Humor en religie - een onmogelijk huwelijk?


Eric Fienieg, 2006

Inleiding

 

In 2004 werd er door het Kaski-bureau een grootscheeps onderzoek gedaan naar de deugden die de Nederlandse bevolking het belangrijkste achtten in het kader van het Nationale Deugden Debat. De uitslag van dat Deugdendebat leverde een top-drie van deugden op, te weten:

1. Zelfverantwoordelijkheid – 60%

2. Humor – 55%

3. Rechtvaardigheid – 55%

 

Hoe het ook zij, velen zullen het eens zijn met de stelling dat humor een ware deugd is, naast die van rechtvaardigheid, zelfverantwoordelijkheid, etc. In het Bahá’í-geloof worden meer dan 52 deugden opgenoemd die met godsdienstige opvoeding en vorming ontwikkeld kunnen worden. Maar de deugd van de humor ontbreekt aan dat rijtje. Ontwikkelen bahá’ís dus geen humor?

 

De volgende tekst vond ik dit jaar (2006) in een actueel handboekje over interreligieus werken:

“Humor komt in de Heilige Boeken weinig voor. Waarom is dit eigenlijk zo?

Is humor niet toegestaan, of verkeerd? Of heeft het te maken met eerbied voor de beschreven (heilige) personen?” [1]. Staat humor op gespannen voet met heiligheid?

 

Doe je een search op internet, of zoek je in stads- en universiteitsbibliotheken naar publicaties met een focus op de harmonie tussen humor en religie, dan valt je op dat dit kennelijk een braakliggend terrein is. Ook binnen het Bahá’í-geloof hebben scholars zich met de meest uiteenlopende onderwerpen bezig gehouden…, behalve op het gebied van de harmonie tussen humor en religie! In het Bahá’í-geloof staat het principe van de harmonie tussen wetenschap en religie op een prominente plaats, de harmonie tussen Ilm en Irfan, tussen hoofd en hart, dus tussen rede en geloof, ratio en intuïtie, Logos en Mythos, verstand en gevoel, en ook het principe van de harmonie tussen man en vrouw staat erg centraal, maar een “Bahá’í-principe van de harmonie tussen humor en religie” is in onze Heilige Boeken niet te vinden. Humor en religie, is dat een onmogelijk huwelijk?

 

O ja, wijlen Hand van de Zaak William Sears schreef eertijds een boek vol humorvolle anekdotes over zijn weg naar het Bahá’í-geloof, en dat geinige boek droeg zelfs de treffende titel “God Loves Laughter”, maar het boek is bepaald geen uitwerking van een principiële harmonie tussen humor en religie. Lachen doe je overigens hartelijk met dat boek, tenminste als je je eerst terug verplaatst naar de tijd waarin dit boek geschreven werd. Ik kom daar later in dit werkstuk op terug als ik beschrijf in welke context ik zelf bahá’í werd, een tijd waarin de combinatie van humor en religie nog heel gewoon was.

 

Tijden veranderen. De complexiteit slaat toe, en het is vandaag de dag niet makkelijk meer om de schoonheid van complexiteitseenvoud – een wezenlijk kenmerk van humor – te vinden. In zoverre ze bekendheid genieten, staan bahá’ís bekend als uiterst vriendelijke, bescheiden, serieuze, ijverige, idealistische, of bevlogen gelovigen. Maar ook de bahá’ís van nu kunnen, als ze zich wat kunnen ontspannen bij alle geloofsijver en hectiek op hun pad van dienstbaarheid aan de Zaak, tot een liefdevolle en humorvolle aanvaarding van de realiteit komen, te beginnen met de realiteit van hun eigen geloofsleven. Het blijkt te kunnen: tussendoor even de tijd nemen om wat dichter bij jezelf te komen, eerlijk ten opzichte van jezelf worden, dichter bij je oorsprong komen, bij de rustige Bron in je eigen hart.

 

Toch begin ik te begrijpen waarom er geen publicaties over de harmonie tussen humor en religie te vinden zijn buiten enkele therapeutische interventies in de pastorale zorg die meer op het herstel van de individuele gelovige toegespitst zijn. In de psychotherapie wordt het individuele vermogen tot humor aangesproken en bemoedigd vanwege de geneeskrachtige werking van humor in persoonlijke problematiek. De helende functies van humor en gein in onze dagelijkse zorgelijkheden zijn dan onder andere die van de broodnodige relativering, de angstreductie, de losmaking van vastgelopen emoties, de regulering van een nieuw evenwicht, de ontspanning om tot jezelf te kunnen komen, de genezing van inadequate denkkaders, het lustgewin en het zinherstel zodat je er weer voor kunt gaan, de hartelijke overgave aan een hernieuwd huwelijk met het Leven, en vooral ook de harmonisering en de integratie van je innerlijke authenticiteit met je externe betrekkingen.

 

Maar hoe heilzaam al dat pastorale werk ook voor individuele problematiek is, ook in dat gebied tref je geen uitwerking aan van een principiële harmonie tussen humor en religie. En dan besef ik pas hoe mysterieus en fascinerend het menselijke kernvermogen van de humor is, vooral zodra het om zuivere, oorspronkelijke en dieptespirituele humor gaat.

Zie vervolg


[1] Interreligieus Werken - Stichting Interreligieuze Dialoog; Uitg. Damon, 2006 - ISBN 90 5573 684 8