Deze site doorzoeken

07 St. Elisabeths Gasthuis

Voorgeschiedenis

 
Ziekenhuizen in 1944
Van de drie Arnhemse ziekenhuizen – het Diaconessenhuis, het Gemeenteziekenhuis en het St. Elisabeths Gasthuis – kwam het laatstgenoemde als enige in de frontlinie te liggen tijdens de Slag om Arnhem. Het gebouw dateerde uit 1893, en was het enige rooms-katholieke ziekenhuis in de stad. Het Diaconessenhuis bood plaats aan protestantse patiënten, en het oudste Arnhemse hospitaal, het Gemeenteziekenhuis, was niet op een confessionele grondslag opgericht. Deze indeling kwam geheel overeen met de Verzuiling in Nederland, die pas in de jaren zestig van de twintigste eeuw zou worden doorbroken. In februari 1995 werden de Arnhemse hospitalen uiteindelijk samengevoegd tot het Rijnstate Ziekenhuis aan de Wagnerlaan. Het St. Elisabeths Gasthuis werd vervolgens omgebouwd tot een appartementencomplex. De zusterflat en enkele andere naoorlogse uitbreidingen werden gesloopt.
 
Stichting
Het St. Elisabeths Gasthuis werd gesticht in 1878 door deken J.H. van Basten Batenburg, die werkzaam was als pastoor van de kleine St. Eusebiuskerk aan het Nieuwe Plein in Arnhem. De naam van het ziekenhuis was afgeleid van de Duitse heilige Elisabeth van Thüringen (1207-1231), die in 1227 door de Thüringse adel van al haar bezittingen was beroofd nadat haar man, landgraaf Lodewijk IV, was gesneuveld tijdens de Vijfde Kruistocht. Elisabeth had vervolgens van haar overgebleven geld een hospitaal in Marburg laten bouwen, waar ze de rest van haar levensjaren aan de verzorging van armen en zieken wijdde. Al in 1235, kort na haar dood, werd ze heilig verklaard.
 
Duitse Franciscaner nonnen uit Münster vormden aanvankelijk het eerste personeel van het Arnhemse gasthuis, wat later werd uitgebreid met gekwalificeerde medische medewerkers, en vanaf 1921 een geneesheer-directeur. De nonnen bleven werkzaam in het ziekenhuis, ook tijdens de Duitse bezetting. [1] Zij bewoonden vanaf 1934 het nieuwe kloostercomplex achter het ziekenhuis. [2]
 
Ligging
Sinds 1893 was het St. Elisabeths Gasthuis gevestigd aan de Utrechtseweg, in een gebouw ten oosten van de splitsing ‘Bovenover/Onderlangs’. Het was van deze splitsing tot aan het Gemeentemuseum dat de frontlinies tijdens de Slag om Arnhem meerdere malen naar voren en achteren zouden schuiven. Het museum ligt circa 200 meter ten oosten van het Gasthuis, maar dan aan de andere kant van de weg. Het ziekenhuis veranderde door het strijdverloop twee maal van ‘eigenaar’.

Zondag 17 september 1944

 
 
 

Plattegrond die de situatie in 1944 rondom het St. Elisabeths Gasthuis weergeeft (Copyright F. van Lunteren).

 
Intrek Britten
Op zondagavond 17 september 1944 arriveerde de Britse 16th Parachute Field Ambulance van luitenant-kolonel Eric Townsend in het ziekenhuis om het als noodhospitaal in gebruik te nemen, en werd het St. Elisabeths Gasthuis voor het eerst ‘Brits’. Townsend en een van zijn chirurgen, kapitein A.W. Lipmann-Kessel, werden naar de kamer van de medische staf gebracht, en voorgesteld aan de Nederlandse chirurgen en de geneesheer-directeur, dokter J.L. Siemens. Lipmann-Kessel was afkomstig uit Zuid-Afrika en begroette hen in het Zuid-Afrikaans omdat hij dacht dat het op Nederlands leek. De artsen begrepen hem echter niet, en antwoordden, “Maar jullie zijn Tommies!
Gebruik toch jullie eigen taal. We horen niet graag Duits, zelfs niet van een Tommy!” Ondanks deze onhandige eerste ontmoeting werkten de Nederlandse en Britse artsen nauw samen in de daarop volgende weken.[3] De Britten kregen bovendien de beschikking over twee operatiekamers, en de gewonde militairen, Britse en Duitse, werden in de zalen, en later ook in de gangen, op de begane grond verpleegd. De Nederlandse patiënten werden op de eerste verdieping ondergebracht.
 
