14 Rijnkade

Op zondag 17 september 1944 bereikten verschillende eenheden van de Britse luchtlandingsdivisie via de Rijnkade de verkeersbrug in Arnhem. Als eerste arriveerde rond 19.00 uur A Company van het 2nd Parachute Battalion van majoor A.D. “Digby” Tatham-Warter. Ze ondervonden nauwelijks enige tegenstand. Latere groepen kregen echter wel te maken met Duitsers die hen beschoten. Ze wisten desondanks de Rijnbrug te bereiken, door de vijand in de zijstraten terug te dringen. Daarbij vielen gewonden die werden ondergebracht in de centrale post van het Rode Kruis aan het Roermondsplein.

Engelse gewonden werden ook gebracht in de kelder van de Nijverheidsschool voor Meisjes aan Rijnkade 36. Daar was een commandopost van de Luchtbeschermingsdienst (LBD) ondergebracht. Tevens schuilden er burgers. Huisarts Jan Zwolle gaf daar medische hulp. Licht gewonden trokken na behandeling door naar de brug. Twee zwaar gewonden bleven in de kelder onder de zorgen van dokter Zwolle en de LBD.

Op dinsdag 19 september 1944 drongen Duitsers de school binnen. Mogelijk omdat ze meenden daar vandaan beschoten te zijn. Ook is niet uitgesloten dat ze lucht hadden gekregen van de aanwezigheid van de Britse gewonden. Dit was het begin van een drama dat zich zou voltrekken in de remise van het Van Gend en Loos gebouw in de Bakkerstraat.

Opmars

 
 
 
 
 
Foto's boven: Vooroorlogse beelden van de Rijnkade. Op de foto rechts het brugwachtershuisje bij de schipbrug
(Collectie Gelders Archief/30-er jaren).
 
 
 
Foto links: Een dergelijke schipbrug lag in de jaren 1941-1944 op deze plek in de Rijn (Collectie Gelders Archief/Kramer).
 
De Rijnkade maakte op 17 september 1944 deel uit van de opmarsroute van het 2nd Parachute Battalion van luitenant-kolonel John D. Frost richting de Rijnbrug in Arnhem. De A Company, geleid door majoor A.D. “Digby” Tatham-Warter, bereikte de kade rond kwart voor zeven in de avond, en een peloton van deze compagnie beklom ongeveer een kwartier later de noordelijke brugoprit. HQ Company, Support Company en de ondersteunende anti-tankkanonnen die de A Company volgden, konden eveneens de Rijnkade zonder al te veel moeite bereiken.
 
Het hoofdkwartier van de 1st Parachute Brigade, het 1st Parachute Squadron (Royal Engineers; een genie-eenheid) en enkele kleine groepen hadden ongeveer een uur later meer moeite om zonder verliezen naar de brug te komen. Bij het oversteken van het Roermondsplein en het Eusebiusplein werden ze beschoten. De chauffeur van een van de bevoorradingsjeeps raakte gewond, evenals enkele anderen.[1] 
 
Dat de beide pleinen onder vuur werden genomen was niet zo vreemd aangezien de Ortskommandant van Arnhem, General Major Friedrich Kussin, tot 5 september zijn kantoor aan het Nieuwe Plein had gevestigd. In de omgeving waren nog enkele brandstofdepots en administratieve kantoren van het Duitse leger te vinden die werden bewaakt. Bovendien lagen het Roermondsplein en het Eusebiusplein op loopafstand van het station en het Willemsplein, en  dus op de meest logische marsroute richting de brug.
 
 
 
Foto rechts: Rijnkade tussen de Haven en de Rijnbrug vanuit het zuiden (Collectie Gelders Archief/Kramer).
 
 
Onder de gegeven omstandigheden renden de genoemde Britse soldaten daarom in kleine groepjes de pleinen over. De enkele jeeps van de colonne reden er in een sneltreinvaart overheen. Kapitein Eric Mackay, een pelotonscommandant van A-Troop, 1st Parachute Squadron, Royal Engineers, beschreef de opmars vanaf de Schipbrug tot aan de Rijnbrug als volgt:

“De vijand kwam een zijstraat uit en viel ons onverhoeds aan en een van de karretjes met ontplofbare stoffen ging in vlammen op. Na een korte schermutseling trok hij terug en we gingen verder. We kwamen nu aan [bij] de Schipbrug, die door een Vickers machinegeweer (een zwaar kaliber mitrailleur) werd verdedigd. De vijand viel aan vanuit het zuiden, maar deze aanval werd met verliezen voor hen afgeslagen; ons enige verlies was een fles rum. We waren nu op ongeveer 500 meter afstand van de grote Rijnbrug, waar een hevige strijd woedde. Ik besloot verder op te rukken. De vijand was nu doorgedrongen tussen mijn kleine troep en de strijdkrachten bij de brug. Deze bevonden zich op een plein [het Eusebiusplein], dat juist op onze weg lag. Mijn eerste pogingen om deze ‘val’ over te steken mislukten, maar we slaagden er in, hen naar een zijstraat te verjagen.

Zij stelden nu twee machinegeweren op in de ramen van enkele benedenvertrekken en beheersten op die manier het plein. Het was echter noodzakelijk, dat wij de brug bereikten en dus stelde ik mijn troep met de karretjes op aan de rand van het plein. Toen alles gereed was liepen we in draf de 40 meter open terrein over. Het was een waagstuk maar we konden het wagen, want er waren geen verliezen. We trokken verder en bereikten na enkele minuten de brug.”[2]

Ook andere groepen konden zonder verliezen de beide pleinen oversteken. Vreemd genoeg ondernamen de Britse parachutisten geen pogingen om de groepjes Duitse soldaten die hen beschoten, echt uit te schakelen of gevangen te nemen. Wellicht dat de verwachte komst van B Company en C Company van het 2nd Parachute Battalion hiervoor een verklaring kan zijn, maar toch is het wel opvallend. 

 
Na het Roermondsplein kon de Rijnbrug via twee wegen worden bereikt: over de Rijnkade, het Eusebiusplein en door de Marktstraat richting de Eusebiusbinnensingel, of uitsluitend over de Rijnkade langs de rivier. De eerste route betekende dat twee open stukken moesten worden overgestoken: het Eusebiusplein en de brede Marktstraat, die vanaf de huizen aan de Markt onder vuur kon worden genomen. De Rijnkade leek een veiligere optie om de gewonden af te voeren omdat maar aan één kant huizen staan. De gewonden werden overgebracht naar de Centrale Post van het Rode Kruis aan het Roermondsplein, en enkele anderen werden  binnengebracht in het gebouw van de Luchtbeschermingsdienst (LBD) in de Nijverheidsschool voor Meisjes, Rijnkade 36.

Luchtbeschermingsdienst

 
De LBD had al voor de Slag om Arnhem een commandopost in de kelder van de Nijverheidsschool. Het onderwijsinstituut functioneerde tot het moment dat de slag begon; er werd gewoon les gegeven. Mw. W.J. van Koldenhoven, dochter van conciërge Veldhuizen, herinnert zich over het in de kelder van de school gaan schuilen:

“Op de 17e is het bombardement geweest op de Willemskazerne. Ik kwam van een vriendje in de Graaf Lodewijkstraat af en op het moment dat de bommen vielen was ik op dat Willemsplein. Doodeng. Er vielen mensen dood naast je neer. Ik was heel bang. Dus ben ik heel hard naar  huis gehold. Eerst waren we nog boven, maar op een gegeven moment werd het toch wel kritiek en toen zijn we met zijn allen naar beneden gegaan. Mijn vader, mijn moeder, ik en dan nog wat meer mensen die er waren.”[3]

Wilhelmina J.A. Schouten woonde destijds in de Mariënburgstraat in Arnhem, en was het enige vrouwelijk lid van de LBD aan de Rijnkade. Zij was daar werkzaam als een van de vrijwillige telefonisten, en schreef enkele weken later over de aankomst van de Britten:

“In school hadden de directrice en de leraressen uit het internaat[4] zich in de schuilkelder geïnstalleerd. Ook bevonden zich daar twee jongemannen, de gebroeders Smit en de vrouw van één hunner. Hoe zij daar kwamen of wat hun functie was, is mij tot op heden niet duidelijk[5]. In de vertrekken van de LBD heerste bedrijvigheid. Er waren behalve de commandant [de heer Beemsterboer] en de heren Vromberg [vader en zoon] heel wat telefonisten aanwezig en verder nog ordonnansen.

