Waarheid in de Tweede Axiale Periode
 

Bahá’u’lláh gaf aan de mensheid de volgende instructie: “Daar Wij u allen hebben geschapen uit één en dezelfde stof, rust op u de plicht gelijk één ziel te zijn.” [1] Opvallend is het verschijnsel dat na Bahá’u’lláh een groeiend aantal denkers de visie ontwikkelt van de mensheid als één bezield organisme, een organisme dat zich als zodanig ook moet herkennen, erkennen en realiseren. Na de gerealiseerde technische en lichamelijke éénwording is de geestelijke en spirituele eenwording zich aan het voltrekken. De eenwording van 6 miljard individuerende burgers op onze éne planeet. Hèt draagvlak voor de Tweede Axiale Periode, na de Verlichting, vanaf de 19e eeuw.

 

Peter Russell[2] is daarbij het meest zeker van een ‘acceleratie’ van deze ontwikkeling in onze 21e eeuw, o.a. veroorzaakt door de informatietechnische eenwording. Hij voorspelt de geestelijke eenwording van de mensheid als ‘wereldbrein’: “Niet langer zullen we onszelf zien als geïsoleerde individuen; we zullen onszelf kennen als deelhebbend aan een snel integrerend mondiaal netwerk, zoals de zenuwcellen van een ontwakend wereldbrein.” [3] Voorts “Het werkelijke probleem ligt niet in de fysieke beperkingen die ons worden opgelegd door de externe wereld maar in de beperkingen van onze eigen denkwijze.” Teilhard de Chardin sprak (in plaats van ‘global brain’) van de ‘noösfeer’ die zich aan het vormen is door de evolutie van het uniek-menselijke ‘complexiteitsbewustzijn’.

 

Hoe dan ook, het globaliseringsproces realiseert zich - als unieke fase in de evolutie van de mensheid - dwars tegen alle weerstanden in, vooral tegen alle reactionaire blokvorming in. De pluralistische ordening van alle mogelijke piramides van waarheid wordt door elkaar geschud.

Waarheden zelf, alle werkelijkheden van alle geschapen dingen zelf, worden door elkaar geschud. Bahá’u’lláh openbaart hierover een zeer betekenisvolle tekst:

“Ik getuig dat zodra het Eerste Woord, door de kracht van Uw wil en plan, uit Zijn mond was voortgekomen en de Eerste Roep van Zijn lippen klonk, de hele schepping radicaal werd veranderd, en dat allen die in de hemelen en allen die op aarde zijn tot in het diepst van hun wezen werden geschokt. Door dat Woord werden de werkelijkheden van alle geschapen dingen door elkaar geschud, verdeeld, gescheiden, verstrooid, en weer zó samengevoegd en herenigd dat zij, in zowel de afhankelijke wereld als in het hemelse koninkrijk, wezens van een nieuwe schepping onthullen en in de ongeziene rijken de tekenen en bewijzen van Uw eenheid en één-zijn openbaren.” [4]

 

En dan vervolgt Hij die opmerkelijke tekst met een interessante consequentie, namelijk die van algemene onenigheid onder de volkeren van de wereld, de krachten van verdeeldheid werden vrijgelaten: “Door die Roep kondigde U al Uw dienaren de komst van Uw grootste Openbaring aan en de verschijning van Uw meest volmaakte Zaak. Zodra deze Openbaring voor de ogen van de mensen onthuld was begonnen de tekenen van algemene onenigheid onder de volkeren van de wereld te verschijnen en de bewoners van aarde en hemel raakten in beroering en de grondvesten van al het geschapene werden door elkaar geschud. De krachten van verdeeldheid werden vrijgelaten, de betekenis van het Woord ontvouwde zich en ieder verschillend atoom in de schepping verkreeg zijn eigen onmiskenbare en unieke kenmerk.”

