26 Eusebiuskerk

De St. Eusebiuskerk, ook wel bekend als “de Grote Kerk”, werd door de Slag om Arnhem betrokken in het oorlogsgeweld. Voor de vijftiende eeuwse kerk, waarvan de eerste steen in 1452 werd gelegd, betekende die tijd het begin van de verwoesting.

Zondag 17 september 1944

 
Op zondag 17 september 1944 preekte de hervormde dominee ds. Johan Gerritsen over psalm 91: ‘…gij zult niet vrezen…”. Halverwege de kerkdienst, die om tien uur was begonnen, viel de stroom uit en kon het beroemde achttiende eeuwse Wagner-orgel niet verder worden bespeeld door organist Simon C. Jansen.[1] Dit orgel uit 1769-1770 van de vermaarde orgelbouwers Johann Michael Wagner (1723-1801) en Johannes Wagner (1734-1804) zou tijdens de Slag om Arnhem verloren gaan.
 
Om kwart voor elf ging het luchtalarm voor de derde keer die ochtend af. De eerste twee keer was het loos alarm geweest: nu vielen er bommen op onder meer de Willemskazerne. Een onbekend aantal kerkgangers kwam op weg naar huis om door het bombardement. De St. Eusebiuskerk bleef echter vooralsnog gespaard. De drie aanwezige leden van de luchtbeschermingsdienst waren aan het einde van de ochtend al versterkt door zeven anderen. De ploegcommandant van deze brandpiket der kunstbescherming van de Grote Kerk en Toren was W.A. Bozelie. Hij schreef op 20 november 1944 op zijn evacuatieadres in Eerbeek een officiële rapport over het optreden van zijn groep in de septemberdagen. Dit verslag “verdween” op mysterieuze wijze  na de oorlog. Bozelie kwam hier pas achter na het verschijnen van het boek Arnhem 44/45. Evacuatie, verwoesting, plundering, bevrijding, terugkeer in 1981. Hierin werd door gemeentearchivaris Piet van Iddekinge niet verwezen naar zijn eigen rapport. Gelukkig had Bozelie een kopie bewaard dat hij overdroeg aan het Gemeentearchief.

Maandag 18 september 1944

 
Over maandag 18 september schreef Bozelie in zijn rapport:

“Op Maandagmorgen te ongeveer 6 uur werd [de] toren en [het] kerkdak door de Engelschen vanaf de brug onder zwaar mitrailleurvuur genomen, later gevolgd door geschut uit een pantserwagen. (Vermoedelijk veroorzaakt door onvoorzichtigheid van de manschappen der uitkijkdienst, welke gehelmd achter muren stonden uit te kijken.) Met groot levensgevaar gelukte het aan alle manschappen, welke door mij over het kerkdak en toren waren verspreid, zich in den toren in betrekkelijke veiligheid te stellen.

Na enkele uren werd het vuren zoo sterk – de stukken steen en de kogels tolden om de ooren – dat ik na telefonisch overleg met den Commandant der Brandweer [A. Jonker],  besloot de manschappen uit den toren terug te trekken en terug te trekken naar het kerkgebouw. B.v. om de telefoon te bereiken moest ik steeds een vuurpauze afwachten, daar ik dan steeds door de vuurlinie heen moest. (ER STAAT TWEE KEER TERUG TE TREKKEN IN ORIGINELE TEKST)

Bij een der bestijgingen van den toren is b.v. ook nog gevraagd aan den Commandant der Brandweer of er vanuit den Hoofdpost voor eten en drinken gezorgd kon worden, waarbij mede gedeeld werd, dat de toestand op straat zoo gevaarlijk was, dat er geen manschappen gezonden konden worden om eten te halen of te brengen en waarbij mij verlof werd gegeven om in de omgeving van de kerk eten te kopen of te vorderen.”[2]

Hoewel Bozelie schrijft dat de Engelse parachutisten op de toren hebben geschoten met een pantserwagen, vergist hij zich. De Britten hadden namelijk geen pantserwagens bij zich, alleen jeeps, aanhangwagentjes en vier anti-tankkanonnen. Aan Duitse kant beschikte men wel over pantserswagens: zowel van SS-Panzer-Aufklärungs-Abteilung 10 op de Westervoortsedijk als SS-Panzer-Aufklärungs-Abteilung 9, dat in de ochtend vanuit het zuiden over de Rijnbrug probeerde te komen (zie ook punt 18).

 
De 67 jarige architect Hendrik Tiemens woonde in de Koningstraat 31 en had vanuit zijn woning goed zicht op de kerk. Hij noteerde in zijn dagboek:

“Geregeld wordt geschoten, geweer- en kanonvuur. We zijn den geheelen dag in huis, in de keuken en benedenkamer. Het minst gevaarlijke gedeelte van het huis. In de bovenvoorkamers is het, omdat het huis voorspringt voor de huizen in het meer zuidelijke gedeelte van de Koningstraat, gevaarlijk, omdat van de zijde van de Markt door de Engelschen geschoten wordt.

Des voormiddags werd geschoten op den toren. Ad zag juist dat een gedeelte van de bovenste balustrade werd weggeschoten en riep mij. Ik zag dat een tweede granaat den toren trof en op de oostelijke wijzerplaat (tusschen de cijfers IV en V) afketste. Geschoten werd uit oostelijke richting, vermoedelijk door de Duitschers die waarschijnlijk een uitkijkpost van de Engelschen op den toren veronderstelden. Voortdurend veel schieten, soms luchtgevechten (schieten van vliegtuigen) boven ons.”[3]

Bozelie ging intussen op zoek naar eten en drinken, wat hij na lang zoeken vond. Laat in de middag bereikte hij de commandopost van de brandweer aan de Beekstraat en deelde daar brood en boter uit:

“Bij mijn bezoek aan de Hoofdpost verwonderden zij zich erover, dat wij nog steeds in den toren en kerk zaten, daar het schieten steeds erger werd, daar ook van Duitsche zijde op de toren werd geschoten met zwaar geschut. De toren werd van twee zijden onder vuur genomen, t.w. Zuidelijk en Oostelijk.

