Achtergronden

Indeling
 
1.      Het landschap van de Kempen
1.a.   De middeleeuwen
1.b.   De heide
1.c.   Akkers en driesen
1.d.   Houtwallen en heggen
2.      Het boerenleven voor 1900
2.a.   Algemeen
2.b.   Het boerenhuis
2.c.   Rampen en epidemieën
2.d.   Bedelaars en roversbenden
 
 

 
 
1           Het landschap van de Kempen
a               Middeleeuwen
Tot ver in de middeleeuwen bleven de woeste gronden in de Kempen dicht bebost. Pas na circa 1100, in een periode van grote sociaal-economische veranderingen, wijzigt het landschapsbeeld. Vanaf deze tijd is er op de brabantse zandgronden sprake van een sterke bevolkingsgroei die een toenemende druk op de agrarische bestaansmiddelen veroorzaakte. De landbouw moest voorzien in de voeding van een veel grotere bevolking dan voorheen. Deze grote voedselvraag veroorzaakte een ware ontginningsgolf. Het oorspronkelijke loofwoud werd gekapt voor aanleg van nieuwe akkers en voor de toenemende behoefte aan timmer- en brandhout. Hierdoor ontstonden uitgesterkte heidevelden.
 
Het Kempische landschap is door de Postelse pastoor Van den Berg treffend getypeerd als een landschap ‘waar de hei de hemel raakt’.Tot ver in de negentiende eeuw stond de Kempen bekend als een typische heidestreek. De Kempische zandgronden bestonden uit 2 soorten woeste grond: de heide en de broekgronden. De heidevelden liggen veelal op vrij hoge gronden en zijn overwegend met dop- of hommelheide begroeid.
De broekgronden liggen laag, meestal bij een rivier of beek. Ze staan in de winter en bij veel regelval ook ‘s-zomers, goeddeels onder water. Ze zijn vaak niet meer dan wildernissen, begroeid met grassen, biezen, bunt, riet, gagel en dergelijke.
 
b               De heide
De heidevelden in de Kempen vervulden een aantal economische functies. In de eerste plaats vormde de heide het weidegebied voor schapen en hoornvee. Afzonderlijke, met prikkeldraad afgebakende, weilanden waren in deze streek voor 1905 nog onbekend.
Op de tweede plaats leverde de heide plaggen die als strooisel voor de potstal werden gebruikt.
Naast het begrazen en afplaggen was het maaien van de heide een derde gebruiksvorm. Het maaisel diende als wintervoer voor de schapen wanneer ze langere tijd op stal moesten blijven.
De vierde functie van de heide was die als leverancier van brandstof. In de beekvalleien en in enkele uitgestrekte drassige heiden was veen gevormd de zogenaamde ‘heiturf’.
Als vijfde economische functie van de heide kan gewezen worden op haar rol als leverancier van grondstoffen. Op de hei verzamelde men bijvoorbeeld bouwmaterialen zoals leem en riet.
Tenslotte deed de heide dienst als honingveld voor de bijenteelt.
 
c                Akkers en driesen
Als eilandjes temidden van de woeste gronden vinden we de akkers en driesen. De akkers of bouwlanden liggen meestla niet ver van een rivier, beek of stroompje, maar wel zodanig dat ze onder normale omstandigheden niet overstromen. De boerderijen staan nagenoeg altijd dichtbij of tussen de akkers. Op de akkers moet immers op veel dagen van het jaar gewerkt worden. Veelal liggen de boerderijen in grotere of kleinere groepjes bij elkaar: de gehuchten.
 
In een blok akkers zijn ook weide, de zogenaamde driesen, aanwezig. Elke boer wil bij voorkeur een wei aan huis hebben. Daar de driesen tussen de akkers liggen, moeten ze door sloten, heggen of wallen omringd zijn. Zo niet, dan mag het vee daar slechts grazen als het wordt gehoed of getuierd.
 
d               Houtwallen en heggen
De heggen en wallen zijn te beschouwen als het derde karakteristieke onderdeel van het negentiende-eeuwse Kempische landschap. In tegenstelling tot het open heidelandschap was het vanouds verplicht om akkers te omheinen met houtwallen. Op een goed ontwikkelde houtwal groeiden allerlei soorten bomen, struiken en kruiden. Op de houtwal liet men slechts enkele grote bomen staan, meestal eiken, die slechts werden gekapt als er grote balken nodig waren. Het overige hout werd regelmatig gekapt. Het kleinste hout deed vooral dienst als brand- en geriefhout. De losse takken werden samengebonden tot mutsaarden (‘mutserds’) om ovens te stoken en de grotere stokken werden gebruikt voor stelen en bonestaken.
 