 

Gevestigde piramides van menselijke kennis zijn volgens Bahá’u’lláh verpulverd, en de hemelen  van religieuze en ideologische symbolen en metaforen zijn opgevouwen. Bahá’u’lláh bezigde in Epistle to the Son of the Wolf de volgende woorden “De bergen zijn tot stof verstrooid door Hem, de Heer van eigenschappen!” Welke ‘bergen’ er worden bedoeld blijkt een aantal alinea’s later waar Hij het heeft over “Deze Zaak, waardoor de bergen van kennis zijn verpulverd en de voeten der mensen zijn uitgegleden.” In Tablets of Bahá’u’lláh schrijft Hij “… een Zaak door welks potentieel de hemelen zijn opgevouwen en iedere verheven en imposante berg tot stof werd verpulverd.” En elders “De fundamenten van nutteloze inbeeldingen zijn gaan beven, en de hemel van ijdele wanen is in stukken gekloven.”

 

De bergen van kennis zijn verpulverd, deze bergen (van kennis) zijn dus ‘voorbijgegaan’, de hemelen (van openbaringskennis) zijn ‘samengevouwen’, zie de volgende uitspraak in de Bloemlezing uit de geschriften van Bahá'u'lláh: “Dit is de Dag waarop de Albarmhartige is neergedaald op de wolken van kennis, bekleed met duidelijk waarneembare soevereiniteit. De daden der mensen zijn Hem welbekend. Hij is het, Wiens heerlijkheid niemand kan misverstaan, begreep gij het slechts. De hemel van iedere godsdienst is opengescheurd, de aarde van menselijk begrip gekloofd en men ziet de engelen Gods neerdalen. Zeg: Dit is de Dag der onthulling van gebreken. Waar vlucht gij heen? De bergen zijn voorbijgegaan, de hemelen samengevouwen en de gehele aarde wordt in Zijn greep gehouden, kon gij het slechts begrijpen. Wie kan u beschermen? Niemand, bij Hem Die Albarmhartig is! Niemand buiten God, de Almachtige, de Alglorierijke, de Weldadige.”

 

De mensheid leeft nu in de beroering van de zogenoemde ‘Tweede Axiale Periode’[5], een helaas erg pijnlijke, veel onschuldige levens tot ware martelaren makende, maar in elk geval mondiale herbezinning op ‘het verschijnsel religie’ en een wereldwijde herdefinitie van “God” vanuit een noodzakelijke, universele heroriëntatie in onze verhouding tot “God”. Er is niet alleen een steeds intensiever interreligieus verkeer (voorzichtig ontmoetend, beginnend dialogiserend, zelfs coöpererend), maar ook intra-religieus worden gelovigen geconfronteerd met hun eigen geloofsleven en hun collectief Verbond. Intrareligieus dialogiseren is in het Westen wel op gang gekomen, maar de verspreiding daarvan over andere blokken in de wereld gaat natuurlijk heel traag. Mensen gaan maar langzaam over van een traditionele religiositeit naar een zelfbewuste, meer zelfkritische en verantwoorde religiositeit. De wetenschap/religie-dialoog stimuleert intrareligieuze heelwording en volwassenwording, en maakt vervolgens de interreligieuze harmonie en samenhang mogelijk. De menselijke soort, ‘homo religiosus’, steeds sterker vertegenwoordigd als civil society, ontwikkelt nu gaandeweg een universele basisreligie, een civil religion.

 

Karen Armstrong schrijft over de Eerste Axiale Periode (of ‘Spiltijd’) binnen de religieuze evolutie van de mensheid. Het gaat dan om het tijdperk waarin de grote pre-moderne religies ontstonden, van 800 v.Chr tot 200 v.Chr, een opmerkelijk korte periode eigenlijk. Maar als je het ontstaan van het christendom en de islam – als vrucht van die Spiltijd – daarbij wil insluiten, kom je natuurlijk op een langere periode uit, grofweg van 900 v.Chr tot 900 n.Chr.

Karen Armstrong bouwt in haar boek voort op werken zoals van Karl Jaspers[6] en vele andere representanten van de Tweede Axiale Periode die in de Moderniteit na de Verlichting ontstond.

