16.4. Ananda

    Ananda was een eerste neef van de Boeddha en was hem zeer genegen. Ânanda werd op dezelfde dag als de Boeddha geboren. Zijn vader was Amitodana, de jongere broer van Suddhodana. Mahānāma en Anuruddha waren zijn broers of stiefbroers.

    Ānanda werd samen met andere Sakya-prinsen, zoals Anuruddha, Bhaddiya, Bhagu, Devadatta en Kimbila, in de Orde opgenomen in het tweede jaar na de Verlichting van de Boeddha. Hij was toen 37 jaar. Hij werd door de Boeddha zelf gewijd (Vin.11.182). Niet lang daarna hoorde hij een toespraak van de Eerwaarde Punna Mantāniputta. Ānanda bereikte toen het eerste niveau van heiligheid, sotāpanna.

 

    Door toedoen van Ānanda stemde de Boeddha ermee in dat de orde van de nonnen ingesteld werd. Het was te Vesāli, in het 5e jaar na de Verlichting van de Boeddha.

 

    Eens zei Ānanda aan de Boeddha dat de helft van de heilige levenswandel bestaat in vriendschap en omgang met de goeden. De Verhevene gaf ten antwoord dat de hele heilige levenswandel bestaat in vriendschap en omgang met de goeden. (S.III.18).

 

    Ānanda vertoefde eens in een park in het land van Kosala. Hij besteedde toen veel tijd aan het troosten van leken. Een godheid begaf zich daarom naar Ānanda en spoorde hem aan meer tijd aan meditatie te besteden. (S.IX.5).

 

    Op het einde van het 20e jaar na de Verlichting zei de Boeddha (toen 55 jaar oud) dat hij graag een vaste verzorger wilde hebben, iemand die in staat was om de plichten perfect uit te voeren. De volmaakte heiligen boden toen hun diensten aan. De Boeddha wees hen echter af. Toen vroegen de ouderlingen aan de Eerwaarde Ānanda om aan de Gezegende te vragen of hij diens dienaar mocht zijn. Op verzoek van de Verhevene mocht de Eerwaarde Ānanda toen voor hem zorgen. Vanaf die tijd was Ânanda de persoonlijke dienaar van de Boeddha.

    Volgens de overlevering stelde Ānanda toen acht voorwaarden. Deze voorwaarden werden gesteld om te voorkomen dat anderen zouden denken dat hij die positie had gevraagd omwille van materieel voordeel. Vier voorwaarden gingen over het niet-aannemen van gaven en gunsten van de Boeddha. De Boeddha zou aan Ānanda nooit uitgelezen voedsel of kleding geven welke de Boeddha zelf gekregen had. De Verhevene zou Ānanda geen afzonderlijke residentie toewijzen. En hij zou hem niet insluiten bij de uitnodigingen die de Boeddha aannam. De andere voorwaarden waren: Het was Ānanda toegestaan om uitnodigingen aan te nemen ten behoeve van de Boeddha. Hij mocht degenen die van verre gekomen waren om met de Boeddha te spreken, naar hem toebrengen. Ānanda zou alle hoofdbrekende zaken voor de Boeddha brengen. De Boeddha zou elke leerrede die hij in afwezigheid van Ânanda sprak, voor hem herhalen. De Boeddha stemde met het verzoek van Ânanda in.

 

     Ānanda was niet alleen de persoonlijke verzorger van de Boeddha. Maar hij hielp ook bij het beheer van het grote gevolg van monniken, nonnen en leken. Hij hoorde de meeste van de toespraken van de Boeddha en werd vanwege zijn uitstekende geheugen de bewaker van de leer genoemd.

 

    Ānanda werd door de Boeddha geprezen vanwege zijn geleerdheid, zijn uitstekende geheugen, zijn levendige geest en het verlenen van zorg. (A.I.24). Verder zei de Boeddha dat de discipelen van Ānanda goed in de leer onderwezen waren. (S.XIV.15).

    Ānanda werd ook geprezen vanwege vier zeldzame en allervoortreffelijkste eigenschappen. “Als Ānanda door een groep van monniken bezocht wordt, dan zijn die monniken gelukkig door zijn aanblik. En als Ānanda tot hen spreekt over de leer, dan zijn zij gelukkig door zijn toespraak. Maar zij zijn teleurgesteld als Ānanda dan zwijgt. Evenzo is het wanneer Ānanda door een groep nonnen of een groep van mannelijke of van vrouwelijke lekenvolgelingen bezocht wordt. Dan is die groep gelukkig door zijn aanblik. En als Ānanda dan tot die personen over de leer spreekt, zijn zij gelukkig door zijn toespraak. Maar die mensen zijn teleurgesteld wanneer Ānanda dan zwijgt.” (A.IV.129-130).