Om het gebouw duidelijk te markeren voor zowel eigen als vijandelijke troepen en vliegtuigen hing hospitaalsoldaat John Battley een grote rodekruisvlag boven de hoofdingang van het ziekenhuis.[4] Duitse soldaten van de 9. SS-Panzer-Division ‘Hohenstaufen’ hielden zich echter niet aan de Conventie van Genève, en namen in de ochtend van 18 september vrijwel de gehele 16th Parachute Field Ambulance gevangen, op twee operatieteams na. Enkele Duitse legerartsen werden in het ziekenhuis ingedeeld. Dit was volkomen in strijd met het oorlogsrecht: het is verboden om medisch personeel gevangen te nemen.
 
Britse gewonden
De kringcommissaris van het Rode Kruis in Gelderland, jonkheer Dr. J.N. van der Does, herinnerde zich deze gebeurtenis heel anders. Hij bevond zich op 17 september 1944 in de Centrale Post van het Rode Kruis aan het Roermondsplein (zie ook punt 13). Die avond werden vier Britse gewonden binnen gebracht, van wie één een schotwond had. Er was op dat moment geen telefonisch contact mogelijk met het St. Elisabeths Gasthuis, en dus werden de gewonden op goed geluk naar het ziekenhuis gebracht door leden van zijn colonne onder de bescherming van een rodekruisvlag:
“In het St. Elisabeths Gasthuis bleken inmiddels reeds andere Engelschen te zijn aangekomen en werden de gewonden aan de zorgen van de voortreffelijk geëquipeerde Engelsche medische staf overgegeven. De rest van de nacht werd in het St. Elisabeths Gasthuis doorgebracht. (. . .) Gedurende de geheele maandag was het onmogelijk om het St. Elisabeths Gasthuis te verlaten. Slechts telefonisch contact met de Centrale Post en het Diaconessenhuis en particuliere woningen was mogelijk. Slechts enkele autoritten [met ambulances] in rustige ogenblikken werden nog gemaakt in de ochtend tot één der auto’s door kogels getroffen werd. (. . .)
Vanuit de Betuwe werden de Engelschen door Duitsche artillerie beschoten, waarbij ook eenige granaten in het voorste gebouw [,het hoofdgebouw,] van het St. Elisabeths Gasthuis terecht kwamen. Ofschoon dit gebouw uit voorzorg reeds grootendeels ontruimd was, vielen toch eenige slachtoffers. (. . .)
De toestand was thans zoo, dat aan de Arnhemsche zijde van het St. Elisabeths Gasthuis Duitschers waren en aan de Oosterbeeksche kant Engelschen. Hier tussenin lag het Gasthuis, dat van het spoorweg emplacement tot aan de helling tusschen Onderlangs en Bovenover reikt. In het St. Elisabeths Gasthuis zelve waren de Engelschen aan het opereeren en behandelden ook Duitsche doktoren patiënten. De verhouding tusschen beide groepen doktoren was correct.
Een incident deed zich voor toen een bericht binnenkwam dat Duitsche Sanitäters buiten het Gasthuis getroffen zouden zijn door handgranaten, welke uit het gebouw geworpen zouden zijn. Het gebouw bevond zich toen in Duitsche handen.
De bevelvoerende Duitsche Oberartz, SS-Obersturmführer Delner, Feldpost No. 2411a, nam gelukkig een strikt correcte houding in en met den leider der Engelschen Colonel Townsend werd een “gentleman-agreement” getroffen, waarbij ondergeteekende als tolk fungeerde. De verhouding tusschen beide medici was zeer correct.”[5]
 
SS-wachten voor de operatiekamer
Van der Does vermeldde in zijn rapport aan het hoofdbestuur van het Rode Kruis niet dat een groot deel van de Britse staf werd afgevoerd als krijgsgevangenen. Kapitein Lipmann-Kessel, een van de twee chirurgen die mocht blijven, schreef na de oorlog over de Duitse bezetting van het ziekenhuis:
 
“Op een bepaald ogenblik werden twee SS-wachten vlak voor de deuren van de operatiekamer neergezet; ik hoorde hoe ze de hospitaalsoldaten in de voorbereidingskamer lastig vielen. We stonden op het punt om een bovenbeenamputatie te beginnen, en het laarzengekletter plus het feit dat met bepaalde tussenpozen met een geweerkolf tegen de deuren werd geslagen, maakten het niet bepaald gemakkelijker.