Bij het verlaten van den Hoofdpost heb ik de sleutels medegenomen van den pompkelder, waarbij ik den Heer v. Oene, vaste brandwacht der Arnhemsche Brandweer verzocht mij nogmaals mondeling uiteen te zetten hoe of de bediening van de pompinstallatie was, wat door hem is geschied, hierbij voegde hij echter de woorden “Je blijft van den pompinstallatie af.” (Deze woorden zijn gehoord door den Heer L. Clerkx, telefonist bij de Arnhemsche Brandweer.)

In den namiddag werd een ruit van de consistoriekamer gelegen aan den Kippenmarkt verbroken door Duitsche militairen, waarbij wij voor parachutisten werden aangezien, doch  na eenige uiteenzetting werd dit rechtgezet en konden wij ons ongestoord in de kerk en de toren ophouden. Door Duitsche militairen werden verschillenden telefoonleidingen in kerk en toren gelegd en uitkijkposten gevormd.”[4]

Dinsdag 19 september 1944

 
Dinsdagochtend bevond de ploeg van Bozelie zich nog altijd in de kerk:

“Dinsdagmorgen te ongeveer 3 uur werd vanaf de klokkenmakersruimte brand waargenomen op de eerste omloop, met het ploeglid W. Haverkamp ben ik weder niettegenstaande het zware vuur, dat nog steeds op de toren en kerk gericht werd, naar de toren gegaan en gelukte het ook dit brandje, dat voornamelijk woedde in een hoop touw, te blusschen.

Daar het vermoeden voor de hand lag dat nog meer brand zou ontstaan, terwijl het betreden van de toren zeer gevaarlijk was moest ik om eventuele volgende branden te kunnen bestrijden gebruik maken van de aanwezige sproei- en sprinklerinstallatie. Om deze evenwel in werking te stellen moest ik de pompinstallatie in werking stellen.

Om mij te overtuigen, dat deze in orde was besloot ik, niettegenstaande de woorden mij toegevoegd bij mijn bezoek aan den Hoofdpost door den Heer v. Oene, toch de motor en pompinstallatie even te laten loopen, om er zeker van te zijn, dat bij eventueele brand ik de pompinstallatie onmiddellijk in werking zou kunnen stellen.

Direct bij het probeeren van den motor bleek, dat de accu leeg was en starten via accu onmogelijk was. Dit is mede geconstateerd door het ploeglid W. Haverkamp, die ik eventueel in den pompkelder had willen laten om den motor te bedienen, daar ik dan zelf het eventueele blusschingswerk had kunnen leiden.

Daar mij bekend was dat er een slingel in een kastje bij de pompinstallatie was, heb ik dit kastje verbroken, de sleutel was niet aan den sleutelbos te vinden, doch met de aanwezige slinger was het onmogelijk de motor te starten.

Zoodra de veiligheid het eenigszins toeliet, heb ik mij weder naar den Hoofdpost begeven om eventueel benzine, welke ook niet in voldoende mate aanwezig was, de tank van den motor was nog niet half vol. En om een nieuwe accu te halen. Om mij onbekende redenen was echter geen accu voor mij beschikbaar of aanwezig, zoodat ik onverrichter zake naar kerk en toren terugkeerde.

Weder in de kerk gearriveerd bleek mij, dat de Duitsche militairen de deuren aan de groote marktzijde ook hadden opengebroken, en aldaar mitrailleursnesten, borstweringen e.d. aanbrachten, waarna ik om ongeveer 2 à 3 uur n.m. besloot de kerk te verlaten.Bij het verlaten van kerk en toren hebben wij ons naar den Hoofdpost begeven en zijn vandaar na enkele uren verjaagd door Duitsche militairen en hebben ons begeven naar den Noodcommandopost aan den Rosendaalscheweg, alwaar den Commandant der Brandweer aanwezig was en hebben den Commandant mededeling gedaan van verlaten van de kerk en toren.[5] 

Bij aankomst op ons evacuatieadres in Eerbeek werd mij evenwel door deze commandant verweten dat ik mijn post had verlaten. Hij deed dit in bijzijn van twee directieleden van de papierfabriek Huiskamp en Sanders, waar we toen zaten.

Toen heb ik dit officiële rapport opgesteld en later overhandigd aan de chef van het bureau voor de kunstbescherming [G.H. van der Heide] op de Velperweg. Die noemde het een vernietigende rapportage voor de commandant [A. Jonker] en dacht dat deze daardoor een domper zou krijgen. (…..) Jonker zelf heb ik in die septemberdagen naar de Hoofdpost in de Beekstraat nooit gezien. Men zei dat hij aan het zoeken was naar een veiliger onderkomen voor de post. Die taak had hij ook kunnen overdragen aan zijn administrateur of aan een hoofdbrandwacht dacht ik. Maar Jonker kreeg zijn medaille, en ik geloof dus niet het officieel bekend is wat er zich bij de toren werkelijk heeft afgespeeld.”[6]

Woensdag 20 september 1944 – een Duits ‘friendly fire’ incident

 
De kerktoren van de St. Eusebiuskerk vormde in de chaotische strijd rondom de Rijnbrug een herkenbaar oriëntatiepunt. Beide partijen bestookten elkaar met mortiervuur dat na drie dagen steeds nauwkeuriger leek te worden. Het was dan ook niet verwonderlijk dat zowel de Britten als de Duitsers aannamen dat hun tegenstanders een observatiepost in de toren hadden opgesteld. Bewijzen hiervoor werden tot noch toe nooit gevonden.[7] Nauwkeurige bestudering van Duitse ooggetuigenverslagen en gesprekken met Duitse veteranen tonen echter aan dat zich tot de late avond van 20 september geen Britten in de kerk hebben opgehouden. Zelfs toen ging het alleen om parachutisten die een schuilplaats zochten – de toren was op dat moment al uitgebrand en kon niet worden beklommen.
 
