De individuatie van waarheid
 

Roshan Danesh, Gordon Dicks en Sen McGlinn[1] besteedden aandacht aan de rol van de ‘individuatie’[2] in een gezonde gemeenschapsvorming. Echte geestelijke groei van de persoon en elke spirituele bewustzijnsverruiming begint met individuatie, met een zich losmaken van de kuddementaliteit; ‘mens, durf zelf na te denken’, ‘mens durf te leven!’. En op de discussie van het genoemde drietal sluit ik zelf graag aan met mijn eigen mijmeringen:

Vanuit het Westen verspreidt zich (in het verlengde van de individualisatie[3] na de Verlichting) de individuatie van waarheid in personen die steeds meer ‘zichzelf worden’.[4] Hierbij staan ‘individuatie’ en ‘de cultus van het individualisme[5] diametraal tegenover elkaar.

De cultus van het individualisme leidt tot een merkwaardige vorm van een anti-sociaal en modieus collectivisme, dus schijn-autonoom, hoe paradoxaal dat ook klinkt.

 

Ware individuatie leidt juist tot de vorming van sociale, authentieke en autonome mensen voor ware gemeenschap. Persoonlijke individuatie binnen de menselijke soort is een belangrijk aspect in het grote evolutionaire proces van voortschrijdende individuatie zelf.[6] De evolutie kenmerkt zich door de formatie van steeds hogere organische complexiteit. Gezonde organismen vormen juist een cohesieve, levensvatbare en vitale heelheid op basis van goed geïndividueerde suborganismen. In zo’n organisme heerst een gezonde, productieve en harmonieuze eenheid op basis van verscheidenheid. Hoe breder die basis van verscheidenheid van geïndividueerde deelnemers, des te complexer en ‘hoger’ het organisme. De evolutie heeft de mensheid – onder leiding van God, zou je kunnen zeggen – tot steeds omvangrijker gemeenschappen samen gebracht. En nu is de tijd aangebroken dat de gehele mensenfamilie tot één organisch geheel gebracht wordt. In feite is de ‘consultatieve sfeer’ nu al op mondiale schaal getild. Ik vervolg dit opstel echter met het oog op kleinere consultatieve groepen.

 

In een zuivere en ware consultatieve sfeer kan waarheid binnen een groep natuurlijk ook wel tot individuatie komen. Maar toch begint het allemaal bij de individuele persoon, als deelnemer aan welke beraadslaging dan ook. Welk karakter heeft die persoon, welke mentaliteit ontwikkelde de deelnemer in een consultatieve sfeer waarin hij/zij zich (niet altijd naar eigen keuze) bevind. Een consultatieve sfeer overigens, die niet zo makkelijk door één deelnemer verbeterd kan worden. Het ‘eerste gebod’, het ‘eerste beginsel’, de ‘voornaamste plicht’ blijft ook dan tóch nog de individuele(!), onafhankelijke en zelfstandige vaststelling van waarheid. De deelnemer laat zich daarbij niet belemmeren door de gegeven omstandigheden, ook niet door gevestigde traditionele stijlen m.b.t. de omgang met waarheid. De individuatie van waarheid hoort dan ook primair ‘thuis’ bij de individuele persoon.

 

Waar de individuele deelnemer in de meeste gevallen mee geconfronteerd wordt zijn de reeds gevestigde, vaak schriftuurlijk vastgelegde, ideologische of religieuze waarheidsverhalen waar hij of zij mee zal moeten omgaan. Al in de eerste jaren van ons leven worden we geconfronteerd met waarheden die ‘van boven’ tot ons komen, van onze ouders met hun natuurlijke gezag in het gezin, van de leerkracht voor de klas, van de docent van onze opleiding, van de beleidsmakers in onze werkkring, van de autoriteiten van onze ‘gemeenschap van waarheid’ en van de oprichters van ‘óns verbond’, ‘ónze kring van gelovigen’ of ‘ónze politieke partij’.

 

Die ‘waarheden-van-boven’ zijn voorgegeven (vaak zelfs ‘voorgeschreven’), terwijl het juist gaat om de waarheid uit ‘de grond van je hart en je eigen geweten’, uit een huwelijk van je eigen rede met je eigen geloof, dus waarachtig uit een persoonlijke vaststelling van waarheid.

