Radiostation Biak NNG

marine verhalen

 

 

 Radiostation Biak, het zenuwcentrum

in een dreigende oorlog

 

Het radiostation Biak is een modern, gesloten, wit gebouw, gelegen in een groot antennepark. Babat Koelies onderhouden dit park met grote parangs (kapmessen). Af en toe wordt de chef radiostation geroepen die dan een slang met een kapmes moet ontkoppen, alvorens de ingehuurde Papoeaas weer verder gaan met het inkorten van het ruige hoge alang alang (gras). Het gebouw is airconditioned. Op ca 500 meter afstand van het gebouw ligt het toilet. Rond het gebouw een goed onderhouden strook grond met o.a. wat struikjes, tropische bloemen en zelfs een struikje met djawé rawits, de kleine hete groene tot rode pepertjes, geliefd bij vooral de Indische jongens die ze in het zuur zetten en eten bij de nasi hap. Als je de toegang opent komt normaliter een flink geruis met daartussen morsetekens je tegemoet. Althans als de dagdienst daar geen paal en perk aan stelt door te eisen dat de luidsprekers van de ontvangers uitgezet worden en de frequenties op koptelefoon worden bewaakt. Achter de tafel van de chef van de wacht met tegenover hem de routeerboer zit de telegrafist of marinier verbindingsdienst die het VAB-net met de roepletters 2XO bewaakt. Een vaste verbinding met de andere verbindingscentra in Nieuw Guinea als die van Kaimana, Fak Fak, Sorong, Hollandia en Manokwari. Aan de andere kant wordt die meestal bediend door een marinier waarmee de snelheid op dat net beperkt wordt tot 16 woorden per minuut, de maximum norm voor deze verbindelaren.

 



Chef van de wacht en routeerpositie

 

 

 

 



Schip/wal verbindingen

 

Daarnaast de schip/wal verbindingen in de 2, 4, 6, 8, 12 en 17 MHz. Ook de op Biak gestationeerde Martin Mariners die Nieuw Guinea vanuit de lucht controleren komen af en toe op deze verbinding als de rechtstreekse verbinding van de Marine Luchtvaartdienst (MLD) op vliegveld Beroekoe faalt. Middelzware Brown Boverie-zenders van het zendstation sturen via een stappenzender het bandje JZK32/34/36/38/312/317 uit. De monotone uitzending wordt onderbroken als een schip het station oproept en de dienstdoende telegrafist de schakelaar omhaalt waarmee hij zijn morsesleutel kan activeren om de oproep te beantwoorden, waarna het bericht wordt binnengehaald. Wat verderop zit de man die de vaste verbinding met Nederland (Noordwijk radio- PBC5) en Curaçao (NZK5) onderhoudt. 

 

 





Telex over radio

 

Als de propagatiecondities (voortplantingscondities van de em. golven) goed zijn wordt overgegaan op TOR (Telex Over Radio). De twee hoge kasten die hiervoor beschikbaar zijn en zelf naar synchroniteit zoeken staan achter in de telexzaal. Twee knipperende geel uitstralende lichtjes verraden dat er geen synchrone verbinding is. Is die er wel, wat gepaard gaat met veel frequentiewisselingen en correspondentie met het zendstation, die hiervoor speciale sterke zenders met aangepaste gerichte ruitantennes heeft, dan branden deze lampjes continue. Een grote hoeveelheid knipperende kleine ledjes geven de status aan van de diverse circuits van deze zend/ontvang installatie met (de)modulators.

 

 

 


