Homo religiosus

over het wel en wee van het menselijke geloofsleven

 

Werk in uitvoering

 

Homo religiosus: over het wel en wee van het menselijke geloofsleven

Eric Fienieg, 2006

 

Inleiding

 

Een overzichtsartikel over ‘het menselijke geloofsleven’? Daar begin ik niet aan. Wat een grenzeloos thema, veel te ambitieus. En de hamvraag: wat hebben we aan nóg weer een publicatie? Er is immers al zo’n overvloed aan ‘religie’ of ‘spiritualiteit’ op de boekenmarkt en op internet. Filosofen, theologen, sociologen- en psychologen van religie, cultuur antropologen, journalisten, romanschrijvers, archeologen, historici, zieners, dichters, wat kan ik er als praktiserend privé-psycholoog nog aan toevoegen? Alles wat erover te zeggen valt, moet toch wel gezegd zijn? Trouwens wat heb je aan allerlei publicaties die met woorden beginnen en met woorden eindigen zonder waarneembaar effect op de verbetering van onze dagelijkse praktijk?

 

Maar wat inmiddels opvalt, is dat de stroom publicaties op dat gebied alleen nog maar toeneemt. Kennelijk is nog niet alles gezegd. Kennelijk is nog niet alles aan het licht gekomen!

Dus kennelijk gaat het helemaal niet om een verzadigde markt maar om het aanbreken van een nieuw tijdperk: een massale bewustwording van ons eigen geloofsleven. En de hele wereld lijkt te schreeuwen om nóg meer bewustwording. Tegenwoordig komt het onderwerp steeds centraler te staan, niet alleen in de academische wereld maar ook in de politiek, in de media en in het publieke debat. Wat ik begin te beseffen, is dat wij onszelf steeds meer tegenkomen, als ‘de gelovige soort’, als ‘homo religiosus’. Niet alleen in het Westen, maar over de hele wereld. Anders geformuleerd: Ook al hebben we misschien een zekere vrijheid om te kiezen wat we graag willen, de keuzemogelijkheid om niet-gelovig te zijn, om niet ‘homo religiosus’ te zijn, die hebben we niet. Als iemand zegt “ik geloof nergens in”, dan is dat zo’n beetje hetzelfde als “ik ben geen mens”.

 

Iedereen die zich bewust wordt van zichzelf, komt tot het ironische besef dat we gewoon al in ons basale, dagelijkse leven functioneren vanuit een soort twijfelloos en geautomatiseerd vertrouwen in onze dagelijkse aannamen, vanuit een vanzelfsprekend geloof in onze basisvooronderstellingen, onze vaste verwachtingen, en vaak vanuit een uitgebreide set vanzelfsprekende vooroordelen. Vaak weten we niet eens waar onze overtuigingen eigenlijk vandaan zijn gekomen. En ze zijn daarbij bepaald niet altijd even fris en wijs. We zijn niet alleen ‘de gelovige soort’, maar imponeren ook vaak als ‘de bijgelovige soort’.

 

Een overeenkomstige situatie geldt trouwens voor de wereld van de wetenschap. De basis onder alle wetenschappelijke kennis bestaat uit geaccepteerde basisaannamen, axioma’s, speculaties, vooronderstellingen, hypothesen, uitgangspunten, kortom uit vertrouwensartikelen die hun praktische bruikbaarheid weliswaar bewezen hebben maar die absoluut niet met de wetenschappelijke methode zelf te onderbouwen zijn. Van de wetenschap is bekend hoe vanzelfsprekende basisaannamen en denkmodellen vaak vervangen moesten worden door nieuwe. De wetenschap heeft intern regelmatig een complete revolutie doorgemaakt. Recentelijk nog, hebben wetenschappers rondom Einstein het tijdperk van de mechanistische, klassieke wetenschap afgesloten en de poort geopend naar het tijdperk van de zogenoemde ‘nieuwe wetenschap’. Sindsdien is bijvoorbeeld al het vanzelfsprekende denkbeeld van de ‘vaste materie’ volkomen gerelativeerd en vervangen door een dynamische, zelfs ‘organische’ opvatting waarin energie, informatie en vooral de wisselwerkingsrelaties daartussen een belangrijke rol spelen bij het doen ontstaan van de stoffelijke verschijningsvormen.

 

Neurowetenschappers van allerlei specialistische afkomst bestuderen het menselijke brein op zoek naar clusters van neuronen die menselijke religiositeit genereren. Sommigen zeggen enthousiast de “God-spot” al gevonden te hebben. De Neurotheologie was geboren en bepaalde genwetenschappers gingen op zoek naar het “God-gen” in het humane genoom. Met neuron- of gentechnologie zouden die menselijke rudimenten van religiositeit en godgeloof dan wel gereguleerd kunnen worden. Er zijn heel veel wetenschappers die er diep van overtuigd zijn dat wetenschap ‘de heilige plicht’ heeft om de menselijke geest te reduceren tot neuronstructuren en hersenfysiologische stofwisseling. Nergens is zó veel geloof en vertrouwen als in wetenschap.

