Deze site doorzoeken

17 Jacob Groenewoud plantsoen

Tijdens de Slag om Arnhem waren aan geallieerde zijde op de grond niet alleen Britse en Poolse soldaten actief, maar ook een klein aantal Amerikanen en Nederlanders. Twee van hen, Jacob Groenewoud en Harvey Todd, bereikten het gebied bij de Rijnbrug, en vochten daar tegen de Duitsers. De eerstgenoemde overleefde het niet.

Jedburgh Team ‘Claude’

 
In het kader van operatie Market Garden werden aan de diverse fronten ‘Jedburgh’ teams ingezet. Deze waren vernoemd naar de Schotse plaats Jedburgh, waar geheime agenten van de Britse Special Operations Executive (S.O.E.), de Amerikaanse Organisation of Strategic Services (O.S.S.) en vrijwilligers uit de diverse Europese contingenten in Groot-Brittannië werden opgeleid. De teams werden getraind in ‘silent killing’, sabotage, het gebruik van explosieven, guerrillatactieken en parachutespringen.[1] Elke groep bestond uit twee officieren (van wie minimaal één van Amerikaanse of Britse afkomst) en een radiotelegrafist. Uiteindelijk werden de teams opgericht om in bezet gebied te worden gedropt, teneinde inlichtingen te verzamelen over Duitse troepenonderdelen, en contact op te nemen met (plaatselijke) verzetsgroepen.[2]
 
In de zomer van 1944 hadden vier Nederlandse officieren – luitenant Arie Bestebreurtje, kapitein Henk Brinkgreve, luitenant Jacob Groenewoud en luitenant J. Staal - de opleiding tot Jedburgh-officier met succes afgerond, en kregen ze ieder een team toegewezen met een eigen codenaam.[3] Het team van de 27-jarige Groenewoud kreeg de codenaam ‘Claude’, en bestond naast hem uit twee Amerikanen: luitenant Harvey A. Todd en technisch sergeant Carl A. Scott. De eenheid kreeg de opdracht om de Britse 1st Airborne Division te vergezellen tijdens Operatie Market Garden. De orders luidden als volgt:

“Het Jedburgh team is, onder bevel van de divisiecommandant, verantwoordelijk voor het ondersteunen van de militaire operaties met alle middelen die met behulp van verzetsgroepen beschikbaar zijn, en voor het adviseren…..over de betrouwbaarheid van deze groepen. Eveneens geven zij de bevelen van de divisiecommandant door aan groepen verzetsmensen die operationeel als een eenheid optreden. Zij geven alle informatie door die via ondergrondse kanalen binnenkomt, of verzamelen gewenste gegevens bij die groepen. Orders zullen aan bekend zijnde verzetsgroepen zijn doorgegeven voordat de operatie begint. Als gevolg daarvan zullen leiders van groepen binnen een straal van 20 kilometer van het operatiegebied, dat gebied binnengaan en contact opnemen met het Jedburgh team.”[4]

Op 10 september 1944, toen het plan voor operatie Market Garden van de Britse veldmaarschalk Bernard Montgomery was goedgekeurd, werd Jedburgh team ‘Claude’ toegevoegd aan het hoofdkwartier van de 1st Parachute Brigade van de Britse 1st  Airborne Division. Kort daarop werd duidelijk dat Groenewouds team naar Arnhem zou gaan op zondag 17 september.[5]

Jacob Groenewoud

 
 
Foto links: Jacob Groenewoud als tweede luitenant der infanterie in Engeland, 1942. (Airborne Museum ‘Hartenstein’)
 
Bij Koninklijk Besluit van 11 september 1944 werden Bestebreurtje, Brinkgreve, Groenewoud en Staal tijdelijk bevorderd. Voor Groenewoud betekende dit een promotie tot reserve-kapitein.[6]
 
Hij werd geboren op 8 november 1916 in Amsterdam, en was na het behalen van zijn HBS-diploma eind jaren dertig naar Zuid-Afrika geëmigreerd, waar hij een baan kreeg als accountant. Al in mei 1940, kort na de Duitse inval, meldde hij zich aan voor het Koninklijk Nederlands-Indische Leger (KNIL) in een telegram aan het Nederlandse gezantschap in Kaapstad. Er werd echter niet op zijn brief gereageerd.
 