Waarheden ‘van boven’ zullen dan, door een aantal ‘verwerkingslagen’ heen naar je binnenste vertaald en geïnterpreteerd moeten worden, in een poging om je die waarheden ‘eigen’ te maken. Want anders blijf je bezig met een ritueel van klakkeloos napraten, zonder authentieke inhoud en betekenis.

Het kritiekloos overnemen van andermans kennis en leringen levert geen eigen wijsheid op:

“Er bestaat een gezegde in de Tibetaanse geschriften: ‘Kennis moet, net als zuiver goud verhit, gesmeed en gehamerd worden. Dan kan ze als een sieraad gedragen worden.’ Dus als je geestelijk onderricht van iemand ontvangt, neem het dan niet kritiekloos aan, maar verhit het, smeed het en hamer het, totdat de heldere, statige kleur van goud tevoorschijn komt. Dan verwerk je het tot een sieraad, zó ontworpen dat je mooi vindt, en je tooit je ermee.

Daarom is de dharma (wet, moraal) voor elke leeftijd en op elke persoon van toepassing; het is een levend iets. Het is niet voldoende om je meester of je goeroe na te doen; probeer niet een replica van jouw leraar te worden. De leringen zijn een persoonlijke ervaring van de individu, pas zo worden ze dan eigendom van de huidige drager van de lering. Het geestelijke pad is een eenzame, persoonlijke weg.” [7] Dus nogmaals: waarheden ‘van boven’ (net als zuiver goud) zullen dan door een aantal ‘verwerkingslagen’ heen gesmeed en gehamerd moeten worden, en naar je binnenste vertaald en geïnterpreteerd moeten worden om je die waarheden ‘eigen’ te maken. Dat doorbreekt een ritueel van klakkeloos napraten zonder authentiek eigen inhoud en betekenis, dus zonder geïndividueerde waarheid.

 

Ik zal verderop die verwerkingslagen, ‘vertaligsgebieden’ of  ‘interpretatieniveaus’ weergeven, en dan maak ik graag gebruik van relevante publicaties op dit gebied.[8]

Ook maak ik gebruik van het Bahá’í-standpunt ten aanzien van de aloude menselijke neiging tot letterlijke interpretatie van openbaringsteksten: “Een van de sluiers is letterlijke interpretatie. Om door te dringen tot de innerlijke betekenissen is heel erg veel inspanning nodig.” [9]

Nicole des Bouvrie schreef recentelijk een interessante paper over het Bahá’í-geloof met betrekking tot fundamentalisme en modernisme, en ook daarvan maak ik graag gebruik.

 

Waar het om draait is je liefde voor waarheid, je eigen waarachtigheid, je oorspronkelijkheid, eerlijkheid, transparantie, betrouwbaarheid. Het vertrouwen dat je gaandeweg krijgt in je eigen, unieke wezenskern speelt daar een grote rol in, en het is die binnenste gewetensvolle ruimte van waaruit je de liefde voor waarheid en je psychische gewetensfunctie ontwikkelt. Vanaf dan is het klakkeloos kopiëren van waarheden niet meer mogelijk, evenals die blinde navolging en geautomatiseerde gehoorzaamheid die we hiervoor al bespraken.

 

Een begrip dat hieraan ten grondslag ligt is het principe van de ‘uniciteit’ (enkelheid, uniekheid, enigheid); alles – dus ook iedere menselijke ziel – is een ‘monade’, een uitdrukking van De Monade, alles is uitdrukking van De Ene, De Enige, de Oorsprong, de Bron. In de hele werkelijkheid bestaan geen kopieën. De werkelijkheid produceert geen replica’s zoals een copyshop of een lopende band ons suggereert. Over ‘uniformiteit’ kunnen we allerlei fantasieën koesteren, maar in de werkelijkheid doet er zich nergens zoiets als uniformiteit voor. Alle mieren, alle grassprietjes, alle zandkorrels, zelfs alle gelijknamige atoomdeeltjes zijn in wezen ‘enig’ en uniek, ook al gaan we er voor het gemak van de hanteerbaarheid mee om alsof er uniformiteit bestaat. Als er een kloon van een schaap gemaakt wordt, is die kloon uniek. Geen twee entiteiten zijn ‘hetzelfde’. Alle ‘eenheden’ (ook geestelijke; gedachten, etc) zijn als een uitdrukking van ‘de Ene’. Wij mensen moeten nastreven ‘om gelijk één ziel te zijn’, maar niet nastreven om een uniform geloofsleven te ontwikkelen.

