Deze site doorzoeken

28 Bakkerstraat 63

Op dinsdag 19 september 1944 werden in het Van Gend en Loos gebouw aan de Bakkerstraat vijf burgers door de Duitsers doodgeschoten. Kort daarvoor waren zij door de Duitsers uit de kelder van de Nijverheidsschool voor Meisjes aan de Rijnkade 36 gehaald. Mogelijk meenden de Duitsers dat er vanuit deze school op hen geschoten was. Ook zouden zij lucht hebben kunnen gekregen van het onderbrengen van Engelse gewonden in de kelder. Diverse ooggetuigen hebben hun waarnemingen in de vorm van dagboeken opgetekend.
 
Woensdag 20 september 1944 staan huizen op de Broerenstraat en daarachter in brand als een vrijwilliger van de Ordonnansdienst van de brandweer op een inspectietocht door de stad langs fietst. De brandweer kan niet zomaar gaan blussen, maar moet eerst toestemming hebben van de Duitsers. Deze wordt uiteindelijk verkregen van de Ortskommandant, die op dat moment op de bovenverdieping van het pand van Van Gend en Loos zetelt.

Oorlogsmisdaad tegen vijf burgers in het Van Gend en Loos gebouw

 
 
 
Foto: Het gebouw van Van Gend en Loos in de Bakkerstraat van Arnhem voor de verwoesting in 1944/45 (Collectie Gelders Archief/Dijkland).
 
 
 
Tijdens de Slag om Arnhem vond een aantal oorlogsmisdaden plaats. Niet alleen militairen werden hiervan het slachtoffer, maar ook burgers. In de Bakkerstraat werden op 19 september 1944 vijf mannen doodgeschoten in de remise van expeditiebedrijf Van Gend en Loos, gevestigd in Bakkerstraat 64 (en niet 63, zoals in het Freedom Trail boekje staat vermeld).
 
De 50-jarige huisarts Jan Zwolle[1], de 40-jarige Jan Mielekamp, de 42-jarige Cees Veldhuizen, de 30-jarige Johan Smit en zijn 23-jarige broer Henri Smit werden in de ochtend van 19 september door Duitsers gefusilleerd. Mielekamp was een vader van drie kinderen en woonde in de Tivolilaan. Hij was lid van de Luchtbeschermingsdienst (LBD) en had samen met andere leden daarvan enkele Engelse gewonden verpleegd in de Nijverheidsschool voor Meisjes, Rijnkade 36. Cees Veldhuizen was de conciërge van die school en woonde eveneens aan de Rijnkade. Naast de school, op nummer 35 was de conciërgewoning, die in verbinding stond met het schoolgebouw. Johan Smit woonde met zijn vrouw boven een pakhuis aan Rijnkade 38. Johans broer Henri logeerde bij hem en beiden hielpen de leden van de  LBD in de school. Dokter Zwolle werd door hen gebeld om de gewonden te verzorgen. Al voor de Slag om Arnhem begon, was een commandopost van de LBD in de kelder van het schoolgebouw gevestigd. De kelder was goed beschermd met dikke deuren. Ze bestond uit een ruimte, waarin de mensen van de LBD, de burgers en de Engelse gewonden zaten.[2]
 
Een van deze gewonden, de 30-jarige Corporal Arthur Maybury van de 89th Parachute Field Security Section, kon  niet meer worden gered en stierf aan zijn verwondingen. Hij was in de avond van 17 september gewond geraakt in de buurt van de Rijnkade en naar de school  gebracht. Hij kreeg een veldgraf in de tuin ernaast. In een van de zakken van zijn uniform vond Jan Zwolle een lijst met adressen van Arnhemse NSB-ers die moesten worden opgepakt en ondervraagd door een aantal leden van Maybury’s eenheid. Zwolle stak deze papieren in zijn jas. Mielekamp schreef het adres op van de familie van Maybury.
 
De toestand van een tweede gewonde Britse soldaat verslechterde in de nacht van 18 op 19 september. De volgende ochtend werd de Nijverheidsschool voor Meisjes door Duitse soldaten bezet. Mielekamp, de gebroeders Smit, conciërge Veldhuizen en dokter Zwolle kregen de opdracht om de gewonde Engelsman weg te brengen. Hij werd op een rijdende brancard gelegd. Vervolgens werden ze afgemarcheerd, de brancard meevoerend, naar de Bakkerstraat, waar de burgers niet lang daarna werden doodgeschoten. Wie de Brit was en wat hem gebeurde, is niet bekend.
 
