Op weg naar één universele Zaak,

één gemeenschappelijk geloof


een kwestie van "evolutionaire heel-wording"

Op weg naar één universele Zaak, één gemeenschappelijk geloof,

een kwestie van evolutionaire heelwording…….

Eric Fienieg, 2006

 

 

Inleiding

 

Het Bahá’í-geloof is erop gericht om de relatie van de mensheid tot God te vernieuwen. En het gaat dan inderdaad om de mensheid als geheel. Nu verkeert de mensheid nog in een toestand van ziekte, ziek van interne gespletenheid, zich uitend in ontelbaar vele, zeer schadelijke symptomen. De heelwording van de mensheid, zo geloven de bahá’ís, kan pas goed gerealiseerd worden als zij zich verenigt in één universele Zaak, één gemeenschappelijk geloof. Want al die ziekelijke verdeeldheid spruit in wezen voort uit elkaar bestrijdende geloofssystemen, ideologieën en religieuze mentaliteiten. Bahá'u'lláh heeft het hele concept van religie als de belangrijkste drijvende kracht voor de ontwikkeling van het bewustzijn vernieuwd.

 

In het Bahá’í-geloof staat de zorg om de heelwording van de mensheid centraal. Het gaat dan om een bewuste bevordering van het integratieproces van de mensheid, op weg van een chaotisch verdeelde, strijdende, onvolwassen en zieke mensheid naar een volwassen mensheid die als één gezond geheel functioneert. Deze zorg is kenmerkend voor ‘het nieuwe tijdperk’, het tijdperk voor ‘de mensheid als geheel’, een volstrekt nieuwe fase in de evolutie.

 

In het verleden kon nooit sprake zijn van een tijdperk voor ‘de mensheid als geheel’. Eigenlijk pas in onze moderne tijd is de mensheid het unieke proces van eenwording binnengetreden, eerst op het aardse vlak, maar langzaam ook op geestelijk niveau. Voorheen waren er allerlei tijperken voor het ontstaan van afzonderlijke ‘eenheden’, volkeren en beschavingen op verschillende plaatsen op aarde, beschavingen die elkaar nauwelijks kenden. Pas nu is een collectief tijdperk aangebroken, gemeenschappelijk voor alle mogelijke rassen, volkeren, culturen en religies die nu in een traumatisch korte tijd met elkaar geconfronteerd worden. De nu aangebroken, nieuwe geschiedenis is dan ook een allereerste geschiedenis van ‘de mensheid als geheel’, boeiend. De geschiedenisboeken van afzonderlijke volkeren zijn definitief gesloten. Met 6 miljard mensen beginnen we een compleet nieuw boek te schrijven.

 

De ontwikkeling van de mensheid vond in het verleden steeds bij gedeelten plaats, versnipperd als in een soort mozaïek. Steeds in andere delen van de wereld ontstonden weer andere beschavingen. Steeds weer andere mensenrassen ontwikkelden hun specifieke kwaliteiten en culturen. Vaak namen deze beschavingen zeer hoge vormen aan. Ze kwamen nogal eens in botsing met elkaar en vaagden elkaar dan weg in een poging tot absolute heerschappij. Soms verdwenen ze gewoon, door gebrek aan levensvatbaarheid of door zichzelf min of meer uit te roeien. De evolutie van de mensheid heeft nu echter een bijzondere fase ingeluid. In het huidige, collectieve tijdperk kijken we op al die “vreemde” beschavingen van weleer terug alsof we in een historisch museum rondlopen. Maar in de huidige fase verzuchten we vaak hoe “leeg” de beschaving van heel-de-mensheid op dit ogenblik wel is, hoe chaotisch, innerlijk verdeeld en ziek de mensheid eigenlijk wel is, nu ze zichzelf probeert te ervaren als één grote familie, zichzelf probeert te zien als één organisme.

 

Het Bahá’í-geloof ziet het als een eerste taak voor de mensheid om de ziekte van de innerlijke verdeeldheid en van het gebrek aan gemeenschappelijke oriëntatie te bestrijden. De gevestigde culturen brachten namelijk allemaal hun eigen mentaliteiten met zich mee in dit nieuwe tijdperk, wereldbeschouwingen en mensvisies die ze verkregen van de religieuze tradities die ze vestigden in een tijd van vóór de huidige eenwording van de mensheid.

 

Oorspronkelijk waren alle religies in de evolutie eigenlijk bedoeld voor de stichting van eenheid-in-verscheidenheid vanuit een toestand van verdeeldheid. En dat werden steeds grotere religies die steeds grotere delen van de mensheid verenigden. De stichters van al die religies zijn dan te beschouwen als “geneesheren wier taak het is het welzijn van de wereld en haar volkeren te bevorderen, opdat zij door de geest van eenheid de ziekte van een verdeelde wereld kunnen genezen..”. Deze Stichters hebben “iedere keer dat zij de wereld hebben verlicht met de luisterrijke straling van de Morgenster van goddelijke kennis telkens weer de volkeren opgeroepen Gods licht te aanvaarden door die middelen, welke het beste beantwoorden aan de eisen van de tijd waarin zij verschijnen."[1]  

 

Maar ook voor de tijd waarin we nu leven geldt de uitspraak“Verheft u en verbrijzelt, gewapend met de kracht van geloof, de goden van uw ijdele verbeelding die verdeeldheid onder u zaaien. Houdt u vast aan hetgeen u nader tot elkander brengt en u verenigt.”[2] 

 

Eigenlijk staat er dat we met de kracht van een realistisch en gezond geloof onze ziekelijke bijgelovigheden moeten bestrijden, want die zaaien verdeeldheid onder ons. Kennelijk kunnen we niet buiten geloof om. Er bestaat kennelijk niet zoiets als een geloofsvrij menselijk leven.

 

[1] Bahá'u'lláh, Bloemlezing, XXXIV

[2] Bahá'u'lláh, Bloemlezing, CXI