 

Het Soka Gakkai (Nichiren) Boeddhisme[10] heeft de heilige spreuk “Ware ‘gelijkheid’ begint wanneer men erkent dat ieder persoon uniek is, net als de verschillende bloesems van de kers, de pruim, de perzik en damastpruim zijn. ‘Gelijkheid’ wil juist zeggen dat ieder individu in staat is zijn of haar individualiteit volledig te ontplooien.” [11]

Bahá’u’lláh geeft de mensheid de instructie: “Daar Wij u allen hebben geschapen uit één en dezelfde stof, rust op u de plicht gelijk één ziel te zijn.” [12] Soka Gakkai heeft dezelfde plicht, namelijk omdat de wezenlijke eenheid ook causaal is: In het voortschrijdend NU-moment - en in essentie is er alleen het NU (tijdsverloop is slechts een aspect van de stoffelijk-ruimtelijke wereld) – is alleen éénheid, en alle overtreding daarvan levert conflictueuze ellende op, waarbij er zich slechts één drijfveer gaat voordoen: conflicterende partijen zoeken elkaar op in een poging tot herstel van eenheid. Mensen zijn in wezen al gelijk één ziel, dus staat de realisatie van die eenheid ook centraal.

 

Er zijn geen twee mensen te vinden met ‘hetzelfde’ waarheidsleven, ook niet bij eeneiige of ‘identieke’ tweelingen. Ieder menselijk waarheidsverhaal is weer een unieke uitdrukking van de Ene Bron van Waarheid. Vanaf de conceptie is ieder mens dus eigenlijk al ‘oorspronkelijk’ van zichzelf, en met die oorspronkelijkheid hoeven we alleen weer contact te krijgen. Het gaat niet om uniformering maar juist om de koestering van de eenheid-in-verscheidenheid van ons allemaal, dus van alle 6 miljard andersgelovigen, de noodzakelijke basis voor een gezonde organische cohesie in de wereldsamenleving. Geen enkel organisme leeft op basis van uniformiteit, zij leven juist op basis van individuerende ‘uniciteit’. Hoe groter de verscheidenheid en complexiteit, hoe hoger het organisme, als we de natuur als metafoor nemen.

 

Een immens probleem blijft die verwarring van de twee begrippen ‘eenheid’ en ‘uniformiteit’. En op sociaal levensbeschouwelijk gebied is die verwarring fataal. Ook op religieus gebied geldt: hoe groter de verscheidenheid van unieke, authentieke en waarachtige andersgelovigen, hoe gezonder de organische eenheid van religie. En hoe sterker het streven naar uniformiteit in een geloofsgemeenschap, hoe meer verstarring er ontstaat.

 

Dus om te beginnen zullen we iets uit onze oude religiositeit moeten loslaten, namelijk de illusie van uniformiteit, de illusie dat we ‘hetzelfde’ geloven. Er zijn geen twee gelovigen ‘onder één dak’ die uniform ‘hetzelfde’ geloven, ook al zeggen geloofsgenoten in koor dat ze ‘hetzelfde’ geloven. “Twee geloven op één kussen; daar komt God juist graag tussen!” Er zijn geen ééngelovige tweelingen, geen 2 klonen of kopieën wat betreft de formatie van een waarachtig eigen, uniek geloofsleven. Uniformiteit komt in het ware leven niet voor. In een gedisciplineerd militair leger draagt iedere soldaat ‘hetzelfde’ uniform, maar in wezen zijn geen twee soldaten ‘hetzelfde’. Ook de soldaten van het Leger des Heils zijn allemaal unieke gelovigen, ook al zeggen ze dat ze tot ‘hetzelfde’ korps behoren.