Mw. W.J. van Koldenhoven-Veldhuizen herinnert zich:

“De gevangenen gingen de ene kant op en mijn moeder en ik de andere. Mijn moeder stond  even later stil en zei: ‘Je hebt geen vader meer.’ En toen gingen we naar het huis van de jongste broer van mijn vader, die ondergedoken was. Daar hebben we een aantal dagen gezeten, totdat we  moesten evacueren. Twee dagen na de 19e kwam er iemand van de Wehrmacht, in opdracht van de Ortskommandant, dat het een vergissing was geweest dat deze mensen doodgeschoten waren. Toen werd mijn moeder verschrikkelijk boos en zei ze: “Ik wil er totaal niet meer van horen.” [3]

Ooggetuigenverslag van directeur Dijkland van Van Gend en Loos

 
De directeur van Van Gend en Loos, de heer J.A. Dijkland, woonde in Bakkerstraat 64a boven zijn bedrijf. Zijn gezin verliet de woning in de nacht van 17 op 18 september en zocht een veilig heenkomen bij kennissen. Dijkland bleef achter om op zijn bedrijf en de woning te passen. Hij schreef in zijn dagboek op 18 september 1944:
“Persoonlijk bleef ik dien nacht alleen in de remise. Nadat de familie Spoelstra de woning verlaten had, werd deze woning door de D. [Duitsers] bezet, en bleek later, dat daarin gevestigd werd een Kraftstoff depot [opslagplaats voor motorbrandstof].[4] In den loop van den avond werd er vanaf de daken op deze post geschoten. Waarop mij gecommandeerd werd de remise te openen en heeft men huiszoeking gedaan, omdat men vermoedde dat er E. [Engelse] parachutisten in ons gebouw vertoefden.
 
Later in den nacht werd er meer geschoten en ook teruggeschoten, waardoor de ruit van ’t bovenhuis der familie Becking [Bakkerstraat 14] doorzeefd werd. Weer kwam men toen bij mij huiszoeking doen en moest ik zelf [de] brandkast openen, om te zien of er ook wapenen in zaten. Ook [het] hok kreeg een beurt.
’s Morgens 7 uur begon het militair gedoe in de Bakkerstraat en scheen men straatgevechten te verwachten met E. parachutisten, welke zondags gedaald waren en in Oosterbeek hevige gevechten hadden geleverd.

Om half 8 werd er een D. gewonde op een handwagen weggebracht, welke verschrikkelijk kermde. Om kwart voor 9 werd er een groote partij (± 30) E. krijgsgevangenen op de stoep bij Boekhandel Brouwer [Bakkerstraat 17] verzameld en weggevoerd.[5] Direct daarna zag ik een 12-tal burgers voor mijn remise staan met de handen in de hoogte, welke gefouilleerd werden. Een auto nam er een 7-tal van mee, terwijl er 5 voor ons kantoor bleven staan en op dat moment kwam juist mijn familie bij mij binnen, die den nacht op den Apeldoornseweg hadden doorgebracht.

Mijn zoon zag bij die 5 menschen schijnbaar een bekende en ging er naar toe en heeft toen nog met één van de personen gesproken, op welk moment de 5 personen naar binnen gedreven werden. Mijn zoon voelde bij intuïtie, dat er iets ging gebeuren en probeerde langs de remisedeuren, welke gesloten werden, weg te komen, doch werd door de D. buiten tegen onze huisdeur geplaatst, wat gelukkig bij een bedreiging is gebleven.

Binnen voltrok zich echter een drama om nooit te vergeten. De 5 personen werden zonder meer tegen den muur geplaatst en doodgeschoten. Mijn zoon, die buiten de remise stond en veel meer schoten hoorde, dacht dat ook zijn geheele familie was doodgeschoten en toen ’t hem dan na veel moeite gelukte weg te komen, werd hij nog door de D. weggebracht tot aan de Ned. Handels Mij. [Bakkerstraat 71-72] en gecommandeerd zoo spoedig mogelijk de stad te verlaten. Hij is toen bij de kennissen aangekomen in een zeer zenuwachtige toestand en moest zich onder doktersbehandeling stellen.

Wij, intusschen in de remise, wisten ook door de consternatie niet wat er precies gebeurd was met onze zoon en toen wij hem niet in huis noch op kantoor vonden en hebben wij ook nog een oogenblik gedacht, dat hij tot de doodgeschoten personen behoorde. Nadat ik mij echter overtuigd had, dat hij niet bij de lijken lag, is mijn vrouw en de aanstaande familie van mijn zoon, met wat kleeren naar de Apeldoornseweg gegaan en konden wij na een ½ uur gelukkig telefoneeren, dat onze zoon, daar was aangekomen en zij nu alle naar Velp vertrokken.

Het bleef den geheelen dinsdag morgen druk met rijden van militaire auto’s en motorfietsen, ook werden er nog een paar doode D. soldaten in de remise neergelegd, welke ’s middags met een bakfiets van ons werden weggereden. Die bakfiets is echter door de D. nooit teruggebracht, zoodat ook deze verdween.

's Middags om 1 uur was het militair gedoe op zijn hoogst, en werd mij aangeraden naar een kelder te gaan, daar men een hevige ontploffing verwachtte. Ik heb hier maar niet aan voldaan en ben op mijn kantoor gebleven…. (..…) Daarna zag ik een auto met hooge officieren vertrekken, waarbij de brandstoffen uit het bovenhuis van den heer Spoelstra ook werden ingeladen.

Na 3 uur werd het rustiger en bemerkte ik, dat het hoofdkwartier weer verdwenen was en hoorde ik van de buren aan de overzijde dat er veel uit het bovenhuis van den heer Spoelstra in de auto van de officieren was geladen, wat ik zelf niet heb kunnen zien.

