Mr Johan Adriaan Herman Coops

 

Nederland's Patriciaat:
Mr Johan Adriaan Herman Coops, geb. Den Helder 9 jan. 1894, advocaat en procureur te Apeldoorn, kantonrechter-plv., lid gemeenteraad, wethouder ald., lid Tweede Kamer der Staten Generaal, † Apeldoorn 25 sept. 1937, tr. 1e Warnsveld 26 sept. 1918 (echtsch. ingeschr. ald 23 okt. 1926) Drs. Jacoba Johanna Theodora van 't Hoff, geb. Rotterdam 17 juni 1893, litt. class. dra. [Putten], dr. van Dr. Lambertus en Albertina Wesselina Henny; tr. 2e Londen 9 jan. 1927 Susanne Josine van Gelder, geb. Leiden 16 maart 1895, dr. van Dr. Hendrik Douwe en Wendelina Elisabeth Zaalberg.

Mr Coops[1] werd geboren op 9 januari 1894 in Den Helder. Zijn ouders waren Jan Bernat Coops, geboren te Oldemarkt op 30 juli 1862, kandidaat-notaris en ontvanger van de successierechten, en Mathilda Maria Cornelia Posthuma, geboren te Dokkum op 16 april 1860, onderwijzeres. 

Na de 5-jarige H.B.S. te Zaandam studeerde hij aan de gemeentelijke universiteit van Amsterdam, waarna hij in 1918 promoveerde tot doctor in de rechtswetenschap.

Van 1918 tot 1919 was hij secretaris van de directie van Carp’s Garenfabrieken te Helmond en daarna tot 1926 advocaat in Den Haag, waarna hij zich als advocaat en procureur te Apeldoorn vestigde. Mr Coops was sinds 1927 van de afdeling Apeldoorn van de Liberale Staatspartij “De Vrijheidsbond” en sedert 1928 voorzitter. In 1931 werd hij voor de Liberale Staatspartij tot lid van de gemeenteraad van Apeldoorn gekozen en tot wethouder benoemd, in welke functie hij tot 1935 werkzaam was, belast met de financiën. Tot zijn overlijden bleef hij raadslid voor zijn partij.

Hij was van 1922 tot 1926 lid van de voogdijraad in Den Haag en van 1930 tot 1933 hoofdbestuurslid van de Liberale Staatspartij. Tevens was hij kantonrechter-plv.

Het Burgerlijk Procesrecht

Met zijn studieboek, Grondtrekken van het Nederlandsch Burgerlijk Procesrecht (Publiek- en Privaatrecht 3)[2], zal Coops niet de vrolijkste reacties aan studenten hebben ontlokt.

Een interview uit 1992 in het Kluwer Cahier[3] met prof. mr E.J. Dommering onder de titel: “In een boot met Coops op schoot” getuigt hiervan. Hij zegt: “Vroeger - en ook nog in mijn studententijd - had je een serie publiek- en privaatrecht. Degelijke boeken, met nog dat roodgevlekte papier binnen in het omslag. Bijvoorbeeld procesrecht van Coops, saaier was niet denkbaar. Ik zat eens in een boot op Loosdrecht met dat boek op schoot, lezend over dilatoire excepties en zo; toen dacht ik: Wat doe ik hier?”

 Een stuk minder dor en saai lijkt mij het volgende ingezonden stuk van de hand van Coops zelf in het Weekblad van het Recht[4]

“Dr. H. van der Hoeven Jr. betuigt in W. 10984 zijn afschuw over het feit, dat men een jongen van 14 jaar, die ter gelegenheid van een ruzie bij het knikkerspel een 19-jarigen kameraad met een klomp dodelijk getroffen heeft, confronteert met het lijk van zijn slachtoffer. Hij vindt dit blijkbaar zoozeer een bespotting van het Recht, dat hij dit woord tussen aanhalingsteekens plaatst. Waar de groote dagbladen zijn artikel kritiekloos in zijn geheel hebben overgenomen, acht ik eenige kritiek gepast en noodig.

Voorop sta, dat men mag aannemen, dat onze rechterlijke autoriteiten geen noodelooze confrontaties zullen organiseren. En wanneer het voor de bewijsconstructie wenschelijk is zulks te doen plaats hebben, dan dunkt het feit mij waarachtig ernstig genoeg om sentiments-overwegingen op zijde te plaatsen.

Doch zelfs afgezien van deze noodszakelijkheidsgrond, schijnt de uiting van verontwaardiging van den geëerden inzender minstens overdreven. “Een kinderlijke onbezonnenheid”. Jawel. Dezelfde soort kinderlijke onbezonnenheid, die hele buurten van Den Haag onveilig maakte, die de lummels er toe bracht banken van haar plaats te sleepen en voor de Scheveningsche stoomtram te leggen, op gevaar van massa-ongelukken. Laat ons toch niet te sentimenteel zijn tegenover de meer dan bedenkelijke verschijnselen, speciaal ook onder de jeugd voorkomend, van verruwing, gebrek aan eerbied voor anderer leven en gezondheid. “Afschuwelijk vergrijp aan de ziel van een kind”, roept de inzender verontwaardigd. Ik vraag daartegenover, of zulk een confrontatie integendeel niet zeer heilzaam kan zijn voor dit jeugdig gemoed en misschien meer kan bijbrengen tot een innerlijken omkeer in het gemoed van den jeugdigen moordenaar dan rechterlijke vermaningen en straf.