 

Voorgegeven, zelfs voorgeschreven waarheden zullen door een aantal verwerkingslagen heen naar je binnenste vertaald en geïnterpreteerd moeten worden teneinde die waarheden authentiek ‘eigen’ te maken en dus ‘tot leven’ te wekken. Ik zal die ‘lagen’, ‘schillen’ of ‘niveaus’ hier opnoemen, van de eerste buitenschil tot de binnenste kern van gewetensvrijheid:

 

Op het 1e interpretatieniveau laat je allerlei waarheden toe, maar dan op een meer cognitieve, observerende, voorlopige, context-onderzoekende en historiserende manier. En op dat niveau kun je gewoon zeggen: Lees maar, er staat wat er staat, of je het nou gelooft of niet. Op dit niveau al, kun je veel waarheidsteksten bestuderen. We kunnen nauwkeurig ‘op de letter’ en ‘op historische juistheid’ alle contextrelativiteit van de aangeboden waarheden checken. Emotiebeladen, religieuze symbolen kunnen we nog met een zekere ‘psychologische afstand’ in beschouwing nemen. Maar let wel: het opmerkelijke feit alleen al, dat bepaalde teksten jou in eerste instantie in het oog vallen en andere pas in latere instantie, die ‘selectieve prioriteit’ van waarneming wordt eigenlijk al vaak bepaald door dieperliggende lagen. Het gaat immers om een immens grote veelheid van teksten in de mensenwereld! Dit eerste niveau van interpretatie noemen we in bahá’í-termen het niveau van ‘ilm’. Het is het niveau van ‘afstand nemen’ en van uit die ‘onbewogen positie’ waarnemen, daartoe is het ‘hogere Zelf’ in staat. Wetenschappers dienen ‘ilm’ de hoogste prioriteit te geven. Niveau 1 kun je het niveau van de rationaliteit noemen, het niveau van de Logos.

 

Op het 2e niveau is het veel moeilijker om afstand te bewaren tegenover emotiebeladen, religieuze symbolen. Hier gaat het om het symbolen-geladen verhaal-dat-gaat, in de tekst zelf, maar vooral over die tekst. Bij een gelovige van specifieke komaf is dit natuurlijk een specifieke ‘allegorese’ omdat alle verhaalwoorden immers verwijzen naar de geschriften van het geloof waartoe je jezelf verklaard hebt. Het gaat dan om teksten met de nodige dramatische metaforen, analogieën, allegorieën, parabels en overleveringen. ‘Verhaal’ is net als een stromende rivier, vol van spiritueel drama; je laat je in die goede stroom graag meeslepen in volledige overgave aan een allegorische  betekenisgeving. Niveau 2 brengt je in verleiding om met heel je emotionele systeem in het vertelde te geloven. Men zegt wel eens dat wij geschapen zijn voor verhaal, zelfs dat wij verhaal zijn en ons tot de ander verhalend kenbaar maken, opdat de mensen in ons gaan geloven, een kwestie van ‘make believe’ dus. Verbeelding en grammatica spelen een grote rol op laag 2. Mensen zijn niet alleen ‘talige’ wezens, maar vooral ook gevoelvolle, fantasierijke, creatieve verbeelders, geschapen co-creatoren  op het Pad van het scheppingsproces. Niveau 2 is, zo zou je kunnen zeggen, het niveau van de emotioneel verhalende verbeelding, van de Mythos.

 

Op het 3e niveau is er een morele betekenisgeving: de tekst- en verhaalwoorden kunnen dan aangeven hoe je zelf moet leven en handelen. Op niveau 3 regeert je psychosociale, in de groep ontwikkelde gewetensfunctie, de loyaliteiten, de gehoorzaamheid aan de intra-religieuze verkeersregels, wetten en verordeningen. Niveau 3 verkeert in een blijvende worsteling met het diepteniveau 4 omdat het wezen van religie immers meer mystiek dan wettisch van aard is. Ook wettische mensen zijn deelnemers in ‘make belief’, en de geschiedenis bewijst hoe sterk mensen geneigd zijn om eerder te kiezen voor blinde gehoorzaamheid binnen een menselijke gezagshiërarchie, dan voor het beluisteren van God. Niveau 3 is het niveau van de moraliteit, de Mores.

