homo religiosus - vervolg 6

      De Eerste Axiale Periode

 

De term ‘Achsenzeit’ (Scharniertijd, Cycluswending, Spiltijd, Axiale Tijdperk) werd in 1949 geïntroduceerd door Karl Jaspers (1883 - 1969) [1]. Hij was een existentiefilosoof die het menselijke geloofsleven, inclusief het geloof in de transcendente Godheid als een centraal kenmerk van de mens benaderde. Vooral de rol van het  geloofsleven binnen existentiële ‘grenssituaties’ van de mens boeide hem. Hij ging graag in debat met theologen en pleitte vooral voor vrijheid, openheid en communicatie. 'Volg niet mij, maar volg jezelf!' luidde  de stelregel van Jaspers. Net zoals de Boeddha zei: “Neem nooit iets van anderen aan, onderzoek altijd of datgene wat een leermeester beweert, wel strookt met je eigen ervaring.” Jaspers was een pleitbezorger van een reële democratie. Communicatie vatte hij op als een 'liefhebbende strijd', waarbij het niet gaat om macht en overwicht, maar om algehele openheid en het gezamenlijke bereiken van meer waarheid.

 

Jaspers bestudeerde de evolutie van het geloofsleven en ontwaarde een essentiële religieuze omwentelingsfase in de periode tussen 800 en 200 vóór Christus. Het was een radicale  omwenteling rondom de verticale, transcendentale ‘axis’ van ons spirituele bewustzijn, ons bewustzijn van hogere waarden (Het Griekse ‘axia’ betekent trouwens 'waarde'). De axiale periode (of ‘spiltijd’) kun je ook zien als draaiend om een denkbeeldige spil op de tijdlijn, namelijk het midden van het millennium vóór het jaar 0, dus 500 v.Chr. Deze religieuze omwenteling vond plaats op het continent van Eurazië, met Confucius en Lao Tsé in China, de Upanishaden en Siddharta Gautama de Boeddha in India, Zoroaster in Perzië, de Profeten van Israël, de filosofen van Griekenland zoals Socrates, Plato en Aristoteles. De Ionische Verlichting (maar dan meer wetenschappelijk en technologisch dan religieus) vond plaats, met o.a. Thales, Anaximander en  Heraclitus, en tegelijk ontstond de eerste vorm van democratie. Van belang is echter dat in de eerste axiale periode de fundamentele religieuze categorieën ontstonden die tot nu toe sterk hebben doorgewerkt in grote culturen en beschavingen die daarna opkwamen, doortrokken van een nieuw kosmologisch denken. Het nieuwe kosmologische denken en de nieuwe religiositeit ontstonden in de bovengenoemde regio’s gelijktijdig en vrijwel onafhankelijk van elkaar. Het aanbidden van een verwarrend groot aantal goden werd in deze axiale periode vervangen door het aanbidden van één universele, meest heilige Transcendentie. De spirituele ontwikkelingsweg  van alle geloofsgenoten kreeg éénzelfde verticale richting in het naderen van de ene transcendente Werkelijkheid. En op die weg waren alle geloofsgenoten volkomen gelijkwaardig. Die ene, gemeenschappelijke transcendente Werkelijkheid riep op tot compassie, wederzijdse zorg en bescherming, tot harmonieuze samenwerking, tot éénheid-in-verscheidenheid. Dit gebeurde dus zo’n 1250 jaar nadat de patriarch Abraham[2] met God een verbond sloot en zo’n 750 jaar nadat Mozes het Joodse volk aaneen smeedde onder God.  Zoroaster[3] (Zarathoestra) gaat met zijn vorm van monotheïsme zo’n 700 jaar vooraf aan het midden van het eerste axiale tijdperk.

