homo religiosus - vervolg 7

      De vele namen voor God

 

De naam “God” kan nu – binnen onze Tweede Axiale Periode - wel gezien worden als een overkoepelende naam, een  meta-naam, ter aanduiding van die Onkenbare Essentie Zelve, het Eeuwig Opperwezen, die Ultieme Werkelijkheid, de Tao, de Transcendente, de Bron, de Here der Heerscharen, de Here der Heren, de Schepper, de 'Ik-Ben', Allah, Jehova, YHWH, Elohim, Brahman, Ein-sof, de Alziel, Al Dath, El Sjaddai, de Enige Absolute, de Einöde, Hari, de Boeddha, de Dharmakaya, Krishna, Shiva, G’d, Adonai, Vishnu, Heilige Vader, Ahura Mazda, Hakadosj Baroech Hoe, Odin, Tloque Nahuaque, Rama, Hasjem of welke naam we ook verkiezen. De Griekse naam voor de Godheid is Theos. Het Theïsme is het geloof dat God zowel transcendent als immanent is; God is dus tegelijkertijd oneindig en ver boven de mensen verheven, maar tegelijkertijd de Aanwezige in het wereldgebeuren en in onszelf. Echter vele theïsten en monotheïsten geloven behalve in God als Opperwezen ook in het bestaan van andere, minder machtige ‘onsterfelijke’ wezens en verschijnselen, maar geven hen andere namen, zoals engelen, demonen, etc. [1] In het panentheïsme (Grieks: pan=alle, en=in en Theos=God) behoudt God zijn transcendente karakter en wordt God gezien als zowel de schepper, als de Oorsprong van de universele moraal. Maar het panentheïsme is God vooral immanent in de gehele schepping actief aanwezig, het universum is deel van God, en God Zelf is dan de drijvende kracht achter het universum. In tegenstelling tot het pan-theïsme (Alles, het Universum, de Kosmos, de Natuur is God) gaat het pan-en-theïsme er dus van uit dat God meer is dan het waarneembare universum omdat God alle bestaanswerelden omvat.[2]

 

Uiteindelijk zou de christenheid de overhand krijgen, maar dan langs een verrassend nieuwe weg: Het was de christenheid die onder kruisbestuiving van islamitische en joodse kwaliteiten, en voortbouwend op de Grieks-filosofische en Romeins-wetgevende rationaliteit, de juiste inbedding kon geven aan de emancipatie en de ontwikkeling van een geestelijk geheel onafhankelijke instelling die vanaf de 17e eeuw zou gaan domineren: de wetenschap!

 

Trouwens: al in de eerste axiale periode vond, naast de puur religieus/sociale, ook een meer intellectuele, rationele, wetenschappelijke en technologische Verlichting plaats, de Griekse (Ionische) Verlichtingsperiode. Maar die intellectuele Verlichting duurde slechts van 500 vóór Christus tot 400 na Christus en ging wonderlijkerwijze onder aan christelijke dominantie. De beroemde grote Bibliotheek van Alexandrië die centraal stond in de Ionische Verlichting werd zelfs geheel in de as gelegd, een historische ramp! Vooraf en tijdens de bibliotheek leefden in het gebied van de oude Grieken mensen als Thales, Pythagoras, Democritus, Plato, Aristarchus van Samos, Eratosthenes (de man die niet alleen op het idee kwam dat de Aarde rond was, maar ook met een redelijke nauwkeurigheid haar omtrek mat), Hero van Alexandrië (experimenteerde met overbrengings mechanismen, stoommachines en speculaties over robots), Archimedes, Hippocrates, en meer verlichte geesten wiens werk pas later weer herontdekt werd.

Het waren de eerste mensen die zich bezighielden met fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, alles zeer nauwkeurig bijhielden en noteerden. Hun grootste fout was wellicht dat ze als zijnde kinderen van hun tijd zich afzijdig hielden van de misstanden van hun tijd, maar we kunnen deze periode toch wel als volgt typeren: een toenemende vrijheid van het individu, een kritische houding tegenover gezag en de verbreiding van democratische instituties. Dragers van die Verlichting waren vooral Socrates en de Sofisten. De Sofisten waren rondtrekkende 'wijsheidsleraren' die onderricht gaven in allerlei vaardigheden, zoals spreken in het openbaar.

 

De verschillen tussen Socrates en de Sofisten zijn aanzienlijk, maar er zijn ook overeenkomsten.

Van Protagoras, de belangrijkste ‘radicale’ sofist, stamt de uitspraak dat ‘de mens de maat is van alle dingen’, je zou dit bijna ‘hèt sleutelmanifest van het Griekse humanisme’ kunnen noemen. Toch is die nihilistische interpretatie niet logisch noodzakelijk. Men kan vasthouden aan de gematigde interpretatie van de 'menselijke maat', en dan ligt de werkzaamheid van Socrates en die van de Sofisten min of meer op één lijn. Dan stond Socrates inderdaad met de Sofisten op de gemeenschappelijke grond van de Verlichting en bepleitte ook Socrates een onafhankelijke kritische reflectie op alles dat ons door religieuze traditie en culturele gewoonte wordt aangepraat. De Griekse verlichters benadrukten de betekenis van het individueel oordeel en stimuleerden de trend naar meer democratie en egalitarisme. Ook bevorderden Socrates en de Sofisten tolerantie en vrijheid van meningsuiting. De geest van de tijd was anti-autoritair te noemen, en religieus geloof werd kritisch ondervraagd. Tegen deze achtergrond kregen de beginselen van rechtstaat en democratie gestalte.

 

Bij de tweede Verlichting (zo’n 2 millennia later) werd het rigoureuzer aangepakt. De Verlichting (17/18e eeuw) zoals we die nu kennen, de verwetenschappelijking en de popularisering van de wetenschap zelf, de modernisering, de bevrijding van de mens uit het web van religieuze machthebbers, de socialisering en de humanisering die zich vanuit het Westen[3] verspreidde begon het gevestigde religieuze denken die in het eerste axiale tijdperk werd opgebouwd te overvleugelen. Vanaf de 18/19e eeuw treedt de mensheid vanuit het Westen (maar nu dus op mondiale schaal!) binnen in het tweede axiale tijdperk, zo’n 23 eeuwen na die ‘axis’ van 500 v.Chr. Maar vanaf het midden van de 19e eeuw ontwikkelt zich naast het zelfstandige instituut van de wetenschap ook een compleet nieuwe openbaringsreligie, het Bahá’í-geloof….

 


[3] De naam ‘het Westen’ als specifieke culturele identiteit werd overigens pas geconstrueerd in de 20e eeuw.