Deze site doorzoeken

22 Walburgisplein

Vrijwel alle gebouwen aan het Walburgisplein gingen tijdens de Slag om Arnhem in vlammen op. De veertiende-eeuwse katholieke St. Walburgiskerk moest het daarbij ook ontgelden.[1]

De kerktoren

 
Een van de twee kerktorens werd in de middag van 19 september 1944 per ongeluk geramd door een vleugel van een Duitse Messerschmidt Me-109 jachtvliegtuig. De piloot van dit toestel, Unteroffizier Schmidt, was met zijn kameraden van de eerste ‘Gruppe’ van Jagdgeschwader 76 (I./JG 76) laat in de middag opgestegen van vliegbasis Störmede in Duitsland. Zijn eenheid had opdracht gekregen om de Britse parachutisten bij de Rijnbrug in Arnhem te bombarderen.
 
Onder de Me-109 van Schmidt hing één bom die hij moest afwerpen boven de Britse stellingen. Ook moest hij met zijn ingebouwde mitrailleurs in beide vleugels de parachutisten vanuit de lucht beschieten.[2] De Britse kapitein Eric Mackay in de Van Limburg Stirumschool aan de Eusebiusbuitensingel zag hoe het toestel van Schmidt, dat hij ten onrechte identificeerde als een Focke-wulf 190, rond half vijf Nederlandse tijd tegen een van de torens van de St. Walburgiskerk vloog:

“Om 3.30 uur gebeurde er iets wonderbaarlijks. De “Luftwaffe” was de gehele dag in toenemende mate actief geweest. Een “Focke-Wulf 190” kwam uit het zuiden over de brug en probeerde de school te bombarderen. De bom kwam op straat neer, maar ontplofte niet. De “Focke-Wulf” trachtte ons machinegeweer te ontwijken en vloog daarbij tegen een kerktoren op, waardoor de linkervleugel er af werd gerukt en hij te pletter viel op een plein [de Lauwersgracht] op ongeveer 400 m. afstand. Grote vreugde alom.”[3]

De zuidelijke toren van de St. Walburgiskerk raakte door dit incident zwaar beschadigd. Unteroffizier Schmidt kwam om het leven toen zijn vliegtuig in de Lauwersgracht terecht kwam.[4] Maar heel weinig omwonenden hebben deze crash kunnen zien. De meeste van hen zaten in hun kelders of zochten elders een toevlucht. Een van de bewoners van het Walburgisplein hield een dagboek bij: (Klik op de volgende link om het hele dagboek in het Arnhems Dagblad van zaterdag 24 november 1951 te lezen)

“18 sept. 1944 - Om half zeven stak ik maar op. Ik geloof niet, dat ik geslapen heb. Ik ben moe, maar wat doet dat ertoe? Om half acht hoor ik plotseling hevig schieten vanuit dezelfde richting als vannacht. Dat betekent dus, dat de Duitsers nog in de stad zijn. Wij zijn dus niet bevrijd. Het schieten wordt heviger. Ik klim naar de zolder en zoek met mijn kijker waar dat vandaan komt. Tot mijn schrik – alsof ze mij konden zien – zie ik de Duitsers achter de bomen van de Dam en de Buitensingel tot de tanden bewapend in stelling liggen. Enkelen lopen er in de tuin van de pastorie van de Sint Walburg. Als ik [het] goed gezien heb, zag ik enkele zwarte gedaanten (geestelijken?) snel wegvluchten naar het huis van de koster.[5] Ofschoon ik het niet hoor, zie ik enkele ruiten van de bovenkamer van de pastorie [Walburgsplein 1] in diggelen vallen. Er wordt daar dus geschoten.[6] (…..)

