An old letter
Sent on the occasion of my Dad's ninetieth birthday anno 2006

 

Lieve Paps:
Denktuigelijk scherm ik niet meer zo vaak, maar voor uw 90ste vjd ben ik toch maar weer naar de Franse Club gegaan om u wat op te vrolijken.
 
Dank u wel voor de geregelde bijdragen die u me toestuurt, vooral de photos en uw gedicht omtrent het bestaan van God. Voor mij is dat geen probleem--als God bestaat, is dat goed (god is van dezelfde kiem als goed)--en als er geen god (of goed) is in de wereld, wel, dan ligt het waarschijnlijk aan onze eigen kortzichtigheid. Dan moet je maar een bril op zetten, denk ik, want anders ben je welhaast blind.
 
Dat gebeurt me nog al eens wanneer ik zo slaapdronken uit bed tuimel en onwetend op mijn bril stap. Soms heb ik de bril zelfs op mijn neus en in mijn waas blijf ik ernaar zoeken (de bril, niet de neus). In elk geval stap ik er dan niet op--dat zou wel vreselijk zijn, je bril en je neus zelf te verbrijzelen...
 
In elk geval moet de bril wel voor je gemaakt zijn--niet zomaar de eerste de beste uit de Walgreens op de hoek, maar een bril die je echt helpt het goede in de wereld te zien. Als je het goede kan zien, kun je natuurlijk ook het slechte zien, dat is dan weer het nadeel van zo'n bril. Maar ja, zo is het nu eenmaal:
 
Where there is Good there has to be  Bad, otherwise the word would have no meaning, really.
 For atheists, the word God (in the sense of the ultimate Good) has no meaning, since there is no ultimate Good, or ultimate bad. The Big Bang was neither good nor bad per se.
 
Die splitsing komt er pas als we erover gaan denken. Dus laten we er niet meer over denken, want dan lopen we weer in dezelfde zelfgemaakte val. 
 
Is het niet eigenaardig dat Nederlanders in de val trappen--en Engelsen in de trap vallen? Die Engelsen zijn ook zulke valse vrienden--door nederlandse bril bezien, natuurlijk.
 
Ik zal het dus hierbij laten en overgaan op het onderwerp gedichten in bredere zin--dwz woorden die van gevoelens spreken, gevoelen oproepen of  gevoelens te binnen brengen. Gevoelens zijn van andere aard dan gedachten. 
 
Ik ben momenteel de Max Havelaar aan het herlezen, maar voor het eerst met werkelijk plezier. Vroeger was de enigszins verouderde taalvorm me een doorn in het oog--nu ga ik daaraan voorbij. Vroeger nam ik de eerste vier hoofdstukken (waarin de heer Droogstoppel zijn koffiemakelaarsmeningen uit) veel te ernstig op en ergerde ik me aan zijn nauwe gezichtspunten. Nu begrijp ik dat die eerste vier hoofdstukken niet slechts ironisch waren, maar tevens bedoeld om de kleinburgerlijke kruideniersmaatschappij van die dagen aan te sporen het hele boek te lezen. Voor mij begint het boek pas in ernst met het vijfde hoofdstuk, waarin de probleemstelling van het Oostindische cultuurstelsel (betergezegd: teeltstelsel, want cultuur in de engere zin is teelt, en heeft weing te maken met beschavingscultuur in de hogere zin, waar we tegenwoordig 'cultuur' veronderstaan) duidelijk uiteen wordt gezet.
 
Die probleemstelling is in feite niet slechts iets van de geschiedenis, maar belangrijk voor een begrip van wat er nu aan het gebeuren is in het zogenaamde globalisatieproces. 
 
Het eigenlijke verhaal vangt pas aan in het zesde hoofdstuk, waar de pasbenoemde Assistent Resident van Lebak in de Residentie Bantam ontvangen wordt in een pendopo aan de grens van zijn voornoemde nieuwe afdeling. Tot zover ben ik dus gekomen in mijn nieuwe lezing van dit oude boek.
 
Maar ik zou het over gedichten hebben, en daar zijn er nogal wat van in de Max Havelaar. Ik zal het buitengewoon dichterlijk proza van de beroemde toespraak tot de hoofden van Lebak maar achterwege laten, want dat is met te veel. Wel kan ik zeggen dat deze mooie toespraak in nederlands-letterkundig bestek het wat mij betreft niet onderdoet voor het wereldbefaamde "Gettysburg Adress" van Lincoln in amerikaans bestek. 
 