Een maand later stuurde Groenewoud een nieuwe brief, waarin hij het feit dat hij slechte ogen had niet verzweeg. Desondanks werd nu wel positief op zijn aanmelding gereageerd, en op 20 januari 1941 verliet hij met het eerste contingent Nederlandse vrijwilligers Zuid-Afrika, en kwam vier weken later in Glasgow aan.
 
Na enkele weken bij de Prinses Irene Brigade te hebben doorgebracht werd Groenewoud aangewezen om een cursus voor reserveofficier te volgen. In augustus 1942 werd hij benoemd tot tijdelijk tweede luitenant, en ingedeeld bij het bataljon The Black Watch of Canada van de Canadese 2nd Infantry Division. De detachering verliep naar de wens van zijn superieuren, en daarom werd Groenewoud in december 1942 aangewezen voor een infanterieofficiersopleiding naar Brits model.
 
Op 5 augustus van het volgende jaar rondde Jacob Groenewoud deze cursus af, en werd benoemd tot tweede luitenant. De maanden verstreken, en ondanks een tijdelijke bevordering tot eerste luitenant in januari 1944, en een detachering bij het Britse 18th Welch Regiment, hoorde hij van de Jedburgh teams. Eind maart 1944 werd hij met Bestebreurtje, Brinkgreve en Staal geselecteerd om de opvolging tot Jedburgh-officier te volgen. Uiteindelijk werd hij benoemd tot commandant van Jedburgh team ‘Claude’.[7] 

Harvey Todd en Carl Scott

 
De plaatsvervanger van Groenewoud, luitenant Harvey Todd, was afkomstig uit het stadje Marion, Illinois, en een jaar ouder dan hij. De Amerikaan was docent toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Enkele maanden voor de Japanse aanval op Pearl Harbor werd hij opgeroepen voor militaire dienst.[8] Op 26 juni 1941 meldde Todd zich in Chicago aan voor dienst in het leger, en kreeg hij de rang van soldaat.[9] Aangezien hij echter vier jaar had gestudeerd, mocht hij in 1942 de officiersopleiding volgen, en trad na zijn benoeming tot tweede luitenant toe tot de paratroepen. Hij bleef daar echter niet lang bij, en meldde zich als vrijwilliger voor de O.S.S. Zodoende kwam hij uiteindelijk als eerste luitenant bij Jedburgh team ‘Claude’.
 
Technisch sergeant Carl Scott was de jongste van het team, en werd geboren in 1922 in de gemeente Franklin County, Ohio. Hij was bagagehandelaar geweest totdat hij militair werd en een opleiding ontving tot radiotelegrafist. Omdat hij op zoek was naar een speciale taak nam hij net als luitenant Todd dienst bij de O.S.S.[10]

September 1944

 
Operatie Market Garden zou de eerste opdracht worden voor Groenewoud, Scott en Todd. De luchtlanding op 17 september 1944 verliep zonder tegenstand, en het Jedburgh-team had zich al snel verzameld. De radio en enkele uitrustingsstukken die apart waren neergekomen, ontbraken echter nog, en technisch sergeant Scott werd erop uitgestuurd om deze te vinden. De radio was immers erg belangrijk omdat ze daarmee contact konden maken met drie andere Jedburgh-teams in Nederland. De laatstgenoemde waren elders ingezet in het kader van de militaire operatie.
 
Intussen organiseerden Groenewoud en Todd enkele vervoermiddelen, en spraken met burgers bij de droppingzone en tijdens de opmars naar Arnhem. Scott bleef achter op de landingsterreinen, en zocht tevergeefs naar de radio. Hij probeerde één of twee dagen later Arnhem binnen te gaan om zich aan te sluiten bij Groenewoud en Todd, maar dit bleek niet meer mogelijk.[11]
 
Kapitein Groenewoud en luitenant Todd trokken met het hoofdkwartier van de 1st Parachute Brigade naar Arnhem. Majoor Hibbert, de brigademajoor, herinnerde zich daarover later:

“Ik was bij het verzamelpunt op de droppingzone volkomen in beslag genomen door mijn pogingen om zoveel mogelijk onbeschadigde radio’s te verzamelen om de brigade te groeperen en de bataljons op mars te sturen, dat ik op dat moment geen aandacht schonk aan het Jedburgh team. We namen twee Nederlandse burgers mee als gidsen. Één ging met het brigadehoofdkwartier mee, en de andere wachtte met kapitein Cranmer-Byng [een officier van een bevoorradings- en transportcompagnie] om alle vervoermiddelen naar de brug te brengen. Ik heb hun namen niet opgeschreven.”[12]