 De belangrijkste positie in de telexzaal is een telex waarop tapes worden geproduceerd. De scheepsberichten, binnengehaald op een typemachine of berichten afkomstig van een van de andere verbindingen, kunnen met deze tape waarin letters worden omgezet in een tape met maximaal 5 gaatjes verder worden behandeld. De tapes kunnen worden verstuurd naar andere telexverbindingen zoals genoemde vaste verbinding met Nederland en Curaçao, maar ook naar het locale verbindingsbureau. De schepen en vliegtuigen buitengaats worden bediend middels een omroep. Een aantal gekoppelde zenders waarbij een morsezender gestuurd door een telexbandje het te versturen bericht omzet in morsetekens, die vervolgens ontvangen worden op de uitluisterende mobiele vaar- en voertuigen. Periodiek zijn er herhalingsschema´s, zodat een niet continu bezet schip 2 x de gelegenheid krijgt het direct verzonden bericht alsnog te ontvangen. De directe verzending of juist niet direct hangt samen met de voorrangsaanduiding van het bericht, waarbij Z (flash) de hoogste voorrang heeft en gaat om een vijandmelding, aflopend naar Y (emergency), de op een na hoogste prioriteit voor operationele berichten. Administratieve en minder haast vragende operationele berichten dragen de voorrang P (spoed), waarna nog de R van routine en M van uitgesteld resteert. De omroeppositie hangt dan ook vol met deze telextapes, op volgorde van uitzendschema en daarin op voorrang, voorzien van een volgnummer, opdat de schepen kunnen controleren of zij de serie compleet hebben. Dit weerhoudt schepen met een opdracht waarbij radiostilte vereist is om herhaling te vragen via de schip/wal verbinding. In het gebouw bevindt zich voorts een keuken, opslag voor papier en andere zaken, een diesel voor noodvoeding, een eigen waterkelder voor de toevoer van koel- en drinkwater. Een wachtsdivisie telt totaal 8 tot 12 personen en er wordt in vol continudienst gelopen in drie divisies. Als er geen schepen of vliegtuigen buitengaats zijn wordt de bezetting wel eens versoepeld, maar gegeven de nogal dreigende situatie, een mogelijke oorlog met Indonesië, is dat niet al te vaak het geval. De routeerder, veelal een oudere korporaal of sergeant, krijgt een afschrift van alle berichten in zijn in-bakje. Deze berichten worden ingeschreven in een groot boek waarbij de behandeling, de route, wordt bepaald. Een grote stempel met daarop alle verbindingen maakt het aankruisen van die route mogelijk, waarna het bericht doorgaans in het uitbakje voor de telexist gaat, tenzij er sprake is van berichten met een hoge voorrang, die al dan niet met de hand eerst worden verzonden om daarna terug te keren naar de routeerder, die aan de hand van de tijd van verzending het bericht alsnog in een telexbehandeling brengt. De routeerder is de spin in het verbindingsweb, hij controleert alles, ook de inhoud van berichten. De chef van de wacht, meestal een oudere sergeant of majoor, springt bij waar nodig en houdt het totaaloverzicht. Controleert of de juiste procedures worden toegepast, er niet wordt ´geritseld´, de seinsnelheid, en draagt de eindverantwoordelijkheid zoals bij uitvallen van de elektriciteit of watervoorziening, de toevoer van de maaltijd, aflossing, enz. Verder is er de zogeheten dagdienst. De Officier Beheerder radiostation Nederlands Nieuw Guinea (OBRADSTANIG), de chefstation, meestal een adjudant of oudere majoor en een rechterhand die de diverse administratieve zaken regelt en o.a. het periodiek berijden van de radiowagen, toezicht op de babat koelies, voorraden enz.

Het onderzoek





Slaapzaal

 

 