“Wat doen we, kapitein?” Korporaal Meakin, mijn operatieassistent, keek me over de tafel aan. Telkens als de mortiergranaten werkelijk gevaarlijk leken te worden, plachten we de operatietafel de zaal uit te slepen, en verder te gaan in de voorbereidingskamer, waar we minder kans liepen door scherven te worden getroffen. We maakten dankbaar gebruik van een paar doffe klappen om dat nu ook te doen, en we schoven de tafel zodanig dat het gewonde been goed in het zicht lag van de twee SS-wachten. (. . .)

Ik werkte door, liet het scalpeermes onnodig flitsen. “Zaag alsjeblieft.” De taaiste soldaten zijn meestal ook het gevoeligst. Nog voor ik het bot half had doorgezaagd, meldde [anesthesist] Peter [Allenby], die van zijn plaats aan het hoofd van de patiënt de beide schildwachten goed in het oog kon houden, dat de ene al aan het kokhalzen was en dat de ander met een groen gezicht op z’n hurken zat en de hand aan het voorhoofd hield. Toen ik klaar was met het dichtnaaien van de wonden waren ze verdwenen, en we hebben nooit meer last gehad van wachtposten bij de operatiekamer.” [6]

Opnieuw in Britse handen
Vroeg op dinsdagmorgen 19 september kwam het St. Elisabeths Gasthuis weer in Britse handen tijdens een aanval van het 2nd South Staffords Battalion en het 11th Parachute Battalion. Een aantal Duitse bewakers werd krijgsgevangen gemaakt. De commanderende officieren van beide bataljons confereerden voor de ingang van het ziekenhuis over de te volgen strategie, maar werden door enkele artsen vervolgens vriendelijk verzocht om elders hun bespreking te houden. De bevrijding was slechts van korte duur, want beide bataljons werden aan het begin van de middag onder de voet gelopen bij een Duitse tegenaanval. Het ziekenhuis werd weer ‘Duits’.

 
Het aantal Britse gewonden groeide enorm in de daarop volgende dagen, toen ook officieren en soldaten die bij brug waren gevangengenomen, werden binnengebracht. Een aantal van hen, onder wie majoor A.D. “Digby” Tatham-Warter en kapitein Tony Frank van het 2nd Parachute Battalion, slaagde erin om te ontsnappen, en werd opgevangen door het Nederlandse verzet. Ook de brigadegeneraals Gerald W. Lathbury en John W. Hackett werden naar het St. Elisabeths Gasthuis gebracht. Hackett kreeg een lagere rang en een andere naam om de Duitsers te misleiden. Als zij erachter kwamen dat hoge officieren in hun hospitaal lagen, zouden ze hen direct overbrengen naar een ander ziekenhuis ver achter de Duitse linies, met een kleine kans op een ontsnapping. Beiden zouden uiteindelijk de benen nemen: Lathbury op eigen kracht en Hackett met hulp van Ir. Piet Kruiff en enkele andere verzetsmensen.[7]
 
Evacuatie naar het Diaconessenhuis
Jonkheer Van der Does besloot op dinsdagmiddag de 19e om de meeste burgerpatiënten te evacueren naar het Diaconessenhuis, dat verder van het slagveld verwijderd was:

“Gelukkig is het St. Elisabeths Gasthuis een zeer hecht, oud gebouw met voortreffelijke schuilkelders. (. . .) De toestand werd evenwel kritiek en besloten werd om een groot deel der patiënten over te brengen naar het Diaconessenhuis. De transportcolonne verrichtte deze taak naar volle tevredenheid. Met haar eigen en aangetrokken materiaal werden talloze ritten naar de achterzijde van het gebouw gemaakt, terwijl in rustige oogenblikken ook vele patiënten, van wie men van te voren moeilijk had durven aannemen, dat zij tot zulk een tocht in staat waren, te voet overgingen.