Bij de invoering van het kadaster in 1832 zijn opmetingen gedaan. Hieruit blijkt dat bij de verdeling van het grondgebruik in Bladel en Netersel in 1833 de woeste gronden 60% van het toale oppervlakte bedroeg. De bouw en graslanden bedroegen circa 30% en de bossen slechts 6%. Deze verhoudingen gelden in het algemeen ook voor de omringende dorpen.
 
Na 1833 werden heivelden na ontginning met dennen beplant. Deze aanzienlijke bebossing was een uitvloeisel van werkverschaffingsprojecten, waartoe de gemeenten in deze provincie door de slechte economische omstandigheden waren overgegaan. De bossen moesten hout opleveren voor verkoop van brandhout maar vooral ook mijnhout.
 
Tot 1862 was het steken van turf en heideplaggen nauwelijks aan regels gebonden. Vanaf 1862 werd het vrije gebruik aan banden gelegd. Een geddelte van de heide werd afgepaald en de daar gestoken turf of plaggen werden in het openbaar verkocht. Op het overige gedeelte kon elk jaar gedurende één maand turf of plaggen gestoken worden door hen die zich van een çonsentbiljet’voorzien hadden. Tegen betaling van 50 cent per dag per steker werd dit door de burgemeester verstrekt. Er werden zware sancties gesteld op overtreding van de verordening met boetes van zes gulden. Deze strenge bepalingen werden al na enkele jaren afgezwakt: de vergoeding werd teruggebracht tot 25 cent en enkele gedeelten werden zelfs geheel vrijgegeven.

                                                                                                                                             Naar boven
2           Het boerenleven voor 1900
a               Algemeen
Voor de meeste Nederlanders was Brabant in het midden van de 18e  eeuw het ‘Donkere Zuiden’, bewoond door vreemde mensen. Arme boeren, ‘jongens voor ’t einde hunner wasdom stijf en krom gearbeid op het land’. De meeste boeren leefden van producten die op eigen grond waren voortgebracht. Geld was nauwelijk voorhanden.
Een boerengezin reisde zelden of nooit verder dan de naastgelegen marktplaats of een bedevaartsoord, werkte vele maanden twaalf tot achtien uur per dag en schakelde de kinderen al vroeg in bij het arbeidsproces.Weinig kinderen bezochten de school. De wel eens vermelde verklaring dat de gezinnen zo talrijk waren dat grote kinderscharen konden bijspringen, klopt niet. De bevolking groeide nauwelijks als gevolg van honger, ziekte en gebrek. De omvangrijke kindersterfte had tot gevolg dat de meeste gezinnen niet groot konden worden. Bovendien zijn ploeterende, soms ondervoede vrouwen minder vruchtbaar.
Bijgeloof kon welig tieren en in het godsdienstig leven waren resten van vroeger heidendom op een curieuze manier vermengd met het katholicisme.Bedelarij, roof en drankmisbruik kwamen op grote schaal voor.
 
Op de meestal zeer kleine bedrijfjes op de zangronden verdiende de boeren een armelijk stukje brood. In de Kempen bezaten de keuters maar enkele hectaren per bedrijf. Ontginning kon slechts stukje bij beetje plaatsvinden, want er was nauwelijks genoeg mest om een redelijke opbrengst van het bestaande bouwland te winnen.
b               Het boerenhuis
De meeste boerderijen behoorden tot het langgeveltype, waarbij de woon- en bedrijfsruimten achter elkaar onder een dak gegroepeerd waren. Bij deze boerderijen lagen doorgaans nog een of meerdere afzondelijke bouwsels zoals het bakhuis en de schuur voor de landbouwwerktuigen, de ‘karschop’. De grotere boerderijen beschikten soms nog over een afzonderlijke oogstschuur, waar in de winterdag ook gedorst kon worden.
 
Het gebruik van de relatief dure baksteen was doorgaans slechts aan de meer welgestelde boeren voorbehouden en zelfs zij gebruikte het dan nog vaak alleen voor het woongedeelte. Het traditionele boerenhuis was echter geconstrueerd in skeletbouw. Het dragende binnenwerk bestond uit houtbouw met onderdelen als gebinten, korbelen, moederbalken, kinderbalken, schoren en hanebalken. Deze zware houtconstructie droeg het dak en verdeelde het gebouw in zogenaamde ‘gebonten’. Het eerste gebint stond altijd in het woongedeelte. De wanden van het oude boerenhuis hadden dus geen dragende maar louter een afdichtende functie. Hiervoor kon men dus veel lichter en minder duurzame materialen gebruiken. Een zeer oude en beproefde methode bestond uit het afdichten van gevels met vlechtwerk van twijgen. Dit vlechtwerk werd wind- en waterdicht gemaakt door het te bestrijken met een mengesel van leem, stro, kaf en koemest. Het dak bestond uit stro of riet. Stro was op ieder boerenbedrijf ruim beschikbaar en dus – afgezien van het onderhoud – een goedkope dakbedekking. Veel duurzamer, maar ook kostbaarder was een rieten dakbedekking. Beide materialen waren echter bijzonder brandbaar
 
