Deze site doorzoeken

13 Roermondsplein

Schipbrug

 

Het Roermondsplein vormde een belangrijk strategisch punt in de opmars van de Britse 1st Parachute Brigade naar de Rijnbrug in september 1944. De nabij gelegen schipbrug – een pontonbrug - aan de Nieuwe Kraan was een van de drie bruggen die door de brigade veroverd moesten worden. Arnhem had tussen 1603 en 19 april 1935 een schipbrug gekend op deze plaats. De ingebruikname van de (vaste) Rijnbrug maakte de schipbrug echter overbodig. Wel was er nog een stoombootje in gebruik als veerpont voor voetgangers en fietsers tussen het Roermondsplein en de Veerweg.[1] Het opblazen van de Rijnbrug door Nederlandse genisten op 10 mei 1940 maakte het bestaan van een pontonbrug weer noodzakelijk.

 
Allereerst kwam er een pontonbrug van het Duitse Leger, gebouwd door hun eigen vakmensen, de Pioniere. Deze brug was rond 25 mei afgebroken en elders weer opgebouwd. Rijkswaterstaat zorgde vanaf dat moment voor een extra veerpont voor voetgangers en wielrijders tussen de Rijnkade en de Eldensedijk. Vooral arbeiders van de steenfabriek in Meinerswijk maakten van dit veer gebruik. Het stoombootje bij het Roermondsplein werd in juni verplaatst naar het Eusebiusplein om de doorstroom van het verkeer tussen beide stadsdelen te bevorderen.[2]
 
Rijkswaterstaat vond de twee veerponten toch niet voldoende en pleitte voor een nieuwe schipbrug. Deze kwam half maart 1941 gereed en het veerpont tussen de Rijnkade en de Eldensedijk – de Maasboot - kwam daardoor te vervallen. De schipbrug bestond uit twee gescheiden rijbanen en een lager gelegen voetpad en werd op 16 maart 1941 in gebruik genomen. Het stoombootje bij het Eusebiusplein bleef daarnaast nog dienst doen.[3] Aan beide rivieroevers lag permanent een aantal bootjes aangemeerd. Het middenstuk werd op gezette tijden naar de noordelijke oever gevaren om passerende binnenvaartschepen doorgang te verlenen.

De Centrale Post van het Rode Kruis

 
Niet alleen vanwege de nabij gelegen schipbrug was het Roermondsplein van strategisch  belang. Hier waren ook de Centrale Post van het Arnhemse Rode Kruis en de transportcolonne, bestaande uit diverse ambulances, gevestigd. De kringcommissaris van het Rode Kruis in Gelderland, jonkheer Dr. J.N. van der Does, herinnerde zich na de oorlog van de twee weken tussen Dolle Dinsdag en de eerste dag van de luchtlandingen:

“Bij het begin van de doortocht van ongeorganiseerde Duitsche troepen, bevond ondergetekende zich te Amsterdam, en heeft zich haastig naar Arnhem gespoed, waar de toestand zeer gespannen was. Incidenteele vorderingen enz. maakten de bevolking zeer onrustig. Daar groote kans bestond, dat het terugtrekkende leger door bombardementen zou worden vervolgd en tevens bleek, dat de luchtalarminstallatie defect was (doordat een bedienende Luftschutzkommando ook verdwenen was?) is de Arnhemsche Transportcolonne in de Centrale Post op het Roermondsplein gekazerneerd. (……)

Op vrijdag 14 september werd de toestand te Arnhem zeer gespannen, doordat een viaduct in de spoorlijn naar Zutphen in de lucht vloog en de Sicherheits Dienst aankondigde, om, indien de daders niet waren gevonden, op zondag 17 september twaalf personen te zullen fusilleeren.Op zondagmorgen 17 september, toen de spanning door deze maatregel reeds hoog gestegen was, verscheen boven de stad een Engelsch eskader en volgde een heftig bombardement op verschillende door de Duitschers bezette gebouwen. Drie bommen vielen vlak om de Centrale Post van het Rode Kruis. In het gebouw bleef dan ook geen ruit heel. Gelukkig waren er slechts enkele kleine verwondingen. Onmiddellijk werd een aanvang gemaakt met het vervoer van gewonden naar de ziekenhuizen, welke nog in bedrijf waren, met name het Elisabeths Gasthuis en het Diaconessenhuis. (Het Gemeenteziekenhuis was door de Duitschers gevorderd als Kriegslazaret).”[4]