Zoals eerder werd gezegd beschikten de Britse parachutisten evenmin over pantserwagens, alleen over anti-tankkanonnen. Deze werden ingezet tegen het groeiende aantal Duitse tanks en pantserwagens. Woensdagmiddag was er nog maar één van over. Uit het verslag van Bozelie blijkt bovendien dat er op maandag al Duitse mitrailleurposities werden ingericht. De Duitsers aan de westkant van de brug hadden ondanks de telefoonlijnen die Bozelie waarnam geen radiocontact of telefoonverbinding met hun landgenoten aan de oostkant.[8] Hierdoor was coördinatie van het gevecht ook voor de Duitsers erg moeilijk.
 
Vanaf de kerktoren hadden de Duitse schutters een fantastisch zicht over de Markt, de Eusebiussingels en de brug. Ongetwijfeld hebben ze geschoten op militairen op de grond, die zeker op de Eusebiusbuitensingel miniatuurpoppetjes leken. SS-Sturmbannführer Hans-Georg Sonnenstuhl, de commandant van Kampfgruppe Sonnenstuhl (zie ook punt 18), bevond zich tijdens de strijd in een hoekhuis vlak bij de hoek van de Eusebiusbuitensingel en de Westervoortsedijk – een tiental meter van de Van Limburg Stirum School. Hij raakte op woensdagmorgen gewond door mitrailleurvuur vanaf de kerktoren. Sonnenstuhl meende ten onrechte dat het Britse schutters waren:

“Tijdens onze artilleriebeschieting hadden twee vijandelijke machinepistoolschutters zich in de kerktoren verschanst, die ons ernstig hinderden. Net als twee andere artilleristen raakte ik licht gewond door dit machinepistoolvuur. Om deze kerktorenschutters uit te schakelen moesten we een kanon met een brandgranaat laden en het geschut op het midden van de toren richten. Afschot, detonatie, stuiffonteinen. Vanaf de kerktoren werd niet meer geschoten.”[9]

Geniesoldaat Tom Carpenter was samen met zijn kameraden van 2 Platoon, 9th Airborne Field Company, Royal Engineers in de vroege ochtend van 18 september de laatste versterking die de Rijnbrug hadden bereikt. Hij herinnerde zich later over de in brand geschoten toren van de St. Eusebiuskerk :

“De toren van de Grote Kerk stond in de hens op woensdagmiddag. We waren ons ervan bewust dat de Duitsers er een observatiepost in hadden opgesteld gedurende de hele actie bij de brug. Ik had er geen idee van hoe groot de schade aan de kerk was, maar het moet aanzienlijk geweest zijn.”[10]

Die nacht brandde de spits van de toren geheel uit en woensdagochtend moest ook het houtwerk in het lager gelegen deel van de toren er aan geloven. De klokken gingen luiden doordat brokstukken van de spits naar beneden vielen. Dit veroorzaakte een spookachtig geluid dat in de wijde omtrek werd gehoord.[11]

De St. Eusebiuskerk als krijgsgevangenkamp

 
Majoor Tony Hibbert, de brigademajoor van de Britse 1st Parachute Brigade, was na zijn vertrek uit het pand van Insula Deï aan het Walburgisplein in de nacht van 20 op 21 september 1944 gevangen genomen in een tuin nabij de Markt:

“In gezelschap van ongeveer tien andere rangen, die ook waren gevangen genomen door deze groep, werden we afgemarcheerd naar het plein voor de kathedraal [St. Eusebiuskerk], waar we een depressief schouwspel aantroffen. Ongeveer twintig officieren en tweehonderd andere rangen, die ongeveer bijna alle niet-gewonde krijgsgevangenen vertegenwoordigden, waren opgesteld in twee aparte groepen: officieren aan de ene kant en de manschappen aan de andere kant. Het was een grote schok, omdat je verwachtte dat er op zijn minst een deel uit had kunnen breken. (…..)

De Duitse bewakers waren erg laks en het was gemakkelijk om tussen de twee groepen heen en weer te lopen, een mogelijkheid die veel van ons aangrepen. (…..) We hadden nu de kans om de mensen waar we tegen gevochten hadden van dichterbij te bekijken. Ze waren van de SS-Division “Hohenstaufel”. Die recentelijk zwaar had gevochten in Frankrijk. (…..) Het eerste wat me opviel was de jeugdigheid van de lagere onderofficieren en soldaten; het merendeel leek niet ouder te zijn dan 16 of 17, alhoewel ze niet toegaven jonger te zijn dan 18.

Gedurende de hele ochtend dook de regimentssergeant-majoor [van de Duitsers] op voor onze neus. De regimentssergeant-majoor is de sleutelfiguur in een Duits bataljon, en deze was echt een sadistische nazi treiteraar. Hij matigde nooit zijn stem lager dan een schreeuwgeluid en liet elke Duitser binnen enkele honderden meters stuiteren van angst. Al de ‘Jerries’ (bijnaam voor Duitsers) schenen enorm in hun nopjes dat ze ons hadden gevangen genomen en een groot aantal van hen kwam ons bekijken.

Toen ik met enkelen van hen praatten, zeiden ze dat ze, hoewel ze zowel op het Westelijke Front als aan het Oostfront hadden gevochten, nog nooit zo’n hard gevecht hadden geleverd. De jeeps die ze op ons hadden buitgemaakt waren een onuitputtelijk bron van vermaak voor ze. Ze hadden een heel raar idee hoe ze de wagens moesten besturen en raceten veel te zwaar beladen, soms op platte banden, door de straten. (…..)