Wanneer ik ’s avonds door ons huis loop te dwalen (…..) zie ik plotseling een brand zich aftekenen tegen de lucht, een ziedende vuurzee die met de minuut toeneemt. Ik kan van hieruit niet zien welk gebouw het is, maar door mijn kijker zie ik mensen de straat oprennen, blijkbaar ten prooi aan een radeloze angst. Het is een vreselijke brand, in gedachten hoor ik de vuurzee loeien. De gehele Walburgskerk is er door verlicht, maar daardoor zie ik tevens dat de kerk Goddank onbeschadigd is. De moet m.i. zijn in de buurt van de Agnesschool. (Later heb ik gehoord dat het het huis van Schilder was, de costumier, en dat zijn bewoners zich alleen hebben kunnen redden, door uit de kelder te klimmen en dat ook de oudjes van het Walburghofje gedwongen waren te vluchten). Zal de brand overslaan naar de kerk? Van hieruitgezien lijkt het slechts een kwestie van enkele meters, van enkele minuten.

Dinsdag 19 sept. 1944 – Vanmorgen vroeg weer de omgeving van Sint Walburg afgezocht. De kerk is onaangetast gebleven, maar verder zijn er daar gaten in het stadsbeeld geslagen, erger dan overal elders. Dit bevestigt wel het vermoeden, dat de strijd inderdaad om de brug is ontbrand. Ook deze is nog intact. Toch wordt er daar in de buurt vreselijk geschoten en temidden van het razendste vuren, zag ik de brandweer uittrekken om de brand van gisteravond te doven. De Moffen verzetten zich daartegen niet en inderdaad schijnt het gelukt te zijn, het vuur te blussen, althans ik zie geen rook meer nu. (……………)

De Engelsen zitten op de Rijnkade. Het is ongelooflijk maar waar. Ik heb mensen gesproken, die ze gezien hebben, die ze in hun huis hebben gehad. Als bewijs hadden ze Engelse sigaretten bij zich.”[7]

Staakt het vuren

 
Het Walburgisplein vormde tevens een van de laatste strijdtonelen van de Britse 1st Parachute Brigade in de nacht van 20 op 21 september 1944. De Britse parachutisten moesten zich in de avond van 20 september terug trekken uit de brandende huizen aan de Eusebiusbinnensingel en de Marktstraat. Het aantal gewonden onder hen was aanzienlijk en er waren nog ongeveer 250 inzetbare officieren en soldaten over. Een even groot aantal gewonden lag in de kelders van het Rijkswaterstaatgebouw aan de Eusebiusbinnensingel en dreigden levend te verbranden als ze niet werden weggedragen. Dit gebouw werd door de Britten gebruikt als hun brigadehoofdkwartier en artillerie observatiepost.
 
Rond acht uur in de avond werd het duidelijk dat een wapenstilstand moest worden geregeld omdat de situatie in het pand onhoudbaar werd,. De gewonden konden maar beter worden overdragen aan de Duitsers dan dat ze levend zouden verbranden. Majoor Tony Hibbert, de brigademajoor van de 1st Parachute Brigade en die het bevel voerde over de Britse parachutisten in het Rijkswaterstaatgebouw schreef enkele weken later in zijn gereconstrueerde dagboek:

“Aangezien het brigadehoofdkwartier in lichtelaaie stond werd het bevel gegeven om de gewonden te evacueren naar het huis van kapitein Bell. [Dit huis stond schuin achter het Rijkswaterstaatgebouw.] De beschikbare ruimte was echter totaal onvoldoende doordat het enige deel van het huis dat niet beschoten werd de ruimte onder trap was en een stuk van de gang. Er waren ongeveer 250 gewonden en de beschikbare ruimte was al snel gevuld.

