Leuvensevaart

  Het Kanaal Leuven - Dijle





Afbeeldingsresultaat voor leuvensevaart






Afbeeldingsresultaat voor leuvensevaart





Afbeeldingsresultaat voor leuvensevaart












 






Afbeeldingsresultaat voor leuvensevaart






Afbeeldingsresultaat voor leuvensevaart




























De Leuvense vaart of het” bierkanaal” heeft zijn oorsprong gevonden in het jaar 1750. Het is een der oudste kanalen van Belgie.

 De Dijle was voor Leuven vanouds  economisch  van uitzonderlijk belang. Maar door haar grillige loop, geringe diepgang en groot debiet was zij echter een moeilijk bevaarbare verkeersader, slechts toegankelijk voor kleine schepen. D e aanleg van een nieuwe waterweg, naar het voorbeeld van de Willebroekse Vaart die Brussel  in 1561 had aangelegd ter vervanging van de eveneens moeilijk te bevaren Zenne en een betere verbinding met het noorden, waren eeuwenoude verzuchtingen van het Leuvens stadsbestuur. In 1686 reeds gaf Leuven aan professor Willemaert de opdracht een kanaal te tekenen van Leuven tot de samenvloeing van Zenne en Dijle, het zogenaamde Zennegat. Pastijdens het Oostenrijks bewind werden de plannen terug opgenomen.  In 1749werd kolonel R. Spalart van het ingenieurscorps der Nederlanden belast met de voorstudie en situering van het vaarttracé. Zijn voorstel werd zowel door de stad Leuven als door de Staten van Brabant goedgekeurd.Om diverse redenen werd hieraan slechts tegemoet gekomen in de 18e eeuw met het graven van een lateraal kanaal naar de Rupel, als verbinding met de Schelde om alzo een commercieleverbinding te creeeren naar de openzee.Voor Leuven was dit een gunstige zaak doch bij de Mechelaars, die de voordelen van hun aloude stapelrechten teloor zagen gaan, stuitte het plan op hevig verzet.Niettemin verleende de toenmalige keizerin Maria – Theresia aan de stad Leuven op 29 januari 1750   het octrooi voor het graven van het kanaal vanaf Leuven tot aan de grote waters .Even later op 9 februari gaf Karel van Lotharingen, gouverneur der Nederlanden, de eerste spadesteek.De stad Leuven namzelf de financiering ervan op zich en verkreeg het monopolie op de exploitatie.

Ongeveer ter hoogte van een bestaande, aloude los- en laadplaats vlak bij de Keizersberg werd,in een gedeelte van de oude bedding van de Dijle, de huidige vaartkom gegraven. Hiervoor werd de Keizersberg gedeeltelijk afgegraven en diende de Dijlerivier in deze buurt te worden omgelegd, uitgediept en geruimd om als “Nieuwe Dijle” via de “Twee Waters” verder te vloeien richting Wilsele. Het kanaal zou via de Vaartkom met Dijlewater bevoorraad worden  langs een voedingskanaaltje ,de “Hond” genaamd.. Op 21 december 1752 werd het kanaal onder water gezet. Het eerste schip kwam op 23 juli 1753 in Leuven aan

In het jaar 1759 werd alle scheepvaart stilgelegdwegens herhaalde dijkbreuken en instortingen van sluizen. Na de nodige herstellingen en aanpassingen werd in juli van 1763 het kanaal terug opengesteld voor de scheepvaart. Aanvankelijk werden er maar drie sluizen gebouwd, te  Kampenhout , te Mechelen ter hoogte van de Brusselsesteenweg  (Plaisancebrug)en aan het Zennegat, wat vaak leidde tot overstromingen. Nadien werd een bijkomend sluis in Battel en één in Tildonk bijgebouwd. In Boortmeerbeek moest de vernielde sluis vervangen worden. De werken waren in1763 voltooid en de vaart werd terug opengesteld.