De rest van de buit werd systematisch afgehandeld. Al de extra kleding, uitrusting, wapens en munitie die op ons waren buitgemaakt werden voorzichtig uitgesorteerd en in hopen tegen de kathedraalmuren opgestapeld. Hoewel het deprimerend was om te zien hoeveel wapens en uitrusting ze hadden buitgemaakt, gaf het voldoening om te zien hoe klein de munitiestapel was; een half dozijn granaten van een 6-ponder kanon dat was uitgeschakeld en een paar dozijn kogels type .303. (…..)

Om twee uur [Engelse tijd] werden we de uitgebrande kathedraal ingedreven; de officieren in een kleine ruimte [de consistoriekamer] en de andere rangen in de grote ruimte van het gebouw [de kerkzaal]. Een meer striktere discipline werd nu gehandhaafd; machinegeweren werden om ons heen opgesteld en iedereen kreeg het bevel om op de grond te gaan zitten. We kregen te horen dat wie opstond zonder toestemming zou worden neergeschoten.

Ons verblijf in de kathedraal werd er niet prettiger op doordat van tijd tot tijd brokstukken van het dak en de muren naar beneden stortten. Niemand raakte gewond, maar het scheelde soms niet veel. We kregen geen water of voedsel en omdat de meeste mannen weinig drinken hadden gehad de afgelopen dagen, was het vooral een zware beproeving. Bijna iedereen nam de gelegenheid om het gebrek aan slaap in te halen die we de afgelopen vier dagen hadden gekend.

Om half zeven [Engelse tijd] werden we naar buiten gestuurd en hoorden dat we naar een andere locatie zouden worden overgebracht. De discipline was veel strikter en de officieren en manschappen moesten in twee aparte groepen aantreden, zes rijen dik. Majoor [Freddie] Gough, als hoogste Britse officier, nam het commando over de parade op zich met kapitein [John] Killick als vertaler en de Duitse officier gaf via hem instructies.”[12]

De 18 jarige SS-Oberschütze Horst Weber was één van de weinige soldaten van zijn 21. SS-Panzergrenadier Regiment van de 10. SS-Panzer-Division “Frundsberg” die achter waren gebleven nadat de slag in Arnhem was beslecht. Hij was verantwoordelijk voor de overdracht van de Engelse krijgsgevangen in de St. Eusebiuskerk aan de eenheden van de 9. SS-Panzer-Division “Hohenstaufen”  die voor de afvoer daarvan verantwoordelijk waren. Eén Duitse soldaat stond volgens Weber bij de berg met Engelse wapens terwijl een andere Duitse soldaat de vrachtauto’s bewaakte.[13] Hij had zelf een machinegeweer omgehangen en opende de achteruitgang van de St. Eusebiuskerk:

“Ik was bang dat de Engelsen naar de stapel wapens voor de kerk zouden rennen. Ze hadden dan op zijn minst enkelen van ons kunnen neerschieten. Maar ik stelde de machinegeweerschutter daar op met voldoende munitie. De Engelsen waren hoe dan ook ontmoedigd.”[14] 

Op de markt werden de Britse onderofficieren en soldaten in vrachtwagens geladen. Korporaal Leslie McCreesh van het 2nd Parachute Battalion was één van hen. Hij herinnerde zich:

“we werden per vrachtwagen en trein naar Limburg-an-der-Lahn (Stalag XIIC) gebracht.”[15]

De eerder genoemde SS-Sturmbannführer Hans-Georg Sonnenstuhl herinnerde zich over de Britse krijgsgevangenen op vrijdag:

“Volgens afspraak met twee Britse officieren vormden de overlevende Britse parachutisten zonder enige ceremonie een grote marsformatie, waar bij ze hun lichtgewonde kameraden ondersteund meevoerden of de zwaargewonden op provisorische draagbaren met vier man op de schouders meedroegen. De bewakers werden uit de 9. SS-Panzer-Division “Hohenstaufen” gekozen.”[16] 

Nadat de Britse krijgsgevangenen naar elders waren overgebracht vertrokken steeds meer Duitse eenheden naar de Betuwe in een poging de voorhoede van het Britse 2de Leger tegen te houden. Deze manoeuvres bleken succesvol te zijn toen de bevelhebber van dat leger, luitenant-generaal Miles Dempsey, de vermoeide restanten van de omsingelde 1st Airborne Division in Oosterbeek de opdracht gaf om in de nacht van 25 op 26 september terug te trekken over de Rijn. Dempseys voorste eenheden hadden die dag Elst veroverd na zware gevechten, maar hij achtte ze niet in staat om verder op te rukken richting Arnhem.

 
De terugtocht van de 1st Airborne Division betekende daarmee ook het einde van de Slag om Arnhem, hoewel het merendeel van de Arnhemse bevolking daar niets van meekreeg omdat zij al geëvacueerd was (zie ook punt 32).

Verdere verwoesting na de Slag om Arnhem

 
De Arnhemse kunsthistoricus Dr. P. Glazema, werkzaam bij het Rijksbureau voor Monumentenzorg, en G.H. van der Heide van de Kunstbeschermingsdienst bezichtigden de beschadigde St. Eusebiuskerk kort na afloop van de gevechten bij de Rijnbrug. Ze schreven na de oorlog:

“[Wij] (…) komen bij de groote kerk, waarvan de toren ondanks de ernstige verwoestingen nog fier omhoog steekt, grootsch en machtig. Helaas, de torenspits, het karakteristieke achtzijdige tentdak ontbreekt, terwijl de vierkante Gotische romp aan de oostzijde zodanig getroffen is, dat een bijna tot de trans opgaande puntbogige bres ontstond. De kerk zelf is van binnen volkomen uitgebrand, tot zelfs een deel van de vloer, dat van hout was toe. (…..) De gewelven in het koor en de binnenmuren, het gehele schip van de kerk is overigens gebleven.”[17]