Een kind moet niet behandeld worden als een volwassene: daarover zijn wij het allen eens. Maar een vergrijp tegen het leven van een ander rechtvaardigt toch ook tegenover een kind een gevoelige reactie. Een reactie, waarop ook de nabestaanden van den vermoorde recht hebben. En die in den vorm der gewraakte confrontatie zeer krachtig en doelmatig kan zijn geschied.

In vredesnaam niet te veel sentimentaliteit tegenover moord en doodslag!”

Een kort maar krachtig leven

Na een langdurig ziekbed, een verblijf in Zwitserland tot herstel van de gezondheid en vestiging in het rustigere Apeldoorn overleed J.A.H. Coops veel te jong op 25 september 1937, ruim 10 jaar voor zijn vader, op 43 jarige leeftijd.

Ter gelegenheid van zijn overlijden heeft de Liberale Staatspartij in haar orgaan, het Vrijzinnig Maandblad waarvan hij zelf redacteur was, ruimschoots aandacht besteed aan het  leven van Mr Coops.

Verschillende leden van de Liberale Staatspartij schrijven in memoriam.

De heer mr H.L. Sypkens: “De leering, die zijn levensvoering ons heeft gebracht is toch stellig deze, met inspanning van alle onze krachten en als het moet...... tot het uiterste. Niet voor ons zelf, maar voor de anderen.”

Verder overheerst in alle bijdragen in het Vrijzinnig Maandblad het ontzag voor de juridische kundigheid van mr Coops, maar ook zijn humor.

Zo haalt mevrouw H. Hoogstraal-de Haan een herinnering op uit een raadsvergadering:

“Hoe goed herinneren wij ons zijn bestrijding van de ‘plakverordening’. Sprankelend van geest en humor teekende hij ons het gevaar waarin de onschuldige avondlijke wandelaar verkeerde, die in het bezit werd bevonden van b.v. een vulpen of potlood, zijnde dit een voorwerp waarmede men het verbod van het aanbrengen van verkiezingsleuzen zou kunnen overtreden en die dus onverbiddelijk verbaliseerd moest worden. Dan was hij op zijn best en wist den heelen Raad te boeien.”

In hetzelfde maandblad roemt de heer Boon hem als een onvervaard, geestdriftig, slagvaardig en knap voorvechter van de liberale gedachte als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zijn specialiteiten lagen in Justitie en Onderwijs. Boon beschrijft hem bovenal als een vertrouwenwekkend, eerlijk politicus, voor wie draaien en knoeien een gruwel was en die daardoor ook sympathie had van vele politieke tegenstanders. Maar zijn meest beminnelijke eigenschap was wel “zijn onverholen waardering voor het werk van anderen, waardoor hij aanmoedigde en warmte verspreidde.” “Menschen als Coops zijn een weldaad en daarom zo noode te missen.”

Een overlijdensadvertentie in de NRC vermeldde dat mr Coops een “...vurig principieel strijder voor de liberale beginselen (was), voor welke nog veel van hem verwacht werd. Zijn verdwijning uit de liberale Kamerfractie werd een groot verlies geacht.” en “een kenmerkende eigenschap van hem was, de kleine dingen klein te zien en de groote groot.” en even verder “Te Apeldoorn was hij algemeen geacht en geliefd, al beschouwde de S.D.A.P. hem als een kwaden tegenstander, wat mr. Coops zich echter steeds tot een eer rekende. Hij was een beminnelijk mensch, die in wijden kring zijn vrienden telde.”

De laatste frase in de overlijdensadvertentie: “De verassching van het stoffelijk overschot zal plaatsvinden te Velsen op dinsdag 28 september, na aankomst van den trein van 13.14u.”

De dag na de genoemde begrafenis verschijnt in dezelfde krant een artikeltje met een opsomming van alle notabelen die acte de présence gaven, waaronder de nodige bestuursleden en vele andere vertegenwoordigers van zijn partij, bestuursleden van Apeldoorn, oud-leden van de beide Kamers der Staten Generaal en leden van de rechterlijke  macht.

Ik noem twee bijzondere aanwezigen, vanwege de opmerkelijke achtergrond van beiden: de heer H. Rietema, algemeen secretaris van de vereeniging voor facultatieve lijkverbranding en de heer S. Beumee, oud-voorzitter van de afdeling Apeldoorn van het Genootschap tot zedelijke verbetering van gevangenen.

Laat ik beëindigen met het citeren van een lovende opmerking in één van de artikelen:“Zijn groote gaven van verstand en hart, van geest en gemoed maakte hem tot een begenadigde.” (mevrouw G.A. Steghers-Hoogenkamp - Vrijzinnig Maanblad).


[1] Nederland’s Patriciaat, 1983, 67ste jaargang, VIIIe.1. (blz. 38)

[2] Grondtrekken van het Nederlandsch Burgerlijk Procesrecht (Publiek- en Privaatrecht 3), Mr J.A.H. Coops, Apeldoorn, Oktober 1926

[3] Kluwer Cahier, Driemaandelijks leesblad over boeken voor mensen in de juridische / fiscale wereld, zevende jaargang nr. 2, mei 1992

[4] Weekblad van het Recht, nr 10990, 19 februari 1923

Comments