Zoals aangegeven werd in drie divisies wacht gelopen. De afkomende divisie duikt meestal direct het bedje in om de vermoeienissen van dit zeer drukke werk af te schudden. Op zekere dag wordt de slaapdivisie gepord en moet verschijnen bij de officier beheerder. Slaapdronken wordt in een truck gestapt die de mannen naar het radiostation brengt. Daar aangekomen wordt een spreekverbod uitgevaardigd en de mannen 1 voor 1 binnengeroepen in het domein van de hoogste autoriteit. Het blijkt dat gezocht wordt naar een crimineel die het gewaagd heeft om zijn behoefte 1 meter uit de hoek en 40 centimeter uit de muur te doen. De koelie die dit tuintje verzorgt had geklaagd en het was toch van de zotte dat een Europeaan dit zomaar deed waar er een toilet was. Sherlock Holmes was er niets bij, zoals de officier beheerder het onderzoek aanpakte. Iedereen wist dat Frans last gehad had van diaree en dat het uitermate druk was geweest die nacht. Maar niemand die dat verraadde. Tot Fransje zelf naar binnen geroepen werd en ruiterlijk bekende dat hij het was geweest. Het was nogal een afstand tot het toilet, waar t.g.v. de verlichting enorme grote spinnen, krekels, reuzen nachtvlinders en ander ongedierte een eenvoudige stoelgang ernstig belet. Bovendien was de gang naar dat toilethuisje niet ongevaarlijk gegeven de slangen die zich verborgen in het lange gras. De nood was hoog. Hij kon niet gemist worden in het station, dus werd het een keurige bemesting van het mooie tuintje. Fransje werd gerapporteerd en kreeg straf van de commandant in de vorm van drie dagen licht arrest wegens het deponeren van uitwerpselen op de daartoe niet geeigende plek. De rest van de divisie verloor zich in gemor vanwege de verstoorde dagrust na een pittige hondenwacht van acht uur. Had dat nu niet onderzocht kunnen worden op het moment dat de divisie op post zat? Maar het zijn de kleine, schijnbaar onbelangrijke zaken, de militaire dienst betreffende, die de discipline laat handhaven.

 

De roodkoperen liniaal

Terwijl de divisie al geïrriteerd was vanwege het meerijden van een aantal Papoeaas met allerlei materialen, voedselresten die dachten dat Papoea Barat, een onafhankelijk Nieuw Guinea, al was afgekondigd en alles dus bezit was van deze autochtonen, werden zij opgevangen in het station door een briesende officier beheerder. Er was een vijandmelding niet verzonden, een grote fout van de routeerder dus. Deze zat aanvankelijk onverstoorbaar zijn werk te doen, waar de berichtenstroom niet gering was en vroeg of de retirade niet op een andere keer kon, waar hij niet schuldig was aan het gewraakte debacle. De bladzijde in het routeerboek was vol, dus moesten er ook nog nieuwe lijnen getrokken worden. Daartoe lag een grote dikke roodkoperen liniaal op het bureau. De officier bleef echter doorgaan met allerlei onredelijke verwijten te spuwen, op zeer luide toon, waarmee het gezag van de andere gezagsdrager, zij het wat lager op de rangentrap, toch aardig in het geding was. Plots veranderde het stoïcijnse gedrag van de oude korporaal en denderde de stoel waarin hij was gezeten met een knal achterwaarts in duizend stukken op de vloer. Het aanlopende gezicht streed om voorrang v.w.b. kleur met de roodkoperen liniaal in zijn handen. Tot de man plots op zijn bureau sprong, over het bureau van de chef van de wacht denderde en dreigend in de richting van de stationsbaas kwam. Die koos het hazenpad, het antennepark in, achterna gezeten door een briesende routeerboer. Na enige tijd keerde de lagere in rang terug in het station en ging weer verder met zijn werk. Na geruime tijd sloop ook de officier beheerder zijn kantoor binnen. Na nog meer tijd werd de routeerder in het kantoor geroepen om de excuses in ontvangst te nemen. Het was de voorgaande divisie geweest die de fout had gemaakt. De routeerder wierp hierop de deur open en schreeuwde luidkeels, zodat iedereen het kon horen: “Waarom biedt je je excuses niet ook zo schreeuwend aan?” Mokkend ging de routeerder weer aan zijn werk. Er was afleiding genoeg, want Hr. Ms. Evertsen, een stokoud fregat, had net een bericht over een vuurwisseling met een FPB gemeld, waarbij er één tot zinken was gebracht. De andere drie schepen waren met grote spoed over de horizon verdwenen. De moderne jager Utrecht, met de modernste vuurleiding en geschut, net gearriveerd vanuit Nederland, meldde met grote snelheid op te stomen naar de contactpositie, doch bleek achteraf precies van de contacten af te stomen. Een Neptune van de MLD steeg op en meldde zich op de schipwal. De kleur van alle koppen van de divisie steeg tot die van de liniaal vanwege drukte en het belang van het werk. Werd het nu echt oorlog?