Zondagmiddag 24 september besloot mr. J.K. van der Haagen, chef van de afdelinjg Kunstbescherming en Wetenschap van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming, om een persoonlijk een bezoek te brengen aan Arnhem. Hij wilde met eigen ogen zien hoe groot de schade was. Zelf was Van der Haagen werkzaam en woonachtig in Apeldoorn. In het gezelschap van de Velpse architect J.G.A. Heineman, de inspecteur van Kunstbeschermingsdienst Roerende Goederen, bezocht hij het centrum van Arnhem. Een dag later schreef hij in een rapport over deze tocht:

“De Eusebiuskerk, een der “speciaal beschermde monumenten”, is zeer ernstig getroffen. Van den toren is de spits verdwenen, de vierkante geleding onmiddellijk onder den acht-hoekigen lantaren heeft aan de Oostzijde een geweldig gat, dat loopt van den boog, die op het schip open – welke zeer ontzet is – tot de galerij bij het begin van den acht-hoek.

De kerk zelf is volkomen uitgebrand, het orgel en het meubilair zijn geheel verdwenen, de daken zijn weg evenals de gewelven, die echter in het koor behouden zijn. De ommetseling van het grafmonument van Karel van Egmont lijkt volkomen onbeschadigd. Naar mijn vluchtigen indruk hebben de pijlers geen ernstige brandschade geleden. Mij werd medegedeeld, dat de kunstbeschermingsdienst vrijwel zonder materiaal heeft moeten werken, omdat de brandweerkazerne, waarin dit bewaard werd, aanstonds is opgeblazen. Gebeuren er geen nieuwe rampen dan is de kerk stellig zeer goed te herstellen. De heer Heineman noemde een rond bedrag van f. 200.000-, hetwelk mij aanvankelijk wel zeer aan den lagen kant lijkt.

Toch is de ploeg op haar post geweest van Zondag tot Dinsdagavond. De spits brandde toen al en van het dak van de kerk werd geschoten. De sprinklerinstallatie mocht men niet in het werk stellen, omdat in deuropeningen aan den Zuidkant mitrailleurposten waren ingericht. Ik kan mij niet onttrekken aan den indruk, dat de kerk vrijwel onbeschadigd zou zijn gebleven, indien de installatie in werking gesteld ware.

Bij de kerk ligt vrij veel Engelsche munitie. Ik heb den heer Heineman gevraagd pogingen te doen, opdat deze verwijderd worden zoodra de toestand hier iets normaler is dan thans. Voorts heb ik hem gemachtigd voor Rijksrekening eenvoudige conserveeringswerkzaamheden (stutwerken) te verrichten, ook aan andere monumenten dan de Eusebiuskerk, voor zoover dat nodig zou zijn om onmiddellijk instorten te voorkomen. Tevens verzocht ik hem zooveel mogelijk oud materiaal te redden. Hij zei altijd van meening te zijn geweest, dat zijn taak beperkt was tot de Eusebiuskerk als “speciaal beschermd monument”, doch uiteraard zeer gaarne ook het andere te zullen doen. Ik heb den heer Heineman verzocht de ploeg voorloopig den dank van de overheid over te brengen. (…..)

Terugkeerend bij de auto vertelde de chauffeur mij, dat in de nabijheid een voorbijganger doodelijk getroffen was door een scherf van het afweergeschut en dat hij een vordering van den wagen slechts met moeite had kunnen voorkomen.”[18]

Twee dagen later schreef Van der Haagen nog een kort vervolg hierop:

“Op 26 September dit rapport per koerier aan den heer Heineman verzonden, die mij nog het volgende meedeelt. De ambtswoning van den Commissaris is niet alleen zeer beschadigd, doch geheel uitgebrand. De Commissaris en Baronesse van Heemstra zijn ongedeerd. De geheele inboedel is verloren.

Van de zijbeuken der Eusebiuskerk is slechts een gedeelte der gewelven ingestort. Het materiaal van den kunstbeschermingsdienst zou niet bij de brandweer, doch in den toren geweest zijn: geheel verband. Twee kleine brandjes in het kerkdak, door schieten ontstaan, konden aanvankelijk gebluscht worden. De dienst heeft tenslotte den post moeten verlaten wegens beschieting nadat zij zich met den Commandant der brandweer telefonisch in verbindign had gesteld. De Commandant heeft persoonlijk aan de Duitschers, die in de kerkdeuren mitrailleurposten hadden ingericht, verzocht de sprinklerinrichting in werking te mogen stellen, docht dat werd hem geweigerd.

De heer Heineman is het met mij eens, dat een taxatie van twee ton wel te laag zal zijn. De heer Heineman had Maandag nog het teekeningenarchief weg willen halen, zooals Zondag met mij besproken was, doch niemand werd meer in de stad toegelaten. De heer Heineman zal zoo spoedig mogelijk met den Directeur van Bouw- en Woningdienst, Ir. Heuvelink, Directeur van Gemeentewerken en Commandant Brandweer confereeren over te nemen maatregelen.”[19]

Hoewel de St. Eusebiuskerk was beschadigd tijdens de septemberdagen stond de uitgebrande toren dus nog fier overeind. Enkele maanden later, in januari 1945, stortte de toren in. Sommige historici menen dat de toren werd verwoest door het opblazen van de Rijnbrug in januari 1945.[20] Anderen menen daarentegen dat de toren bewust werd opgeblazen door de Duitsers, om de geallieerden een duidelijk oriëntatiepunt te ontnemen.