Codenaam ‘Putney’

 
In september 1944 was het bestaan van de schipbrug en de inmiddels herbouwde Rijnbrug de geallieerden niet ontgaan. Beide rivierovergangen werden opgenomen als aanvalsdoel voor Operatie Market Garden en kregen de respectieve codenamen ‘Putney’ (Schipbrug) en ‘Waterloo’ (Rijnbrug). Deze verwezen naar spoorwegstations in Londen. Toen de Britse 1st Parachute Brigade de opdracht had gekregen om zich voor te bereiden op de operatie Market Garden, wist de staf echter niets over het bestaan van veerponten in en rond Arnhem. Dat het stoombootje aan het Eusebiusplein werd gebruikt als veer was hen eveneens niet bekend. Omdat luitenant-kolonel John D. Frost met zijn 2nd Parachute Battalion over Onderlangs en de Rijnkade zou oprukken, kreeg zijn B Company de taak om de schipbrug te bezetten en via de zuidelijke oever de Rijnbrug te veroveren. De A Company zou via de Rijnkade een poging wagen.
 
Een peloton van het 1st Parachute Squadron, Royal Engineers – een geniecompagnie – werd ingedeeld bij het brigadehoofdkwartier dat achter het 2nd Parachute Battalion zou volgen. Kapitein Eric Mackay en zijn A Troop kregen de taak om de schipbrug op explosieven te onderzoeken. B Troop van het 1st Parachute Squadron moest met het bataljon optrekken en zou dus eerder bij de schipbrug aankomen dan A Troop. De onderofficieren en geniesoldaten van de eerstgenoemde eenheid werden echter niet ingelicht over de taak van de laatst vermelde groep of het bestaan van de schipbrug.[5]

De Britse opmars naar de schipbrug

 
Het plan viel op 17 september echter in het water nog voordat het 2nd Parachute Battalion de schipbrug had bereikt. B Company kreeg de taak om een vijandelijke stelling bij het landgoed Den Brink aan de westrand van Arnhem uit te schakelen. Die bleek echter veel sterker dan verwacht en de compagnie verloor een aantal manschappen en een pelotonscommandant. Het gevecht duurde lang en luitenant-kolonel Frost besloot om met de rest van zijn bataljon verder te gaan naar de brug aangezien de avond viel. Hij herinnerde zich naderhand van de opmars:

“In een versneld tempo haasten we ons door de straten van Arnhem om de schipbrug te bereiken. We vonden het middelste stuk onklaar gemaakt en onbruikbaar voor ons op dat moment. Een deel van de ondersteunende groep achterlatend om op B Company te wachten, marcheerden we door naar de voornaamste oversteekplaats over de Rijn [de Rijnbrug].”[6]

Het raadsel rond de schipbrug

 
Onduidelijk is of het middenstuk van de schipbrug daadwerkelijk onklaar was gemaakt, zoals in de boeken van Frost en diverse historici is te lezen. Luchtfoto’s van de Royal Air Force (RAF) van 10 september 1944 tonen een intacte brug, maar dat zegt natuurlijk niets over de situatie een week later op de zeventiende. En de eerder genoemde kapitein Mackay schreef in een artikel in Blackwoods Magazine en in het oorlogsdagboek van het 1st Parachute Squadron dat de schipbrug intact was toen hij om half tien ‘s avonds Nederlandse tijd het Roermondsplein naderde. Mackay ontmoette de mitrailleurschutters die door luitenant-kolonel Frost waren achtergelaten. Hier kreeg zijn peloton een Duitse tegenaanval te verduren vanaf de zuidelijke oever waarbij twee bootjes van de schipbrug zwaar beschadigd raakten en zonken. Het compagniesverslag vermeldt dat “twee boten zonken en de Duitsers zich terugtrokken met zware verliezen.”[7] Een van zijn eigen soldaten spreekt dit echter tegen, want hij zegt dat er geen gevecht plaats vond.[8]
 
