homo religiosus - vervolg 8

     De Tweede Axiale Periode

 

We leven nu dus (na de Verlichting) al een poos in het tweede axiale tijdperk; de moderne tijd; de tijd waarin religie wordt getoetst aan wetenschap; de tijd waarin we sceptisch en cynisch zijn geworden over de invoering – destijds in die eerste spiltijd – van die ongrijpbare, onkenbare, oncontroleerbare Transcendentie; de tijd waarin we grondig begonnen te twijfelen aan ‘het nut van God’[1]. Hoe wenselijk is God eigenlijk? Is God als opperste Relatie onmisbaar in het handelen van de mens? Je kunt toch ook ethisch en gewetensvol handelen zonder God? En hebben we God als opperste Raadsman, Psychotherapeut of Coach nog wel nodig? De God als ‘Grote Baas Boven’ heeft toch alleen maar ellende teweeg gebracht? Neem nou tegenwoordig het Islamisme: De dodelijkste ziekte die de wereld teistert spruit immers uit theocratie voort? Is God niet de kwalijkste mythe die we ons destijds hebben verbeeld? Moeten we Mythos niet definitief vervangen door Logos?

 

In deze ‘Tweede Spiltijd’ beginnen we al onze mythische namen, beschrijvingen en definities systematisch te betwijfelen, inclusief die van de meest heilige, meest invloedrijke Abstractie, “God”. Het gevolg daarvan is helaas dat we samen met het badwater van al onze namen en definities ook het kind overboord gooiden. “In ieder land sterft de levenskracht van 's mensen geloof in God uit.”[2], zegt Bahá’u’lláh dan ook, en Nietzsche[3] had dat al aangekondigd met het verhaal van de dwaas die de mensen verweet dat die “God” ten grave hadden gedragen.  Maar wat wil je, als er geen onderscheid meer gemaakt wordt tussen “God” en God? En wat wil je, als wij altijd iets met “God” willen zonder ons af te vragen wat God mogelijk van ons wil, zonder die stilte en ruimte in ons diepste zelf te vinden zodat we naar God kunnen luisteren, zodat we Zijn aanwezigheid kunnen aanvoelen? Zou het kunnen zijn dat onze relatie tot God aan waarachtige vernieuwing toe is?

 

Eigenlijk al in de tijd van de emancipatie van de wetenschap in de 17e eeuw waren er grote denkers zoals Blaise Pascal (1623-1662) die een voorspiegeling gaven van het tweede axiale tijdperk. Blaise Pascal voorzag in zijn ‘Pensées’ de fundamentele leegte in de harten van mensen als het sciëntisme (de overtuiging dat alle religie vervangen dient te worden door wetenschap, alle Mythos door Logos) tot dé enig echte, totalitaire wereldreligie zou worden uitgeroepen. Nee, Pascal verlangde toen al naar het bereiken van een systematische samenhang tussen wetenschap en religie. Het geloof in God bleef volgens hem - rationeel gezien! - de beste keuze. Maar juist  daarom is hervorming en modernisering van de gevestigde pre-moderne religies een essentiële voorwaarde, al was het maar voor hun eigen overleven.

 

We leven in de nieuwe tijdgeest waarin de Westerse idealen van Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, Democratie, Wetenschap, Moderniteit, Zelfverwerkelijking, Zelfbeschikking, Machtskritiek, Religiekritiek, Secularisatie, Individuele Rechten, Technocratie, Humanisering de rest van de wereld gaan bezwangeren. Zo ook de ontgrenzing, de ontremming en zelfbevrijding van de spirituele geest waar het Westen de hele mensheid in is voorgegaan; de liberalisering en democratisering van de religiositeit. Het is misschien een traag en pijnlijk verlopend proces, maar zeker ook een onstuitbaar proces.

