Plato‎ > ‎Laatste periode‎ > ‎

Timaeus

Tekst: Julien Grandgagnage


In de Timaeus ontwikkelt Plato een kosmologische mythe, met een verklaring van het ontstaan van de wereld en de oorsprong van de levende wezens, in het bijzonder de mens.

Plato op het fresco ‘De School van Athene’ van Raphaël
In Timaeus maakt Plato zijn standpunten duidelijk over de verhouding tussen mythe en filosofie. Hij geeft ook aan hoe hij de relatie tussen beeldende voorstellingen en rationele begrippen ziet. De God die hij daarbij ten tonele voert is geen kwaadaardig genius, want hij richt de kosmos in als een schoon en geordend geheel. Voor Plato is dit een bewijs van verstandelijk leven. De kosmos kenmerkt zich bij hem dan ook als planmatig en doelgericht. (eigenlijk een beetje als een ‘intelligent design’). De hemel ziet Plato als bevolkt met astrale goden (de sterren). Hoewel ze ‘gemaakt’ zijn, zijn ze toch ver verheven boven de mens. Zij krijgen van de schepper de macht om sterfelijke mensen te maken. Die mens vervult in de grote kosmische orde ook een functie, terwijl hij toch dankzij zijn redelijke ziel het geheel kan overzien en leren kennen. Hoewel de literair begaafde Plato zijn dialogen doorspekt met mythes, hebben ze wel degelijk een filosofische betekenis.  Ze kunnen inzichten bevatten, die verhuld worden in de vorm van een literaire afbeelding zoals een mythe. Met zijn kosmologie poogt Plato de mens vooral een levensoriëntatie te geven. Een volstrekt redeloos universum zou hij een absurditeit vinden. De mens vindt in zijn kosmologie zowel psychisch, biologisch als maatschappelijk een verklaring en een zin voor zijn bestaan. Vandaar dat Plato in Timaeus zijn kosmologie de vorm geeft van een voor de mens te bevatten mythe, waarin een schepper aan de oorsprong staat van een geordende wereld, en uit de aanvankelijke chaos een kosmos maakt.

Thematiek

In de Timaeus presenteert Plato ons een nauwgezet uitgewerkt verhaal over het ontstaan van het universum. Hij vertrekt vanuit een soort verwondering – en bewondering – dat het universum zo ordelijk en mooi geconstrueerd is, wat hem ertoe aanzet om een verklaring voor deze orde te zoeken. Dit ordelijke universum kan volgens hem niet anders dan het product zijn van een goedaardige intelligentie die doelgericht te werk is gegaan. De maker van het universum is een soort goddelijke knutselaar die hij de demiurg noemt (dêmiourgos, 28a6). Deze figuur is niet gelijk te stellen met een god die alles uit het niets schept, vermits de demiurg zich baseert op de Ideeën (Vormen) die hij als een soort perfect model gebruikt, op de manier dat een metselaar of timmerman zich op het plan van een architect baseert voor de constructie van een huis. Alleen deze Ideeën bezitten immers de mathematische perfectie die nodig is om de chaos om te vormen tot een mooi geordend geheel.

Het is dus duidelijk dat het ontstaan van het universum hier verklaard wordt vanuit een ‘plan’, een doel, waardoor de Timaeus te beschouwen is als een kosmogonie die steunt op een teleologisch principe. Deze ordening is dus geenszins toeval volgens Plato, maar het werk van een intelligentie, een nous, gepersonifieerd door een verre van almachtige, maar goedbedoelende goddelijke ‘vakman’. Het universum en al zijn samenstellende delen worden door deze demiurg zo geordend dat de best mogelijke uitkomst verzekerd is, en vermits ook de mens een deel daarvan is, bestaat de hoop dat goedheid het kwaad kan overwinnen.