 

In de eerste Spiltijd ontstonden o.a. het monotheïsme, het confucianisme, het taoïsme, het hindoeïsme, het boeddhisme, maar ook het Grieks filosofisch rationalisme (de Ionische Verlichting). Historici spreken van de Spiltijd vanwege de centrale rol die deze inneemt in de spirituele ontwikkeling van de mensheid. Het is in deze unieke periode dat zich voor het eerst een collectief geloof vestigde in de Ene, de Alles-Overkoepelende (‘De Transcendente’), de absoluut onkenbare Ultieme Werkelijkheid, Oppermacht of Godheid. Die nieuwe religieuze notie genereerde een enorm verenigende kracht onder stammen, volkeren en culturen die voorheen met elkaar streden om de overwinning van ieder’s eigen godheid boven die van de anderen.

 

Frits de Lange[7], een uitgesproken kind van de Tweede Axiale Periode en tegelijk een ethicus in het christelijk serieuze Kampen, schrijft over deze nieuwe tijdgeest in een recent verschenen boek[8] over de publieke rol van religie in Nederland. Ook hij haalt dan eerst de Eerste Axiale Periode aan: “De legitimatie van menselijke macht lag Boven, en niet beneden bij het volk dat ze regeerden. Deze ‘holistische’ samenlevingscultuur was tot ongeveer 1000 voor Christus dominant. Daarna - in de periode tussen 800 en 200 voor Christus, door Karl Jaspers de ‘Achsenzeit’ genoemd - staan de stichters van de grote religies op (Lao Tse, Boeddha, de profeten van Israël, Zarathustra). Zij zijn volgens Gauchet[9] de uitvinders van dé transcendentie. Met het geloof in een transcendente Schepper-God wordt er een eerste bres geschoten in het gesloten blok van de metafysisch gelegitimeerde machtsordening. God en wereld vallen niet meer samen, maar zijn van elkaar gescheiden; er ontstaat een ontologisch dualisme. Er ontwikkelen zich vormen van monotheïsme die de gesloten eenheid van de politiek-sacrale orde doorbreken - op pregnante wijze in de profetische kritiek - in naam van een gans Andere.” En dan vervolgt hij:

 

“Toch duurt het tot aan de verbreiding van het christendom voordat de uittocht uit het land der religie (‘1a sortie de la religion’) kan worden voltrokken. Het christelijke geloof radicaliseert de transcendentie van God in een ongehoorde zin: door haar geïncarneerd te zien in de mens Jezus van Nazareth. In het Koninkrijk Gods zijn dienaars heersers, laatsten worden er eersten, de minsten gelden er als de belangrijksten. Christus’ 'macht' berust in het feit dat hij van alle macht afziet. Tegenover de oorlog verkondigt hij de liefde. Jezus is volgens Gauchet een ‘omgekeerde Messias’ (un messie a 1'envers). ‘Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld.' (Joh. 18:36) De transcendentie van God wordt immanent. God, oneindig van de wereld gescheiden, ontledigt zich. Hij onderwerpt zich in vrijheid aan de condities van de menselijke wereld. Het menselijke leven krijgt als woonplaats van God een glans van heiligheid. Het profane krijgt, juist in zijn profane hoedanigheid, een sacrale betekenis.”[10]

 

Wat mij in eerste instantie boeit is het feit zelf dat we überhaupt in staat zijn tot zo’n historisch overzicht van de religieuze evolutie van de mensheid. Dit historiserende vermogen, en vooral de groeiende bewustwording van onszelf als ‘gelovige soort’ in een religieuze evolutie is één van de belangrijkste kenmerken van de Tweede Axiale Periode waar we sinds de Verlichting in terecht gekomen zijn. Karen Armstrong is kind van de Tweede Axiale Periode, net zoals wij allemaal dat zijn. Bewustwording van jezelf als religieus wezen en het bijbehorende zelfkritische vermogen heeft velen in staat gesteld om de nodige psychologische afstand te beoefenen tot het eigen geloofsleven. Bij Karen Armstrong resulteerde die psychologische afstand zelfs in een compleet loslaten van een christelijke zelf-identificatie. Eén van de aspecten van de Tweede Axiale Periode is dan ook het secularisatieproces, met name vanuit West Europa. Mensen verlaten hun traditionele en collectieve geloofsverband in een verlangen naar een dogmavrije individuatie. Inmiddels zijn we weer verder, en zijn we in een post-seculiere tijd aanbeland.