Andere ooggetuigen die werden geraadpleegd tijdens het onderzoek voor dit artikel, onder wie de brigademajoor van de 1st Parachute Brigade en een geniesoldaat van B Troop, twijfelen. Zij menen de schipbrug intact te hebben gezien, maar voegden daaraan toe dat ze destijds er niet gericht op hebben gelet. Zij hadden immers een andere taak.[9] De twee gezonken pontons uit het verhaal van Mackay berusten wel op waarheid. Een luchtfoto van de RAF van 19 september 1944 toont de schipbrug zonder middenstuk, maar tevens twee gezonken dan wel beschadigde pontons aan de zuidelijke oever.
 
Mackays eenheid marcheerde na het vuurgevecht door naar de Rijnbrug (zie ook punt 19), zonder op B Company te wachten. Deze eenheid kwam pas na middernacht bij de schipbrug aan. In het officiële verslag van het 2nd Parachute Battalion staat te lezen:

“the Boat Bridge, which B Company reached after overcoming considerable resistance, was burnt before they could use it.”[10] (“De schipbrug die door B Company werd bereikt nadat ze aanzienlijke tegenstand hadden uitgeschakeld, was verbrand voordat ze die konden gebruiken.”)

Als de verklaring van Mackay dat de schipbrug intact was toen hij daar om half tien aankwam waar is, dan is het op zijn zachtst gezegd vreemd dat luitenant-kolonel Frost alleen mitrailleurschutters aan de noordelijke oever heeft achtergelaten en niet ook een detachement op de zuidelijke oever heeft geposteerd. Mocht Mackay de feiten hebben verdraaid, dan is hij daar zover bekend destijds niet voor op de vingers getikt. Hij schreef het oorlogsdagboek van zijn eenheid enkele dagen na de slag om Arnhem in Engeland. De commandant van A Company, majoor A.D. Tatham-Warter, keerde eind oktober 1944 terug in Engeland en schreef het officiële verslag van het 2nd Parachute Battalion. Hij passeerde met zijn A Company de schipbrug eerder dan Mackay. Onduidelijk is of Tatham-Warter destijds het verslag van Mackay onder ogen heeft gehad.

De verkenningstocht van majoor Murray

 
 
Foto links: de Oude Haven gefotografeerd door een Duitse oorlogsfotograaf op 19 september 1944 (Collectie Bundesarchiv).
 
 
Een aanval van majoor Tatham-Warters A Company over de Rijnbrug mislukte op 17 september (zie ook punt 18) en daarom probeerde Frost laat in de avond een andere manier te vinden om de zuidelijke oever te bereiken. Hij had op dat moment geen radiocontact meer met B Company die nog niet bij de schipbrug was gearriveerd:

“Onze enige hoop om aan de overkant te komen was daarom het vinden en gebruiken van enkele boten verderop langs de rivier [aan de Rijnkade]. We hadden verschillende typen riviervaartuigen gezien in een kleine baai [De Haven] bij de schipbrug. Het scheen uitvoerbaar dat we er een of twee konden vinden voor ons doel. (…..) Ik maakte een plan om B Company en het Brigade Defence Platoon [een bewakingseenheid] naar de overkant te krijgen. Het Defence Platoon zou een bruggenhoofd bezetten in het gebied van de oversteek, terwijl B Company het Duitse hoofdkwartier [de Ortskommandantur aan het Nieuwe Plein] zou verlaten om de taak van B Company over te nemen. George Murray, onze hoogste genieofficier [ter plaatse], zou verantwoordelijk zijn om een boot te vinden.”[11]