De Rijnbrug

 
Het is mogelijk dat deze Nederlanders door Groenewoud zijn gerekruteerd om mee te gaan met het brigadehoofdkwartier als gids. Rond half tien ’s avonds bevond men zich op Onderlangs in Arnhem, en naderde de Oude Kraan. Daar werd de colonne tegemoet gereden door kapitein Tony Harrison, een artillerieofficier, die hen de weg wees naar de brug. Daar aangekomen, werd het hoofdkwartier gevestigd in het pand van Rijkswaterstaat aan de Eusebiusbinnensingel, niet ver van het bataljonshoofdkwartier van luitenant-kolonel John Frost. Dit grote gebouw werd al verdedigd door de Support Company van het 2nd Parachute Battalion, maar er was nog genoeg ruimte op de grote zolder.
 

 

 

Het gebouw van Rijkswaterstaat aan de Eusebiusbinnensingel, 1935. (Fotocollectie (stamkaarten) Gelders Archief, negatiefnummer D 209/3)

Plattegrond van een deel van Arnhem die de situatie ten westen van de brugoprit in september 1944 weergeeft. (Copyright F. van Lunteren)

 

Naast een kleine groep radiotelegrafisten onder leiding van kapitein Marquand, en ordonnansen en administratief personeel, werden ook het Jedburgh-team, een observatiepost van de artillerie, en het vooruitgeschoven hoofdkwartier van het 1st Airborne Reconnaissance Squadron (een verkenningseenheid) hier onder gebracht.[13] Luitenant Todd installeerde zich als sluipschutter met zijn Springfield geweer met telescoopvizier bij een dakraam.[14]

 
De volgende ochtend voerde de Duitse SS-Panzer-Aufklärungs Abteilung 9 rond zeven uur ’s ochtends
vanaf de zuidkant van de Rijn over de brug een aanval uit
met gepantserde voertuigen. Deze werd door de Britten tot
staan gebracht. Majoor Hibbert schreef in zijn dagboek:

“De hoogste individuele score werd toegeschreven aan luitenant Harvey Todd, die claimde acht Duitsers te hebben neergeschoten met zijn Amerikaanse karabijn, op de voet gevolgd door majoor Mumford en soldaat Shuttlewood. In totaal moeten de Duitsers ongeveer zeventig man hebben verloren.”[15]

Soldaat Eric Robinson, de oppasser van majoor Francis Tate van de HQ Company van het 2nd Parachute Battalion, bevond zich in hetzelfde gebouw, en herinnerde zich na de oorlog dat ook Groenewoud zich tijdens die Duitse aanval verdienstelijk maakte:

“Met mij, schietende als een ‘wild west cowboy’, waren een Nederlandse officier en een Yankee officier. Tjonge, wat konden zij schieten!” [16]

Rond tien uur in de ochtend, nadat de Duitse aanval was afgeslagen, ketste een kogel af op de helm van luitenant Todd, en kreeg hij glassplinters in zijn gezicht. Hij werd naar de kelder gedragen, en behandeld door een van de twee artsen die aanwezig waren. De volgende morgen, 19 september, keerde hij terug naar de zolder om een nieuwe aanval af te slaan, waarbij hij een Bren gun bediende.[17]

Verslechterende situatie

 
Rondom de brug was de situatie voor de Britten echter zeer nijpend geworden. Het aantal gewonden nam zienderogen toe, en de voorraden raakten uitgeput. Versterkingen waren sinds de nacht van 17 op 18 september niet meer gearriveerd, en de Duitse aanvallen leken steeds heviger te worden. Die ochtend hoorden de verdedigers de kreten “Whoa Mahomet” in de verte – tekenen dat de andere bataljons van de 1st Parachute Brigade verwoede pogingen ondernamen om hen te ontzetten.[18] Dichterbij vriend en vijand van elkaar onderscheiden bleek echter moeilijk, zoals majoor Hibbert in zijn dagboek schreef:

“Met de huizen overdag in wisselende handen en de gebrekkige communicaties was het erg moeilijk om uit te vinden of sommige huizen door onze troepen of door de vijand werden verdedigd. Ik ben er van overtuigd dat zowel wij als de vijand een aantal verliezen leed door fouten van dergelijke aard.”[19]