Op dat moment begonnen de Duitsers dezelfde tactieken te gebruiken die zo succesvol waren gebleken bij het brigadehoofdkwartier, [het beschieten van een gebouw met fosforgranaten], en doordat het huis grotendeels van hout was gemaakt brandde het al snel hevig. Ik was op dat moment een verkenningstocht aan het maken naar enkele huizen naar het noorden [aan het Walburgisplein], die ik onbezet aantrof. Ik plaatste er een sectie [groep van ongeveer 10 soldaten] in deze huizen en keerde terug naar het brigadehoofdkwartier, waar ik een aanzienlijke verwarring aantrof. Beide huizen brandden hevig; de ingangen werden allebei geblokkeerd door de gewonden, en een groot aantal gewonden lag op het plein tussen de twee gebouwen, die werden beschoten en onder mortiervuur lagen. Voeg daar aan toe dat we ook nog een aantal angstige vluchtelingen en Duitse gevangenen bij ons hadden.

Ik melde mij bij majoor Gough, die luitenant-kolonel Frost had gesproken.[8] Er werd besloten om een ‘wapenstilstand’ te regelen terwijl onze gewonden werden geëvacueerd en overgedragen aan de Duitsers. Er was geen alternatief omdat we niet langer een plaats bezet hielden waar ze veilig waren en we konden ze ook niet meer de nodige medische verzorging bieden.

Op hetzelfde moment was het noodzakelijk om de verdedigers van het brigadehoofdkwartier en de RASC gebouwen te verplaatsen doordat de huizen flink in de brand stonden en spoedig onhoudbaar zouden worden.[9] Ik vertelde majoor Gough dat het mogelijk zou zijn om iedereen naar de huizen in het noorden te verplaatsen. Hiermee werd ingestemd en we slaagden er in om ongeveer 130 man weg te krijgen. Ongelukkig genoeg waren de huizen die ik tien minuten eerder had verkend, een lang aangesloten huizenrij, ook al aan het branden doordat het vuur van een ander huis aan het uiteinde was overgeslagen; deze waren nu ook onhoudbaar.

Kapitein Miller had intussen al een snelle verkenning uitgevoerd nadat hij dit had ontdekt. Hij vond een grote school, d’Ecole de Ste Marie, ongeveer 135 meter verder weg, en de mannen werden hier in ondergebracht.”[10]

Insula Dei

 
D’Ecole de Ste Marie, beter bekend als de Rooms-Katholieke Meisjesschool, was gevestigd aan het Walburgisplein 18. Deze lagere school viel sinds 1939 onder het patronaat van het rooms-katholieke Liefdesgesticht ‘Insula Dei’.[11] Het gesticht bood tevens onderdak aan meer dan vierhonderd bewoners: oude vrouwen en weesmeisjes in de linkervleugel en oude mannen en weesjongens in de rechtervleugel. Een aantal vluchtelingen uit de vernielde huizen in de binnenstad en uit de omgeving van de brug zocht hier tot dinsdagochtend ook bescherming. De bewoners moesten echter op 19 september op last van de Duitsers het pand verlaten doordat het in de vuurlinie kwam te liggen. [12] Kapelaan G.J. Jansen herinnerde zich later:

“Nooit is “Insula Dei” zijn naam “Eiland Gods” meer waard gebleken dan in deze zwarte uren. Immers plm. 450 mensen hebben, wanneer de geestelijkheid van Sint Walburg daarheen vlucht, reeds een onderdak gevonden. En terwijl de kanonnen dreunen en de kerken en huizen tot puin worden verpulverd, liggen dezen in de gangen en portalen en worden zij door de Zusters zo goed en zo kwaad als het gaat verzorgd met koffie en eten, matrassen en dekens. Het lijkt een idylle temidden van dit pandemonium rond hen. (…..)

En dan vindt dit lijden zijn bekroning: van hun laatste toevlucht worden zij verdreven, weg van dit eiland Gods, waar zij als drenkelingen waren bijeengedreven als wrakhout: “Sofort hinaus”. Er baat geen tegenweer. Er rest alleen het stomme opvolgen van een ijskoud bevel. Eruit. Het huis uit, het gesticht uit, weg van deze toeverlaat, dit onderdak, dit eiland; de straat op, temidden van vallend puin, over diggelen en scherven.