 

    Maar soms kreeg Ānanda ook verwijten van de Boeddha vanwege zijn extreme ijver. Zo leed de Boeddha eens aan winderigheid in de maag. Ānanda bereidde toen voor hem pap met drie soorten van pikante stoffen erin. De pap was binnen klaargemaakt en was door Ānanda binnen gekookt. Dit was tegen de kloosterregels. (Vin.I.210-211). Maar Ānanda wist dat de Boeddha door de pap zou genezen.

 

    Ānanda werd vaak om raad gevraagd door collega-monniken. Bij zulke gelegenheden preekte hij tot de monniken uit eigen beweging, dus zonder dat de Boeddha hem dat had gevraagd. Ook richtte de Boeddha herhaaldelijk een korte toespraak tot zijn toehoorders die dan nader werd uitgelegd door Ānanda. De nadere uitleg werd dan door de Boeddha goedgekeurd. Ānanda werd om deze kundigheid geprezen. Ook herhaalde Ānanda gesprekken die hij elders gehoord had waarop de Boeddha dan gedetailleerd uitleg gaf over bepaalde punten die erin besproken waren. Ānanda sprak ook op eigen gelegenheid tot nonnen en leken.                      

    Sommige vragen van Ānanda zoals over aardbevingen en de verschillende soorten goden bij de dood van de Boeddha schijnen in Ānanda’s mond gelegd te zijn om bepaalde meningen naar voren te brengen die bij latere Boeddhisten in omloop waren.

 

    Ānanda en Sāriputta waren erg bevriend met elkaar. Ook Mahā Moggallāna, Mahā Kassapa, Anuruddha en Kankhā Revata waren zijn vrienden.

    Eens was er een gesprek tussen Ānanda en Mahā Kassapa. De laatste maakte Ānanda verwijten, noemde hem een vertrapper van gewassen en een bederver van families. Ook zegt Mahā Kassapa er: “Deze knaap kent zijn eigen maat niet.” Ānanda trok toen rond in de buurt van Rājagaha met een grote groep jonge monniken. En dezen waren niet erg gedisciplineerd. Mahā Kassapa verweet Ānanda toen het gebrek aan oefening van die jongelingen. Hij maakte Ānanda verwijten, noemde hem een vertrapper van gewassen en een bederver van gezinnen. Ook zei Mahā Kassapa: “Deze knaap kent zijn eigen maat niet.” Ānanda gaf ten antwoord: “Kassapa, mijn hoofd is al vol met grijze haren en toch zegt u nog steeds ‘knaap’ tegen mij.” De non Thullanandā ergerde zich over deze gebeurtenis. “Hoe durft Kassapa, die eens tot een andere sekte behoorde, de wijze Ânanda te berispen door hem knaap te noemen.” Kassapa was gekrenkt door deze woorden en beklaagde zich bij Ānanda dat zoiets tegen hem gezegd kon worden. (S.XVI.11).      

 

    Bij een andere gelegenheid, te Savatthi, werd Mahā Kassapa door Ānanda uitgenodigd om naar een bijeenkomst van de nonnen te gaan. Samen met Ānanda ging Mahā Kassapa toen naar haar toe en preekte tot haar. De non Thullatissā was er ontevreden over en zei: “Hoe kan Kassapa het passend vinden om de leer te preken in bijzijn van de wijze Ānanda.” Mahā Kassapa was gekwetst door deze woorden. Ānanda bracht hem tot rust en zou gezegd hebben: “Vrouwen zijn dwaas.” (S.XVI.10). Die woorden lijken mij later toegevoegd te zijn. Want Ānanda had een goede verstandhouding met nonnen en lekenvrouwen en vond ze zeker niet dwaas.

 

    De verzen 1018 t/m 1050 van de Theragatha worden toegeschreven aan Ānanda. Maar slechts een deel ervan werd door de Eerwaarde Ānanda zelf gereciteerd. Andere verzen gaan over hem of zijn tot hem gesproken. Die verzen stammen niet allemaal uit dezelfde tijd. Al die verzen zijn later samengevoegd.

 

    In de verzen 1018-1019 wordt gezegd dat men niet met slechte mensen moet omgaan. Omgang met goede en edele mensen brengt vooruitgang. Deze woorden zijn ontleend aan S.3.18 waar de Boeddha ze sprak. Die verzen kunnen door Ānanda gesproken zijn.