 
De graftombe van hertog Karel van Gelre (1467-1538) bleef gespaard doordat er in april 1940 als voorzorgsmaatregel een betonnen kap overheen was gemetseld om het te beschermen tegen mogelijke bominslagen.[21] Deze voorzienigheid redde het zestiende eeuwse monument, maar “De man in het kastje”, een midden zestiende eeuws houten pop van de hertog in een ijzeren harnas ging verloren. Alleen het roestige harnas bleef bewaard. Het zwaard werd gestolen. Het beeld werd in gerestaureerd door de Arnhemse gebroeders Daniëls en de wapenuitrusting werd door wapensmid A. Smit in het Legermuseum in Leiden gerestaureerd.[22]
 
Ook het carillon kwam tussen de brokstukken van de kerk terecht. De eerste klok, één van de 25 zonaamde Hemony-klokken van de Zutphense klokkengieters François en Pierre Hemony, viel in de nacht van 19 op 20 september naar beneden. Slechts vier van de zeventiende eeuwse klokken overleefden de diepe val en konden na de oorlog weer in de herstelde toren worden aangebracht, te samen met de Martinus- en Eusebiusklok uit 1477.
 
Achterin het schip van kerk staat anno 2007 op een stenen verhoging de zwaar beschadigde Salvatorklok van de Arnhemse geschutsgieter Willem Tolhuys. De klok werd nog tijdens het bewind van hertog Karel van Gelre gegoten, maar kwam pas gereed enkele maanden na diens dood en werd postuum geschonken aan de geliefde laatste hertog van Gelre. De scheuren en diverse kogelgaten zijn nog altijd goed te zien.[23]

Wederopbouw van de St. Eusebiuskerk

 
De wederopbouw van de St. Eusebiuskerk verliep veel trager dan aanvankelijk was verwacht. Even leek het er zelfs op dat de kerk helemaal zou worden verwoest toen Canadese geniesoldaten op 15 mei 1945 aan het voorlopige gemeentebestuur meedeelden dat ze de muren van de kerk wilden slopen en het restant van de toren met dynamiet zouden opblazen. De chef van de Afdeeling Kunsten en Wetenschappen stuurde hierover op 17 mei een beklagbrief naar majoor Kok, hoofd van het Militair Gezag in Apeldoorn. (DEZE BRIEF IS OP DEZE WEBPAGINA TERUG TE VINDEN ONDER DOCUMENTEN]
 
De directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg, dr. Jan Kalf, had enkele dagen eerder de Gelderse hoofdstad bezocht en met Heineman gesproken, die graag zelf de leiding nam over de restauratie van de kerk. Kalf gaf echter de voorkeur aan de Amsterdam architect Berend T. Boeyinga die hij goed kende. Herstel van de St. Eusebiuskerk was echter nog geen uitgemaakte zaak. Sommigen wilden de ruïne laten staan als een oorlogsmonument.
 
Een storm in november 1945 waarbij er nog enkele brokstukken naar beneden kwamen was voor het Arnhemse gemeentebestuur aanleiding om de torenruïne tot op de hoogte van het schip van de kerk af te breken. Dit gebeurde op 28 december 1945. Hierdoor verdween een markant herkenningspunt van Arnhem tijdens de eerste maanden na de bevrijding van de stad.[24]
 
Uiteindelijk werd Berend Boeyinga door Kalf aangewezen als restauratie-architect van de kerk. Samen met opzichter Adrie Schellevis, die honderden foto’s nam tijdens de restauratiewerkzaamheden, gaf hij leiding aan de wederopbouw. Het onderste gedeelte van de gehalveerde toren werd volgens een restauratie-ontwerp uit 1895 hersteld.
 
In 1954 was de restauratie al behoorlijk gevorderd toen er een nieuwe discussie ontstond. Hoe moest de toren er uit zien? De Arnhemse bevolking wilde een exacte kopie van de toren die in de oorlog was verwoest. Het stadsbestuur onder aanvoering van burgemeester Chris Matser dacht daar heel anders over en schreef in 1954 een prijsvraag uit voor een nieuw ontwerp voor de toren. Architect Theo G. Verlaan won een jaar later met zijn ontwerp voor een 93 meter hoge toren dat Matser het beste op een overgang tussen het voor- en naoorlogse Arnhem vond lijken.[25] Vier jaar later werd begonnen met de wederopbouw van de toren.
 
Beeldhouwer Henk Vreeling verfraaide op eigen initiatief in de jaren zestig de toren met eigentijdse waterspuwers in de vorm van Walt Disney stripfiguren. De Arnhemse dominee ds. G.C. Foeken was hier verontwaardigd over en voerde menige discussie met het stadsbestuur om deze beelden te laten verwijderen. Vreeling zelf was allerminst geïmponeerd: hij voegde een waterspuwer Foeken toe als middelste van de zeven dwergen!
 

 

 

Zicht op de St. Eusebiuskerk omstreeks 1937. (Fotocollectie, afbeelding D568-15. Gelders Archief)

 Een foto vanuit ongeveer dezelfde positie zeventig jaar later. (Foto gemaakt door Frank van Lunteren, maart 2007. Collectie Freedom Trail Arnhem, Gelders Archief)

 

Oorlogsmonumenten

 
 
 
Foto links: In 1995 werd een plaquette onthuld in de St. Eusebiuskerk ter nagedachtenis aan de bevrijding van Arnhem door de Britse 49th 'Polar Bears' Infantry Division in April 1945. Deze divisie dankte haar bijnaam aan de periode dat ze op Ijsland was gestationeerd. (Collectie Freedom Trail Arnhem, Gelders Archief)
 
 
In 1994 was de voormalige geniesoldaat Tom Carpenter één van de Britse initiatiefnemers voor een bronzen plaquette in de St. Eusebiuskerk ter nagedachtenis aan de zes omgekomen geniesoldaten van 2 Platoon, 9th Airborne Field Company, Royal Engineers in de strijd rondom de Rijnbrug. Ook de namen van twee andere soldaten die in Duitsland waren overleden aan hun verwondingen moesten erop worden aangebracht. Enkele Nederlandse kennissen sloten zich bij de Britten aan en vormden het Comité Royal (Corps) Engineers Monument onder leiding van ingenieur Jan H. Boon. Burgemeester Paul Scholten hield persoonlijk toezicht op het plaatsen van de plaquette in de St. Eusebiuskerk aan de linkerkant van de kerkzaal.[26]

