Voornaamwoorden

Persoonlijke voornaamwoorden

Persoonlijke voornaamwoorden zijn woorden die in de plaats van een zelfstandig naamwoord of een eigennaam gebruikt kunnen worden:

- Mijn vader kocht een nieuwe auto.
- Hij kocht een nieuwe auto.

- Marlies rent elke week 10 kilometer.
- Zij rent elke week 10 kilometer. 

In het Engels en in het Nederlands bestaan er 2 vormen van elk persoonlijk voornaamwoord. Welke vorm je gebruikt hangt af van het geslacht en het aantal van het woord dat je vervangt:

- Mike drinks some water.
- He drinks some water.

- Sheila drinks some water.
- She drinks some water.

- The dog drinks some water.
- It drinks some water.

- Manuel and Ricky drink some water.
- They drink some water.

De vorm van het persoonlijkvoornaamwoord hangt ook af van het zinsdeel / de plek in de zin waarin / waarop het persoonlijk voornaamwoord gebruikt wordt:

 onderwerp lijdend voorwerp / meewerkend voorwerp / na een voorzetsel
  onderwerp  lijdend voorwerp / meewerkend voorwerp / na een voorzetsel
 ik mij / me  I me 
 jij / je jou / je  you you
 hij hem  he him
 zij / ze haar  she her
 het het  it it
 wij / we ons  we us
 jullie  jullie  you you
 zij / ze hun / hen  they them

- Jan stuurde zijn broer een brief
- Hij stuurde zijn broer een brief.
- Jan stuurde hem een brief.
- Jan stuurde hem aan zijn broer.
- Jan stuurde een brief aan hem.

- John sent his brother a letter.
- He sent his brother a letter.
- John sent him a letter.
- John sent it to his brother.
- John sent a letter to him.

LET OP 1: 

In het Nederlands gebruik je bij dieren en dingen 'hij/hem' of 'zij/haar'. In het Engels gebruik je bij dieren en dingen 'it'. Behalve bij huisdieren en figuren in films/strips e.d.:

- Moet je die olifant zien, hij speelt met een bal.
- Look at that elephant, it is playing with a ball.

- Hoe oud is je fiets? Hij is 5 jaar oud.
- How old is your bike? It is 5 years old.

- Goofy is a dingo. He lives in Ducktown.
- This is our dog Rover. He is playing with a ball.

LET OP 2: 

'It' wordt niet gebruikt bij een aantal werkwoorden, waarbij in het Nederlands 'het' wordt gebruikt (ask, forget, know, mind, remember, show, tell, try, understand):
- I'll ask my father. / Ik zal het mijn vader vragen.
- Did you forget? / Ben je het vergeten?
I know.../ Ik weet het... 

LET OP 3: 

In combinatie met een aantal werkwoorden wordt in het Engels 'so' gebruikt, waar in het Nederlands 'het' (of 'dat'/'van wel'/'ook') gebruikt wordt (appear, believe, do, expect, hope, remain, say, seem, suppose, tell, think, to be afraid):

- I hope so. / Ik hoop het.
- I told you so! / Ik zei het toch!
- I'm afraid so... / Ik ben bang van wel.

LET OP 4:

Het Engelse persoonlijke voornaamwoord 'you' kan op 3 manieren vertaald worden:

- You are crazy!
- Jij bent gek / Jullie zijn gek / U bent gek!

Het Nederlandse 'zij/ze' kan op 2 manieren vertaald worden:
- Zij is mijn moeder.    - Zij zijn mijn ouders.
- She is my mother.    - They are my parents.



Wederkerende voornaamwoorden

Wederkerende voornaamwoorden verwijzen terug naar het onderwerp van de zin. Dit kan nodig zijn als iemand of iets een handeling bij zichzelf verricht of als er het werkwoord altijd een wederkerend voornaamwoord nodig heeft:
- Hij wast zich elke dag. (vergelijk: Hij wast zijn auto elke dag.)
- Hij vergist zich eigenlijk nooit. (vergelijk: Hij vergist zijn auto elke dag. / Hij vergist elke dag.)