 

Rendani gebombardeerd

 

Een vijandmelding via het VAB-net was ongehoord. De marinier verbindingsdienst werd onmiddellijk afgelost door een KM-telegrafist die beter thuis was in morsetekens. Moeizaam kwam het bericht binnen, met zeer veel herhalingen. Kennelijk zat aan de andere kant iemand met een ANGRCY 9, een mobiele zendontvang installatie aangedreven door een fietsconstructie. De morsetekens verliepen in frequentie, varieerden daarmee in toonhoogte wat tot bijstemming van de ontvanger op Biak noopte. Ook het zendvermogen werd zwaar beïnvloed zodat tussen ruis en kraak het nogal lang duurde voordat het bericht compleet en duidelijk was wat er aan de hand was. Rendani, een oord nabij Manokwari zou zijn aangevallen en gebombardeerd door Indonesische Herculesvliegtuigen. Er waren slachtoffers en er werd om instructies gevraagd. Behalve dat dit bericht onmiddellijk omgezet moest worden voor de schepen op zee, de lokale marine luchtvaartdienst, moest het natuurlijk naar de Bevelhebber der zeestrijdkrachten in Nederland, waarmee op dat moment ook al een moeizame verbinding was. De commandant zeemacht Nieuw Guinea moest worden geïnformeerd en uiteraard ook de lokale commandant. Het bericht veroorzaakte derhalve drukte alom. Herculesvliegtuigen waren niet geheel vreemd omdat die regelmatig via Kaimana overvlogen - waar ze eenvoudig naar beneden geschoten konden worden, wat echter niet mocht van de bevelvoering in Nederland - om ploppors (Indonesische soldaten) te droppen in de bush bush, waarna Nederlandse mariniers met een hand vol met de gevangenen te delen rijst er op af gestuurd werden om ze op te zoeken en uit het oerwoud te halen. De escalatie van de dreiging tot een bombardement was ook niet niks. Er werden meer details gevraagd aan Manokwari. Daardoor kwam het uit dat daar helemaal niets aan de hand was. Het bleek een doorgedraaide korporaal verbindingsdienst te zijn, die het bericht had verzonnen en verzonden. De man werd met vervroegd repat (terugkeer naar Holland) gestuurd. Hoe het daar verder met de man gegaan is werd niet vernomen.

 

De radiowagen

Voor Jan Pel, de vaste kracht in de dagdienst, ter assistentie van de officier beheerder en chef station, werd het tijd om terug te keren naar Holland. Er moest dus een nieuwe man in de dagdienst worden benoemd. Een van de taken van deze functionaris was het periodiek laten rijden van de radiowagen, testen van de zendontvang apparatuur, opzetten van antennes, enz.. De wagen was een zware vierkante bak met dieselmotor. Nu had Jan hiervoor een militair vrachtwagenrijbewijs gehaald, iets waar de nieuwe nog niet aan toe was gekomen. Niettemin leek dat weinig beletsel om de motor te starten, een korporaal van de wachtdivisie mee te vragen, en op pad te gaan. Na een tien minuten rijden werd een enorme brandlucht waargenomen. Kijkend waar dat vandaan kwam bleek  bij de achterwielen sprake van een grote rookontwikkeling. De boordbrandblusser werd geleegd en het gevaar leek bedwongen. De korte rit was afgelegd met de handrem aangetrokken. De verkenningstocht, want dat werd het, ging via het strand, waar de auto wegzakte. De vrees hier geschaakt te worden en openbaar te moeten maken dat er sprake was van joyriding gaf extra krachten. Hele palmbladeren werden afgerukt en voor de wielen gelegd, wat met veel krachtsinspanning resulteerde dat het strand verlaten kon worden. Verder ging de rit door een dorp waar de blanke generatie beslist niet mocht komen tot het tijd gevonden werd om terug te keren naar het radiostation. Daar was de adjudant inmiddels behoorlijk bezorgd geworden over het langdurige verdwijnen van zijn rechterhand en de wachtkorporaal. Hij bezat een 125 cc nogal iele motorfiets die hij besteeg om de boosdoeners op te sporen

 

Als jullie een tijdje  niets van mij horen…..