In de school-schuilkelder bevonden zich ook nog de conciërge [Cees Veldhuizen] met zijn gezin, een schipper, zijn vrouw en dochter en twee kleine kinderen. Ik weet niet zeker of die schipper met aanhang er zo vroeg al waren , of dat ze pas later kwamen; wel heb ik die nacht één van de kinderen horen huilen. De kans bestond dat de Duitsers de voetbrug [schipbrug] zouden opblazen; daarom gingen Mej. Wiersema[6] en ik de ramen in het internaat open zetten. Daarna deden Veldhuizen, [Jan] Mielekamp en ik het in de hele school op verzoek van mijnheer Vromberg de jongere. (. . .)

Het zal ongeveer half acht geweest zijn toen één van de Smitten binnenkwam met de mededeling dat de Engelsen in Oosterbeek waren; goed half negen bracht iemand de tijding dat ze in de stad waren. Niemand geloofde het. Toch ging ik eens polshoogte nemen met Dreuning en Mielekamp. We keken door de raampjes van de voordeur; het was al schemerig en we zagen soldaten voorbij gaan. De bepakking en manier van lopen leken ons niet Duits.

Plotseling zagen we er een groep tussen lopen met de handen omhoog.[7] We deden de voordeurraampjes open, konden toen beter zien en horen en wisten genoeg. Mielekamp maakte een luchtsprong en schreeuwde: “De Tommies!” We renden naar beneden en vertelden opgetogen aan kapitein Beemsterboer dat de Engelsen er waren. “Zijn jullie telefonist of niet?” “Nu, dan hoor je hier beneden.” ”Ja maar, de Tommies zijn in de stad.” “Dat geloof ik pas, als je er één hier brengt.” (. . .)

Niet lang daarna kwam Dreuning naar beneden, vergezeld van een lange Engelsman, die kalm binnenkwam en zich volkomen op z’n gemak scheen te voelen. Hij was gekleed in een camouflagekleurig uniform, met een helm waarop kleine plukjes jute van dezelfde kleur recht overeind stonden. (. . .) Kapitein B. vertelde dat dit de commandopost van de LBD was en verzocht den Engelsman dit aan z’n commandant mee te willen delen. Deze beloofde het en vroeg of we al meer soldaten gezien hadden; wij zeiden dat er al eerder [een aantal] voorbij gegaan waren in de richting van de brug. De Tommy groette en vertrok.[8]

Even later werd er aan de voordeur gebeld of geklopt. We gingen kijken; er stond een hele massa Engelse soldaten voor de school. Ik zei dat ze beter de zij-ingang konden nemen en wees hun die. In een ogenblik zat de benedenverdieping vol; ook het trottoir voor de school. Er waren heel wat gewonden.”[9]

Volgens mw. Van Koldenhoven zijn er de hele avond door Engelse gewonden langs geweest:

“’s Avonds, toen kwamen dan die Engelsen. Eerst gewoon troepen die nog doortrokken. Ze waren heel terughoudend, ze waren eigenlijk ook bang. Ze wilden in het begin ook niks hebben. Dus, als je ze wat te drinken aanbood,  moest je er eerst zelf uit drinken. En dan wilden ze het wel. Toen hebben ze inderdaad ook die gewonden achtergelaten. Dat bleef zo een aantal uren doorgaan. Er waren ook mensen die licht gewond waren. Schaafwonden of wat ook. Dat heeft Jan Zwolle ook wel verzorgd. Zij konden  gewoon weer door trekken.  Dr. Jan Zwolle was vanaf die avond van de 17e september tot aan die fatale ochtend op de 19e de hele tijd aanwezig.” [10]

Het is moeilijk om vast te stellen tot welke eenheid deze soldaten behoorden. Het waren vermoedelijk genisten die moesten onderzoeken of de schipbrug aaneengeschakeld kon worden.[11] Mevrouw Schouten vervolgt haar verhaal:

“Twee zwaar gewonden werden die avond binnengebracht. De eerste had een buikschot; ik meen dat een E.H.B.O.’er de eerste hulp verleende.[12] Daarna werd een dokter opgebeld. Dokter Zwolle kwam. Later kwam ook een Engelse legerarts en samen opereerden zij den gewonde.[13]

Daarna werd hij in het achterste vertrek[14] neergelegd. Ik installeerde me daar, om Mielekamp af te lossen bij de verpleging en om eventuele wensen van de patiënt te horen en te vertolken. Hij had erge pijn, was onrustig en zei, dat hij zo ongemakkelijk lag op zijn rug. Maar vanwege zijn wond mochten we hem niet verleggen. Tegen één uur werd hij rustiger; er was bijna geen teken van leven meer te bespeuren. Ook als we zijn lippen bevochtigden reageerde hij niet meer. Tegen twee uur stierf hij; Mielekamp drukte zijn ogen toe.