Ook om 7 uur kwamen nog D. in het huis van de buren en vertrok er nog één met een deken onder de arm, daarna heb ik de sleutel uit de deur genomen welke er nog naar buiten toe, in zat. Inmiddels begon de stad op verschillende plaatsen te branden en begon de uittocht van menschen, die moesten vluchten. De geheele Markt, Walburgisstraat, Walburgisplein, Koningstraat, Groote Kerk en aangrenzende straten bleken in brand gestoken te zijn.

De buren waren, voor zoover mij bekend was, alle vertrokken, en werd de vuurgloed hoe langer hoe grooter en onheilspellender. Zoodat ik om half 1 besloot om ook maar te vertrekken, daar ik alleen toch niets meer kon beginnen in het gebouw als er brand zou komen. Geen water en geen licht en in de remise nog 5 lijken en ben toen naar kennissen gegaan, om daar eens te gaan eten en uitrusten.

Den volgende morgen om 7 uur ben ik weer naar de Bakkerstraat gegaan en vond daar de kantoordeuren nog gesloten, doch de voordeur van ’t huis van den heer Spoelstra was totaal vernield en liepen de militairen in en uit.

In de Bakkerstraat brandde toen de winkel van den heer Jorritsma [Bakkerstraat 32] zeer hevig. Na alles goed afgesloten te hebben, ben ik toen ook maar vertrokken, daar ik mij niet meer alleen tusschen al die ellende vertrouwde. Vooral ook omdat de lijken nog in de remise lagen en de straat vol met militairen was, die alle huizen in- en uitliepen.
Dinsdagmiddag had ik nog alle mogelijke moeite gedaan om de lijken weggebracht te krijgen, doch dat gelukte niet, daar alle telefoongesprekken zonder resultaat waren. Alleen van het Gem. Ziekenhuis kreeg ik de boodschap ze daar maar te bezorgen, dan zouden zij er wel verder voor zorgen. (…..)
In Velp vernam ik toen natuurlijk de wetenswaardigheden van mijn familie, en van mijn zoon hoorde ik toen, dat er bij de 5 personen, die doodgeschoten waren, ook Dr. Zwolle was, waarmede hij had staan praten.”[6]
 
 
 
 
 
Briefje met de namen van de vijf burgerslachtoffers aan de muur van de remise van het Van Gend en Loos gebouw in de Bakkerstraat. Op het briefje staat de tekst: "Tegen dezen muur werden 5 burgers van Arnhem doodgeschoten op 19 Sept 1944" Gevolgd door de namen 1 Mielekamp Luchtbeschermingsdienst 2 Smit Electricien NS 3 Smit Boekhouder 4 Veldhuizen conciërge Industrieschool 5 J v Zwolle arts. Inclusief een foto met de tekst aan de ommezijde van de foto (Collectie Gelders Archief/Dijkland).
 

De brandweer

 
De ordonnansdienst van de Arnhemse brandweer had op 19 september 1944 van de Duitsers het bevel gekregen om de hoofdpost van de brandweer in de binnenstad te ontruimen. Er werd een nieuwe commandopost ingericht aan de Rozendaalsestraat. Ordonnans Theo W. Scholten herinnerde zich later:

“Om toch op de hoogte te blijven met wat er in de stad voorviel vroeg commandant Jonker vrijwilligers van de Ordonnansdienst om nu en dan eens naar het centrum te rijden om daar te zien wat er gebeurde. We mochten ons niet in de gevarenzone begeven, doch daar buiten omheen proberen om op te nemen hoe de toestand was en dit dan weer rapporteren. (…)

Het was meen ik op woensdag 20 september 1944, dat ik zo door het centrum fietste en terecht kwam op de Kleine Oord, op de hoek van de Weverstraat en de Oeverstraat. Hier stond een hele rij mensen te kijken naar de brandende huizen van de Broerenstraat en daarachter. Het was ergerlijk, dat we werkelijk moesten toezien en er niets aan mochten doen of mochten gaan blussen.

Plotseling komt er een grote man op een fiets aanrijden, stapt bij het rijtje mensen af en roept luidkeels: “Is er hier ook iemand van de brandweer aanwezig?” Ik stap op hem af en zeg: “Ja, ik ben er. Van de Ordonnansdienst van de brandweer.” “Zo,” zegt hij, “ik ben Hollaar en ik ben het Blokhoofd hier van de Luchtbeschermingsdienst. Ik was zojuist bij de Ortskommandant en heb van hem toestemming gekregen om nu te gaan blussen.” Ik vraag hem waar die Ortskommandant dan wel zit. “In het gebouw van Van Gend & Loos in de Bakkerstraat,” zegt hij. “Als u nu kunt zorgen, dat er een paar motorspuiten hier ingezet kunnen worden, dan zal ik met mijn mensen vast beginnen daar bij de brand het hout en andere brandbare spullen zoveel mogelijk weg te halen.” Ik zeg hem dat ik natuurlijk niets kan toezeggen, maar zo snel mogelijk de commandant zal inlichten. En zo spoed ik mij terug naar de tijdelijke hoofdpost aan de Rozendaalsestraat. En hier breng ik direct verslag uit aan de commandant Jonker.” [7]