 

Naast de moderniteit (en ‘post-moderniteit’) verspreidt zich gaandeweg ook het ‘religieus pluralisme’ over de hele wereld, en gegarandeerd zal de hele mensheid kennis maken met een soort secularisering en de idee dat de religieuze wereld gelijk een mozaïek is van religies waarin géén van de religies te ver mag doorgroeien in macht, ook al blijft een aantal verstarde religies verwachten dat zij in de toekomst ooit zullen triomferen als enig overgebleven, wereldbepalende macht. De twee grootste concurrenten op godsdienstig gebied lijken alleen het christendom en de islam te zijn, maar in feite zijn er meer geloofssystemen die ernaar streven om “in het einde der tijden te zegevieren”, ook concurrenten op politiek-ideologisch gebied. Als je echter goed nadenkt is het niet eens mogelijk dat er één enkel uniform geloofssysteem zal “zegevieren”.

 

Een immens probleem ligt in de verwarring van twee begrippen: ‘eenheid’ en ‘uniformiteit’.

Een uiterst belangrijk werkelijkheidsprincipe is dat van de individuele ‘uniciteit’, opgenomen in een gezamenlijke ‘verscheidenheid’. Hoe groter de verscheidenheid, hoe groter de organische eenheid, kijk maar naar de natuur. Ook op religieus of ideologisch gebied: hoe groter de verscheidenheid van unieke, authentieke en waarachtige gelovigen, hoe gezonder de organische eenheid. Hoe sterker het streven naar uniformiteit in geloof, hoe meer verstarring er ontstaat.

 

Kortom: Zo’n waanzinnige transformatietijd als de huidige, onze ‘tijd van de grote verdrukking’, op weg naar vergeestelijking en volwassenwording, is er nog nooit zo fundamenteel geweest. En dat geldt in het bijzonder voor de vernieuwing van onze relatie tot God in een tijd dat de vitaliteit van het geloof in God uitsterft. Bahá’u’lláh zegt daarover:

 

“Welke "verdrukking" is smartelijker dan dat een ziel die zoekt naar de waarheid, en tot de kennis van God wenst te komen, niet weet waarheen zich te wenden en bij wie dit te zoeken? Want er zijn pijnlijke meningsverschillen, en de wegen om tot God te komen hebben zich vermenigvuldigd. Deze "verdrukking" is het wezenlijke kenmerk van iedere Openbaring. Dit moet eerst plaatsvinden anders kan de Zon der Waarheid niet worden gemanifesteerd. Want het aanbreken van de morgen van goddelijke leiding zal onvermijdelijk volgen op de duisternis van de nacht van dwaling.”[4]

 

Als afsluiter: in een fraai stuk uit het Boek van Zekerheid legt Bahá’u’lláh uit:

 

“Wat betreft de woorden: ‘Terstond na de verdrukking van die dagen’ - deze verwijzen naar de tijd dat de mensheid verdrukt en bezocht zal worden, de tijd dat de overgebleven sporen van de Zon der waarheid en de vruchten van de Boom van kennis en wijsheid uit haar midden zullen zijn verdwenen, de teugels van het mensdom in de greep zullen zijn van dwazen en onwetenden, de deuren van goddelijke éénheid en begrip - het essentiële en hoogste doel in de schepping - gesloten zullen zijn, kennis plaats gemaakt zal hebben voor ijdele waan, en corruptie de plaats van rechtvaardigheid zal hebben ingenomen.

 

Van zulke omstandigheden is men in deze tijd getuige, nu de teugels van iedere gemeenschap in handen zijn gevallen van dwaze leiders die leiding geven naar hun eigen grillen en begeerten. In hun mond is het noemen van God een holle naam geworden; in hun midden is Zijn heilig Woord een dode letter. Zo groot is de macht van hun begeerten dat de lamp van het geweten en de rede in hun hart is gedoofd en dit, ofschoon de vingers van goddelijke macht de deuren van de kennis Gods hebben ontsloten, en het licht van goddelijke kennis en hemelse genade het wezen van al het geschapene zo sterk heeft verlicht en bezield, dat in ieder ding een deur van kennis is geopend en in ieder atoom sporen van de zon zichtbaar zijn gemaakt. En toch beelden zij zich - niettegenstaande al deze veelvuldige openbaringen van goddelijke kennis die de wereld hebben omvat - vergeefs in dat de deur van kennis is gesloten en de stroom van genade is opgehouden.