 

    De verzen 1025-1033 moeten door iemand anders dan Ānanda gesproken zijn. Ze zijn een lofrede over Ānanda. Er wordt o.a. gezegd dat men degene moet volgen die veel heeft geleerd. Het gehoorde mag niet verloren gaan. Het woord is de wortel van de reinheid, een bewaarder van de woorden moet je zijn. Ānanda weet de woorden in de juiste volgorde, weet de betekenis ervan, is bedreven in grammatica en hij onderzoekt de goed begrepen betekenis. Geduldig zegt hij zin na zin, houdt pauzen, wikt de woorden, trekt zich op de juiste tijd terug en concentreert zijn geest. Hij is de bewaarder van de woorden van de heer. Hij heeft veel gehoord, heeft veel gedacht. Hij ziet de leer duidelijk in. Hem moet men eren. Hij is de bewaarder van de woorden van de Verhevene. Hij is het oog van deze hele wereld, een monnik met veel ervaring. Hij is een onderzoeker van de waarheid, vriend van de waarheid, een discipel die van de waarheid houdt.

 

    Ānanda had een buitengewoon goed geheugen. Hij kon zich alle woorden van de Boeddha herinneren zonder ook maar één woord ervan te missen. Volgens vers 1024 van de Theragatha kende Ānanda 84000 leerreden van buiten.

 

    Door de Boeddha is voorspeld dat Ânanda nog tijdens zijn leven de volmaakte heiligheid zou bereiken. Eens vertoefde de Verhevene te Savatthi in het park van Anathapindika. Toen gingen de Eerwaarden Sāriputta, Mahā Moggallāna, Mahā Kassapa, Mahā Kaccāyana, Mahā Kotthita, Mahā Kappina, Mahā Cunda, Anuruddha, Revata, Devadatta en Ānanda naar de Boeddha toe. Deze zag hen van verre naderbij komen. Toen zij bij hem waren, zei hij: “Hier, monniken, komen brahmanen. “ Na deze woorden vroeg een monnik die tot de kaste van de brahmanen behoord had, aan de Boeddha in hoeverre iemand een brahmaan is en welke eigenschappen iemand tot brahmaan maken. Het antwoord van de Boeddha luidde: “Degenen die al het kwaad hebben ontzegd, die steeds bezonnen zijn, die de boeien hebben verbroken en die verlicht zijn, zij zijn de brahmanen in deze wereld.” (Ud, I.5).

    Hieruit zou men de gevolgtrekking kunnen maken dat bovengenoemde Eerwaarde monniken allemaal ware brahmanen waren, dat zij allemaal volmaakte heiligen waren. Maar Devadatta was zeer zeker geen arahant. Hij zorgde immers later voor een schisma in de Orde. Dat Ānanda toen al volmaakt heilig was, is uit het bovenstaande niet op te maken.

    Maar in de verzen 1039-1040 zegt Ânanda: “Vijfentwintig jaren lang ben ik iemand geweest in hogere training en al die tijd had ik geen gedachten van lust. Vijfentwintig jaar lang was ik een pelgrim en heb al die tijd geen gedachten van afkeer gehad.” Deze woorden betekenen dat Ānanda 25 jaar lang een leerling (sekha) was en het hoogste niveau van heiligheid nog niet bereikt had. Maar hieruit is ook te concluderen dat hij 25 jaar na zijn intrede in de Orde een volmaakte heilige moet zijn geworden. Ānanda werd in het tweede jaar na de Verlichting van de Boeddha ingewijd. Hij moet dus in het 27e jaar na de Verlichting een arahant zijn geworden.

    Dat Ānanda een arahant was, blijkt ook uit vers 1050 van de Theragatha. “Gediend heb ik de meester, verricht heb ik het werk van de waakzame. De zware last is afgelegd en de ader van het bestaan is uitgedroogd.”

 

    Ānanda werd in het 20e jaar na de Verlichting van de Verhevene diens vaste verzorger. Hij was toen steeds in diens nabijheid. Ondanks dat – of misschien wel daarom – zou hij pas na het overlijden van de Boeddha arahantschap bereikt hebben. Dat zou dan komen omdat Ānanda te weinig tijd zou hebben gehad om te mediteren.

 

    Nadat de Boeddha had aangekondigd dat hij binnenkort zou heengaan in parinibbana, zou Ānanda volgens de overlevering wenend gezegd hebben dat hij nog maar een discipel was in hogere training en dat hij nog moest streven naar eigen volmaaktheid. De Eerwaarde Ānanda zou toen pas het eerste niveau van heiligheid bereikt hebben, de stroom-intrede (sotāpatti). Maar de tekst dat Ānanda weende en nog maar een discipel in training was, ontbreekt in S.VI.15, welk sutta in het Mahaparinibbana sutta (D.16) moet zijn opgenomen. Die tekst ontbreekt ook in sommige Chinese versies. Dit wijst erop dat de mededeling van wenen en nog een lerende te zijn, later toegevoegd is. Ānanda was toen immers al een arahant, een volmaakte heilige.