In de traditionele Kempische boerderij viel men letterlijk ‘met de deur in huis’. Door de deur in de lange gevel betrad men ‘den herd’. Dit was de grote centrale ruimte die het best te karakteriseren is als een woonkeuken. De herd was een rechthoekige ruimte met als belangrijkste element de schouw met het open haardvuur. Er werd gestookt op een vuurijzer dat op een lemen vloer onder het rookkanaal was geplaatst. Het vuur diende ter verwarming (en in mindere mate ook ter verlichting) van het huis en ter bereiding van het voedsel voor mens en dier.Door middel van een zogenaamde haal kon de hoogte van de kookpot of ketel ingesteld worden.
 
Het meubilair was doorgangs bijzonder eenvoudig en bestond in hoofdzaak uit een tafel en stoelen met gevlochten matten. Verder stonden in eenvoudige boerenwoningen doorgaans een of meerdere kisten en een etenskast of ‘schrapraai’. De introductie van de (plattebuis)kachel na circa 1840 is een van de belangrijkste inovaties in het negentiende-eeuwse huishouden. Het bezit van een kachel en/of fornuis verhoogde in hoge mate het woonconfort. Het had tevens grote gevolgen voor de voedselbereiding en het kookgerei. Men kon nu gemakkelijker verschillende gerechten tegelijkertijd bereiden.
 
c                Rampen en epidemieën
In 1713 stak ‘de rotkoorts’ oftewel veepest de kop op en zou vooral in de jaren veertig veehouders in de veeteeltgebieden ruineren. Scherpe plakkaten van de overheid om de epidemie tot staan te brengen, veroorzaakten extra overlast. De soms wijd om zich heen grijpende besmetting werd niet tot staan gebracht.Het duurde tot de 2e helft van de 18e eeuw voordat de totale machteloosheid van boeren t.o.v. de veetyfus werd doorbroken. Het heil moest grotendeels uit andere, meer ontwikkelde streken komen. In 1774 werd een afdoend entmiddel ontdekt.
 
In de jaren 1779-1783 was het de ‘rodeloop’ die in Noord Brabant het stads- en dorpsleven ontregelde en vele duizenden slachtoffers maakte. Een kwaadaardige dysenterie die de lijders in enkele dagen tijd veranderde in wrakken. De verschijnselen konden wel zeven tot dertien dagen voortduren. Als de patiënt dan nog niet overleed, had hij een redelijke kans de ziekte te overleven. Wat precies de besmettingshaard was, wist niemand. Mogelijk was de ziekte uit Duitsland komen overwaaien, meegenomen met handelslieden of door de vele katholieken die als pelgrims naar populaire bedevaartsoorden reisden. Het kon ook zijn dat de soldaten in de garnizoenen als dragers fungeerden. 
 
d               Bedelaars en roversbenden
Bedelarij en landloperij namen vooral aan het einde van de 18e eeuw grote vormen aan. Door de oorlogen, conflicten en de epidemieën konden vele niet in hun eigen onderhoud voorzien. Velen trokken naar de steden vanwege de uitdelingen die door het armenbestuur werden verstrekt. Dit leverde bij de poorten van de steden vaak tot problemen. Burgers maar ook boeren die van de markt terug kwamen werden vaak gedwongen geld of goederen af te staan. Door de strengere bepalingen van de stadsbesturen werden bedelaars verdreven van de stad. Deze bedelaars gingen zich in toenemende mate organiseren om in bendeverband te nemen wat ze niet kregen.
Nergens in de niet-ontgonnen streken van het Brabantse land was men veilig, overal loerden struikrovers. Brandstichting, inbraak, afpersing en zelfs moord waren schering en inslag. Regelmatig werden woningen op het platteland overvallen. In de gerechtelijke archieven van Den Bosch zijn diverse stukken te vinden over beschuldigingen aan landloperij en deelname aan bendes.
 
                                                                                                                                 Naar boven
Literatuurlijst:
Samenvatting uit “Kempische boeren en Vlaamse vissers” Kunstenaars en volkscultuur omstreeks 1885: Victor de Buck en Joseph Gindra. Geschreven door Cor van der Heijden & Gerard Rooyakkers.
Samenvatting uit tweeduizend jaar geschiedenis van Noord Brabant geschreven door Klaas Jansma en Meindert Schroor.