 

Maar zijn wetenschappers, die een geheel nieuwe religie over de menselijke geest construeren op basis van ‘wetenschappelijke feiten’, zich nog wel bewust van het beperkte mandaat en de nauwe demarcatielijn van de wetenschap zelf? Deze nieuwe religie, het ‘sciëntisme’, is dan gebaseerd op het uiterst simplistische ‘materialistisch reductionisme’. Interessant is het aantreden van ‘gewone’ theologen die de constructies van de neurowetenschappers gelovig volgen. De vraag of ons brein God creëert dan wel dat God ons brein creëert kan immers in het beperkte magisterium van de wetenschap nooit beantwoord worden. Die vraag is voorbehouden aan het domein van de religie. Het geestelijke leven zelf is nu eenmaal niet met wetenschappelijke apparatuur te meten, hooguit de empirisch waarneembare gevolgen ervan. Psychische gewaarwordingen kunnen inderdaad gegenereerd worden door bepaalde processen in onze breinstructuur, dus psychisch kunnen we inderdaad door onze eigen hersenen bedrogen worden, maar onze geest is zich van dat bedrog normaliter bewust.

 

Wat inderdaad als een paal boven water staat, is dat ons geloofsleven (geestelijk van aard) en onze breinfunctie (stoffelijk van aard) dermate ‘symmetrisch’ op elkaar zijn ingesteld, dat je kunt zeggen dat het vaak niks uitmaakt of je nou van een ‘spiritualistische’ of een ‘materialistische’ opvatting uitgaat. Maar dan hebben we het uitsluitend over psychische momenten, bijvoorbeeld van mystieke ervaringen of andere religieuze belevingen, dan over het immens grote en creatieve universum van het geestelijke leven, met name van dat van religies.

 

In confrontatie met onszelf ontkomen we niet alleen aan de erkenning dat we onveranderlijk de ‘gelovige soort’ zullen blijven, steeds levend vanuit volstrekt subjectieve modellen van de werkelijkheid; we ontkomen ook niet aan een uniek vermogen van onze soort: we kunnen ons bewust zijn van ons eigen geloofsleven! We kunnen ons eigen geloofsleven zelf observeren, daarover nadenken, er kritisch bij stilstaan, het met onze soortgenoten uitwisselen, ons eigen geloofsleven ook weer bijstellen en ontwikkelen. We hechten daarbij een dermate grote waarde aan ons eigen geloofsleven dat wij op de allerhoogste niveaus van beraadslaging (bijvoorbeeld op VN-niveau) gekomen zijn tot het nauwkeurig formuleren van een hoogst belangrijk recht van de mens, het Universeel Recht op Geloofsvrijheid. Geloofsvrijheid, dus ook voor atheïsten, materialisten, sciëntisten en antireligionisten. Zolang zij in de praktijk maar niet de vrijheid ontzeggen aan hen die (“nog”) wèl in ‘geest’, ‘ziel’, ‘hiernamaals’, ‘vrije wil’ of God geloven.

 

Dieren doen tenminste niet zo ingewikkeld, zou je dan kunnen zeggen; dieren leven eenvoudig, alleen mensen maken het zichzelf altijd veel moeilijker dan nodig is. Vanwege die mysterieuze werking van de creatieve geest van de mens. Dieren leven volstrekt natuurlijk, zou je kunnen zeggen, maar mensen zijn altijd bezig met het creëren van een religieuze cultuur die ze baseren op allerlei volstrekt abstracte symbolen. En dan gaan ze daar vervolgens met elkaar over in de clinch, zelfs in grandioze clashes van culturen en mentaliteiten. Zouden we niet terug moeten naar het simpele en dierlijke niveau van leven?

 

Terug naar een dierlijk niveau van leven, genoeg mensen die dat al uitproberen; niet alleen in de huidige tijd, maar door de hele geschiedenis heen is dat project al ondernomen. En steeds mislukt dat project. Waarom? Omdat wij mensen nou eenmaal mensen zijn; ook van het project “terug naar een dierlijk niveau van leven” maken wij dan weer een (sub-)cultuur of een ideologie, compleet met ideologische symbolen die we aanbidden, en waar we onze soortgenoten dan weer in mee willen trekken. Gewoon terug naar af; alle vormen van cultuur en ethiek afschaffen; vooral God en georganiseerde godsdienst afschaffen; gewoon leven voor de vuist weg, zonder morele autoriteit boven ons; de zelfgemaakte “surrogaat-God” die we dan gaan aanbidden is het volstrekt vage icoon van “De Vrijheid”.

 

Zie vervolg