 

    In het Mahaparinibbana sutta wordt Ānanda geprezen als een voortreffelijke en toegewijde dienaar. “Hij is kundig en wijs, want hij weet: Dit is de juiste tijd voor de monniken en dat is de juiste tijd voor de nonnen om de Volmaakte te bezoeken. Dit is de juiste tijd voor de mannelijke en dat is de juiste tijd voor de vrouwelijke lekenvolgelingen. Dit is de juiste tijd voor koningen en voor ministers; dat is de juiste tijd voor sekte-stichters en dit voor leerlingen van die sekte-stichters om de Volmaakte te bezoeken.”

 

    Voordat de Verhevene heenging in parinibbana zei hij aan Ānanda dat de monniken nu niet moesten denken dat zij geen leraar meer hadden. De leer en discipline (patimokkha) waren voortaan leraar en leidraad. Ook moest de oudere monnik de jongere monnik met diens voornaam of met diens familienaam of met ‘vriend’ toespreken. De jongere monnik moest de oudere monnik met ‘Heer’ of met ‘Eerwaarde’ toespreken. En als de gemeenschap van monniken het wenste, mocht men na het overlijden van de Boeddha alle kleine voorschriften laten vallen. [Oudere en jongere monnik: bij monniken wordt niet het aantal levensjaren geteld, maar de tijd vanaf de hogere wijding.]

 

    In Theragatha verzen 1034 en 1035 zou Ānanda gezegd hebben: “Alle richtingen zijn beneveld, de Dhamma is mij niet helder. De edele vriend, de meester, is heengegaan. Ons blijft geen andere troost dan oplettendheid bij het lichaam.” Geiger merkte op dat die twee verzen betrekking kunnen hebben op het heengaan van de Eerwaarde Sariputta (zie (S.XLIII,13) en niet op het overlijden van de Boeddha. Later zou men die tekst in het Parinibbana sutta hebben toegevoegd. Maar volgens mij kunnen die verzen ook gesproken zijn bij het overlijden van Ānanda door een leerling van hem.

 

    In S.VI.15 zegt Ānanda dat er ontzetting was toen de Boeddha heenging in parinibbana. Die woorden staan ook in vers 1046 van de Theragatha.  Ānanda sprak toen niet over zichzelf. Die ontzetting was niet bij hem maar bij de Mallas van Kusinara.

 

    Ānanda zou aanvankelijk door Anuruddha niet zijn toegelaten tot het eerste concilie omdat Ānanda nog geen volmaakte heiligheid bereikt zou hebben. Maar Ānanda wist heel veel leerreden van buiten. Men had hem absoluut nodig op dat concilie. Ānanda werd dus later toch toegelaten. Hij werd als niet arahant voorgesteld die pas vlak voor het begin van het eerste concilie de volmaakte heiligheid bereikte. Dit hele verhaal moet verzonnen zijn en later toegevoegd.

 

    Op het einde van het concilie zou Ānanda gezegd hebben dat de mindere regels konden worden opgegeven. Hij werd ervan beschuldigd niet te hebben gevraagd welke die mindere regels waren. Er zouden toen verschillende meningen geopperd zijn. Omdat er geen eenheid onder de monniken kwam, zou Mahā Kassapa besloten hebben dat alle regels opgevolgd moesten worden. Maar Ānanda en Mahā Kassapa en ook de andere monniken wisten toen heel goed welke de mindere regels waren. Ānanda hoefde dus niet te vragen wat die regels inhielden. Waarschijnlijk wilden latere monniken de mindere regels opgeven wat niet werd toegestaan. Ānanda kreeg toen de schuld. Ook dit verhaal moet later zijn toegevoegd.

 

    Op het einde van het 1e concilie kreeg Ānanda samen met zijn discipelen de taak om de Dîgha Nikâya te leren en over te leveren.

 

    Ānanda werd erg oud. De laatste jaren van zijn leven schijnt hij te hebben doorgebracht met onderrichten en preken en met het aansporen van zijn jongere collega-monniken. Een lofrede aan hem bij zijn overlijden is in de verzen 1047-1049 van de Theragatha. “Hij die veel van de meester ervoer, de bewaker van de woorden, het oog van de hele wereld, Ānanda doofde uit. Hij die veel van de meester ervoer, de bewaker van de woorden, het oog van de hele wereld, dat stralend door de nevel drong, de deugdzame, wijze mens, de sterke held die altijd vastberaden was, de bewaker van het ware woord, Ānanda vond uitdoving nu.”

 

    De relieken van Ânanda werden in tweeën verdeeld. Voor elk deel werd een stoepa gebouwd. Een deel van die relieken bevindt zich in de stoepa te Vesali.