Kapitein Groenewoud probeerde intussen telefonisch contact te krijgen met het St. Elisabeths Gasthuis om te vragen of medische verbandmiddelen konden worden gebracht, en of het wellicht mogelijk was om enkele van de gewonden op te nemen. De lijn bleek echter verbroken te zijn. Van burgers in de kelder van het Rijkswaterstaatgebouw hoorde hij dat een telefoon aanwezig was in een pand van een huisarts twee straten verder. Groenewoud verzocht luitenant Todd om met hem mee te gaan.[20]

Groenewoud sneuvelt

 
Foto rechts: Harvey A. Todd van Jedburgh team Claude, hier gefotografeerd als kapitein in 1945. (Cindy Garver)
 
 
In zijn verslag na de oorlog schreef Todd over deze gevaarlijke tocht:

“We waren ongeveer halverwege en stonden tegen de muur van een gebouw, klaar om de weg over te sprinten, toen een sluipschutter op kapitein Groenewoud vuurde. De kogel trof hem in zijn voorhoofd, en kwam er aan de achterkant weer uit. Hij was op slag dood.

Ik dook het dichtstbijzijnde huis in om dekking te zoeken. Hier trof ik een burger aan die een beetje Engels sprak. Ik vertelde hem over de gewonden, en vroeg hem of hij het ziekenhuis kon bellen. Hij zei dat de buren telefoon hadden, en dus gingen we daarheen. Hij kreeg het ziekenhuis aan de lijn, maar de arts (een Nederlander) zei dat het onmogelijk was om te hulp te komen. Hij had het reeds eerder geprobeerd, maar de Duitsers waren nu aan de winnende hand. Zij waarschuwden hem dat er geschoten zou worden als er een ambulance op uit werd gestuurd.” [21]

Luitenant Todd keerde onverrichte rzake terug naar het brigadehoofdkwartier. Hij raakte later nog een keer gewond door scherfjes van een mortiergranaat, maar kon blijven deelnemen aan het gevecht. In de nacht van 20 op 21 september 1944 waren de Britten bij de brug nog altijd niet ontzet. Door munitiegebrek werden ze gedwongen om hun verdediging op te geven, en werden de overgebleven manschappen uit de panden aan de Eusebiusbinnensingel in teams van tien verdeeld, met een officier aan het hoofd.

 
Todd kreeg het bevel over de eerste groep die weg werd gestuurd.[22] Die moest voordat ze zich een weg zouden banen richting Oosterbeek, eerst kapitein Miller in de St. Eusebiuskerk op de hoogte stellen van de uitbraakpoging. Miller voerde een groep soldaten van het brigadehoofdkwartier aan die eerder die avond de kerk had bereikt. Deze poging mislukte, en Todd verborg zich eerst in een boom en later in een werkplaats, waar hij op 27 september door Duitse soldaten werd gevonden.
 
Hij slaagde begin mei erin om te ontsnappen uit Duitse krijgsgevangenschap tijdens een mars naar een ander kamp in Duitsland. Op 4 mei 1945 maakte hij contact met een Amerikaanse patrouille. Na de oorlog ontving hij het Amerikaanse Distinguished Service Cross en een Purple Heart voor zijn aandeel in en verwondingen tijdens de Slag om Arnhem.[23]

Wanneer stierf Groenewoud?

 
De datum van het overlijden van Jacob Groenewoud verschilt in diverse publicaties over de Slag om Arnhem. Op zijn grafsteen op de Airborne Begraafplaats in Oosterbeek, op het monument in het Jacob Groenewoudplantsoen, in de Roll of Honour van de Slag om Arnhem, en in het boek Zwevend naar de Dood wordt als sterfdatum 18 september 1944 vermeld. Het rapport van luitenant Harvey Todd over Jedburgh team ‘Claude’, dat in 1945 werd opgesteld nadat de Amerikaan was teruggekomen uit krijgsgevangenschap, noemt echter dinsdag de 19e als overlijdensdatum.
 
De laatstgenoemde dag is volgens majoor Hibbert veel waarschijnlijker dan 18 september. Groenewoud is bovendien op de 18e gezien door Eric Robinson, en luitenant Todd, die bij hem was toen hij sneuvelde, bevond zich vanaf tien uur die maandagochtend in de kelder van het Rijkswaterstaatgebouw. De officieel gehanteerde overlijdensdatum lijkt dus onjuist te zijn.
 