Majoor Murray keerde later die avond terug van een verkenningstocht en beweerde dat hij geen geschikte boten kon vinden.[12] Dit is raar omdat luchtfoto’s van 19 september en daarvoor aantonen dat meerdere kleinere en grote boten van allerlei soorten lagen aangemeerd aan de Rijnkade. Luitenant-kolonel Frost nam echter genoegen met de boodschap van Murray. De volgende ochtend vroeg, toen via de radio was vernomen dat B Company de omgeving van de schipbrug had bereikt, gaf Frost het bevel aan de compagnie om de omgeving van de schipbrug te verlaten en zich bij de rest van het bataljon bij de Rijnbrug te voegen.[13]

Het Roermondsplein bij de bevrijding in 1945

 
In april 1945 was het Roermondsplein het decor van zware gevechten tussen het Britse 2nd Battalion The Essex Regiment van de Britse 49th Infantry Division en Nederlandse SS-eenheden. Vlakbij, onder aan de Bergstraat op de hoek met de Oude Kraan, stond een markant hoekpand met een koepeldak, waar bakkerij Van de Velden in gevestigd was. Dit pand werd in brand geschoten tijdens de gevechten en brandde langzaam uit. Een Britse oorlogsfotograaf legde de gevechtshandelingen op de Oude Kraan en bij het Roermondsplein vast. Zijn foto’s tonen de verwoesting van de monumentale villa aan de Bergstraat. Het aan de andere kant van de Bergstraat gelegen vermaarde Grand Hotel Du Soleil, waar onder meer de koning van Italië en de Amerikaanse oud-president Ulysseus Grant ooit logeerden, raakte eveneens onherstelbaar beschadigd.[14]

Bergen van slachtoffers in 1945

 
Het lokaliseren en bergen van de vele burgerslachtoffers en militairen die in september 1944 of  daarna waren omgekomen, kon pas na de bevrijding van de vrijwel verlaten stad serieus beginnen. De Luchtbeschermingsdienst kreeg deze taak toebedeeld. Waarnemend leider van de Arnhemse afdeling daarvan, B. van Brussel, schreef in december 1945 over deze werkzaamheden:

“Op het Roermondsplein in het plantsoentje waren drie graven, al maanden, en ik kon geen gegevens krijgen. Toevallig moet ik voor onderzoek op het Roermondsplein zijn, waar een mevrouw mij vraagt wat er met die drie menschen, die in het plantsoen lagen, moest gebeuren, waarbij ze van twee slachtoffers de namen opgaf, namelijk Hr. Jurgens [Jurriens], Van de Brink, een NSB-er en vermoedelijk een Chinees. Die Chinees lag niet in het graf, doch toen een onbekende dame, welke na weken terecht kwam, als Mej. Van Ommeren, onderwijzeres.[15] Van Jurgens waren door de moffen de vingers afgesneden om de ringen te gappen. Van de Brink wilde moffen helpen en kwam met een revolver in zijn vuist de moffen te hulp, waarop de moffen hem prompt voor zijn raap schoten. De heer Jurgens werd herkend aan zijn gebit, Van de Brink aan zijn driekwart lederen jas, de onderwijzeres aan een zware verwonding aan haar bovenbeen, onregelmatige tanden en japon blouse.”[16]

Het einde van de onderwijzeres Mej. Van Ommeren

 
In de beroemde oorlogsfilm ‘A Bridge Too Far’ uit 1977 zit een scène waarin een oude vrouw tijdens de gevechten haar huis uitloopt, om een taxi roept en door mitrailleurvuur dodelijk wordt getroffen. Het lijkt misschien een typisch voorbeeld van een Hollywood filmscenario, maar dit verhaal berust voor een deel op waarheid. Margaretha van Ommeren verbleef  in september 1944 in pension Veenhuizen aan de Eusebiusstraat 22. Het pension bood tevens onderdak aan de bejaarde gezusters Van Wulfte Palthe. Een groepje Britse soldaten forceerden in de nacht van 17 op 18 september 1944 de voordeur van het pension en kwamen binnen. Ze gingen al snel weer weg.
 