Commandant Jonker schreef in zijn officiële verslag over het optreden van de Arnhemse brandweer dat hij eerder die dag ook al diverse malen gepoogd had om toestemming te krijgen om te blussen. Hij zou onder meer hebben gesproken met “den officier, welke de gevechtshandelingen leidde.” Jonker was teleurgesteld dat zijn mensen niet mochten blussen.[8]

 
Toen het nieuws binnenkwam dat de brandweer van de Duitsers in actie mocht komen “werd onmiddellijk personeel en materieel uitgezonden.”[9] Deze opmerking staat echter haaks op de aantekeningen van ordonnans Scholten die beweerde dat Jonker tegen hem zou hebben gezegd:

“Ik denk er niet aan ook maar één motorspuit naar het centrum te sturen. Ik waag er mijn mannen en mijn spuit niet aan. (….) Alleen als ik zwart op wit toestemming krijg van de Ortskommandant zal ik bevel geven om te gaan blussen.”[10]

Uiteindelijk werden Scholten, een brandmeester, een tweede ordonnans en een leraar Duits, die als tolk zou optreden, op de fiets naar de Bakkerstraat gestuurd. Ze reden richting het Velperplein, maar kwamen niet veel verder:

“Daar, op de hoek van de Roggestraat, worden we aangehouden door Duitse wachtposten. We doen ons verhaal en nu moeten we onze fietsen hier achterlaten en te voet verder gaan. We krijgen een Duitse soldaat mee. Op de hoek van de Walstraat moeten we halt houden, want zegt hij, ginds liggen de Engelsen en zij vuren door deze zijstraten. Hij gluurt om de hoek en als het veilig lijkt, mogen we verder gaan. Hetzelfde herhaalt zich op het Land van de Markt, maar dan kunnen we toch door tot op de hoek van de Bakkerstraat. Daar worden we doorgegeven aan een andere wachtpost, die ons naar het gebouw van Van Gend en Loos brengt.

Hier moeten we wachten, terwijl een militair onze boodschap doorgeeft naar de Ortskommandant, die boven zijn zetel heeft. Beneden hangen allerlei Duitse militairen rond. Ze hebben flessen wijn, waar ze de hals afslaan en ze dan leegdrinken. Dit verklaart hun wat luidruchtige stemming. Dan komt de Feldwebel, of wat voor het rang het ook geweest mag zijn, weer terug. Er mogen maar twee personen toegelaten worden bij de Ortskommandant en we moeten zelf maar beslissen wie hem te woord zullen staan. We overleggen even. Het lijkt me het beste dat in de eerste plaats onze tolk mee moet, omdat hij het beste kan uitleggen waarom het gaat.

Voor het beantwoorden van organisatorische of technische vragen omtrent het inzetten van het brandweermateriaal is het wellicht het beste dat de brandmeester mee gaat. Men is het met deze redenering eens en zo verdwijnen deze twee mannen met de Duitse militair mee naar boven. Het duurt nogal even voor ze terug zijn, maar eindelijk dagen ze toch weer op. En wat belangrijker is: ze hebben het gevraagde bewijs voor toestemming, voorzien van de nodige stempels, los gekregen. De voorwaarden luiden, dat we alleen van de noord- en westzijde af mogen blussen en ook vooral niet hoger mogen komen dan de dakranden, want er wordt nog heen en weer geschoten, zodat we dan als doelwit zouden kunnen dienen. De grens is ongeveer Pastoorstraat, Broerenstraat.

We worden op dezelfde manier, van wachtpost naar wachtpost, teruggeleid naar het Velperplein, waar we onze fietsen weer bestijgen en naar de hoofdpost, Rozendaalsestraat terugrijden. De commandant is nu toch wel blij dat we aan het werk kunnen en feliciteert ons met het bereikte resultaat. Er worden vrijwilligers gevraagd om met een motorspuit mee naar de binnenstad te gaan. Er zijn vele aanmeldingen. En na korte tijd vertrekken we naar de binnenstad.” [11]

De ‘Ortskommandant’ uit het verslag van Theo Scholten is waarschijnlijk SS-Obersturmführer A. Harder geweest. Harder was oorspronkelijk de commandant van de 7. Kompanie van SS-Panzer Regiment 9, een onderdeel van de 9. SS-Panzer-Division ‘Hohenstaufen’.[12] Harders compagnie werd ingedeeld bij de Kampfgruppe Spindler, een haastig geformeerde gevechtsgroep onder bevel van de commandant van SS-Panzer Artillerie Regiment 9, de 33-jarige SS-Sturmbannführer Ludwig Spindler. Kampfgruppe Spindler kreeg op 17 september het bevel om direct naar Arnhem af te reizen en alle wegen in het westelijke deel van Arnhem richting de brug te blokkeren. Rond middernacht in de nacht van 17 op 18 september 1944 meldde Spindler aan het hoofdkwartier van de 9. SS-Panzer-Division ‘Hohenstaufen’ dat hij het westelijke deel van het Arnhemse centrum had bereikt en onderweg op tegenstand was gestuit.[13]
 

 

 

Brand in het gebouw van Van Gend en Loos in de Bakkerstraat te Arnhem. Opname van onbekende datum, maar na woensdagochtend 20 september 1944 (Collectie Gelders Archief).