De vormen van de wederkerende voornaamwoorden zijn:

 ik     me(zelf)  I myself
 jij / je je(zelf)  you yourself
 hij zich(zelf)  he himself
 zij / ze zich(zelf)  she herself
 het zich(zelf)  it itself
 wij / we ons(zelf)  we ourselves
 jullie je(zelf)  you yourselves
 zij / ze zich(zelf)  they themselves

De enkelvoudsvormen eindigen dus op -f, de meervoudsvormen op -ves

LET OP 1:

Veel werkwoorden zijn in het Nederlands wel wederkerend en in het Engels niet. Enkele voorbeelden:

- Ik probeer me te concentreren.     - I am trying to concentrate. (fout: I am trying to concentrate myself.)
- Hij scheert zich elke dag.             - He shaves every day.
- Zij heeft zich verslapen.              - She overslept.
- Maken jullie je nooit zorgen?        - Do you never worry?
- We moeten ons haasten!              - We must hurry!




Bezittelijke voornaamwoorden

Bezittelijke voornaamwoorden geven aan van wie/wat iets is of bij wie/wat iets/iemand hoort:
- Dat is mijn fiets. (ik bezit de fiets)
- Mike is mijn broer. (Mike 'hoort' bij mij/mijn familie)

Bezittelijke voornaamwoorden kunnen op 2 manier gebruikt worden:

1) bijvoeglijk: het bezittelijk voornaamwoord staat vóór het zelfstandig naamwoord:

- Dat zijn mijn schoenen

2) zelfstandig: het bezittelijk voornaamwoord wordt niet gevold door een zelfstandig naamwoord:

- Dat zijn niet de jouwe, dat zijn de mijne!

De vormen de bezittelijke voornaamwoorden zijn:

 pers vnw bijvoeglijk bez. vnw zelfstandig bez. vnw  pers vnw  bijvoeglijk bez. vnw  zelfstandig bez. vnw
 ik mijn / m'n mijne  I my  mine
 jij / je jouw / je jouwe  you your yours
 hij zijn / z'n  zijne  he his  his 
 zij /ze haar / d'r hare  she her  hers 
 het zijn / z'n  zijne  it its - 
 wij / we ons / onze onze  we our   ours 
 jullie jullie - *  you your yours 
 zij / ze hun hunne  they their  theirs 

* geen vorm, gebruikt wordt: 'van hun'

Het zelfstandig bezittelijk voornaamwoord wordt gebruikt:
- als in het NL 'zijn + van + pers vnw' gebruikt wordt Deze sleutel is van mij. This key is mine.
- als in het NL 'die van + pers vnw' gebruikt wordt Waar is die van jou? Where is yours?
- als in het NL 'de/het + bez vnw' gebruikt wordt Dat is jouw sleutel, dit is de hare! That is your key, this is hers.
- als in het NL 'van + pers vnw' gebruikt wordt en het zelfstandig naamwoord voorafgegaan wordt door een:

 - onbepaald lidwoord Een vriend van ons A friend of ours
 - telwoord Drie vrienden van hem Three friends of his
 - onbepaald voornaamwoord Enkele vrienden van jullie Some friends of yours
 - aanwijzend voornaamwoord Die vrienden van haar Those friends of hers
 - vragend voornaamwoord Welke vrienden van hun? Which friends of theirs?

LET OP 1:  

Bij dieren en dingen wordt 'its' gebruikt, in het Nederlands 'zijn' of 'haar'

- De hond speelt met zijn staart.     - The dog is playing with its tail.

LET OP 2:

Verwar de volgende vormen niet!

 its bez. vnw Its colour is green. it's      it is It's my father!   
 their bez. vnw Their house is big. they're they are They're not tired. there daar / er There is no need to worry.
 your bez. vnw Your sister is outside. you're
 you are  You're my best friend.   

Comments