 

Karen Armstrong[4] zet echter een belangrijke kanttekening bij die eerste axiale omwenteling: “In Iran, Irak en later in de Hellenistische maatschappijen werden vrouwen gesluierd en opgesloten in harems en vrouwvijandige ideeën floreerden. De vrouwen uit het klassieke Athene (500-323 v. Chr.) verkeerden in een bijzonder nadelige positie en werden bijna geheel uit het openbare leven gebannen; zwijgen en onderdanigheid werden als hun belangrijkste deugden beschouwd. De vroege Hebreeuwse tradities bezongen de heldendaden van Miriam en Deborah, maar na de profetische hervorming van het geloof werden vrouwen in de Joodse wetgeving tot tweederangs burgers gedegradeerd”. De grote axiale religies waren dus nogal masculien van aard…

 

Armstrong stelt overigens dat Siddharta Gautama de Boeddha[5] een van de belangrijkste en meest karakteristieke protagonisten van het Axiale Tijdperk is geworden, samen met de grote Hebreeuwse profeten van de 8e, 7e, en 6e eeuw v.Chr; met Confucius en Lao Tse, die in de 6e en 5e eeuw de religieuze tradities van China hervormden; met Zarathoestra, en met Socrates en Plato (5e en 4e eeuw v.Chr), die de Grieken aanspoorden om zelfs die waarheden in twijfel te trekken, die onaanvechtbaar leken. Het Axiale Tijdperk, waarvan overigens mysterieus blijft waardoor het zich tot de genoemde gebieden beperkte, markeert volgens Armstrong “het begin van de mensheid zoals we die nu kennen. In deze periode werden mannen en vrouwen zich bewust van hun bestaan, hun aard en hun beperkingen zoals nooit tevoren. (...) De grote wijzen uit deze tijd leerden mensen hoe ze het hoofd konden bieden aan de ellende van het leven, konden uitstijgen boven hun zwakheden en te midden van deze verre van volmaakte wereld in vrede konden leven.”

 

Zo ontstonden het Confucianisme en Taoïsme in China; Hindoeïsme, Jainisme en Boeddhisme op het Indische  subcontinent en het Zoroastrische monotheïsme in West-Azië. De twee daarop volgende Abrahamitische (Semitische) godsdiensten, het Christendom en 6 eeuwen later de Islam, zijn een uitwerking van de oorspronkelijke axiale kosmologie, met name van die van het Judaïsme. Christendom en Islam worden gerekend tot vruchten van die eerste axiale omwenteling en door John Hick[6] beschouwd als twee dominanten van ‘de grote post-axiale religies’. Aan die parallelle omwentelingen in de spiltijd zelf gingen pittige cultuur-clashes en oorlogen vooraf, een pijnlijk omgewoelde aarde waarin gezaaid werd door profeten, zieners, wijsgeren, mystici die opkwamen voor de heilige rechten van medeburgers en het respecteren van ‘de ander’. Allerlei ‘heidense’ religies werden hervormd, een grote diversiteit aan volkeren en religieuze culturen werden verenigd, en de klassieke ‘grote religies’ vestigden zich. De grond werd rijp gemaakt voor een leer van het transcendente, het eeuwige en het essentiële.

 


[1] Karl Jaspers: Vom Ursprung und Ziel der Geschichte, 1949. Maar meerdere denkers bevestigden die conclusies, bijvoorbeeld Bellah (Beyond Belief, 1976), Eisenstadt (The origins and diversity of axial age civilizations, 1986), Hick (An interpretation of religion, 1989), en vooral: Lambert (Religion in Modernity as a New Axial Age, 2000) 

[2] Abraham, uit Ur, vestigde zich rond 1750 v.Chr in Kanaän in opdracht van God

[3] Zoroaster was de visionaire priester die in 1200 v.Chr de status van God’s (Ahura Mazda’s) Profeet kreeg.

[4] Zie Karen Armstrong’s boek: Buddha (2001). Vanaf 1980 heeft ze trouwens al zo’n 19 boeken over de grote religies geschreven, waarvan De Grote Transformatie de meest recente is.

[5] De Boeddha: omstreeks 400 v.Chr

[6] John Hick: An Interpretation of Religion - Human Responses to the Transcendent, 1989