In het St. Elisabeths Gasthuis bleef een staf doktoren achter, alsmede de Engelsche gewonden, thans krijgsgevangenen. De nonnen weigerden het klooster te verlaten en ook bleven in de kelders nog eenige Hollandsche patiënten achter.”[8]
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 

Fotoserie boven: 19 september 1944. De evacuatie van het St. Elisabeths Gasthuis werd door Duitse militaire fotografen vastgelegd ter hoogte van het Gemeentemuseum aan de Utrechtseweg (Collectie Bundesarchiv)
 
 

Foto links: De transportcolonne van de Arnhemse afdeling van het Nederlandse Rode Kruis in actie bij het St. Elisabeths Gasthuis (foto 19 september 1944, collectie Bundesarchiv)

  

Zondag 24 september 1944

 
Evacuatie van Britse gewonden
In Oosterbeek vochten de overgebleven onderdelen van de 1st Airborne Division nog steeds door, en het aantal Britse gewonden was intussen zorgwekkend gestegen. De gebouwen die in gebruik waren als noodhospitalen waren overvol, en de medische voorraden waren bijna uitgeput. Kolonel Graeme Warrack, de divisiearts, ging op 24 september samen met de Oosterbeekse dokter Gerrit van Maanen en de Nederlandse officier Arnoldus Wolters naar Hotel Schoonoord dat toen in Duitse handen was. Daar sprak Warrack met de Oostenrijkse legerarts SS-Hauptsturmführer Dr. Egon Skalka van SS-Sanitäts-Abteilung 9, 9. SS-Panzer-Division ‘Hohenstaufen’. Warrack vroeg om een wapenstilstand zodat het merendeel van de Britse gewonden naar het St. Elisabeths Gasthuis kon worden gebracht. Het ziekenhuis lag echter in Duits gebied. Skalka stemde in op voorwaarde dat ze eerst nog toestemming zouden vragen bij zijn divisiecommandant. Met een jeep bracht hij Warrack en Wolters, die zich Johnson noemde om te maskeren dat hij een Nederlandse officier was uit angst dat hij als een burger zou worden beschouwd, naar de villa Heselbergh aan de Apeldoornseweg 228 in Arnhem.
 
In dat hoofdkwartier van de Hohenstaufendivisie bleek SS-Obersturmbannführer Walter Harzer welwillend tegenover het plan van Warrack te staan, maar ook hij wilde zijn superieur raadplegen. Tenslotte werd overeengekomen dat tussen drie en vijf uur die middag een wapenstilstand zou worden gesloten. De Britse gewonden zouden echter wel als krijgsgevangenen worden beschouwd.
 
Nadat Warrack en Wolters de zakken van hun uniform hadden mogen volstoppen met door de Duitsers buitgemaakte Britse medische voorraden, werden ze per jeep teruggebracht naar Oosterbeek. Ze stopten onderweg even bij het St. Elisabeths Gasthuis om de Britse operatieteams op de hoogte te stellen van de komst van enkele honderden gewonden.[9] De meeste van hen werden uiteindelijk overgebracht naar de Koning Willem III Kazerne in Apeldoorn.[10]

Na de Slag om Arnhem

foto rechts: September 1944, de sporen van de gevechtshandelingen rond het St. Elisabeths Gasthuis zijn duidelijk te zien. Een Duitse fotograaf legt het tafereel vast. (Gelders Archief, Fotocollectie Tweede Wereldoorlog, negatief B 1729/9).
St. Elisabeths Gasthuis
Na de terugtocht van de 1st Airborne Division over de Rijn in de nacht van 25 op 26 september 1944 werd geleidelijk aan ook een aantal gewonden uit het St. Elisabeths Gasthuis naar Apeldoorn gebracht. Nederlandse verzetsmensen, onder wie de 19-jarige Bert Kuik en zijn één jaar jongere broer Hans, hielpen een aantal licht gewonden en hospitaalsoldaten te ontsnappen. Sommigen van hen werden tijdens Operatie Pegasus I in de nacht van 22 op 23 oktober in de buurt van Renkum opgepikt door een speciaal daarvoor uitgezonden geallieerde patrouille vanuit bevrijd gebied, en daar naar toe overgebracht. De gebroeders Kuik hadden echter minder geluk: zij werden gearresteerd door de Sicherheitsdienst (SD), en op 6 november 1944 op de golflinks bij de Apeldoornseweg in Arnhem doodgeschoten.
 