Het doet er niet toe of je oud bent en moe (…..) Eruit. Het doet er niet toe of  je een weeskind bent of bang als een wezel, rillend en bevend over het magere lijf. Eruit. Het doet er niet toe of je Gods priester bent en oud. Je bent één van het vee en je strompelt door een stad die brandt en stinkt en rookt. Door verraderlijke straten, langs gesloten huizen, waarvan de ramen je aankijken als in koorts.

En terwijl deze stoet van vermoeiden en verdrevenen zijn weg zoekt en niet eens weet waarheen, laait achter hen een brand op als een fakkel: het huis van Van Leeuwen, tegenover Insula Dei, is in brand gestoken. Niemand twijfelt er nu nog aan, of ook “Insula Dei” zelf zal weldra branden als een lier en wat hebben zij dan nog behalve het eigen doodmoede, afgetobte, afgebeulde lijf? Zo, stom en stomp, en afgestompt, arriveert deze stoet in de Van Slichtenhorststraat en zij kijken als verdwaasd. Is er ooit oorlog geweest?”[13]

Ook de nabij gelegen Beekstraat, inclusief de gemeentelijke brandweer kazerne, moest worden ontruimd.[14] Een geïmproviseerde brandweerkazerne werd ingericht aan de Rozendaalsestraat, ver weg van het stadscentrum.[15] Ongehinderd konden de Duitsers na het vertrek van de brandweer het huis van de familie Van Leeuwen in brand zetten. Door het Walburgisplein te verlichten hoopten ze zo het strijdtoneel overzichtelijk te houden, maar de Britse parachutisten slaagden er desondanks in om ongezien de eerder genoemde school te bereiken.

 
De school bleek echter te klein voor de 130 overlevenden van de 1st Parachute Brigade en daarom nam kapitein Miller 30 man mee naar de St. Eusebiuskerk aan de Markt. Op het Walburgisplein en in de Walburgstraat wemelde het al snel van de Duitse soldaten. Vanaf de eerste verdieping hadden de Britten zich op de oprit en zagen hoe de Duitse infanteristen zich ingroeven aan beide zijden van de brugoprit. Ook werden er Duitse machinegeweren en anti-tank kanonnen opgesteld. De afstand was echter te groot om deze Duitsers te raken en de Britten konden alleen maar machteloos toekijken.[16] Majoor Hibbert vervolgt zijn relaas:

“Net nadat we waren aangekomen werd een groot aantal van onze lopende gewonden langs de voorkant van ons gebouw afgevoerd. Kort daarop reden Duitsers in vier van onze jeeps en een carrier weg en achter hen aan werd een groep van onze airborne soldaten, ongewond, die naar het noorden werden weggeleid. Hieruit, en na een daarop uitgevoerde verkenning, werd er opgemaakt dat het 2nd Battalion onder de voet was gelopen of zich had moeten terugtrekken naar een ander gebied. Geen spoor van hen kon worden ontdekt.[17]

Het werd nu middernacht en er moest een beslissing worden genomen over de verdere actie. De mannen waren al gegroepeerd in twee pelotons, elk bestaande uit vijf secties met een officier aan het hoofd van elke sectie. Ik vroeg een rapport van elke sectiecommandant, die me vertelden dat de munitievoorraad zorgwekkend was. Over het algemeen was er voor elke Bren en Sten nog maar één magazijn elk. De mannen waren ook erg uitgeput.

We hadden vernomen dat XXX Corps de volgende ochtend kon worden verwacht, maar het was al nacht en er was geen geluid van een artillerie beschieting of schieten te horen. De Duitsers voor ons schenen heel onbezorgd hun werk uit te voeren en waren niet aan het haasten, wat het geval was geweest als het XXX Corps in aantocht zou zijn. Ik maakte daaruit op dat, omdat er nog geen taal of teken van XXX Corps op de zuidelijke oever van de rivier was, ze waarschijnlijk niet zouden oversteken naar de noordelijke oever voor de volgende morgen.