De bronzen plaquette werd op 14 september 1994 onthuld door kolonel b.d. B. O ‘Callaghan, die in 1944 het bevel had gevoerd over 2 Platoon, 9th Airborne Field Company, Royal Engineers. Diverse Britse oud-strijders, de burgemeester en enkele andere hoogwaardigheidsbekleders waren er bij aanwezig.[27] De tekst op de plaquette met daarop het Pegasus embleem van de Britse luchtlandingstroepen en het embleem van de Royal Engineers luidt als volgt:

 

FROM COMRADES IN MEMORY OF ROYAL ENGINEER SAPPERS

SPR. ARTHUR

 

 

 

CAPPY

 

 

 

COTTLE

 

 

 

AGED 25

SPR. JOSEPH

 

 

 

JOE

 

 

 

CLOSE

 

 

 

AGED 24

SPR. RONALD

 

 

 

RON

 

 

 

RUSSELL

 

 

 

AGED 24

SPR. WILLIAM

 

 

 

BILL

 

 

 

ROGERS

 

 

 

AGED 29

SPR. ROBERT

 

 

 

BOBBY

 

 

 

TROUSE

 

 

 

AGED 23

NO KNOWN GRAVES
AND

CPR. ROBERT

 

 

 

TAFFY

 

 

 

EVANS

 

 

 

AGED 26

NOW OOSTERBEEK AIRBORNE CEMETERY
ALSO

SPR. JOHN EVERETT

 

 

 

 

AGED 23

 

 

 

 

 

 

 

NOW BECKLINGEN WAR CEMETERY, GERMANY

SPR. BERNARD TURTON

 

 

AGED 25

 

 

 

 

 

 

 

 

 

NO KNOWN GRAVE GERMANY
PARA/GLIDERBORNE ENGINEERS
IN ACTION 17th/21st SEPT 1944 ARNHEM ROAD BRIDGE
OF 2 PLATOON 9th (ABn) Fd Coy RE 1st AIRBORNE Div.
“LEST WE FORGET”

 
Het monument voor de gevallen Royal Engineers is niet het enige in de kerk. In het kader van de vijftigste herdenking van de Slag om Arnhem werden nog meer gedenktekens onthuld. Zo werd de beeldengroep van 19 bronzen parachutisten ontworpen door de Italiaanse kunstenares Simona Vergani (1967). Het was één van haar eerste grote opdrachten nadat ze van 1985 tot 1989 aan de Accademia di Belle Arti di Brera in Milaan had gestudeerd en tussen 1990 en 1992 de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam had doorlopen. Vergani woont sinds 1990 in Nederland.[28] De 19 beelden waren in eerste instantie niet bedoeld voor de St. Eusebiuskerk. Ze herinnerde zich daar dertien jaar later over:

“Het werk van de 19 parachutisten had ik oorspronkelijk gemaakt voor een galerie in Baarn, voor een grote hoge serre. De uitdaging was om zowel met de binnenarchitectuur alsook het buitenlandschap van deze bijzondere locatie te werken. Uiteindelijk kwam ik terecht op een trilogie van de mens van kind tot volwassenheid en zijn relatie met gevaar. Dankzij de Eusebiuskerk commissie werd het werk van de parachutisten in 1994 aangekocht voor de 50ste herdenking van de Slag om Arnhem - en geen betere bestemming kon dit werk krijgen - gerelateerd aan het gevaar van oorlog en de uiteindelijke slag naar vrijheid. De beelden zijn uit brons gemaakt in Geldermalsen.”[29]

De Stichting Poorters van de stad Arnhem kocht de beeldengroep in de zomer van 1994 aan als cadeau voor de stad Arnhem in het kader van de vijftigste herdenking van de Slag om Arnhem. Woensdagavond 7 september 1994 vond de onthulling plaats in de St. Eusebiuskerk, onder meer in het bijzijn van burgemeester Paul Scholten.

 
 
Foto rechts: Zicht op de Grote of St. Eusebiuskerk vanaf de tweede etage van het Gelders Archief. (Foto gemaakt door Thea Grob, juni 2007. Collectie Freedom Trail Arnhem, Gelders Archief)
 
 
 
Diezelfde avond werd een ander, ouder, kunstwerk van kunstenaar Joop Janssen (1914-1993) onthuld. De van oorsprong uit Den Haag afkomstige glazenier Janssen woonde een groot deel van zijn leven, tot aan zijn dood, in Arnhem.[30] Hij maakte eind jaren veertig het glas-in-lood raam ‘Bevrijdingsraam’, waarop een afbeelding staat van de Bijbelse figuur Simon de Zeloot en tevens de verwoesting van Jeruzalem is afgebeeld. De brandende stad en de tekst HIER ZAL GEEN STEEN OP DE ANDERE BLIJVEN uit Mattheus 24, vers 2 verwijzen naar de verwoesting van Arnhem.
 