Intussen lag er in de telefoonkamer op tafel een tweede zwaargewonde; hij had een schot in zijn oog, zijn hals en zijn linker dijbeen. Hij bloedde uit mond en neus. Verhaaf [een lid van de Luchtbeschermingsdienst) verzorgde hem, bevochtigde zijn lippen en veegde het bloed af. Deze gewonde gaf blijk van een taaie wil, om in leven te blijven.”[15]

Korporaal Maybury werd op 18 september begraven in de tuin van de Nijverheidsschool. Huisarts Jan Zwolle doorzocht de zakken van zijn uniform en vond een lijst met adressen van Arnhemse NSB’ers. Zwolle stak deze papieren in zijn jas.

 
Wilhelmina Schouten schreef:

“Die morgen waren er nog verscheidene Engelsen in de school. Ik weet niet of ze er overnacht hadden of vroeg gekomen waren. (. . .) Toen het goed en wel licht was, waren alle Tommies vertrokken. Het werd een heldere, zonnige dag. We kregen elk een paar boterhammen; Verhaaf deelde die uit. Er waren ook wel 40 mensen [van de LBD en burgers] in de school.”[16]

Langstrekkende Britten

 
De groep Britse soldaten die ze ’s ochtends zag, behoorde waarschijnlijk tot de B Company van het 2nd Parachute Battalion. Deze compagnie probeerde ’s ochtends op te rukken naar de brug, maar werd op de Rijnkade, ter hoogte van de Rodenburgstraat, beschoten vanaf de zuidelijke oever. Het grootste deel van luitenant Hugh Leviens 4 Platoon sloeg op dat punt de Rodenburgstraat in, en kwam uiteindelijk in de Bakkerstraat terecht. Eén sectie onder leiding van sergeant Carrier wist uiteindelijk wel de Rijnbrug te bereiken met de rest van B Company, een groepje geniesoldaten en de 89th Parachute Field Security Section.[17]
 
Kapitein John Killick, de commandant van de laatstgenoemde eenheid, schreef tijdens zijn krijgsgevangenschap in Duitsland zijn ervaringen op:

“Toen het licht begon te worden werd alles rustiger en besloten we [Killick en majoor Douglas Crawley van B Company] om verder te gaan naar de verkeersbrug om ons bij de rest van de groep en het brigadehoofdkwartier te voegen. Ik slaagde erin om een burgerfiets te bemachtigen, en we trokken door de verlaten straten in de ochtendschemering. We staken het plein [Roermondsplein] over zonder problemen en er werd geen schot op ons afgevuurd terwijl het lichter begon te worden. Dat was erg fortuinlijk, want we liepen hopeloos in het zicht.

We konden vaag de bogen van de brug zien boven de omringende gebouwen, en we waren onszelf aan het feliciteren dat de Duitsers de brug niet hadden opgeblazen toen het feest begon. Mortiergranaten kwamen in grote aantallen en in een snel tempo op de straat neer waar we ons bevonden, en 2 cm lichtspoorgranaten vlogen kriskras over onze hoofden en sloegen gaten in de muren. Achter ons begonnen ze ook te schieten, en een kleine groep [4 Platoon] was opnieuw van ons afgesneden en voegde zich niet meer bij ons.”[18]

Luchtbeschermingsdienst (vervolg)

 
Met de gewonde Britse soldaat die was achtergelaten in de Nijverheidsschool ging het ondertussen bergafwaarts:
“De gewonde was die morgen heel minnetjes; het leek of hij de middag niet meer zou halen. Hij zag grauwbleek en de pols was flauw en onregelmatig. Dokter Zwolle (. . .) kreeg ’s middags [de] toezegging [dat] de patiënt gehaald zou worden [door iemand van het St. Elisabeths Gasthuis]. Er was een auto onderweg. Ik vertelde het aan den gewonde; als bij toverslag leefde hij op. “Dan kan ik toch nog beter worden,” zei hij. (. . .)
 