De school die we bezet hielden was niet ideaal voor een verdediging en bood geen invloed op de brug. Het zou niet mogelijk zijn om het oude brigadehoofdkwartier en de RASC gebouwen te bezetten in de komende twaalf uur totdat ze een beetje waren afgekoeld. Het gebrek aan munitie, het ontbreken van anti-tank munitie en het aantal Duitse tanks en kanonnen in de omgeving in ogenschouw nemende verwachtte ik dat we het ongeveer vijf of zes uur de volgende ochtend zouden kunnen uithouden, maar niet veel langer en als we de brug niet beheersten konden we de strijd ook niet erg beïnvloeden.

Ik besloot daarom dat we meer nodig waren bij de hoofdmacht van de divisie, en dat, aangezien we zo veel officieren hadden, de beste manier om de hoofdmacht te bereiken zou zijn om te infiltreren door de stad in secties, elk onder een officier. Ik verzamelde de sectie commandanten en gaf het bevel om met hun secties naar het westen uit te breken en zo ver mogelijk naar Oosterbeek te komen zolang het nacht was. Er was ook nog de hoop, natuurlijk, dat XXX Corps hen zou bereiken, wat het tweede deel van de toch zou vergemakkelijken en de Duitsers zou ontmoedigen om groepen achter hen aan te sturen op donderdag.

Luitenant Harvey Todds sectie zou het eerst gaan en had de taak om kapitein Miller in de kathedraal [de St. Eusebiuskerk] in te lichten over onze plannen en hem de opdracht te geven hetzelfde te doen. Ik ging later ook naar de kathedraal, en, doordat ik kapitein Miller niet kon vinden, concludeerde dat hij was verder gegaan. De boodschap bereikte hem echter niet en hij bleef zich verstoppen met zijn mannen in de kathedraal.

Twee van de eerste drie secties werden van dichtbij beschoten toen ze vertrokken. Het gehele gebied lag onder onophoudelijk mortiervuur, dat geen [persoonlijke] schade aanrichtte. Uiteindelijk werd het terrein buiten [het Walburgisplein] vol met secties die door elkaar liepen. Dit werd veroorzaakt doordat verschillende secties terug liepen doordat ze Duitsers waren tegengekomen [in de Walburgstraat]  en er niet in slaagden door te breken. Ik hield daarom de laatste drie secties binnen totdat iedereen was gehergroepeerd en verdwenen.

Daarna gaf ik de laatste drie secties het bevel om te vertrekken en nam het bevel over de laatste groep. Het was nu bijna licht en dus besloot ik om hen zo snel mogelijk te verstoppen. Ik vond de ruïnes van een uitgebrand gebouw, verspreidde de mannen en gaf het bevel om zich onder het as en brokstukken te verstoppen tot de volgende nacht.[18]

Na een tijdje werd het duidelijk dat dit onmogelijk was, omdat de asresten veel te heet waren. Ik verplaatste de mannen daarom naar de tuin van het ernaast gelegen huis waar we majoor Munford en zijn sectie aantroffen. Terwijl ik een verkenning maakte in de tuin werd ik bijna doodgeschoten door majoor Munford toen hij dacht dat ik een Duitser was. Ik sloot mijn groep bij hem aan en plaatste twee mannen in een werkschuurtje en barricadeerde de rest in een slaapkamer. Dennis Munford kroop onder een houten kist terwijl Anthony Cotterill en ik ons in een kolenhok verstopten.”[19]

De majoors Hibbert en Munford werden echter in de ochtend van 21 september met hun groep gevangen genomen en afgevoerd naar de St. Eusebiuskerk. Ook het 2de Parachutisten Battalion moest zich overgeven bij het Provinciehuis en het Rijksarchief. De strijd om de Rijnbrug in Arnhem was daarmee ten einde.