 

De uitspraak“De transcendentie van God wordt immanent. God, oneindig van de wereld gescheiden, ontledigt zich. Hij onderwerpt zich in vrijheid aan de condities van de menselijke wereld. Het menselijke leven krijgt als woonplaats van God een glans van heiligheid”, wordt gebruikt om van de al te letterlijk gebruikte verticale dimensie af te zijn, en om van “De Grote Baas Boven”, daar boven de wolken, oneindig van de mensen gescheiden, voorgoed af te zijn.

 

Maar in God’s woning, dus in het hart van de mensen, kunnen we God tóch weer in een soort ‘verticale’ transcendentie ontmoeten. “De Dagster van  het eeuwigdurende rijk schijnt stralend boven de horizon van Zijn wil en de Oceanen van goddelijke goedertierenheid stijgen. Hij die nagelaten heeft deze te zien is er werkelijk van verstoken, en dood is hij die niet tot daar gekomen is. Sluit uw ogen voor deze wereld beneden, open ze voor het gelaat van de onvergelijkelijke Vriend, en spreek intiem met Zijn Geest.” Intiem praten met de geest van de (immanente) Vriend, intiem de stem beluisteren van ‘de onvergelijkelijke Vriend’ in ons hart.

 

Wij moeten allereerst de ‘Stad van ons eigen hart’ veroveren, om dan de Vriend te kunnen ontmoeten, die Vriend is de pracht van God’s namen en eigenschappen:

“Datgene wat God voor Zichzelf gewenst heeft zijn de harten van Zijn dienaren, die de schatkamers van Zijn liefde en gedachtenis zijn en de bewaarplaatsen van Zijn kennis en wijsheid. Daarom moet geen vreemdeling in de stad van het hart toegelaten worden, zodat de onvergelijkelijke Vriend Zijn verblijfplaats kan binnengaan. Hiermee wordt de pracht van Zijn namen en eigenschappen bedoeld en niet Zijn Verheven Wezen, omdat deze Koning zonder gelijke altijd verheven is geweest boven vooruitgang en neergang en dat tot in eeuwigheid blijven zal. Hij, die God wil bijstaan moet dus allereerst met het zwaard van innerlijke betekenis en uitleg de stad van zijn eigen hart veroveren en het verdedigen tegen de herinnering aan alles buiten God en pas dan uitgaan om de steden van de harten van anderen te bedwingen.”

 

Het begrip ‘spiegel’ is een vrij universele metafoor, bijvoorbeeld in het Soka Gakkai Boeddhisme komt de regel voor: “Zelfs een doffe spiegel zal schitteren als een juweel als hij wordt opgewreven. Een geest die op dit moment verduisterd is door illusies die ontspringen uit de aangeboren duisternis van het leven, is als een doffe spiegel, maar zodra hij opgewreven is, zal hij helder worden en de verlichting van de onveranderlijke waarheid weerspiegelen. Wek een diep geloof op en poets uw spiegel dag en nacht.” [11]

 

- - -

 