 

Zich vastklemmend aan loze inbeelding zijn zij ver afgedwaald van het "Urvatu'l-Vuthqá" van goddelijke kennis. Hun hart schijnt niet geneigd te zijn tot kennis en de deur daartoe, noch denken zij aan de openbaarmakingen ervan, aangezien zij in hun loze inbeelding de deur hebben gevonden die leidt naar aardse rijkdommen, terwijl zij in de manifestatie van de Openbaarder van kennis niets vinden dan de oproep tot zelfopoffering. Daarom houden zij natuurlijkerwijs vast aan het eerste, en ontvluchten het laatste. Ofschoon zij in hun hart erkennen dat de Wet van God één en dezelfde is, vaardigen zij toch van alle kanten een nieuw gebod uit en maken zij herhaaldelijk nieuwe besluiten bekend. Geen twee worden er gevonden die het eens zijn over één en dezelfde wet, want zij zoeken niet God, maar hun eigen begeerten en bewandelen geen ander pad dan dat van dwaling. In leiderschap hebben zij het einddoel van hun streven gezien, en zij rekenen trots en hoogmoed tot de meest begeerde verworvenheid. Zij hebben hun lage kuiperijen boven het goddelijke gebod geplaatst, overgave aan Gods wil verworpen, zich bezig gehouden met zelfzuchtige berekeningen en de weg van de huichelaar bewandeld. Uit alle macht streven zij er naar zich veilig te stellen in hun onbetekenend werk, uit vrees dat het geringste diskrediet hun gezag ondermijnt of hun uiterlijk vertoon bezoedelt. Was het oog gezalfd en verlicht met de kennis van God, dan zou het zekerlijk ontdekken dat een aantal vraatzuchtige dieren zich hebben verzameld en azen op de rottende overblijfselen van de zielen der mensen.

 

Welke "verdrukking" is groter dan de reeds opgesomde? Welke "verdrukking" is smartelijker dan dat een ziel die zoekt naar de waarheid, en tot de kennis van God wenst te komen, niet weet waarheen zich te wenden en bij wie dit te zoeken? Want er zijn pijnlijke meningsverschillen en de wegen om tot God te komen hebben zich vermenigvuldigd. Deze "verdrukking" is het wezenlijke kenmerk van iedere Openbaring. Dit moet eerst plaatsvinden anders kan de Zon der Waarheid niet worden gemanifesteerd. Want het aanbreken van de morgen van goddelijke leiding zal onvermijdelijk volgen op de duisternis van de nacht van dwaling. Om deze reden is er in alle kronieken en overleveringen van deze dingen melding gemaakt, n.l. dat ongerechtigheid het oppervlak der aarde zal bedekken en duisternis de mensheid omhullen. Daar de overleveringen waarnaar verwezen is, bekend zijn en daar het de bedoeling is van deze dienaar om beknopt te zijn, zal Hij er zich van onthouden de tekst van deze overleveringen aan te halen.

 

Zou met deze "verdrukking" (wat letterlijk betekent: druk) worden uitgelegd dat de aarde zal inkrimpen, of zou de mens in zijn nutteloze verbeelding denken dat soortgelijke rampen de mensheid zouden treffen, dan is het zonneklaar dat dergelijke gebeurtenissen nooit kunnen voorvallen. Zij zullen vast en zeker tegenwerpen, dat dit eerste vereiste van goddelijke openbaring niet aan het licht is getreden. Dit hebben zij altijd beweerd en beweren zij nog. Terwijl met "verdrukking" bedoeld is: het gebrek aan bekwaamheid om geestelijke kennis te verwerven en het Woord van God te begrijpen. Er is mee bedoeld dat, wanneer de Dagster van Waarheid is ondergegaan en de spiegels die Zijn licht weerkaatsen zijn heengegaan, de mensheid zal worden bezocht met "verdrukking" en ontbering, niet wetend waarheen zich te wenden voor leiding. Derhalve onderrichten Wij u in de uitleg van de overleveringen en onthullen u de geheimen van goddelijke wijsheid, opdat gij wellicht de betekenis daarvan moge begrijpen en behoren tot hen die volop uit de beker van goddelijke kennis en begrip hebben gedronken.