Majoor Tony Hibbert slaagde er op 22 september 1944 in om te ontsnappen uit een vrachtwagen waarmee hij en andere krijgsgevangenen naar een Duits kamp werden gebracht. Hij dook onder in Velp, en kwam tijdens Operatie Pegasus, een grootschalige ontsnappingsoperatie, in de nacht van 22 op 23 september in de buurt van Wageningen over de Rijn. Hibbert herinnerde zich later:

“Ik hield een dagboek bij na mijn gevangenname bij de brug, en kon later ontsnappen. Ik zorgde ervoor dat ik geen namen en referenties gebruikte, zoals de Jedburgh teams [deze waren zeer geheim]. Nadat ik de rivier overstak aan het einde van Operatie Pegasus I, werd ik naar een ziekenhuis in Eindhoven gebracht, waar ik op 23 oktober werd ondervraagd door majoor Airey Neave, en gaf hem een lijst van gewonden in het St. Elisabeths Gasthuis voor zover bekend op dat moment, en een lijst van het personeel van het brigadehoofdkwartier dat gesneuveld was, namen van krijgsgevangenen, en een grote hoeveelheid aan inlichtingenmateriaal dat ik in de holle zolen van mijn laarzen had verborgen. Ik werd naar Lincoln Hospital gevlogen op 25 oktober, en daar begon ik met het aanschrijven van 75 nabestaanden van het brigadehoofdkwartier die gesneuveld, gewond of krijgsgevangen waren gemaakt.” [24]

Onderscheiding

 
Hibbert schreef ook een rapport van enkele pagina’s op 24 november 1944 aan de Nederlandse militaire attaché in Londen, H.J. Phaff. Hierin, of liever gezegd in een uitgebreide brief, beschreef Hibbert het optreden van Groenewoud tijdens de slag, en hoe hij was gesneuveld. Deze werd doorgestuurd naar het Nederlandse Ministerie van Oorlog, met de aanbeveling om het schrijven later door te sturen naar de nabestaanden. Het ministerie ging met deze suggestie akkoord.
 
De Britse luitenant-kolonel Carleton-Smith kreeg het rapport eveneens onder ogen, en stuurde in april 1945 een kopie naar luitenant-kolonel Dobson van de S.O.E. met de aanbeveling om Groenewoud een onderscheiding te geven. Uiteindelijk belandde het bij het Nederlandse Bureau Bijzondere Opdrachten (B.O.O.) dat de kapitein en de drie andere, eerder genoemde officieren had gerekruteerd voor de Jedburgh teams. Generaal-majoor J.W. van Oorschot, het hoofd van het BBO, stuurde begin mei het verslag door naar de minister van Oorlog, en verzocht om een Militaire Willemsorde voor de gesneuvelde militair.[25]
 
Op 27 juli 1945 werd bij Koninklijk Besluit (no. 30) postuum het Ridderkruis Vierde Klas van de Militaire Willemsorde toegekend aan kapitein Groenewoud:

“Zeer veel moed en beleid getoond bij de landing bij ARNHEM op 17 september 1944 door als commandant van een sectie infanterie door te dringen in een Duitsch Hoofdkwartier en aldaar zeer belangrijke stukken, o.a. het vernielingsplan van de havens van ROTTERDAM en AMSTERDAM in beslag te nemen.

Na hiervan te zijn teruggekeerd en met eenige Britsche troepen van de hoofdmacht afgesneden zijnde, zich vrijwillig ter beschikking gesteld om door de sterke linie te trachten door te breken ten einde het verbroken contact te herstellen. Bij die poging gesneuveld.”[26]

Jacob Groenewoud kreeg na de oorlog zijn laatste rustplaats op de Airborne Begraafplaats in Oosterbeek, graf 20-B-12.

Gedenkteken

 
In 1994 werd een strook gras op hoek van de Oranjewachtstraat en de Rijnkade op initiatief van Arnhemmer Piet van Leeuwen door de gemeente omgedoopt in het Jacob Groenewoudplantsoen. Het gedenkteken dat daar is geplaatst door de gemeente bestaat onder andere uit een 25-ponder veldkanon, gericht op de John Frostbrug, een stuk van een propeller en een plaquette waarop in het Engels, Nederlands en Pools de Slag om Arnhem beknopt wordt beschreven.
 