 

Even voordat de radiowagen de stationsomgeving weer naderde kwam het motortje met zijn berijder in het zicht. De berijder bleek in alle staten, deponeerde de motor langs de kant en stond woedend te gebaren. De chauffeur van de radiowagen vergat even waar de rem zat en krakend eindigde het motorfietsje aan zijn einde. De adjudant sprak niet meer en keerde met de auto terug naar het radiostation, waar hij bleef zwijgen. Natuurlijk was er ernstige vrees voor sancties en werd zelfs naar huis geschreven dat als ze daar enige tijd niets van hun zoon vernamen, die vermoedelijk opgesloten zat in het strafkamp van Hollandia. In dezelfde kleine ruimte vertoevend, waar gewerkt werd, duurde het stilzwijgen drie dagen. Het onbegrip hierover gaf  niet echt hoop. Welke straf werd er voorgebakken? Tot aan het einde van de derde dag de adjudant sprak: Het vergrijp was zo erg, dat hij er geen woorden voor had en die er ook niet meer aan vuil wilde maken. Heimelijke vreugde om het uitblijven van zware sancties en hoe dit goed te kunnen maken streden om voorrang. De eerstvolgende brief naar huis had een zeer optimistische toonzetting, dat wel.

 

De bulldozer

Bob, was een etablissement met een groot terras dat uitzag op de zee. De zee was doorgaans rustig en ruiste wat tussen het stenen talud. Net niet hard genoeg om een gesprek te verhinderen. Onder het genot van een echt flesje Heineken, zonder hoofdpijn gevend houdbaarheidsspul, en een forse biefstuk, werd het tekort aan verse etenswaar, tegen betaling gecompenseerd. Er werd daar onder het flauwe licht van gekleurde lampjes heel wat afgepraat. Gekleed in burger kloffie waande je dan even in de gewone wereld. Overigens was het KLM-hotel bij het civiele vliegveld, lopend niet te bereiken, maar wel op een geleende fiets, ook zo´n plek, waar je een feestelijk glas champagne dronk als je met je maat in de stemming was. Om Bob te bereiken moest je over een stuk braakliggend land waar altijd een enorme bulldozer stond. Menig keer werd gecontroleerd of er wellicht een sleuteltje in het startslot stak, want het ding kreeg een steeds grotere aantrekkingskracht om eens mee te gaan rijden. Vooral als er nogal wat aan Bachus geofferd was. En ja, op zekere avond bleek het zilveren ding in het slot te steken en de vrolijkheid had reeds ruim toegeslagen. Het apparaat werd gestart. Nu behoefden we eens niet lopend maar met dit voertuig de terugweg naar het kamp te ondernemen. Dat ging prima tot de slagboom bij de wacht werd benaderd. Rijden was één, maar stoppen was heel wat anders. Jammer, de slagboom was niet meer. In de consternatie van dit gebeuren werd ook nog een brandblusstraalpijp ´genomen´, resulterend in een enorm spuitende watermassa. Uiteindelijk lukte het om het ding tot stilstand te brengen en kregen we de opdracht het apparaat als de wiedeweerga terug te brengen. Keren, daar zagen we geen kans voor. Dus achteruitrijdend werd hier en daar toch nog wat schade aangebracht. Het gevang wachtte, vreesden we. Maar de wacht was afgelost en de vorige had niet de juiste vragen gesteld zodat we zonder oponthoud regelrecht ons bedje in konden duiken. Nimmer werd hier iets meer van vernomen.

 

