11 Onderlangs

Op de groene grasstrook ter hoogte van het Museum voor Moderne Kunst Arnhem wijzen drie ijzeren balken in drie verschillende richtingen. Het kunstwerk in dit Market Garden Plantsoen herinnert aan de dappere pogingen van de Britse 1st and 3rd Parachute Battalions, die op 19 september 1944 nog éénmaal probeerden om de Rijnbrug te bereiken.

Opmarsroute voor het 2nd Parachute Battalion

 
De Britse 1st Parachute Brigade had de opdracht om op 17 september 1944 via drie wegen Arnhem binnen te trekken. Het 2nd Parachute Battalion van luitenant-kolonel John D. Frost kreeg de meest zuidelijke van deze routes toebedeeld. Zijn bataljon marcheerde via de Benedendorpsweg, de Klingelbeekseweg en Onderlangs naar de Rijnbrug. Het merendeel van zijn mannen, op C Company (zie punt 5) en een peloton van B Company (zie punt 28) na, bereikte daadwerkelijk het doel. Ook het brigadehoofdkwartier dat Frosts colonne was gevolgd, kwam daar aan.

Het 1st en 3rd Parachute Battalion zoeken de geschiktste route

 
Collega’s van Frost hadden minder geluk. Het 3rd Parachute Battalion van luitenant-kolonel John A.C. Fitch bijvoorbeeld had de middelste route gekregen. Hij trok op via de Utrechtseweg, maar werd ’s avonds opgehouden even vóór de westelijke rand van Oosterbeek. Fitch kreeg de opdracht van de brigadecommandant om die nacht halt te houden, en in de vroege ochtend verder te gaan naar Arnhem (zie punt 8).
 
In de ochtend en namiddag van 18 september liep het bataljon opnieuw vast bij pogingen om via de Utrechtseweg en het stratencomplex rondom het St. Elizabeths Gasthuis verder te komen. Fitch besloot daarom de meest zuidelijke route te proberen. Het aantal van zijn officieren was die avond zorgelijk gedaald tot acht personen, inclusief de kolonel zelf. Het bataljon was tijdens de gevechten in de wijk Lombok uiteengevallen in twee delen van elk ongeveer 70 officieren en manschappen.[1] Eén groep werd geleid door kapitein Richard Dorrien-Smith van B Company, en de andere door Fitch.
 
Kort na middernacht deed de laatstgenoemde een vergeefse poging om de Rijnbrug te bereiken, maar hij verloor onder meer zijn regimentssergeant-majoor John Lord, die in zijn arm werd geraakt.[2] Fitch besloot daarom om terug te trekken op het Café-Restaurant Rijnpaviljoen bij de splitsing van Onderlangs en ‘Bovenover’ (de hoger gelegen Utrechtseweg). Hij had nog drie stafofficieren over: majoor Alan Bush, de plaatvervangende bataljonscommandant; kapitein Charles Seccombe, de adjudant; en luitenant Alex Vedeniapine, Fitch’ inlichtingenofficier.
 
Bij het Rijnpaviljoen aangekomen, stuitte Fitch op luitenant-kolonel David T. Dobie van het 1st Parachute Battalion, en de groep van kapitein Dorrien-Smith.[3] Door de hereniging met deze laatste eenheid telde het 3rd Parachute Battalion ongeveer 100 officieren en manschappen – minder dan de normale sterkte van een compagnie. Dobie bleek eveneens weinig geluk te hebben gehad bij zijn pogingen om de Rijnbrug te bereiken. Een van zijn compagnieën was twee dagen eerder in een zwaar gevecht gewikkeld geraakt met Duitse eenheden bij de Amsterdamseweg. Deze compagnie en een groot deel van zijn Support Company – waaronder zijn mortierpeloton – had hij daar achtergelaten. Met de overige mannen van zijn eenheid was Dobie naar de meest zuidelijke route getrokken.
 
De 18de september was een kostbare dag gebleken voor het 1st Parachute Battalion. Een groot aantal officieren en manschappen werd gedood of raakte gewond.
 