Restauratie

 
Bij de terugkeer van het gemeentebestuur en de geestelijken naar Arnhem in het voorjaar van 1945 bleek hoe groot de schade was aan het Walburgisplein. Het gesticht “Insula Dei” bleek onherstelbaar beschadigd te zijn. De gehele inventaris van de St. Walburgiskerk, met uitzondering van de Sacrea Species (Heilige Hosties) en een kelk, was alles verwoest. Alleen het muurwerk bleef gespaard, maar van de torens was ook niet veel meer over. Een groot gat gaapte in de zuidelijke toren, die was geramd door de Messerschmidt van Unterofficier Schmidt. Een zijkant aan de bovenkant van de toren was ingestort. Het haantje dat bovenop een van de de torenspitsen had gestaan werd op dinsdag 24 oktober 1944 teruggevonden door Peter C. Heiser, een lid van de Technische Nooddienst die in de stad mocht blijven.[20] Dit haantje werd later weer op de nieuwe torenspits bevestigd.
 
Het Comité Opbouw St. Walburgiskerk (COWA) werd opgericht om het herstel van de kerk financieel mogelijk te maken. Met de verkoop van een kalender met foto’s van de omgeving van de kerk voor en na de slag en door het organiseren van een rebuswedstrijd in oktober 1948 werd er onder meer geld ingezameld. Deze acties konden pas in het najaar van 1948 beginnen doordat het Ministerie van wederopbouw pas in de zomer van dat jaar een vergunning verstrekte voor het herstellen van het kerkgebouw.
 
 
 
Foto rechts: Het kalenderblad voor de maanden januari en februari 1948 toont onder andere een foto (gemaakt door Herman Truin) van het vooraanzicht van de St. Walburgiskerk na de bevrijding in 1945. (Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 238)
 
Tijdens de wederopbouw werd niet alles precies zo hersteld als in 1944. Het neogotische koor werd verlaagd in vergelijking met de toestand van voor de Slag om Arnhem, toen dit net zo hoog was als de rest van de kerk.[21] Op woensdag 28 november 1951 werd de St. Walburgiskerk weer ingewijd door aartsbisschop B.J. Alferink van het bisdom Utrecht in aanwezigheid van burgemeester Chris Matser, wethouders Tak en Verberk, de Commissaris der Koningin C.G.C. Quarles van Ufford en verscheidene pastoors en kapelaans. Deken Stockman was hier niet bij; hij kwam om na de evacuatie van Arnhem in september 1944.[22] Het gesticht Insula Dei en het eveneens zwaar getroffen Sint Catherinae Gasthuis vonden elders in de stad een nieuw onderkomen. Het huidige politiebureau werd op deze plaats gebouwd.[23]
 
Op de gevel van Walburgisplein 10 is een reliëf aangebracht van ontwerper Eduard L.W.R. baron Speyart van Woerden. Boven en onder het relief, dat het Walburgisplein toont, is een tekst te lezen van Bernard Verhoeven:
HET BLOED VERKREEG EEN NIEUWE VAART
MAAR 'T OUDE STADSHART BLEEF BEWAARD
WAAR SINT WALBURG WIJDT DE TIJD
TOT VOORPORTAAL DER EEUWIGHEID

Baron Speyart van Woerden kende het Walburgisplein goed, omdat een nicht van hem daar woonde. Hij wilde met het reliëf laten zien hoe het plein er voor de oorlog uitzag. Het beton voor het reliëf werd geleverd door een betonfabriek in De Steeg, waar hij ook het monument heeft gemaakt. Ook de tekst van Bernard Verhoeven is door Speyart van Woerden aangebracht.[24]

 
Het gevelreliëf werd op 30 december 1954 onthuld in aanwezigheid van burgemeester Matser en werd geplaatst op initiatief van de Kohlmanstichting ter nagedachtenis aan de verwoesting tijdens de Slag om Arnhem.[25] Het reliëf was aanvankelijk ergens anders geplaatst aan het Walburgisplein, en werd later pas bevestigd aan de gevel van nummer 10.[26]
 

Naar boven


 

Noten

 

[1] Veel Arnhemmers kennen dit plein als het Walburgsplein. Ook in de adresboeken van voor en in de Tweede Wereldoorlog stond het plein bekend als Walburgsplein.