De zusterspost

Halverwege het kamp en het etablissement Bob lag verstopt tussen bomen en dicht struikgewas een zusterpost. Een slaapgelegenheid voor iets wat nogal erg spaarzaam op het eiland was. Europees vrouwvolk. Het was ten strengste verbonden contact te hebben met Papoea vrouwen. De enige vrouwen die er op Biak vertoefden waren echtgenoten van collega´s, af en toe zichtbaar in Karang city - een bioscoop in de openlucht waar eenvoudige banken en een stenen filmdoek het decor vormden - als er een goede film draaide. Die werden ver gehouden van het ´gepeupel´. Af en toe werd dus de zusterpost beslopen om op afstand te genieten van het vrouwelijk schoon. Met een lichte snee in de neus werd op zo´n sluiptocht tegen een waslijn gelopen waar allemaal BH´s aan hingen. De lijn was in een oogwenk leeggeplukt waarna het kamp naakt werd benaderd, waarbij BH´s hier en daar om het lijf werden gedrapeerd. Dat was leuk voor de mensen. Na het ontwaken in deze kledingstukken restte de vraag wat nu met die dingen. Terugbrengen gaf risico´s. Besloten werd rode lampjes achter die borstenhouders te doen, waar de barak op de route lag van Karang city, aldus de ruimte opfleurend en jaloerse blikken van de maten te incasseren. Op de dagelijkse orders echter was sprake van het zoeken van de wandaders en een uitnodiging deze schaars verkrijgbare artikelen terug te sturen. Dat kon. Een taartdoos werd gevonden. De kledingsstukken erin gedeponeerd waarna een aantal maten hun ´grote boodschap´ in de doos deponeerden. Postzegels erop en via de facteur kwam e.e.a. weer terplekke. Weer was er sprake van hevige teleurstelling op de dagelijkse orders en de hoop dat de mensen die dit op hun geweten hadden in de kraag gevat zouden kunnen worden. Dat echter gebeurde niet. De bekendmakingen werden juist opgevat als goede grap in het saaie bestaan en solidariteit was een groot goed. 

 

 

 

Repatten

Een vorm van vermaak, bij ontbreken van andere vormen, met uitzondering van een film in Karang City op een stenen doek, was het drinken van een biertje in de ruime kantine, die minder ruim werd toen ook de landmacht met een cruise schip naar Nieuw Guinea gestuurd werd. Het boterde niet echt tussen enerzijds de marine en mariniers en de nieuwlichters. Een in de ogen van de Spartaans levende marinemensen nogal slappe hap die vooral de ziekenboeg bezetten. Het thuisfront was wakker geworden en waar het hele kamp het voorheen moest doen met 1 voetbal van OS&O, kon hierna ongeveer alles. De landmachters zaten vooral in de nabijheid van het kamp bij mitrailleurposten een kaartje te leggen. De mariniers werden nog steeds het bos in gestuurd om Indonesische militairen op te sporen met gevaar voor eigen leven en geen landmachter werd hierbij betrokken. Dat zette kwaad bloed wat resulteerde dat de mariniers, het keurkorps, de mensen van de landmacht achterna zaten tot op de daken van de barakken. Ook in de kantine - waar nu plots allerlei ´gemakkelijk opererende´ brandend zand-artiesten met korte rok en draaiende kont of een flapdrol als Rudi Carel zijn goedkope grappen lanceerde, begonnen op te treden voor de niet met vrouwvolk verwende ´jongens´, die allen reeds een transistorradio hadden ontvangen van het thuisfront - was het steeds hommeles. De marine zat al jaren op deze karang (versteende schelpen) bult en voelde zich nu achtergesteld, wat er toe leidde dat zij in ´hun´ kantine sterk op de voorgrond traden. Ook het etenspatroon veranderde. Waar men in het verleden het moest doen met uitsluitend blikspul, tot blik aardappels toe, en hormoonverlagende ingespoten eieren, kwamen er plots schepen met vers vlees uit Australië. Iets waarvoor je normaliter de wal op moest om bij het etablissement van Bob jezelf eens te trakteren tegen forse betaling.

 