Verwoeste pand van Van Gend en Loos aan de Bakkerstraat (Collectie Gelders Archief/Dijkland).

Spindlers gevechtsgroep

 
De volgende dag ging een deel van Spindlers gevechtsgroep verder in noordwestelijke richting om zich aan te sluiten bij het SS-Panzer-Grenadier Ausbildungs und Ersatz Bataillon 16, waarmee hij laat die avond contact maakte. De Duitse verdedigingslinie dwars door het westelijke deel van Arnhem was nu aaneengesloten.[14]
 
Spindler had door de komst van bewapende genisten van de Reichsarbeitsdienst, matrozen en ander bij elkaar geraapt personeel echter zo veel losse eenheden in zijn gevechtsgroep, dat hij besloot om zijn commando te herstructureren. SS-Hauptsturmführer Klaus von Allwörden kreeg het commando over de resten van de SS-Panzerjäger Abteilung 9 en kleinere eenheden in het noordwesten (‘Kampfgruppe Von Allwörden’), terwijl de eerder genoemde SS-Obersturmführer Harder werd belast met het bevel over de restanten van het SS-Panzer Regiment 9. Zijn Kampfgruppe Harder omvatte drie infanteriecompagnieën die respectievelijk bestonden uit een compagnie tankbemanningen, een compagnie technisch en logistiek personeel en de derde uit bijeengeraapt marinepersoneel.[15] Harders gevechtsgroep verdedigde een denkbeeldige lijn net boven het Arnhemse station tot aan de Oude Kraan. Hij moest zowel de weg naar de verkeersbrug voor de Britse bataljons blokkeren als voorkomen dat de Britten bij de brug een uitbraakpoging ondernamen naar het westen.[16]
 
Een Duitse historicus schreef na de oorlog over de Kampfgruppe Spindler in de nacht van 18 op 19 september:

“In de stadskern bevonden zich nog enkele Engelse groepen, die door het gebrek aan overzicht in de nacht niet gepakt konden worden; ze schoten enkele radiotelegrafisten [van Kampfgruppe Spindler] af en verontrusten het Hinterland.” [17]

Hiermee doelde de schrijver ongetwijfeld ook op het peloton van luitenant Levien in de Bakkerstraat. SS-Obersturmführer Harders gevechtsgroep vormde het achterste deel van Kampfgruppe Spindler in de binnenstad en zetelde vermoedelijk in de Bakkerstraat. Hij stond zowel in contact met Spindler als met de divisiecommandant, SS-Obersturmbannführer Walter Harzer, die in de late avond van 17 september 1944 zijn commandopost had gevestigd in villa ‘De Heselbergh’, Apeldoornseweg 228. Dit was het kantoor van de eerder die dag doodgeschoten Ortskommandant en tevens Feldkommandant van Arnhem, de 49-jarige General Major Friedrich Kussin. Een stafofficier van Kussin had aan Harzer de functie van Ortskommandant aangeboden:

“Mijn commandopost was gevestigd op de weg naar Apeldoorn aan de rand van Arnhem. Het was het hoofdkwartier geweest van de Ortskommandant. Deze commandant was een generaal Kussin. Hij werd al op de eerste dag gedood. Zijn chefstaf kwam mij opzoeken en vertelde me dat het hoofdkwartier van de gedode Kussin een goede commandopost zou zijn omdat het een centraal punt van telefoonverkeer was. Jarenlang was dit gebouw een communicatiecentrum geweest en de vijand wist dat. Het was het Nederlandse telefoonnetwerk waar we op vertrouwden. We gebruikten dezelfde kabels, maar andere schakelborden.” [18]

Naast de chefstaf van Kussin had ook een twintigtal andere stafleden van de Feldkommandantur 642 de benen genomen. Dat hield in dat Harzer tijdens de Slag om Arnhem zowel de lokale militaire bevelhebber was als de Ortskommandant van Arnhem. Zijn lagere bevelvoerende officieren in de stad kregen ieder een stadsdeel toegewezen en werden dus ook verantwoordelijk voor de burgers in de sector waar hun troepen gelegerd waren.

 
Vermoedelijk ontving SS-Obersturmführer Harder in de hoedanigheid van vertegenwoordiger van  Harzer de delegatie van de brandweer in de Bakkerstraat. De NSB-er Arend Hollaar heeft deze functie aan Scholten echter uitgelegd als Ortskommandant. Waarschijnlijk wist Hollaar zelf destijds niet dat Harzer die functie uitoefende.
 