[2] W. Tiemens, ‘Twee verhalen rond een toren’ in: Ministory No. 30, N ieuwsbrief van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum No. 42, Oosterbeek 1991, blz. 2.

[3] E. Mackay, Whoa Mahomet. De strijd om de Rijnbrug (Aalten 1947), 27.

[4] Tiemens, ‘Twee verhalen rond een toren’, 2.

[5] Dit was volgens het adresboek van 1942 het huis van koster H.M. van der Lelie, Walburgsplein 1a.

[6] Hier woonde de deken en pastoor van de St. Walburgiskerk, F.L. Stockman, en zijn kapelaans.

[7] ‘Het zaad moet sterven, wil het leven. De ondergang van de Sinte Walburgis werd haar nieuwe glorie’, Arnhems Dagblad, zaterdag 24 november 1951.

[8] Majoor Freddie Gough voerde het bevel over het 1st Airborne Reconnaissance Squadron (een verkenningseenheid) en had sinds het gewond raken van luitenant-kolonel John Frost eerder die middag ook het bevel gekregen over alle Britse parachutisten rondom de brug.

[9] Met de “RASC gebouwen” bedoelde Hibbert het gebouw schuin achter het Rijkswaterstaat gebouw.

[10] Dagboek van majoor Tony Hibbert dat door hem werd opgeschreven aan de hand van eigen notities die hij tijdens de slag had gemaakt. L.P.J. Vroemen Collectie (Gelders Archief, 2867), inventarisnummer 21.

[11] Telefoongesprek Frank van Lunteren met Peter Dijkerman, 13 februari 2007.

[12] A.B.C. Schulte en A.G. Schulte, De verdwenen stad. Arnhem voor de verwoesting van 1944-1945 (Utrecht 2004), 42.

[13] ‘Het zaad moet sterven, wil het leven. De ondergang van de Sinte Walburgis werd haar nieuwe glorie’, Arnhems Dagblad, zaterdag 24 november 1951.

[14] Schulte, De verdwenen stad, 42.

[15] Th. W. Scholten, Enkele aantekeningen over mijn activiteiten bij de ordonnansdienst van de Arnhemse brandweer in de oorlogsjaren 1940-1945 (december 1976), 3. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 8.

[16] Dagboek van majoor Tony Hibbert.

[17] De restanten van het 2nd Parachute Battalion bevonden zich toen in de Hofstraat en in het Rijksarchief en het Provinciehuis aan de Markt. Zie ook punt 15 Provinciehuis.

[18] Dit was vermoedelijk het Paleis van Justitie aan de Markt, dat al op 19 september in brand was gezet door de Duitsers, of een gebouw ernaast.

[19] Dagboek van majoor Tony Hibbert.

[20] P.C. Heiser, Dagverhaal (z.j.). L.P.J. Vroemen Collectie (Gelders Archief, 2867), B.13.27.

[21] R. Wander, Kerken. Duizend jaar religieuze bouwkunst in Arnhem (Utrecht 1997), 55.

[22] ‘Plechtige inwijding van de Sint Walburgis-kerk’, Arnhemsche Courant, woensdag 28 november 1951.

[23] A.B.C. Schulte en A.G. Schulte, De verdwenen stad, 41.

[24] Telefoongesprek Frank van Lunteren met Eduard L.W.R. baron Speyart van Woerden, donderdag 15 februari 2007.

[25] J. Diender, Mo(nu)menten van Stilte (1996). Gids bij de overzichtstentoonstelling van alle oorlogsmonumenten en gedenktekens in de gemeente Arnhem. Een digitale versie van deze gids werd door de heer Diender beschikbaar gesteld aan de auteur.

[26] Telefoongesprek Frank van Lunteren met Eduard L.W.R. baron Speyart van Woerden, donderdag 15 februari 2007.