Met de ziekenauto werd het niets. Die was door de Duitsers gevorderd. Ieder kwartier vroeg de patiënt waar de auto bleef. (. . .) Ik legde hem de situatie uit; hij was erg teleurgesteld. Dokter Zwolle meende dat het toch niet uitgesloten was, dat hij beter werd. Het vervoer zou misschien zelfs nadelig zijn geweest.
Tegen de avond vroeg de patiënt of zijn verbanden vernieuwd mochten worden. De dokter wilde dit Mielekamp opdragen,[maar] die was onvindbaar. Na een uurtje kwam hij opdagen. Hij was de stad eens in geweest en had midden tussen de schermutselingen gezeten en was van ’t ene portiek in ’t andere gerend. Hij had genoten en deed enthousiaste verhalen. (. . .)

Die avond meen ik was het dat de [oudere] heer Vromberg ons verzocht geld en andere dingen, die we van de Engelsen hadden gekregen, te verbergen. De Duitsers mochten soms eens terugkomen, dan kon dit moeilijkheden geven. Dat deden we. Het meeste werd in de grond gestopt; Veldhuizen de conciërge deed het bij elkaar in een kistje.”[19]

Tocht om etenswaar

 
Mw. Van Koldenhoven maakt duidelijk dat op de Nijverheidschool ook kookles werd gegeven. Daardoor was er voldoende eten. Ook omdat het gezin Veldhuizen boven de school woonde en een voorraad eten in huis had. Dat werd van boven naar beneden gehaald. Bij die tocht trof . . . (voornaam) Veldhuizen circa acht Engelse para’s op de trap buiten de school aan. De woning van Veldhuizen werd namelijk via de buitentrap bereikt. [20]
 
In de ochtend van 19 september leek de gewonde soldaat weer wat te zijn opgeknapt. De voorraad levensmiddelen was echter geslonken. Een schipper die in de kelder verbleef met zijn gezin had echter genoeg eten in de kajuit van zijn woonboot, die niet veel verder langs de Rijnkade lag afgemeerd. Een groepje vrijwilligers, onder wie de schipper, Wilhelmina Schouten en Nederdaal, de zwager van Jan Mielekamp, begaf zich er naar toe:

“We staken rond zeven uur voorzichtig de kade over, gebukt en links en rechts kijkend. We daalden in het schip af. De schipper zocht alles op, ik was ook in de kajuit (ik moet eerlijk bekennen dat ik het daar veiliger vond dan op ’t dek) en gaf alles door aan Nederdaal. En zo kwam er een aardig voorraadje op de wal te staan.

Nu zouden we ‘t naar de school brengen. We namen allemaal een paar pakken op, maar nauwelijks waren we op de kade of daar kwam een troepje Duitse soldaten met een onderofficier om de hoek van de Vossenstraat. Wat een ontgoocheling, we dachten dat de stad Engels was! “Was ist hier denn los? Kommt mal her und bringt den Kram mit!” Wij kwamen schoorvoetend nader en ik legde uit waar we vandaan kwamen en wat we daar op straat deden. We moesten mee. (. . . )

Op de hoek van de Weerdjesstraat kwam een grote tank aanrijden waarop een officier [zat]. Hij moest weten wat dat voor een optocht was. “Die Frau kann nach Hause gehen.” Dat was ik. Ik ging terug, maar bedacht me dat de gevangenen geen van allen Duits spraken; mijn hulp kon dus nodig zijn. Ik holde daarom de stoet weer achterna. We werden verder meegenomen, ik meen naar de Nieuwstraat. Daar wilden ze mij weer wegsturen. “Gaat u maar, juffrouw Schouten,” zei [meneer] Talen, “dan kunt u aan kapitein Beemsterboer vertellen wat er gebeurd is.”[21]

In de school bleken vrijwel alle overige leden van de LBD echter verdwenen te zijn, op Jan Mielekamp na die op de zolder lag te slapen. Beneden in de kelder zaten nog wel enkele burgers. De Britse gewonde probeerde al weer te lopen. Mielekamp werd wakker gemaakt, en trok zijn jas van de LBD uit nadat hij gehoord had wat er was gebeurd met de mannen die voedsel hadden gehaald. Hij kreeg een blauw colbert van conciërge Veldhuizen.

Duitsers ontruimen de school

 
Kort daarop werd op de schooldeur gebonsd, en stonden enkele Duitsers voor de deur die wilden weten of een gewonde Engelsman in de school lag:

“Toen gingen ze met ’t geweer in [de] aanslag de schuilkelder binnen. Ik moest voorop lopen. “Sie brauchen keine Angst zu haben,” zei ik, “es ist nur ein verwundeten Engländer da.” Ze gromden beledigd. “Sind hier auch Männer?” zeiden ze in de halfdonkere kelder. De aanwezige mannen kwamen naar voren. Er was uit de school op hen geschoten beweerden de Duitsers. Ik ontkende.