Het verhaal van brandweerordonnans Scholten is interessant doordat het melding maakt van een Duitse commandopost in het pand van Van Gend & Loos, hetzelfde pand waar de vijf burgers een dag eerder waren doodgeschoten. Gemeentearchivaris Piet van Iddekinge schreef in zijn boek Arnhem 44/45 dat een militair  hoofdkwartier was ingericht in de Bakkerstraat.[19] Dit lijkt het verhaal van Scholten te bevestigen en maakt de veronderstelling aannemelijk dat SS-Obersturmführer Harder of een andere hoge officier van de 9. SS-Panzer-Division ‘Hohenstaufen’ als ‘commandant’ van een deel van de Arnhemse binnenstad in de Bakkerstraat een commandopost had. De vraag wie er verantwoordelijk waren voor de moord op Mielekamp, de gebroeders Smit, Veldhuizen en Zwolle blijft helaas onopgelost.

Poging tot opheldering van de oorlogsmisdaad

 
Kort na de moord werd echter wel een poging gedaan om achter de toedracht te komen. Wilhelmina Schouten woonde destijds met haar ouders in de Mariënburgstraat en was het enige vrouwelijke lid van de LBD. Zij was op woensdag 20 september teruggekeerd naar haar ouderlijk huis nadat de dienst de Nijverheidsschool voor Meisjes aan de Rijnkade had verlaten (zie ook punt 14 Rijnkade):

“Donderdag 21 september wilde ik even gaan kijken of Mielekamp thuis gekomen was zonder ongelukken. Onderweg hoorde ik een gerucht dat Dr. Zwolle gefusilleerd zou zijn; hij zou in de Bakkerstraat met een Engelse soldaat hebben staan praten. In de G.A. Smitstraat trof ik alleen de kinderen Mielekamp thuis; vader was nog niet thuis gekomen; moeder was naar het ziekenhuis naar hem informeren. Iemand had gezegd, dat hij daar heen was gegaan om een gewonde Engelse soldaat weg te brengen. Mielekamps vrouw was erg van streek toen ze thuiskwam. Ze had niets van haar man gehoord. Ik stelde haar gerust; haar man zat vast en zeker bij de Tommies; dat was hij immers altijd van plan geweest? Ik zelf was daarvan ook werkelijk overtuigd.”[20]

Op de Velperweg kwam Schouten de zwager  van Mielekamp tegen, Nederdaal, die haar vertelde dat zijn zwager, Dr. Zwolle, Cees Veldhuizen en de gebroeders Smit in de Bakkerstraat waren doodgeschoten. Hun lichamen zouden bij het pand van Van Gend en Loos liggen, zo verzekerde hij haar. Zij schreef enkele weken later:

“Ik kon het niet verwerken allemaal, maar die middag ging ik naar de Bakkerstraat. Ik wou met mijn eigen ogen zien óf daar mensen gefusilleerd waren en zo ja, wie het waren. (….) Mijn eerste poging om de Bakkerstraat binnen te dringen mislukte. Een volgende wacht liet zich vermurwen toen ik zei, dat ik wou weten of zich bij de 5 hingerichteten Niederländer mein bruder befand; dat die al 4 dagen weg was. Hij bracht me naar Van Gend en Loos. Daar hoorde ik dat de 5 Niederländer al begraven waren. Niemand wist waar en door wie; uit de beschrijving van een soldaat die ze had zien liggen werd ik niet wijzer. ’t Waren terroristen; ze hadden uit de school op de Duitsers geschoten; der Arzt [Jan Zwolle] hatte Munition und sie haben mit Engländern zusammengehockt.” (…..)

Thuisgekomen hoorde ik dat Nederdaal geweest was komen zeggen, dat M. [Mielekamp] gefusilleerd was. Een burger, z’n naam ben ik vergeten, had de 5 mensen moeten begraven. Hij zou me misschien verdere inlichtingen kunnen geven. Ik zocht die heer op; ’t adres was fout, de naam klopte. Ik vertelde de reden van mijn komst.

“Juffrouw, ik ben er nog door van streek. Stel u voor, ik werd zo van de straat gehaald met nog een voorbijganger; samen moesten we in de tuin achter ’t gebouw zo maar 5 lijken begraven. Alles wat ik me herinner is bebloede gezichten en wijd open schrikogen. Vraag me maar niets meer, misschien kan de directeur van Van Gend en Loos u inlichten.”[21]

Naoorlogse opgraving van slachtoffers

 
Na de bevrijding van Arnhem werd nog een keer onderzoek gedaan naar de moord in de Bakkerstraat. Waarnemend dienstleider van de LBD te Arnhem, B. van Brussel, schreef in december 1945 een verslag over het bergen van de stoffelijke overschotten  die niet, gedeeltelijk of tijdelijk waren begraven in de periode van 17 september 1944 tot aan de uiteindelijke bevrijding in april 1945. Zijn groep begon met hun werkzaamheden in de laatste dagen van april, en beschikte in het begin nog niet over werkkleding, rubberhandschoenen en ontsmettingsmiddelen. Deze werden na enkele dagen uitgereikt en toen kon het bergingswerk pas echt beginnen. Tot de lijken die zijn groep moest opgraven behoorden de lichamen van Jan Mielekamp, Henri Smit, Johan Smit, Cees Veldhuizen en huisarts Jan Zwolle:

“Een heel beroerd baantje kregen we bij Van Gend en Loos in de Bakkerstraat, waar in de tuin 5 menschen waren begraven, waaronder een collega [Jan Mielekamp], die gelijk met Dr. Zwolle en nog drie menschen waren doodgeschoten, omdat ze gewonde Engelschen aan de Hoofdcommandopost hulp hadden verleend. Persoonsbewijzen, portefeuilles e.d. waren nog in goede staat dus konden we ze allen goed herkennen. Dr. Zwolle had een schot in de hartstreek en eenige schoten in de lendenen als ook de andere menschen, wat nog goed te zien was, daar we de verwondingen hebben nagezien. Vier van hen hadden een schot door de hersenen, wat klopte met de verklaringen van ooggetuigen, die beweerden, dat vijf menschen ’s morgens om 9 uur waren gefusilleerd en om ongeveer 11.30 uur nog lagen te kermen, waarop ze door een Duitsch officier met een schot door het hoofd verder zijn afgemaakt.” [22]

Ooggetuige Mw. Van Koldenhoven-Veldhuizen

Mw. Van Koldenhoven-Veldhuizen hoort anno 2007 voor het eerst van deze versie. Ze is er bijzonder door van slag geweest. Haar is altijd  verteld dat haar vader door 17 kogels in zijn lichaam was getroffen, waardoor hij toch vrijwel op slag dood moet zijn geweest.[23] Beide versies berusten niet op directe eigen waarneming, dus welke de juiste is, kan niet worden vastgesteld. Over de identificatie van haar vader zegt mw. Van Koldenhoven-Veldhuizen:

“Ik wilde het lichaam van mijn vader graag identificeren. Dat mocht niet en toen wilde mijn grootvader dat doen. Maar ook dat mocht niet. Uiteindelijk heeft zijn jongste broer hem toen geïdentificeerd. Ze waren herkenbaar aan de kleding die ze droegen.”[24]

Het verhaal over het fusilleren van de vijf burgers in het Van Gend en Loos gebouw in de Bakkerstraat is door Willem Brouwer op 23 mei 2007 doorgesproken met mw. Van Koldenhoven-Veldhuizen, de dochter van conciërge Veldhuizen.  Zij is enorm ontdaan over de toedracht van het overlijden van haar vader die in deze tekst wordt gegeven en die afwijkt van het verhaal dat zij altijd heeft gehoord. Daarnaast echter kan zij zich in veel passages in de tekst niet vinden. Die  zijn in haar ogen dan onwaarschijnlijk of onwaarachtig. Samen met Mej. Schouten, van wie het dagboek uitgebreid is aangehaald, heeft zij die twee dagen in de kelder van de school aan de Rijnkade gezeten. Toch trekt mw. Van Koldenhoven-Veldhuizen veel dingen die mej. Schouten in haar dagboek heeft opgeschreven in twijfel. De woorden van mej. Schouten in deze tekst zijn citaten en kunnen als zodanig niet aangepast worden. Dit maakt maar weer eens duidelijk dat twee mensen die hetzelfde meemaken, dat verschillend kunnen beleven en weergeven.

Plaquette ter nagedachtenis aan de slachtoffers

 
Vijfentwintig jaar na het drama, op 19 september 1969, werd in de Bakkerstraat een plaquette onthuld ter nagedachtenis aan de vijf doodgeschoten burgers. Het pand van Van Gend en Loos viel begin jaren tachtig van de 20e eeuw ten prooi aan de slopershamer. De plaquette werd echter behouden en door R. Aveskamp, journalist van De Nieuwe Krant, werd de gemeente Arnhem gevraagd om  die opnieuw te laten aanbrengen in de Bakkerstraat.[25]
 
Een stuk van het nog bestaande muurgedeelte van het oorspronkelijke gebouw kon na overleg met de architect B.C.J. Bolder worden behouden en worden opgenomen in het nieuwe pand.[26] Op 21 september 1984 werd de oude plaquette onthuld op dit muurgedeelte door burgemeester J. Drijber in aanwezigheid van de nabestaanden van Jan Mielekamp, de gebroeders Smit, Cees Veldhuizen en Jan Zwolle. Burgemeester Drijber sprak daarbij onder meer de volgende woorden:

“Wij hopen dat de voorbijgangers zich op deze plek een ogenblik zullen bezinnen. En dat, vanaf die plaats, aan ons en aan onze medeburgers een oproep mag uitgaan tot onderlinge verantwoordelijkheid, hulpvaardigheid en saamhorigheid. Zó willen wij de boodschap van deze omgekomen burgers verstaan.”[27]

In de Bakkerstraat vindt nog jaarlijks een herdenking van de slachtoffers plaats. Mw. Van Koldenhoven-Veldhuizen is daar altijd bij. Er wordt dan een kranslegging verzorgd door kinderen van de school die het monument heeft geadopteerd. Mw. Van Koldenhoven-Veldhuizen meent dat het de St. Annaschool is. Volgens haar is er altijd een vrij grote belangstelling. Dan worden diverse monumenten aangedaan, ook die in de ‘Berekuil’ [Airborneplein] en is er later een bijeenkomst in het gemeentehuis.[28]

 
Conciërge Veldhuizen ligt net als Dr. J. Zwolle begraven op Moscowa, in dezelfde rij waar ook Engelsen liggen.
 

