaperingen te bezorgen. Tijdens de kruistochten echter, keerden ook de Friezen zich faliekant tegen de 'grote', 'zwarte', 'gevaarlijke' moren. De Moren veroverden grote gebieden en hadden in Jeruzalem hun overleden familieleden zelfs begraven in de kerk, dicht bij het graf van Jezus Christus. Al gauw werd op 4 december anders gedacht over de schandalige moren. Bovendien waren er voor de succesvolle kruisvaarders belastingvoordelen te winnen. Toen Paus Innocentius III weer een flink bedrag uitloofde bij de deelname aan de Vijfde Kruistocht, kwamen ook de twee Friese broers uit Genum aan de beurt: Ruurd en Johan Roorda. De kruistocht verliep zeer voorspoedig tot men in het Heilige Land met het leger van de Christenen tegenover de Saracenen kwam te staan. Een moorse prins stapte uit dit gezelschap in volle wapenuitrusting naar voren en begon de christenen te bespotten en zelfs uit te dagen. Toen hij opriep tot deelname aan een duel, durfde alleen Roorda deze uitdaging aan. Roorda wist de moor in het begin niet te doden, daar deze groot en sterk was, maar onthoofdde hem uiteindelijk wel. Hij nam het hoofd van de moorse prins hierna mee naar zijn leger en droeg het daarbij eervol bij zich op schoot. Sinds deze heldhaftige daad, voert het trotse geslacht Roorda van Genum, het moorse hoofd, in het eigen familiewapen. Met Johan liep het minder goed af. Hij sneuvelde enige dagen later, in het volgende gevecht tegen de moren. De overwinning betekende dus toch een groot persoonlijk verlies voor Ruurd. Nou schijnt men in dit geslacht, nu juist een nakomeling van die gesneuvelde, Johan, te zijn. De familie Roorda viert Sinterklaas daarom altijd met gemengde gevoelens.