De twee Britse operatieteams van de 16th Parachute Field Ambulance werden op 13 oktober overgebracht van het St. Elisabeths Gasthuis naar de Koning Willem III Kazerne in Apeldoorn. Van daaruit werden zij uiteindelijk, net als de andere gewonden en het medische personeel, op transport gesteld naar krijgsgevangenkampen in Duitsland.[11]
 
Een groot deel van het oorspronkelijke ziekenhuispersoneel van het Gasthuis bleef echter achter in de stad, onder leiding van Dr. L.D. van Hengel. Van der Does schreef over deze groep:

“Na opgenomen contact bleek in het St. Elisabeths Gasthuis men verder te willen blijven werken, waartoe de Duitsche autoriteiten voorloopig toestemming gaven en Dr. L.D. van Hengel werd mijnerzijds een machtiging gegeven om als vertegenwoordiger van het Roode Kruis voor dit ziekenhuis op te treden. Op voorbeeldige wijze heeft de staf, onder leiding van Dr. Van Hengel, zich van zijn taak gekweten en gedeeltelijk in de kelders, gedeeltelijk in de achtergebouwen het werk voortgezet, ook nadat de Engelsche gewonden door de Duitschers werden afgevoerd. Eerst op 10 november heeft hij op bevel van de Duitschers, als laatste man het St. Elisabeths Gasthuis verlaten.”[12]

Diaconessenhuis
Tijdens de evacuatie van Arnhem werd het Diaconessenhuis vrijwel geheel verlaten. Er bleef nog een kleine kern van medisch personeel achter om de 350 thuisliggende zieken die waren gerapporteerd, te kunnen bijstaan. Dit waren mensen die er te slecht aan toe zouden zijn om naar het hospitaal te komen. De meesten van deze personen bleken echter al geëvacueerd te zijn. De transportcolonne van het Rode Kruis bleef enkele dagen bij het ziekenhuis, maar verliet op 26 september de stad, en week uit naar Otterlo. De aanwezigheid van Duitse geschutsopstellingen bij het gebouw, en de kans op geallieerde bombardementen werden te riskant geacht.[13]

 
Gemeenteziekenhuis
Ook het Gemeenteziekenhuis werd geëvacueerd, maar dit was een militaire aangelegenheid. In 1942 werd het gedeeltelijk, en vanaf april 1944 helemaal gevorderd door de Duitsers als Kriegslazarett 1/686. Op de aldaar in september 1944 aangelegde tijdelijke begraafplaats werden na de oorlog ongeveer 120 Duitse graven gevonden. Elders op het terrein waren 20 Britse gesneuvelden ter aarde besteld.[14]
 

Noten

 

[1] J.H.J. van Hest, St.-Elisabeths Gasthuis. Bouwgeschiedenis van een Arnhems ziekenhuis (Utrechts 2001), 11-14.

[2] Ibidem, 48.

[3] N. Cherry, Red Berets and Red Crosses. The story of the Medical Services in the 1st Airborne Division in World War II (Renkum 1999), 89-90.

[4] Ibidem, 90.

[5] Rapport Jhr. J.N. van der Does aan het hoofdbestuur van het Rode Kruis, z.j., 2-3. L.P.J. Vroemen Collection (Gelders Archive, 2867) (nog geen inventarisnummer).

[6] A.W. Lipmann-Kessel en John St. John, Een chirurg valt uit de lucht in de omnibus Van de Hemel in de Hel (Amsterdam 1979), 212-213.

[7] Lathbury kwam in de nacht van 22 op 23 oktober 1944 de Rijn over. Hij was gewond geraakt op 18 september 1944 in de Alexanderstraat (zie punt 8). Hackett ontsnapte in februari 1945, na een lange periode van herstel, via Ede, Amerongen, Sliedrecht en de Biesbosch naar de Canadese linies bij Lage Zwaluwe.

[8] Rapport Jhr. J.N. van der Does aan het hoofdbestuur van het Rode Kruis, z.j., 4.

[9] Cherry, Red Berets and Red Crosses, 117-118.

[10] Ibidem, 135.

[11] Ibidem, 140-142.

[12] Rapport Jhr. J.N. van der Does aan het hoofdbestuur van het Rode Kruis, z.j., 9.

[13] P.R.A. van Iddekinge, Arnhem 44/45. Evacuatie, verwoesting, plundering, bevrijding, terugkeer (Arnhem, 1981), 84.

[14] Telefoongesprek Frank van Lunteren met Hans Timmerman, 1 maart 2007.