Indeling


Fictieve kaart van Atlantis door Patroclus Kampanakis uit 1891

De indeling van de Timaeus is als volgt:

  1. eerst een samenvatting van de eerste 5 boeken van de Staat
  2. vervolgens wordt de mythe van Atlantis verteld, een eiland ‘ten westen van de Zuilen van Heracles’
  3. vervolgens vertelt Timaeus, een pythagorisch sterrenkundige, de geschiedenis van de wereld tot de schepping van de mens

Inhoud

De dialoog vindt plaats een dag nadat Socrates zijn idee van de ideale staat heeft gepresenteerd (zie Staat (Polieia)). Hij is van oordeel dat deze uiteenzetting nog niet voldoende duidelijk was. Hij vat de bedoeling van de vorige dialoog in de Staat als volgt samen: (17b):”Als ik het niet mis heb, had ik het gisteren in hoofdzaak over de staat: welke staatsvorm is, volgens mijn inzicht, de beste en uit welke mannen moet zulke regering zijn samengesteld?” En wat verder geeft hij Timaeus zijn wens te kennen welk thema deze dialoog zou moeten behandelen:(19c):”Graag wilde ik wel eens iemand het verhaal horen doen van de strijd die een staat levert: hoe hij die kamp voert tegen andere staten.” Hemocrates wenst Socrates verzoek in te willigen en zegt dat Critias net het juiste verhaal kent (20b) om daar aan te voldoen. Critias begint dan het verhaal over Atlantis te vertellen, en hoe Athene toentertijd een ideale staat was die het aandurfde om ten strijde te trekken tegen Atlantis (25a). Maar dan bedenkt hij zich en zegt dat Timaeus het gedeelte van het verhaal zal vertellen vanaf het ontstaan van het universum tot de komst van de mens. Het verhaal van Atlantis wordt uitgesteld (en wordt verteld in de Critias). Dan volgt de belangrijkste uiteenzetting van de dialoog, als Timaeus het woord neemt.

Timaeus’ vertelling

Timaeus start het discours over kosmogonie (27d5–92c9) met een proloog waarin hij de metafysische principes uiteenzet waar zijn verhaal op gebaseerd is.

De aard van de fysieke wereld

Timaeus begint met een onderscheid te maken tussen de fysieke wereld en de eeuwige wereld. De fysieke wereld is de wereld der veranderlijke en vergankelijke fenomenen, waaruit slechts meningen en geen ware kennis kan worden afgeleid. De eeuwige wereld daarentegen is onveranderlijk, wel geschikt als bron van kennis, maar kan uitsluitend door de rede geschouwd worden en niet door de zintuigen (28a). Over deze twee verschillende werelden zegt Timaeus: (29b) “Verklaringen zijn verwant met de dingen zelf waarover ze uitleg geven. Waar ze het blijvende, het hechte, het verstandelijk-doorschouwde uitdrukken, moeten zijzelf dan ook blijvend en onomstotelijk zijn” en (29c) “Drukken ze echter uit waarnaar dat eerste model is afgebeeld en wat in feite slechts een afbeelding is, dan zijn ze ‘waarschijnlijk’ en evenredig met het eerste.” Timaeus zegt dat, vermits niets ‘wordt en verandert’ zonder oorzaak, de oorsprong van het universum gezocht dient te worden bij een demiurg of god, een figuur waar Timaeus naar verwijst als ‘de vader van het universum’. En vermits het universum (kosmos) mooi is, kan het niet anders of de demiurg heeft naar een perfect (eeuwig) model gekeken om het te maken, en geen veranderlijk (29a). Aldus gebruikmakend van de eeuwige en perfecte ‘Wereld der Vormen’ (Ideeën) als model, zette hij zich aan de taak een wereld te scheppen die voorheen slechts uit chaos bestond.

Doel van het universum

Timaeus legt dan de schepping van het universum uit die hij toeschrijft aan een ‘goddelijke ambachtsman‘, de demiurg. Deze demiurg is goed en wil ook in zijn schepping zo veel mogelijk van het goede zien. Voor Plato is deze schepper niet omnipotent en ook niet in staat om ex nihilo, uit het niets, iets te scheppen. Hij was alleen in staat om, als een soort ambachtsman, het aanwezige ongeordende materiaal naar het model van de Ideeën te vormen. In latere tijden zouden de gnostici de term ‘demiurg’ gebruiken om te verwijzen naar een soort gevallen en onwetende god die een gebrekkig universum had gecreëerd, maar dit was niet de betekenis die Plato er aan had gegeven.