Rond zes uur in de ochtend kwamen een luitenant en vijftien parachutisten binnen. Ze barricadeerden de gangen in het huis en stelden mitrailleurs op voor de vensters aan de kant van de Eusebiusstraat. De ruiten werden er uit geslagen en die middag brandde het gevecht in de straat los. Een Brits anti-tankkanon stond even verderop opgesteld. Duitse mortieren bestookten het huis en een deel van het dak werd weggeschoten.
 
Dinsdagmiddag werd het pension opnieuw het doelwit van een mortierbeschieting. Mevrouw Van Ommeren kon het niet langer verdragen en sloop via de achterdeur naar buiten. Ze bereikte de Eusebiusstraat, maar werd door een Duitse tankvuur dodelijk getroffen. Een van de gezusters Van Wulfte Palthe werd het die avond te machtig. “Kunt u niet een eind maken aan dit lawaai?” vroeg ze aan mevrouw Veenhuizen, de pensionhoudster. Deze antwoordde dat dit onmogelijk was. “Bestelt u dan maar een taxi voor me,” zei de oude vrouw verontwaardigd. Ook dat was uiteraard onmogelijk.
 
Doordat het huis begon te branden, zochten de inwoners van het pension de beschutting op van een van de tuinmuren in de achtertuin. Woensdagmiddag kwam een er Duitse granaat in terecht. De gezusters Van Wulfte Palthe werden daarbij dodelijk getroffen.[17] Zij waren enkelen van de talloze burgers die tijdens de Slag om Arnhem door gevechtshandelingen om het leven kwamen.
 

Naar boven


Noten

 

[1] F.R. Ranft, ‘Enige bijzonderheden over de Rijnoeververbindingen bij Arnhem na 9 mei 1940’, Arnhem de Genoeglijkste, jaargang 11, nr. 1 (maart 1991), 6-7.

[2] Ranft, ‘Enige bijzonderheden over de Rijnoeververbindingen bij Arnhem na 9 mei 1940’, 7-8.

[3] Ibidem, 8-9.

[4] Rapport Jhr. J.N. van der Does aan het hoofdbestuur van het Rode Kruis, z.j., 2-3. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 173.

[5] Telefoongesprek Frank van Lunteren met toenmalig geniesoldaat Robert Hepburn, destijds van A Troop, 7 mei 2007.

[6] John D. Frost, A Drop Too Many (London 1980) 216.

[7] War Diary 1st Parachute Squadron, RE. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 93.

[8] Telefoongesprek Frank van Lunteren met toenmalig geniesoldaat Robert Hepburn, 7 mei 2007.

[9] Telefoongesprekken Frank van Lunteren met Tony Hibbert (brigademajoor 1st Parachute Brigade), John Humphreys (B Troop, 1st Parachute Squadron, RE) en Leslie McCreesh (HQ Company, 2nd Parachute Battalion).

[10] Major A.D. Tatham Warter, Account of the 2nd Battalion's Operations

at Arnhem 17th September 1944, http://www.pegasusarchive.org/arnhem/war_2ndBatt.htm Geraadpleegd op 28 mei 2007.

[11] Frost, A Drop Too Many, 217-218.

[12] De verkenningstocht van Murray staat niet vermeld in de War Diary van het 1st Parachute Squadron, RE. Dit dagboek werd enkele dagen na de Slag om Arnhem geschreven door kapitein Mackay. Aangezien majoor Murray zich destijds in krijgsgevangenschap bevond, kan dat een mogelijke verklaring zijn voor het ontbreken van gegevens over diens verkenning.

[13] Ibidem, 218-221.

[14] A.B.C. Schulte en A.G. Schulte, De verdwenen stad. Arnhem voor de verwoesting van 1944-45 (Utrecht 2004) 65-66.

[15] Margaretha M. van Ommeren was een 49-jarige ongehuwde onderwijzeres.

[16] Verslag van B. van Brussel (december 1945), 7. Gelders Archief, Documentatiecollectie Tweede Wereldoorlog, inventarisnummer 4.

[17] Theodoor Boeree, De geschiedenis van drie oude dames in de strijd om de Rijnbrug. Gelders Archief, Documentatiecollectie Boeree, inventarisnummer 5.