 

En nu wat betreft Zijn woorden - "De zon zal verduisterd worden en de maan zal geen licht geven en de sterren zullen van de hemel vallen." Met de termen "zon" en "maan" die in de geschriften van Gods Boodschappers zijn vermeld, zijn niet uitsluitend de zon en de maan van de zichtbare wereld bedoeld. Neen, veelvoudig zijn de betekenissen die zij met deze termen hebben bedoeld. In elk afzonderlijk geval hebben zij een speciale betekenis aan deze woorden toegekend.

 

Zo wordt er met de "zon" enerzijds bedoeld die Zonnen der Waarheid die opkomen aan de dageraad van aloude glorie en de wereld vullen met een milde uitstorting van genade uit den hoge. Deze Zonnen van Waarheid zijn de universele Manifestaties van God in de werelden van Zijn hoedanigheden en namen; evenals de zichtbare zon die op bevel van God, de Ware, de Aangebedene, helpt bij de ontwikkeling van alle aardse dingen, zoals de bomen, de vruchten en de kleuren, de mineralen en alles wat men in de wereld der schepping kan waarnemen, zo maken de goddelijke Hemellichten door hun liefhebbende zorg en opvoedende invloed, dat de bomen van goddelijke eenheid, de vruchten van Zijn éénheid, de bladeren van onthechting, de bloesems van kennis en zekerheid en de mirten van wijsheid en uiting tot leven komen en zichtbaar worden. Zo wordt door de opkomst van deze Hemellichten van God de wereld nieuw, stromen de wateren van eeuwig leven voort, golven de baren van liefderijkheid, worden de wolken van genade vergaard en gaat de ademtocht van barmhartigheid over al het geschapene. Door de warmte van deze Hemellichten van God en het onsterfelijke vuur dat zij doen ontvlammen, laait het licht van de liefde Gods op in het hart der mensheid. Door de overvloedige genade van deze Symbolen van Onthechting wordt de Geest van eeuwig leven geademd in de lichamen der doden. De zichtbare zon is zonder twijfel slechts een teken van de pracht van die Zon der Waarheid, een Zon die nimmer haar weerga of een mededinger kan hebben. Door Hem leven en bewegen alle dingen, en hebben hun bestaan. Door Zijn genade zijn zij zichtbaar gemaakt en tot Hem keren zij allen terug. Uit Hem zijn alle dingen voortgesproten en allen hebben zich naar de schatkamers van Zijn openbaring begeven. Van Hem ging al het geschapene uit en naar de verblijfplaatsen van Zijn wet keerden zij terug.

 

Dat deze goddelijke Lichten soms beperkt schijnen te zijn tot bepaalde aanduidingen en hoedanigheden, zoals u hebt opgemerkt en nu kunt opmerken, is enkel en alleen te wijten aan het onvolmaakte en beperkte begrip van bepaalde geesten. Anderszins waren zij te allen tijde - en zullen zij tot in eeuwigheid voortgaan dit te zijn verheven boven iedere loftuiting en geheiligd van iedere beschrijving. Nooit kan de kern van welke naam dan ook hopen op toelating tot Hun hof van heiligheid, en de hoogste en Zuiverste van alle hoedanigheden kan nimmer Hun koninkrijk van glorie naderen. Onmetelijk hoog zijn de Boodschappers van God verheven boven het begripsvermogen van de mens die Hen nimmer kan kennen dan door hen Zelf. In de verste verte komt het niet met Gods Glorie overeen dat Zijn Uitverkorenen zouden worden verheven door iemand anders dan door Hen persoonlijk. Verheerlijkt zijn Zij boven de lof van mensen; verheven zijn Zij boven menselijk begrip!” [5]

 

 



[1] Zie bijvoorbeeld Hans Jansen: Het nut van God, 2001

[2] Bahá'u'lláh, Bloemlezing, XCIX

[3] God werd na de Verlichting steeds meer als een projectie van de mens zelf gezien (vgl. Ludwig Feuerbach Das Wesen des Christentums, 1841) en tenslotte door Nietzsche (Die fröhliche Wissenschaft, 1882) dood verklaard. Om hun godsmoord waardig te zijn zouden de mensen zelf God moeten worden, Übermensch…..

[4] Bahá'u'lláh, Het Boek van Zekerheid/De Kitáb-i-Iqán, blz. 24

[5] Bahá’u’lláh in Boek van Zekerheid, Kitáb-i-Iqán.