Het stuk geschut is echter van een type dat tijdens de Tweede Wereldoorlog niet in Arnhem werd gebruikt. De Britse 1st Airborne Division beschikte over 6- en 17-ponder kanonnen, en in april 1945 kwam er eveneens geen 25-ponder kanon aan te pas. Het Jacob Groenewoudplantsoen houdt desondanks de herinnering levend aan een Nederlandse officier die zich actief inzette tijdens de Slag om Arnhem, en zijn leven gaf voor zijn vaderland.
 

Noten

 

[1] Th. Peelen en A. J. L. van Vliet, Zwevend naar de Dood (Bussum, 1976), 88-89.

[2] Roger King, ‘Jedburgh Team Claude’ in: Ministory No. 49, N ieuwsbrief van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum No. 61 (Oosterbeek, februari 1996), blz. 1.

[3] Peelen en Van Vliet, Zwevend naar de Dood, 89.

[4] R. King, ‘Jedburgh Team Claude’, 2

[5] E-mail Tony Hibbert (voormalige brigademajoor van de 1st Parachute Brigade) aan Frank van Lunteren, 26 januari 2007.

[6] Peelen en Van Vliet, Zwevend naar de Dood, 89.

[7] Ibidem, 84-88.

[8] King, ‘Jedburgh Team Claude’, 1.

[9] Volgens gegevens uit de ‘Enlistment record’ van Harvey Todd in de National Archives, Washington.

[10] King, ‘Jedburgh Team Claude’, 1.

[11] Scott voegde zich bij de hoofdmacht van de 1st Airborne Division in Oosterbeek, en werd het laatst gezien op 22 september 1944. Wat vervolgens met hem gebeurde, is niet bekend. Vermoedelijk verdronk hij bij de evacuatie van de divisie over de Rijn bij Oosterbeek in de nacht van 25 op 26 september 1944. Het veldgraf van Scott werd na de oorlog aangetroffen op de noordelijke oever van de Rijn, vlak bij de aanlegplaats van het Opheusdense veer. Jan A. Hey e.a., Roll of Honour. Battle of Arnhem 17-26 September 1944 (Oosterbeek, 1999), 110.

King, ‘Jedburgh Team Claude’, 2.

[12] E-mail Tony Hibbert aan Frank van Lunteren, 26 januari 2007.

[13] Dagboek van Tony Hibbert. L.P.J. Vroemen Collectie (Gelders Archief, 2867), Band E.4.29.

[14] King, ‘Jedburgh Team Claude’, 2.

[15] Dagboek van Tony Hibbert. L.P.J. Vroemen Collectie (Gelders Archief, 2867), Band E.4.29.

[16] Brief Eric Robinson aan luitenant-kolonel Theodoor A. Boeree, ± 1952. Gelders Archief, Collectie Boeree, inventarisnummer 7.

[17] King, ‘Jedburgh Team Claude’, 2.

[18] De kreet “Whoa Mahomet” werd door de 1st Parachute Brigade in de winter van 1942/1943 overgenomen van Noord-Afrikaanse herders in Tunesië. Het viel de Britten destijds op dat men elkaar op die manier begroette. Het waren vrijwel uitsluitend officieren en manschappen van de genoemde brigade die deze uitroep gebruikten tijdens de Slag om Arnhem, als teken van herkenning tijdens de strijd, en om de vijand schrik aan te jagen.

[19] Dagboek van Tony Hibbert, L.P.J. Vroemen Collectie (Gelders Archief, 2867), Band E.4.29.

[20] King, ‘Jedburgh Team Claude’, 2.

[21] Officieel verslag van luitenant Harvey A. Todd over Jedburgh team ‘Claude’, geciteerd uit: R. King, ‘Jedburgh Team Claude’ in: Nieuwsbrief van de Vereniging Vrienden van het Airborne Museum (Oosterbeek, februari 1996), blz. 3.

[22] Dagboek van Tony Hibbert. L.P.J. Vroemen Collectie (Gelders Archief, 2867), Band E.4.29.

[23] King, ‘Jedburgh Team Claude’, 3-4.

[24] E-mail Tony Hibbert aan Frank van Lunteren, 26 januari 2007.

[25] Peelen en Van Vliet, Zwevend naar de Dood, 91-92.

[26] Deze stukken vond Groenewoud in het Rijnpaviljoen op 17 September 1944 bij de opmars naar de brug. Jeroen Niels, ‘Jacob Groenewoud Plantsoen’. http://www.oorlogsmusea.nl/artikel/219. Geraadpleegd op 4 februari 2007.