Elke week landde er een KLM-toestel waarmee nieuwe militairen werden aangevoerd en zij die hun term (anderhalf jaar) erop hadden zitten naar huis mochten terugkeren. Voorafgaand aan de repat was het natuurlijk feest voor de Hollandgangers en hun vrienden. Na langdurig verblijf in de kantine, waar het soms ´potten regende´ als in het gras stoeiende maten een heel doosje blikbier over zich gestort zagen door een maat die al te diep in het blikje had gekeken, was het traditie, officieel van de huiswaartskerenden afscheid te nemen. Hiertoe kleedde iedereen zich in burger en begaf zich met koffer naar het volleybalveld. De hoge scheidsrechters stoel werd gepromoveerd tot vliegtuigtrap. Beneden werd druk afscheid genomen en daarna betraden de repatters de trap van de scheidsrechtersstoel om boven gekomen met koffer en al naar beneden te springen. Soms verliep die landing niet helemaal vlekkeloos en verdween de man in de ziekenboeg waardoor het thuisfront nog wat weekjes langer op hun familielid moest wachten. Op een kwade avond werd deze traditie ook weer van stal gehaald. Midden in de nacht werden een aantal mensen gewekt om de landingsboot met spoed te bezetten. Nogal veel personeel voor een normale bemanning. Het bleek al snel dat het thuisvliegende toestel nimmer in Nederland zou arriveren. De mare ging dat de piloot ook wat veel gedronken had. Het resultaat was dat met hooivorken, staande op de klep van het vaartuig, lichaamsdelen moesten worden gezocht en in het schip geworpen. De meeste ledematen waren aangevreten door haaien die hier talrijk voorkomen. Alcohol hielp hier weer om deze taak te kunnen verrichten. De ´kater´ kwam later, als je alleen in je bedje lag. Recentelijk vernam ik via een TV-uitzending dat er ook overlevenden waren geweest, gered door vissende Papoeaas in een boomstam met een knikengel-buitenboord Johnsonmotor.

 

Papoea Barat

 

Nederland gaf de Papoeaas een nieuwe mooie vlag. Nederland beloofde de Papoeaas zelfbestuur. Deze zelfstandigheid duurde zegge en schrijven drie weken. Daarna drongen leden van de Verenigde Naties binnen die een tentenkamp in Biak opsloegen. De Pakistani maakten gebruik van de toilet- en was gelegenheid van de Nederlandse marine. Het resultaat: De afvoergoot voor het afvalwater werd door hen gebruikt als toilet. Men aarzelde niet om een praatje te maken met de Hollander op het toilet door over de deur te gaan hangen. In diezelfde ruimte hing een man zich op. De verpaupering sloeg met een enorme snelheid toe. De teleurgestelde Papoeaas, gekomen uit het ijzeren tijdperk, met lendenlap en takkenbos op het hoofd, wilde in één klap in het atoomtijdperk en zagen de spullen van de marine als ware die van hen. Het werd een enorme bende. Voor de officiële overdracht aan de VN werd Nieuw Guinea verlaten door te embarkeren op de voor de sloop bedoelde Evertsen. Dit met kakkerlakken gevulde fregat zonder enige vorm van koeling kreeg een dubbele bemanning. Niet om hierop werkzaam te zijn, maar voor overvoer. Dit impliceerde dat er onvoldoende slaapplaats was. De mariniers in overvoer moesten dus slapen op bakstafels en baksbanken. In de tropen was dit niet zo´n probleem omdat ook de normale bemanning aan dek, onder bijvoorbeeld een van de torens, een plekje had gevonden. Lastig als het ging waaien of hoge vaart moest worden gelopen. Dan wilde het spreidje nog wel eens overboord waaien. De plekken werden nu schaars. Naarmate de Middellandse zee in zicht kwam en het weer koud en guurder werd gaf dit wel degelijk problemen. De Evertsen kwam daar ook nog eens in een behoorlijke storm terecht en het al tegen lekkages met beton volgestorte schip maakte nu zwaar water. In het radiostation zat de zeezieke dienstdoende telegrafist brakend en doodongelukkig op de tafel om de voeten droog te houden. De omroep nemen was er niet meer bij. Afvalemmers dreven in het rond, waarbij te bedenken dat het radiostation boven de waterlijn lag. Bakskasten met etenswaren vielen om en de inhoud klotste in de slaapruimten in het rond, waar manschappen in blikken jam of boter stapten. Het schip kwam steeds dieper te liggen en op de baksbanken viel niet meer te slapen omdat het water tot die hoogte steeg. Het schip bereikte uiteindelijk Nederland en deed nog één tocht, naar de sloop.

 

Terug naar indexpagina: index.htm

 

Laatstelijk bijgewerkt: 10-1-2009