Om de technische evolutie van de scheepvaart te kunnen opvangen werd de Vaart tweemaal verdiept; in 1835 – 1837 werd ze onder leiding van ingenieur Vifquain van 3.5 tot 5.5 meter verdiept waarbij het sas van Kampenhout gereconstrueerd werd; in 1895 werd de diepte op 6 meter gebracht. Onlangs is de vaart uitgediept tot 3.50 meter.

Te Leuven werden pleinen kaden en aanpalende straten  voorzien  van spoorlijnen, die in verbinding stonden met bedrijven en het verdeelstation op het Engels Plein, dat  voor het goederentransport sinds 1842 via een aftakking was aangesloten op Leuven – station.

Na de eerste schade door brand in 1940, werd in mei 1944 de vaartkomzone zwaar geteisterd door luchtbombardementen. Haveninstallaties en bedrijven werden voor het merendeel vernield of in ruïnes herschapen. De wederopbouw die die onmiddellijk van start ging, zou duren tot eind jaren 1950.

Langs de oevers werden vooral  fabrieken ingeplant te Leuven zoals brouwerij Artois,de bloemmolens Hungaria, veevoederbedrijf Vandenbergh, conservenfabriek Marie-Thumas, oliefabrikant De Stordeur en stijfselfabriek  Remy te Wijgmaal welke  zorgden  voor  een grote werkgelegenheid Daar de tractie van de schepen  met mankracht, paarden en ossen gebeurde, werden op beide oevers van de Vaart jaagpaden aangelegd die op sommige plaatsen nog bestaan.Men vindt die nu terug in fietsroutes. In de jaren twintig  werden dieselmotorrupsen in gebruik genomen, daarna gemotoriseerde sleepboten. Pas na de tweede wereldoorlog werden de binnenschepen meer en meer met eigen motorkracht uitgerust.

In 1994 werd het kanaal in zijn geheel overgenomen  door de Belgische Staat en in beheer gegeven bij Waterwegen en Zeekanaal. Van toen heette de Vaart  het “Kanaal Leuven-Dijle”.

De Zennegatsluis is een getijdesluis en er is personeel aanwezig om de scheepsbemanning bij te staan en de touwen aan te nemen om de schepen aan te meren. De andere 4 sluizen en 9 bruggen worden thans bediend vanuit de centrale toren te Kampenhout-sas.

Inmiddels werd  de Vaartkomte Leuven heringericht  als jachthaven, met name VVW Leuven. De installatie  van drie grote aanlegsteigers, het afboorden van de kademuren met blauwe hardsteen, leuningen en verlichtingsmasten werden voltooid, samen met de omvorming van de kaden en het voorplein tot ruime promenades met zitbanken.   In het kader van de viering  “250 jaar kanaal Leuven – Dijle” werd in 2000 een vrij monumentale beeldengroep “de Kanaaldrijvers” op de kop van  de Vaartkom ingepland. Bij de realisatie van het  jachthavenproject verdwenen de sporen op het voorplein samen met de laad-en loskades. De Hungaria-silotoren heeft inmiddels plaats geruimd voor moderne appartementen en de Stad werkt er thans aan een multifunctionele ontwikkelingspool.

Het kanaal kan nu bevaren worden door schepen van klasse II. Tot 600 ton dus. Het heeft een totale lengte van 30 km en  een diepgang van 2.5 meter. De sluizen zijn nog steeds van het zeldzame type, buiksas, genaamd naar de halfronde uitsparingen in de sluiswanden. Ze zijn allen 52 meter lang en 7.75 meter breed. Z e overbruggen een hoogteverschil van 14 meter

Voor het afmeren van plezierboten zijn alleen bolders geplaats op de sluisboord aan de rechteroever en eronder zijn een drietal rijen  haalkommen voorzien in de sluiswand. Voor kleinere boten zijn twee glijpalen voorzien in het midden langs de linkeroever. Op het kanaal bevinden zich ook enkele kleine steigertjes om tijdelijk af te meren.(max 24h)

Er bevinden zich nu drie jachthavens op het kanaal:  VVW-Leuven in de Vaartkom, Jachtclub Het Sas te kampenhout en Jachthaven Coloma te Mechelen.

Bron: Wikipedia en Inventaris Bouwkundig - en Onroerend Erfgoed