Op dat ogenblik kwam dokter Zwolle binnenlopen. Ik zag dat hij schrok toen hij de Duitsers zag. Ik moest uitleggen wie dat was. “Het hele gebouw hier moet direct ontruimd worden. De vier mannen [de gebroeders Smit, dokter Zwolle en conciërge Veldhuizen] nemen de brancard op en brengen den gewonde naar de auto,” zeiden de Duitsers. Dat gebeurde. Ik nam de fiets en ging; zag in de tuin de vier nog met de brancard bij de auto staan. Ik liep de Weverstraat door; in de Bakkerstraat werd geschoten. Thuis hadden ze niets beleefd; waren ongerust over mij. Ik ontbeet, vertelde mijn avonturen en ging slapen.”[22]

 
 
 
 

Drie foto's uit 1945 van verwoestingen en loopgraven langs de Rijnkade (Collectie Gelders Archief/Jacquet).

 
 
Bekijk punt 28 (Bakkerstraat) om te lezen hoe het afliep met de gebroeders Smit, dokter Zwolle, Jan Mielekamp en conciërge Veldhuizen.
 

Naar boven


Noten

 

[1] M. Middlebrook, Arnhem. Ooggetuigenverslagen van de Slag om Arnhem (Baarn 1994), 158.

[2] E. Mackay, Whoa Mahomet. De strijd om de Rijnbrug (Aalten 1947), 12.

[3] Interview met mw. W.J. van Koldenhoven (geboren Veldhuizen) op 23 mei 2007, afgenomen door Willem Brouwer.

[4] Volgens mw. Van Koldenhoven was de school geen internaat, maar een normale school waar van ’s morgens tot ’s middags 4 uur les werd gegeven.

[5] Als buren van de school zullen zij zijn komen schuilen, wetende dat onder de school een goede schuilkelder was. Aldus mw. Van Koldenhoven anno 2007.

[6] Volgens mw. Van Koldenhoven een lerares van de school.

[7] Deze Duitsers waren ten westen van Arnhem gevangengenomen en werden meegevoerd naar de brug.

[8] Dit was een soldaat van HQ Company, 2nd Parachute Battalion. ‘De parachutist, die het langst in Arnhem stand hield’, Het Vrije Volk, 15 september 1948.

[9] W. Schouten, 10 septemberdagen, 2-6. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 596. Juffrouw Schouten schreef dit verslag tijdens haar evacuatietijd in Soestdijk.

[10] Interview met mw. Van Koldenhoven op 23 mei 2007, afgenomen door Willem Brouwer.

[11] D.G. van Buggenum, B Company Arrived. The story of B Company of the 2nd Parachute Battalion at Arnhem, September 1944 (Renkum 2003), 40-41.

[12] Dit was korporaal Arthur Maybury van de 89th Parachute Field Security Section. Zijn eenheid had als taak Arnhemse NSB-ers op te pakken en te ondervragen. Hij had daarom een lijst bij zich van de collaborateurs zo ver die bekend waren. Maybury was gewond geraakt tijdens een gevecht op korte afstand met Duitse soldaten bij de schipbrug. Van Buggenum, B Company Arrived, 42.

[13] De Engelse legerarts was vermoedelijk kapitein J. Tobin die met een veroverde Duitse ambulance door de straten reed.

[14] Volgens mw. Van Koldenhoven bestond de kelder uit één grote ruimte. Wel was het operatiegedeelte afgescheiden van de rest.

[15] Schouten, 10 septemberdagen, 6-9.

[16] Ibidem, 9-10.

[17] Van Buggenum, B Company Arrived, 42-47.

[18] ‘Extracts from Sir John E. Killick’s own story of his experiences at Arnhem, written while a P.O.W. in Germany’. L.P.J. Vroemen Collectie (Gelders Archief, 2867), band E.3.100.

[19] Schouten, 10 septemberdagen, 12-15.

[20] Interview met mw. Van Koldenhoven op 23 mei 2007, afgenomen door Willem Brouwer.

[21] Schouten, 10 septemberdagen, 20-22.

[22] Ibidem, 20-22.