 

Op het 4e niveau is er dan de anagogische interpretatie, vertrekpunt voor de anagogische weg:

Op dit diepteniveau is er een betekenisgeving die de lezer naar z’n eigenste binnen leidt, dus naar een waarachtiger, eigen zin-ontdekking: dichter bij je eigen ziel, je wezenskern, dichter bij je ware zelf, dichter bij… de spiegel in je hart; en hoe meer je je eigen spiegel zuivert, hoe meer je daarin ‘de Vriend’  mag ont-moeten, en hoe meer je (soms met wat verlegen schroom) mag gaan vaststellen dat je inderdaad geschapen bent naar Zijn beeld en gelijkenis. De bahá’í-terminologie voor het anagogische niveau is “Irfan” , de spirituele gnosis, de innerlijke, mystieke en esoterische kennis vanuit je wezenskern, je ware Zelf; dat wat je in eigen-wijsheid ge-weten hebt. Alleen deze kennis-van-het-hart (fu’ad) kan je verlichten en transformeren, maar daarbij is het dan het beste om de (veelal onzegbare) Irfan van niveau 4 harmonieus in partnerschap te brengen met de (zegbare) Ilm van niveau 1, de rede, de intellectuele benadering, een meer ‘formele’ kennis. Irfan en Ilm samen, dat is de aloude weg, je mag dan met recht de naam Fuad dragen. Niveau 2 en 3 zitten daar dan tussenin behoorlijk te interveniëren. Niveau 4 is dan uiteindelijk het diepteniveau van je ware authenticiteit, de Veritas.

 

Rob van Otterdijk, in zijn recente essay[13] over consultatieve waarheidsvinding binnen de zakenwereld, heeft dat diepteniveau van je eigen authenticiteit centraal gesteld onder de term ‘inner vision’. Hij zegt dat wij onszelf (en wij werken immers allemaal op de werkvloer van het bedrijvige leven, EF), geleidelijk, innerlijk, zouden moeten transformeren door onze keuzes niet alleen te baseren op onze rationele overwegingen (niveau 1), maar ook op onze innerlijke waarneming (niveau 4). Eerder had ik het over ons ingebouwde ‘voelertje’ in de binnenste (unieke) kern van je gewetensvolle ruimte, of over de ingebouwde spiegel in je hart, over de spirituele gnosis, het mystieke ‘weten’ van je hart, vanuit je ware Zelf; dat wat je in eigen-wijsheid te weten bent gekomen. Alleen díe dieptekennis-van-het-hart (fu’ad) kan je verlichten en transformeren. Rob van Otterdijk verwijst in zijn essay voorts naar een beschrijving van Mahatma Ghandi, zoals hij uitging van zijn eigen dieptekennis, een ‘weten’ dat hem dermate krachtig motiveerde, vitaliseerde en mobiliseerde dat hij in de gewetenslaag van heel de mensheid een diep spoor heeft nagelaten: “Het was zijn gewoonte, van jongs af aan, om te vertrouwen op – wat hij zelf noemde – het ‘innerlijke licht’ of de ‘innerlijke waarneming’ voor het oplossen van mentale en spirituele problematiek.” [14]

 

Kortom: dat innerlijke licht en die innerlijke waarneming verlichten de weg die je zelf zult moeten gaan. Het ‘anagogische pad’ is je uiteindelijke eigen pad, vertrekkend vanuit je eigen Ware Zelf, je diep-eigen gewetenskern, het ‘weten van je eigen hart’. Iedereen heeft – als homo viator - in wezen een eigen ‘weg’ te gaan, met een eigen ‘bestemmingsplan’. Maar hoe steek je daarbij zelf in elkaar, qua persoon? Hoe profileert je eigen karakter je?

 

Verwerkingsgebieden kunnen vaak tot een bepaalde eenzijdigheid leiden: Als ik het model van de 4 niveaus leer hanteren, dan kan ik merken of ik op een bepaald niveau een vorm van eenzijdigheid heb ontwikkeld. Bijvoorbeeld hoog op het droge blijven zitten op niveau 1, of heerlijk collectief mee-zwemmend in het verhaal-dat-gaat op niveau 2, of blijven zitten op het morele gewetens-niveau (het heilige moeten) op 3, of navelstaarderig blijven hangen op m’n diepteniveau 4. Maar ook kan ik vaststellen of ik me misschien té eenzijdig preoccupeer met teksten uit eigen parochie, of dat ik me voor inspiratie ook buig over teksten van anders-denkende gelovigen, of wetenschappers, filosofen, literatoren, kunstenaars en de gewone medeburgers. Het is goed om een grootst mogelijke diversiteit aan bronnen te raadplegen, en je niet eenzijdig te beperken tot je eigen geloofsboeken.