Eigenschappen van het universum

Timaeus schrijft de substantie (het voor de demiurg aanwezige materiaal) een gebrek aan stabiliteit en homogeniteit toe, waarin de vier elementen – aarde, vuur, lucht en water – vormloos, gemengd en in constante beweging zijn. De daad van de Maker was om uit deze wanorde orde en duidelijkheid te scheppen. Vandaar dat alle eigenschappen van de wereld verklaard dienen te worden vanuit de keuze die de demiurg heeft gemaakt over wat mooi en goed is, of: het idee van een tweedeling tussen goed en kwaad.

(30b)
Vooreerst is de wereld een levend wezen. Vermits de onintelligente wezens in hun verschijning minder mooi zijn dan de intelligente, en vermits intelligentie in de ziel moet zijn gevestigd, plaatst de demiurg intelligentie in de ziel, en de ziel in het lichaam. “Zo moet men dus, volgens de waarschijnlijkheidsredenering, zeggen dat deze wereld als een levend wezen, waarlijk met ziel en verstand begaafd, door de goddelijke voorzienigheid het aanschijn kreeg.” Vervolgens, vermits het deel onvolkomen is ten opzichte van het geheel, moest de wereld één en uniek zijn (31a). Daaruit volgt, dat de demiurg niet vele werelden schiep, maar slechts één. (31b)

(31-33)
De schepper besloot ook om het waarneembare lichaam van de kosmos te vormen door middel van de 4 elementen, zodat het harmonisch zou zijn. Inderdaad is, door toevoeging van vuur en aarde, die de lichamen zichtbaar en vast maken, een derde element nodig als middel om deze twee te kunnen verenigen. Bovendien is de wereld geen vlak, maar een vast lichaam, waardoor een vierde element nodig was voor de harmonie. Daarom plaatste de maker water en lucht tussen vuur en aarde en uit deze 4 elementen werd het lichaam van de wereld gecreëerd.

Wat de (meetkundige) vorm betreft, vormde de demiurg de wereld als een globe. De ronde vorm is inderdaad de meest perfecte, omdat zij alle andere figuren bevat en in die zin ‘omnimorf’ is en mooier is dan al de andere. “Het is de vorm die in zichzelf alle vormen bevat, zovele als er zijn.” (33b).

(34a)
Vervolgens bedeelde hij de wereld met een uniforme cirkelvormige beweging, die het meest paste bij rede en intelligentie.

(34b)
Ten slotte schiep hij de wereldziel, plaatste hem in het centrum van de wereld en verspreidde hem in elke richting. “Door dit alles schiep Hij hem dan ook als een gelukzalige god”.

De schepping van de Wereldziel

Timaeus betoog gaat nu over de manier waarop de wereldziel werd gecreëerd. Er volgt een vrij obscure beschrijving. De demiurg combineert drie elementen: twee soorten van ‘het Eendere’ – het ene zichtbaar, het andere onzichtbaar – twee soorten (zichtbaar, onzichtbaar) van ‘Verschil’ en twee soorten van ‘Zijn’ (zichtbaar en onzichtbaar). Uit deze drie elementen ontstaan drie samengestelde substanties: gemengd Zijn, gemengde Gelijkheid en gemengd Verschil. Uit deze samenstelling ontstaat een finale substantie, de ‘Wereldziel’.

(34c-36c)
Vervolgens verdeelde Hij precieze wiskundige proporties, daarbij de samenstelling in de lengte snijdend, en verbond die twee stroken vervolgens met hun middens (zoals de letter X), en daarna hun uiteinden; daardoor verkreeg hij twee elkaar snijdende cirkels. Die bracht de demiurg dan in een cirkelvormige beweging omheen hun assen. De buitenste cirkel kende hij Gelijkheid (het Eendere) toe en draaide rechtsom en horizontaal. De binnenste cirkel werd aanVerschil toebedeeld en draaide diagonaal en naar links.

(36c-d)
De demiurg gaf voorrang aan de omwenteling van het ‘Eendere en gelijkende’ en liet het onverdeeld. de binnenste spleet hij tot zeven ongelijke cirkels, telkens volgens ‘dubbele en driedubbele intervallen’. Deze cirkels bewogen in tegenovergestelde richtingen, en drie ervan met gelijke snelheid. Deze ‘cirkels ‘ zijn de banen van de hemellichamen. De drie die met gelijke snelheid bewogen waren de Zon, Venus en Mercurius. De vier andere, met verschillende snelheden, waren de Maan, Mars, Jupiter en Saturnus.