Naar boven


 

Noten

 

[1] Huisarts en vriend van het gezin Veldhuizen. Volgens Mw. W.J. Van Koldenhoven-Veldhuizen zat Zwolle in het verzet.

[2] Interview met Mw. Van Koldenhoven-Veldhuizen op 23 mei 2007, afgenomen door Willem Brouwer in haar woning (adres?). Zij is een dochter van de gefusilleerde conciërge Veldhuizen .

[3] Ibidem.

[4] De familie P. Spoelstra woonde naast Dijkland op nummer 63. Zij kwamen daar op 10 juli 1943 wonen. De vorige bewoners, de joodse familie Joseph G. Stern, waren maanden eerder op transport gesteld naar concentratiekampen in Duitsland. Joseph, zijn vrouw Bets en hun dochter Lia kwamen op 16 juli 1943 om in Sobibor, zes dagen nadat de familie Spoelstra in hun huis kwam wonen. Hun zoon Gerard overleed een half jaar later in Auschwitz. M. Klijn, De Stille Slag; Joodse Arnhemmers 1933-1945 (Westervoort 2003), 23 en 98.

[5] Dit waren er niet 30, maar 14: luitenant Hugh Levien en dertien man van 4 Platoon, B Company, 2nd Parachute Battalion. D.G. van Buggenum, B Company Arrived. The story of B Company of the 2nd Parachute Battalion at Arnhem, September 1944 (Renkum 2003), 53.

[6] Dagboek van J.D. Dijkland, Bakkerstraat 64a, directeur Van Gend en Loos. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 164. Enkele afkortingen zijn voluit weergegeven.

[7] Th. W. Scholten, Enkele aantekeningen over mijn activiteiten bij de ordonnansdienst van de Arnhemse brandweer in de oorlogsjaren 1940-1945 (december 1976), 3-4. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 8.

[8] A. Jonker, Verslag omtrent de belevenissen bij de brandweer vanaf 17 september 1944 tot begin december 1944 (z.j.), 9. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 1410.

[9] Jonker, Verslag omtrent de belevenissen bij de brandweer vanaf 17 september 1944 tot begin december 1944, 10.

[10] Scholten, Enkele aantekeningen over mijn activiteiten bij de ordonnansdienst van de Arnhemse brandweer in de oorlogsjaren 1940-1945, 4.

[11] Ibidem, 4.

[12] H. Fürbringer, 9.SS-Panzer-Division (Heimdal 1984), 553.

[13] R. Kershaw, It Never Snows In September. The German View of MARKET-GARDEN and The Battle of Arnhem, September 1944 (Ramsbury 1990), 107.

[14] W. Tieke, Im Feuersturm letzter Kriegsjahre (Osnabrück 1978), 325.

[15] Kershaw, It Never Snows In September, 104.

[16] H. Fürbringer, 9.SS-Panzer-Division, 446.

[17] Tieke, Im Feuersturm letzter Kriegsjahre, 325.

[18] ‘Interview with Lieutenant Colonel Walter Harzer – November 11, 1967’, blz. 2. Dit interview is afkomstig uit de Cornelius Ryan Archives in Ohio. De gebruikte kopie van dit document is te vinden in inventarisnummer 30 (‘Verslagen van interviews betreffende de oorlogsbewegingen van de 9e SS-Panzer Division 'Hohenstaufen' in de omgeving van Arnhem in 1944’) van de Collectie L.P.J. Vroemen (Gelders Archief, blok 2867).

[19] P.R.A. van Iddekinge, Arnhem 44/45. Evacuatie, verwoesting, plundering, bevrijding, terugkeer (Arnhem, 1981), 34. Van Iddekinge noemt op bladzijde 44 opnieuw de “Gefechtsstand” en schrijft: “wellicht bevond zich hier de commandant die ook verantwoordelijk was voor het fusilleren van de vijf Arnhemmers op dinsdagmorgen.” Hollaar zou volgens Van Iddekinge niets hebben geweten van deze oorlogsmisdaad.

[20] W. Schouten, 10 septemberdagen, 28. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 596. Juffrouw Schouten schreef dit verslag tijdens haar evacuatietijd in Soestdijk.

[21] Ibidem, 30-33.

[22] Verslag van B. van Brussel (december 1945), 1. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 4.

[23] Interview met Mw. Van Koldenhoven-Veldhuizen op 23 mei 2007, afgenomen door Willem Brouwer.

[24] Ibidem.

[25] Kopie van een brief van de gemeente Arnhem aan familieleden van Jan Mielekamp, Cees Veldhuizen en Jan Zwolle, 27 augustus 1984. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 1335.

[26] Brief ingenieur B.C.J. Bolder aan Burgemeester en Wethouders van Arnhem, 3 september 1984. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 1335.

[27] ‘Herdenking gefusilleerde burgers Bakkerstraat’, toespraak van burgemeester J. Drijber op 21 september 1984. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 1335.

[28] Interview met Mw. Van Koldenhoven-Veldhuizen op 23 mei 2007, afgenomen door Willem Brouwer.