 

Genoemde verwerkingsgebieden doen ook vaak mee in de vorming van bepaalde mentaliteiten: Aan de hand van de 4 niveaus kan ik merken welke religieuze mentaliteit ik zelf heb. Is mijn geloofsleven nogal vaak intellectualistisch op 1? Is mijn geloof vaak sentimenteel, collectief en traditionalistisch op niveau 2? Of zit ik als een wettische Prinzipienreiter vast in niveau 3? Of ben ik voornamelijk een individuerende gnosticus/mysticus op niveau 4? Maar het beste kan ik natuurlijk op alle 4 niveaus tegelijk m’n religieuze mentaliteit ontwikkelen, maar dan nog: ben ik dan religieus dromerig en romantisch ingesteld, of triomfalistisch misschien, tot vrijzinnigheid geneigd, humanistisch of particularistisch, individualistisch of collectivistisch?

 

De verwerkingsgebieden (1 t/m 4) doen mee in het ontwikkelen van aparte talenten die iedereen in potentie al heeft meegekregen. Iemand met een intellectueel talent kan vrij makkelijk z’n intellectuele vermogens kwijt op niveau 1. De ander heeft een verhalend talent en kan met de verbeeldende kracht verhaal maken op niveau 2. Weer een ander is scherp in regels en wetten op niveau 3. Nog een ander heeft een gevoelig zintuig voor echtheid, integriteit, duiding, esoterische diepte-inzicht. Wat ‘talenten’ betreft geeft het vier-lagen-model de ruimte voor een immens grote verscheidenheid van combinaties.

 

Maar zo zijn er op het gebied van de esoterie van de wijsheid ook andere modellen. Ik wil als alternatief hier even melding maken van het 9-lagen-model van het eerder genoemde Soka Gakkai Boeddhisme. De Soka Gakkai spreekt van negen bewustzijnslagen, negen lagen van ‘waar’-neming die trouwens alle levende wezens gemeen hebben. De eerste vijf verbinden zich met: gezicht, gehoor, smaak, reuk en gevoel, middelen om informatie te ontvangen uit de wereld om ons heen. De zesde bewustzijnslaag verwerkt die informatie tot een geheel, zodat wij een oordeel kunnen vormen over concrete dingen. De zevende bewustzijnslaag houdt verband met de onzichtbare, abstracte wereld en stelt ons in staat om morele oordelen en waardeoordelen te vormen. De betekenis van deze laag is te vergelijken met het westerse begrip ‘zelfbewustzijn’, in de letterlijke zin van ‘kennis van het zelf’. De achtste bewustzijnslaag ligt onder de laag van bewust denken, dus het onderbewuste of onbewuste, maar is medebepalend voor elke actie. De wezenlijke aard en de unieke eigenschappen van het individu - zijn of haar gewoonten, voorkeur, afkeur, talenten, sterke en zwakke punten - komen alle uit de achtste bewustzijnslaag. De achtste bewustzijnslaag vormt zo het raamwerk voor een individueel leven. Deze laag vertoont overeenkomst met het westerse begrip van onderbewustzijn of ‘het onbewuste’, het geheel aan ervaringen en diepe wensen dat in ieder mens opgeslagen ligt. De negende bewustzijnslaag ligt nog dieper en komt overeen met de essentie van het leven zelf. Deze laag van het bewustzijn kan worden omschreven als zuivere levenskracht en is niet onderhevig aan oorzaak en gevolg. Wij kunnen die levenskracht aanboren en al de andere acht bewustzijnslagen zuiveren. De zuivere levenskracht van de negende laag, of ‘Boeddha’, ons gehele wezen. Daardoor zien, horen, ruiken en proeven we beter; onze zintuigen worden gevoeliger, wij gaan zowel de stoffelijke als de abstracte wereld met grotere helderheid waarnemen en beoordelen; onze capaciteiten en ons levensdoel kunnen zich dan ten volle ontwikkelen. De negende laag is hier de anagogische laag.