(36e)
Vervolgens verbond de demiurg lichaam en ziel van het universum, waarbij hij de ziel vanuit het centrum verspreidde naar de uiteinden van het universum, hiermee all vaste lichamen bezielend. De Wereldziel begon te draaien en dat was het begin van zijn eeuwig en rationeel leven.

(37a-c)
Omdat deze ziel bestaat uit het Eendere, het Verschil en het Zijn en samengesteld is in de juiste proporties, verspreidt de wereldziel dezelfde eigenschappen aan elk object die hij ontmoet. Als het een sensibel object is, vindt er een overdracht plaats van de beweging van de binnenste cirkel van het Verschil naar de ziel, waaruit meningen ontstaan. Is het echter een intelligibel object, dan maakt de cirkel van het Eendere een perfecte draaiing en ware kennis ontstaat. “… heeft ze daarentegen betrekking op het verstandelijke en doet de kring van het Eendere, goed draaiend, hiervan aangifte, dan loopt het onvermijdelijk uit op verstand en kennis”.

Schepping van de Levenden

Timaeus vertelt (in 39-41) dat zo alle dingen gevormd werden naar het Model (de Eeuwige Idee), maar dat de Hemel niet voltooid zou zijn zonder de schepping van de Levenden. Hen boetseerde de schepper-demiurg dan naar de natuur van het Model. 

Vier soorten ‘Levenden’ worden onderscheiden:

  1. Het hemelse geslacht der goden
  2. Het ‘gevleugelde geslacht dat de hemel doorklieft (de vogels)
  3. De klasse die in het water leeft (de vissen)
  4. De klasse die op de aarde leeft en kan lopen. (mensen en dieren)

Aan elk van de goden schonk hij twee ‘bewegingen’: één gelijkmatige ter plaatse, en een voorwaartse. De ‘onbewogen beweging’ leidde tot het ontstaan van de vaste sterren die altijd ‘ter plaatse wentelden’. (39c) De Aarde maakte hij tot ‘wachteres’ en bewerkster van dag en nacht.

De schepping van de zielen van die Levenden ging als volgt: de demiurg-god ging weer naar het vat waar hij het heelal had gedoseerd en gemengd en goot erin wat er overgebleven was. De stoffen waren ditmaal dus niet helemaal zuiver, zoals bij het heelal en de goden het geval was geweest. Hij maakte hieruit de zielen, in aantal gelijk aan dat van de vaste sterren en deelde hen de wetten mee. Iedereen zou bij de eerste geboorte een gelijke start hebben. Vanuit modern oogpunt valt die ‘gelijke start’ wel met een korreltje zout te nemen, want het mannelijke geslacht zou het voornaamste van de twee geslachten zijn. Vervolgens ging Hij over tot wat Timaeus ‘het zaaien’ van de pas gevormde zielen noemt, op de aarde en op de maan en ‘andere werktuigen van de tijd’. Na het zaaien gaf hij die jonge goden de opdracht omstoffelijke, sterfelijke lichamen te maken en leiding te nemen van dat lichaam, met de bedoeling het zo goed mogelijk te besturen.

Het laatste deel van de Timaeus (44-) beschrijft het menselijke lichaam en zijn finaliteit, met merkwaardige opvattingen over fysiologie. Zo stelt Timaeus dat de functie van de ingewanden erin bestaat om de gulzigheid in te tomen door het voedsel vast te houden. De sterfelijke zielbevindt zich in de borst en de onsterfelijke ziel in het hoofd. Het werk van de demiurg is nu ten einde. Zijn doel om de best mogelijke afbeelding van wat slechts voor het denken zichtbaar is te maken, is bereikt. In de laatste alinea van de dialoog zegt Timaeus: 

“We kunnen nu zeggen dat ons gesprek over het heelal ten einde is. De wereld heeft levende wezens ontvangen, sterfelijke en onsterfelijke, en is vol van hen. [...] Het is tot een levend, zichtbaar geheel geworden,[...] de afbeelding van het grootste, het beste, het mooiste, het meest volmaakte, de ene, eengeboren hemel.”



---Teksten: Julien Grandgagnage


Comments