Een mondiale herbezinning op ‘het verschijnsel religie’, een wereldwijde herdefinitie van “God” vanuit een noodzakelijke, universele heroriëntatie in de verhouding van de menselijke soort (homo religiosus) tot God; deze ‘herbronning’ maakt het m.i. langzaam mogelijk om de naam “God” – binnen onze Tweede Axiale Periode – te zien als een soort meta-naam, ter aanduiding van ons Eeuwige Mysterie, die Onkenbare Essentie Zelve, het Eeuwig Opperwezen, die Ultieme Werkelijkheid, de Tao, de Transcendente, de Bron, de Here der Heerscharen, de Here der Heren, de Schepper, de 'Ik-Ben', Allah, Jehova, YHWH, Elohim, Brahman, Ein-sof, de Alziel, Al Dath, El Sjaddai, de Enige Absolute, de Einöde, Hari, de Boeddha, de Dharmakaya, Krishna, Shiva, G’d, Adonai, Vishnu, Heilige Vader, Ahura Mazda, Hakadosj Baroech Hoe, Odin, Tloque Nahuaque, Rama, Hasjem of welke naam we ook verkiezen. De Griekse naam voor de Godheid is Theos. Theos blijkt nu – in onze Tweede Axiale Periode – als immanente transcendentie werkzaam, of als transcendente immanentie. En al eerder meldde ik van de nieuw-religieuze ontwikkeling van de ‘horizontale transcendentie’, de dieptetranscendentie.

 

Het Theïsme is het geloof dat God zowel transcendent als immanent is; God is dus tegelijkertijd oneindig en ver boven de mensen verheven, maar tegelijkertijd de Aanwezige in het wereldgebeuren en in onszelf. Echter vele theïsten en monotheïsten geloven behalve in God als Opperwezen ook in het bestaan van andere, minder machtige ‘onsterfelijke’ wezens en verschijnselen, maar geven hen andere namen, zoals engelen, demonen, etc. [12] In het panentheïsme (Grieks: pan=alle, en=in en Theos=God) behoudt God zijn transcendente karakter en wordt God gezien als zowel de schepper, als de Oorsprong van een universele moraal. Maar binnen het panentheïsme is God vooral immanent in de gehele schepping actief aanwezig, het universum is deel van God, en God Zelf is dan de drijvende kracht of de Attractor achter het universum. In tegenstelling tot het pan-theïsme (Alles, het Universum, de Kosmos, de Natuur is God Zelf, in al Zijn aspecten) gaat het pan-en-theïsme er dus van uit dat God tegelijk meer is dan het waarneembare universum omdat God alle bestaanswerelden omvat, en ze ‘creëert’ door ze voor ons van Zijn benamingen te voorzien.

 


[1] Baha'u'llah, De Verborgen Woorden, p. 24

[3] Peter Russell: Communications; Global Internet Traffic, 1997

[4] Bahá’u’lláh, Prayers and Meditations, p. 195

[5] De Tweede Spiltijd begon nog maar zeer recentelijk, vanaf de 18e eeuw. De mensheid leeft nu in dit tijdperk!

[6] Karl Jaspers: Vom Ursprung und Ziel der Geschichte, 1949. Maar meerdere denkers bevestigden die conclusies, bijvoorbeeld Bellah (Beyond Belief, 1976), Eisenstadt (The origins and diversity of axial age civilizations, 1986), Hick (An interpretation of religion, 1989), en vooral: Lambert (Religion in Modernity as a New Axial Age, 2000)

[7] Hoogleraar ethiek aan de Theologische Universiteit Kampen. Hij publiceerde o.a. over de individualisering van de ethiek en de evolutie van de moraal. Zie http://home.hetnet.nl/~delangef

[8] Ongewenste Goden; de publieke rol van religie in Nederland, Red. Marcel ten Hooven en Theo de Wit, SUN, 2006, ISBN 90 8506 202 0

[9] Gauchet, M., Le désenchantement du monde; une histoire politique de la religion. Paris: Gallimard (1985), en La conditon historique; entretiens avec François Azouvi et Sylvain Piron. Paris: Stok, 2003

[10] Zie hoofdstuk 6, Persoonlijke bezieling, Frits de Lange in Ongewenste Goden; de publieke rol van religie in Nederland, Red. Marcel ten Hooven en Theo de Wit, SUN, 2006, ISBN 90 8506 202 0

[11] De geschriften van Nichiren Daishonin, deel I, p. 5