 

En dan is het ‘dienen van God’ niet meer gericht tot een externe instantie, ver boven ons, buiten ons, van ons gescheiden, maar dan vindt ‘godsdienst’ plaats in de kern van ons hart. En dan heeft onze gebedsrelatie tot onze Vriend (die we in onze innerlijke spiegel ont-moeten) pas een waarachtige inhoud: “Ik smeek U, o mijn Heer, bij Uw Naam welks luister hemel en aarde omvat, mij in staat te stellen mijn wil zo te onderwerpen aan hetgeen Gij in Uw Tafelen hebt bevolen, dat ik in mij geen andere wens meer zal ontdekken dan hetgeen Gij door de kracht van Uw soevereiniteit voor mij hebt gewenst en geen andere wil dan hetgeen Gij door Uw wil voor mij hebt beschikt.” [15] Je eigen gewetensfunctie in optima forma: de goddelijkheid van de Vriend laat zich in je spiegel weerspiegelen, in momenten van waarheid, schoonheid, liefde, en tegelijkertijd zie je jezelf in de spiegel weerspiegeld, zó dichtbij zijn je eigen tamboer en de Vriend elkaar genaderd, zó ontwikkelt je zelfkennis zich binnen die intieme gezamenlijkheid.

 

Een oefenvoorbeeld in contact met de diepte van je hart: De Vriend claimt het menselijk hart als Zijn woning. De kwalitatieve groei van religie speelt zich in de verborgenheid van harten af: “Al hetgeen in de hemel en op aarde is, heb Ik voor u bestemd behalve het menselijk hart dat Ik tot verblijf van Mijn schoonheid en heerlijkheid heb gemaakt.”[16] “…uw hart is Mijn woning, heilig het voor Mijn nederdaling, uw geest is Mijn plaats van openbaring, zuiver hem voor Mijn verschijning.”[17] Kun je de schoonheid van de tekst aanvoelen? Is dit niet de schoonheid van De Schoonheid Zelf? Als het de snaar in je wezenskern raakt dat ben je bezig om Hem echt te ontmoeten.

 


[1] Sen McGlinn: In praise of individuation; Towards the Enlightened Society, Bahá’í Studies Review 4.1, 1994; Commentary by Roshan Danesh and Gordon Dicks, ibid. vol.6, 1996.

[2] Individuatie: waarheid ontwaakt pas in de authentieke, unieke persoon tot een waarachtig waar-zijn zelf.

[3] In-dividu: ééngeworden, niet meer te scheiden in ‘vele tegenstrijdige persoonlijkheden onder één geboortenaam’.

[4] Daniel C. Jordan: Zichzelf Worden; Hoe het Bahá'í-geloof de potentiële mogelijkheden van de mens tot ontplooiing brengt  1968

[5] Studiedocument Eeuw van Licht: “Bij het ontbreken van overtuiging in zake de geestelijke natuur van de werkelijkheid en de vervulling daarvan die alleen deze overtuiging bieden kan, is het niet verwonderlijk dat we in de kern van de heersende beschavingscrisis een cultus van het individualisme, dat in toenemende mate van geen wijken weet en dat 'bezit' en 'persoonlijk voordeel' opwaardeert naar een hoge status in de rij van voornaamste culturele waarden.”

[6] Teilhard de Chardin had die visie ook al.

[7] Trungpa, Chogyam; Cutting Through Spiritual materialism, 1973 (eerder aangehaald)

[8] Ik maak hier o.a. gebruik van T.L.Hettema, Univ. Leiden, 2004: De viervoudige schriftzin, van diverse relevante publicaties op het Internet en van F.F. van Haeften, 2004, bijv. zijn essay ‘Godskennis’

[9] ‘Abdu’l-Bahá in Divine Philosophy, p. 29

[11] Nichiren Daishonin Sairen-bo: Soka Gakkai president Ikeda

[12] Baha'u'llah, De Verborgen Woorden, p. 24

[13] Business Ethics with Inner Vision, Rob van Otterdijk, 27 July 2005, Landegg International University, Switzerland 

[14] In F.G. Pratt: Political India, Oxford University Press, 1932. (Zie R.v.O: Business Ethics with Inner Vision)

[15] Bahá'u'lláh, Gebeden, Baha'i Gebeden, p. 43

[16] Verborgen Woorden Perzisch, no. 27

[17] Verborgen Woorden Arabisch, no. 59