Er zijn een aantal gedichten die mischien ietwat verouderd zijn in taal en gevoelsuitdrukking, maar toch het lezen waard.
 
Ik zal er een uitplukken waar uzelf mischien meer waarde in kunt voelen dan anderen, vanwege de plaats waar u geboren werd zo'n negentig jaren terug--dat hoop ik tenminste:
 
Eerst moet ik u even terugleiden tot de beroemde toespraak tot de hoofden van Lebak, in de ietwat bijbels aandoende taal die de schrijver (Multatuli, dan wel Eduard Douwesz Dekker) het hierondervolgende doet bemerken:
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Wanneer mischien iemand de opmerking maken mocht dat het oorpspronkelijke in Havelaar's wijze van spreken niet zo onbetwistbaar is, daar zijn taal doet denken aan de stijl der profeten van 't Oude Testament, moet ik herinneren reeds gezegd te hebben dat hij in ogenblikken van vervoering werkelijk iets had van een ziener. Gevoed door de indrukken die 't leven in wouden en op bergen hem had meegedeeld, omgeven door de poezie-ademende atmofeer van het Oosten, en alzo scheppende uit gelijksoortige bron als de vermaners der Oudheid waarmee men zich soms genoopt voelde hem te vergelijken, gissen wij dat hij niet anders zou gesproken hebben, ook wanneer hij nooit de heerlijke dichtstukken van het Oude Testament gelezen had. Vinden we niet reeds in de verzen die van zijn jeugd dagtekenen, regels als deze, die geschreven waren op de Salak--een der reuzen, maar niet de grootste, onder de bergen van de Preanger Regentschappen--waarin alweer de aanhef de zachtheid zijner aandoeningen tekent, om opeen over te gaan in 't naspreken van de donder die hij onder zich hoort:
 
't Is veel zoeter hier zijn Maker luid te loven...
    't  Gebed klinkt schoon langs berg- en heuvelrij...
Veel  meer dan ginds rijst hier het hart naar boven:
    Men is zijn God op bergen meer nabij!
Hier schiep Hij zelf altaar en tempelkoren,
    Nog door geen tred van 's mensen voet ontwijd,
Hier doet Hij zich in 't raatlend onweer horen...
    En rollend roept Zijn donder: Majesteit!
 
...en gevoelt men niet, dat hij de laatste regels niet zo had kunnen schrijven, als hij niet werkelijk had menen te horen en te verstaan hoe God's donder hem die regels in klaterende trilling tegen de wanden van 't gebergte toeriep?
------------------------------------------------------------------------------------------------
Wel, Paps, zelf ben ik niet in de bergen opgegroeid (en Multatuli,  alias Eduard Douwesz Dekker, alias Max Havelaar evenmin) maar u wel--in het Preangerse nog wel, en waarschijnlijk kent u de Gunung Salak uit eigen ervaring--maar waar ik nu woon zijn er ook bergen--in San Francisco zijn er slechts heuvels, maar de Sierra Nevada is niet ver hier vandaan--en ik kan de grootsheid van dat soort omgeving zeker op prijs stellen. 
 
Overigens is God's grootsheid overal wel te vinden--kijk maar eens naar boven en bedenk dat de meest nabije ster, onze Zon, maar een gemiddeld grote ster is onder miljoenen biljoenen sterren. Dat is groots. Daar verzinken onze menselijke hoedanigheden bij in het niet. En toch...het is ons gewaarzijn van die grootsheid die 'onze eigen' kleinheid tegenhangen. En in ons menselijk gewaarzijn verdwijnen zelfs de begrippen groot en klein wanneer we door een microscoop zien hoe groots zelfs de kleinere werelden zijn--er is geen grootste en geen kleinste wereld, of persoon, of plant of dier of ding.
 
En dat is nu juist het Mooie, het Prachtige en het Goede ervan.
 
Ik wens u een mooie, een prachtige en een goede verjaarsviering.
 
Veel Liefs,
 
John
Four score and four
and soon one more
 
PS: er zullen wel wat tijpfoutjes in gekropen zijn, maar dat zal u hopelijk
niet deren--ik denk dat Gmail ze toch niet allemaal zou kunnen vinden