Het raam was oorspronkelijk aangebracht in de kleine St. Eusebiuskerk aan het Nieuwe Plein. De sloop van deze kerk was de aanzet voor de oprichting van de Stichting tot Behoud Ramen Kleine Ramen onder leiding van Harry Laheij. Arnhemse glazenier Bas Beckers kreeg van de stichting de opdracht om het glas-in-lood raam te restaureren. Begin september 1994 werd het raam in de Annakapel van de St. Eusebiuskerk geplaatst. De restauratiekosten van 100.000 gulden (45.455 euro) werden voor de helft bekostigd door de Stichting tot Behoud Ramen Kleine Ramen die actief naar sponsors zochten, en voor de andere helft door giften van de Arnhemse bevolking.[31]
 
Een vierde monument, een gedenksteen, werd in de voorgevel van de St. Eusebiuskerk aangebracht boven de kerkdeuren van de hoofdingang. Het initiatief voor deze steen werd genomen door de Limburgse chronos Bernard Grothues (1934)
'Voor U staat hier eUsebIUs reChtop en fIer,
Vaak besChoten en zo Lang gekWeLD
gerestaUreerD en In praCht hersteLD'
Geschreven door Bernard Grothues in 1994. Zowel het chronogram (jaartal-vers met Romeinse cijfers) als de 19 woorden en de 94 letters, waaruit het jaarschrift bestaat, duiden op 1994 het jaar waarin precies 50 jaar na de Slag om Arnhem de Eusebiustoren in gebruik werd genomen, na een restauratie van 3 jaar. Een chronogram is een jaartal vers waarin een aantal letters groot is afgedrukt. Samen vormen zij een jaartal in Romeinse cijfers. Tot het jaar 1600 werd D=500 in het chronogram niet meegeteld. M=1000, D=500, C=100, L=50, X=10, W=VV=10, U=V=5, Y=IJ=II=2, J=I=1.
 

Naar boven


 

Noten

 

[1] P.R.A. van Iddekinge, Arnhem 44/45. Evacuatie, verwoesting, plundering, bevrijding, terugkeer (Arnhem, 1981) 8.

[2] W.A. Bozelie, Rapport betreffende gebeurtenissen in de Eusebiuskerk en toren op Zondag 17 t/m Dinsdag 19 September 1944 (Eerbeek 1944) 1. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 285.

[3] Dagboek Hendrik J. Tiemens, 18 september 1944. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 168.

[4] Bozelie, Rapport betreffende gebeurtenissen in de Eusebiuskerk en toren op Zondag 17 t/m Dinsdag 19 September 1944, 1.

[5] Ibidem, 1-2.

[6] Jan Nieland, ‘Grote Kerk had niet ten onder hoeven gaan’, De Nieuwe Krant, 9 oktober 1984.

[7] Gemeentearchivaris Piet van Iddekinge schreef in zijn geschiedschrijving over Arnhem in 1944 en 1945 dat “van Duitse zijde is (…..) beweerd dat de Britten de toren hebben gebruikt als waarnemingspost voor hun artillerie. Met vrij grote zekerheid kan deze lezing als onjuist worden beschouwd, ofschoon het heel waarschijnlijk is dat er zich op bepaalde momenten Britse militairen in of zelfs op de kerk hebben opgehouden.” P.R.A. van Iddekinge, Arnhem 44/45. Evacuatie, verwoesting, plundering, bevrijding, terugkeer (Arnhem, 1981), 32. Helaas onderbouwd Van Iddekinge in zijn boek niet de mogelijke aanwezigheid van Britse militairen.

[8] Interview Cornelius Ryan met major Hans-Peter Knaust, 2 november 1967, bladzijde 3. L.P.J. Vroemen Collectie (Gelders Archief, 2867), inventarisnummer 30. Origineel afkomstig uit de Cornelius Ryan Collection, Vernon R. Aldan Library, Ohio.

[9] Hans-Georg Sonnenstuhl, ‘Bericht H.G. Sonnenstuhl, SS-Stubaf.Rgt.Kdr.SS-Pz.Art.Rgt.10 “Frundsberg”’, Die Hellebarde (1998), nummer 18, blz. 107.

[10] Brief Tom Carpenter aan Frank van Lunteren, 15 oktober 2001. Collectie Frank van Lunteren.

[11] Van Iddekinge, Arnhem 44/45, 33.

[12] Dagboek van majoor Tony Hibbert dat door hem werd opgeschreven aan de hand van eigen notities die hij tijdens de slag had gemaakt, blz. 42-46. L.P.J. Vroemen Collectie (Gelders Archief, 2867), inventarisnummer E.4.29.

[13] Telefoongesprek Willem Brouwer met Horst Weber, 5 juni 2007.

[14] Interview Cornelius Ryan en Horst Weber, 23 november 1967, blz. 18. L.P.J. Vroemen Collectie (Gelders Archief, 2867), inventarisnummer 30. Origineel afkomstig uit de Cornelius Ryan Collection, Vernon R. Aldan Library, Ohio.

[15] E-mail Leslie McCreesh aan Frank van Lunteren, 16 mei 2007.

[16] Sonnenstuhl, ‘Bericht H.G. Sonnenstuhl’, 108.

[17] G.D. van der Heide, Onder de handen der roovers vandaan. De redding van Arnhems kunstschatten uit de stervende stad (Arnhem 1946) 23-24.

[18] Mr. J.K. van der Haagen, Aide-Memoir (25 september 1945) 1-2. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 283.

[19] Van der Haagen, Aide-Memoir, 2.

[20] A.H. Schulte, De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem. IJkpunt van een stad (Utrecht 1994) 72.

[21] Schulte, De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem, 174

[22] Ibidem, 172.

[23] Schulte, De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem, 94-99.

[24] Van Iddekinge, Arnhem 44/45, 349.

[25] Schulte, De Grote of Eusebiuskerk in Arnhem, 84-85.

[26] Brief Ing. Jan H. Boon aan burgemeester Paul Scholten, 7 augustus 1994. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 939.

[27] Jan Boon, ‘Persbericht Onthulling gedenk-plaquette van 2 Platoon, 9 Fld. Coy. (Airborne) R.E.’, 3 september 1994. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 939.

[28] www.simonavergani.com/curriculum_vitae.htm Geraadpleegd op 27 juni 2007.

[29] E-mail Simona Vergani aan Frank van Lunteren, 2 juli 2007.

[30] ‘Joop Janssen (1914-1993) http://www.galeries.nl/kunstenaar.asp?artistnr=15044&galnr=1179&nvg=&bond= Geraadpleegd op 4 juli 2007.

[31] Diverse lokale krantenartikelen uit de periode 1990-1995. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 1173.