De totale sterkte van Dobie’s bataljon bedroeg in de vroege ochtend van 19 september niet meer dan een man of 140.[4]

De laatste poging om de Rijnbrug te bereiken

 
 
Foto links: De splitsing Utrechtseweg (Bovenover, links) - Onderlangs, gezien in de richting van het centrum van de stad, ca. 1948. In het midden is op de achtergrond een deel van het St. Elisabeths Gasthuis zichtbaar. (Collectie prentbriefkaarten Arnhem, Gelders Archief)
 
 
Ondanks de zware verliezen die hij had geleden, was luitenant-kolonel Dobie vastbesloten om door te stoten naar de Rijnbrug. Fitch werd haastig op de hoogte gebracht van het aanvalsplan dat Dobie enkele uren eerder met de commandanten van het 11th Parachute Battalion en het 2nd Battalion van de South Staffordshires had gesmeed. Het 1st Parachute Battalion zou Onderlangs naar de brug marcheren, terwijl de andere onderdelen via de Utrechtseweg zich een weg naar hetzelfde doel zouden vechten. Luitenant-kolonel Fitch besloot ter plaatse om Dobie’s bataljon te volgen, en hem zo veel mogelijk vuursteun te geven bij zijn opmars.
 
 
Foto links: Gezicht op panden aan de Utrechtsestraat, vanaf Onderlangs. Prominent in beeld is de Kraton, waar tot 17 september 1944 de Sicherheitsdienst was gevestigd. Rechts op de achtergrond de toren van de Eusebiuskerk. Op de prentbriefkaart, uit de jaren '30 van de 20e eeuw, is het hoogteverschil goed te zien, evenals de begroeiing op de helling. (Collectie J.C. Minkman)
 
 
Vanaf de hoger gelegen Utrechtseweg werden eerst het 1st Parachute Battalion, en later ook het 3rd Parachute Battalion beschoten door de SS-Panzer-Pionier-Abteilung 9 van SS-Hauptsturmführer Hans Möller, en een paar 20mm luchtafweerkanonnen van de 2 Batterie van de SS-Flak Abteilung 9 onder leiding van SS-Obersturmführer Heinz Gropp. In de buurt van de Boterdijk en de Oude Haven wachtte een gemengde groep Duitse pantsergrenadiers van de Kampfgruppe Spindler met meerdere machinegeweren en mortieren.
 
Het 1st Parachute Battalion liep in een stormvloed van hand- en mortiergranaten, kogels en 20mm luchtafweergranaten. Rond half acht in ochtend was de aanval voorbij. De vier compagnieën waren geslonken tot vier groepjes van 6, 8, 10 en 15 man.

Het 3rd Parachute Battalion volgde hen, en kreeg op Onderlangs ook de volle laag. Majoor Alan Bush, de plaatsvervangende commandant, schreef na de slag in het bataljonsverslag:

“Dawn to 1000 - Progress was satisfactory until the area of the Pontoon Bridge (Order of March - 'A' Coy under Lieut Burwash MC, Bn HQ RE under Capt Cox, 'B' Coy under Capt Dorrien-Smith).  Casualties from the 1st Bn then started passing through us. The thick undergrowth blinded us and we were unable to support by fire in any way. The C.O. recced areas to our left rear for fire positions but without success. At about 0730 hours heavy enemy machine gun fire was directed on the 3rd Bn. This fire was from machine guns, some of the 20 m.m. calibre. (Probably from armd cars) and intense mortaring began. Another effort was made by the C.O. to find fire positions but again his recce was fruitless. On his return casualties were being suffered at an ever increasing rate, and the wounded were being rushed back in small groups every minute.”

“Schemering tot tien uur – Voortgang was bevredigend totdat het gebied bij de schipbrug werd bereikt. (Volgorde van opmars – A Compagnie onder luitenant Burwash MC, bataljonshoofdkwartier, de genie onder kapitein Cox, B Compagnie onder kapitein Dorrien-Smith). Gewonden van het 1ste Bataljon werden naar achteren gestuurd. De dikke begroeiing [op de helling?] verminderde ons zicht, en we waren niet in staat op enige manier vuursteun te verlenen [aan het 1st Parachute Battalion]. De commandant verkende gebieden links achter ons om [geschikte] vuurposities te vinden, maar zonder succes.

Rond 0730 uur [0830 Nederlandse tijd] werd zwaar vijandelijk machinegeweervuur op het 3de Bataljon gericht. Dit vuur kwam van machinegeweren, sommige met een kaliber van 20mm (vermoedelijk van pantservoertuigen), en intens mortiervuur barstte los. Nog een poging werd gedaan door de commandant om vuurposities te vinden, maar opnieuw was zijn verkenning vruchteloos. Na zijn terugkeer viel een toenemend aantal slachtoffers, en elke minuut werden de gewonden in kleine groepen naar achteren gebracht.”[5]

Majoor Bush werd naar luitenant-kolonel Fitch geroepen op ongeveer 250 meter ten oosten van het Rijnpaviljoen. Bush zag dat kapitein Seccombe en luitenant Vedeniapine er ook waren:

“De overste zat met zijn rug naar het Duitse mortiervuur dat voortdurend langs de struiken dichterbij kwam, meter voor meter. Ik zag het naderen, en zei dat we moesten maken dat we wegkwamen. Hij zei me dat ik de mannen op de terugweg moest leiden. Ik trok naar achteren, en vond ongeveer dertig van onze mannen, en zei dat ze rechtdoor naar het paviljoen moesten rennen. Één of twee man waren ernstig gewond aan armen of schouders. Die stuurde ik de helling op naar het St. Elisabeths Gasthuis. Ik weet niet of ze het gehaald hebben; als het meezat, moest het lukken. Ik verwachtte dat de overste en de andere officieren kort daarop bij het paviljoen zouden opdraven, maar ze verschenen niet.”[6]

De omzwervingen van majoor Alan Bush

 
Bij het Rijnpaviljoen vond majoor Bush een kleine groep mannen, onder wie de lichtgewonde kapitein Dorrien-Smith en kapitein W. Cox van de genie. Ook luitenant James Cleminson bevond zich bij deze groep. Hij had eerder die ochtend kans gezien om zijn schuilplaats aan Zwarteweg 14 te verlaten (zie punt 8). Cleminson en Dorrien-Smith waren al bezig om de beschikbare manschappen te verdelen over een aantal huizen. Een andere kleine groep, ongeveer 12 man sterk, maakte een huis verderop in omgeving klaar voor verdediging onder leiding van sergeant Callaghan.[7]
 
De luitenants John Williams van het 1st Parachute Battalion en William Fraser van het 3rd Parachute Battalion bleken in de tussentijd ongeveer 120 verspreide onderofficieren en soldaten van de 1st Parachute Brigade te hebben verzameld.[8] De meesten van hen waren de vorige dag verdwaald of afgesneden geraakt van hun eigen eenheid. Majoor Bush besloot om terug te gaan naar Onderlangs om nog meer verdwaalde soldaten bijeen te brengen, en uit te vinden waar luitenant-kolonel Fitch was gebleven. Hij wist niet dat kapitein Seccombe, de adjudant, beide benen had verloren door een voltreffer van een 20mm granaat, en naar het St. Elisabeths Gasthuis was gebracht.
 
In een huis pal naast het Rijnpaviljoen vond Bush luitenant Vedeniapine, die gewond was aan zijn voet, en splinters van mortiergranaten in zijn rug en borst had. Met grote moeite kon hij spreken en Bush berichten dat luitenant-kolonel Fitch was gedood door mortiervuur. In het volgende huis vond de majoor de gewonde compagniessergeant-majoor Watson van A Company en een andere soldaat.[9]
 
Uiteindelijk raakte Bush afgesneden van zijn eigen troepen toen hij verder naar het oosten liep, en hij moest zich die dag en de volgende voor de Duitsers schuil houden. Donderdagmiddag 21 september slaagde hij erin om door de Duitse linies heen te glippen, en het restant van het 3rd Battalion in Oosterbeek te bereiken. Hier vernam Bush dat kapitein Dorrien-Smith en luitenant Fraser waren gesneuveld. Van de officieren was alleen nog luitenant Cleminson over, maar die raakte enkele dagen later gewond.
 
In de nacht van 25 op 26 september 1944 leidde majoor Bush het restant van het 3rd Parachute Battalion over de Rijn tijdens de evacuatie van de Britse 1st Airborne Division. Bij het doornemen van de namenlijst in Nijmegen van de mannen die op 17 september naar Arnhem waren gevlogen, konden slechts 28 overlevenden “present” antwoorden.[10]
 

Noten

 

[1] Martin Middlebrook, Arnhem 1944. Ooggetuigenverslagen van de Slag om Arnhem, 177.

[2] War Diary 3rd Parachute Battalion van 19 september 1944. http://www.pegasusarchive.org/arnhem/war_3rdBatt.htm Geraadpleegd op 20 juni 2007.

[3] Middlebrook, Arnhem 1944, 193.

[4] Ibidem, 200.

[5] War Diary 3rd Parachute Battalion van 19 september 1944. Geraadpleegd op 20 juni 2007.

[6] Majoor Alan Bush, geciteerd uit Martin Middlebrook, Arnhem 1944. Ooggetuigenverslagen van de Slag om Arnhem, 200.

[7] War Diary 3rd Parachute Battalion van 19 september 1944.

[8] Luitenant William Fraser sneuvelde op 20 september 1944.

[9] War Diary 3rd Parachute Battalion van 19 september 1944.

[10] Martin Middlebrook, Arnhem 1944. Ooggetuigenverslagen van de Slag om Arnhem, 451.