Startpagina

 

 

 

 

 

 

Voorwoord

 

Dit verhaal is in 1967 geschreven door de heer Wiert Kruise.

Het boekje werd toen uitgegeven als getypt exemplaar.

 

Ik zelf was niet in het bezit van dit boek, maar kon er gelukkig een lenen.

Na het gelezen te hebben, en de Lethe mij zeer na aan het hart ligt, ik ben er geboren, besloot ik het verhaal op de computer te schrijven.

 

Toen ik het geschreven had, kwam bij mij de gedachte om eens met de camera door de Lethe te trekken om er wat foto’s te gaan maken.

Deze er tussen geplakt, en het enthousiasme was er, om her en der te vragen wie er nog wat materiaal foto’s en dergelijke in zijn of haar bezit had.

 

Verder zette ik een advertentie in het Groninger Dagblad, onder het rubriek Ik Zoek.

Deze advertentie heeft al mijn verwachtingen overtroffen.

En kreeg werkelijk uit het hele land, Bellingwolde, Groningen, Borger, zelfs uit Amsterdam reacties.

Mensen met prachtige verhalen uit de Lethe, zij die nog foto’s, film, dia’s, het Laite laid, en zelfs een cassette bandje hadden met opnames van een Lethe bewoner.

 

Om niemand te kort te doen wil ik u hiervoor allen danken, zij die mij dit ter beschikking hebben gesteld.

Het zou nooit geworden zijn zoals het nu is zonder jullie medewerking.

 

Mocht u, na het gelezen te hebben, nog in het bezit zijn van foto’s of ander materiaal, waarvan u denkt dit had er ook in gemoeten neem dan contact met mij op.

 

Het geheel is op USB stick gezet, en tegen een vergoeding van €10.=

voor gemaakte kosten van deze stick en porto te verkrijgen.

 

 

 

Geert van der Laan                                                                         Bellingwolde 17 maart 2005

Zuiderstraat 15

9695 HG Bellingwolde

Tel: 0597-531534

E-mail: tikwizin@live.nl

 

  

 

 

 

 

De Lethe

 

 

De Lethe het gehuchtje aan de rijksgrens, oostelijk gelegen van en behorende tot de Gemeente Bellingwolde, nu Bellingwedde.

De naam komt van ”Der Leethe Flüss”, inderdaad met twee puntjes volgens een oude kaart.

De Moersloot heette eerder zo. ”Mouwale”’ zeggen de oudere “Laitjeders.

“Lethe zal verder gewoon staan voor: waterloop.

En dat was die Moersloot.

Eens een rivier waarin schepen voeren.

Nu weinig meer van over.

Want nadat stadhouder Willem III eind zeventiende eeuw de Oude Veendijk liet aanleggen, opdat het Bourtanger Moeras, moeras zou blijven, viel de streek westelijk daarvan, waar de Moer(as)sloot stroomde min of meer droog en raakte in de versukkeling.

Door de gewijzigde bodemgesteldheid kon De Lethe woongebied worden.

 

Vroeger toen het verenigd kanaal er nog niet was, waren de waterstanden soms erg hoog.

Vooral in het voorjaar als de dooi zijn intrede deed en vele sloten dicht waren gesneeuwd, kwam het water van de Duitse hoge venen, naar het laag gelegen gebied de Leegte stromen.

Vele ingekuilde aardappelen en bieten kwamen in het water te staan.

De bewoners plaatsten des avonds ergens een stokje en konden dan de volgende morgen zien of het water was gestegen, dan wel was gezakt.

De boeren, dienstmeiden en ook de knechten, moesten bij avond, met lederen laarzen, die ze van de boeren leenden, tussen de bomen van de Drentselaan door, de weg zoeken, om hun betrekkingen te kunnen bereiken.

 

Werklui tijdens het graven Boelo Tijdenskanaal

Op de foto 1e rij: 3e Teelko Grijze, 4e Geert Mulder, 5e Jan Mulder

 

Uit krant van 19-04-1910

 

 

 Één dag later    Uit krant van 20-04-1910

 

 

 

Voordat het Boelo Tijdenskanaal of Verenigd kanaal was gegraven, was de grens van dit gehuchtje niet zo duidelijk aangegeven.

Het werd ongeveer gerekend vanaf de Moersloot in zuidoostelijke richting tot aan de Duitse grens.

 

 

Boelo Tijdens of Verenigd kanaal

 

 

De Lethe : LethebrugDe Lethe brug

 

De kern van deze buurtschap was gelegen in de buurt van het woonhuis

van Jakob Kuiper; die dan ook de burgemeester van de Lethe werd genoemd.

Het huis van

Jacob Kuiper en

Jantje van Bergen

Met zijn prachtige

kastanjeboom.

Gepke pootte deze daar eens.

 

   Huis van Jacob Kuiper 

 (Hier in dit huis ben ik geboren).

 


                                                                            2e Lethelaan 4 en 5,   2 woningen

 

 

 De meeste bewoners uit de Lethe waren arme boeren arbeiders.

Vele van deze lui gingen hun brood verdienen op het Kloosterland, gelegen vlak over de Duitse grens.

Voor de eerste wereld oorlog bestond daar eigenlijk geen grens.

Een ieder liep Nederland en Duitsland in of uit, zo het hem of haar ’t beste uitkwam.

Zelfs ging men er naar school, in het klooster Dunnebroek zoals mijn overgrootmoeder Gepke Metting.

 

 

Over haar spreken wij later nog.              

                                                                           Gepke Kuiper Metting

 

 

Tijdens de winters, die soms erg lang waren, verdienden deze lui niets.

Veelal had men enig land en vee als aanvulling op de schamele lonen die men in de zomer verdiende.

Degenen die zulks niet bezaten moesten er ook door.

Sommigen gingen stropen, anderen zochten het in de smokkelen van jenever, klontjes en suiker.

Zij haalden dit vanuit Duitsland en verkochten dit spul weer in Nederland.

In de stad Winschoten woonden gretige afnemers.

Ieder persoon mocht binnen de strook van 1000 meter vanaf de rijksgrens een zekere hoeveelheid straffeloos vervoeren.

Het gevolg was dat een gehele gezin over de klei (Oude Schans) naar Winschoten ging om zijn bestaan te handhaven.

Zij bonden de kinderen, en de waren op hun ruggen vast en moesten soms op blote voeten door hun moeder meegesleept worden.

 

 

Uit krant van 02 september 1933

 

 

 De jenever, klontjes en suiker werd uit Duitsland gehaald van Roelf Edens en Mina, die woonden in een vrij groot huis vlak aan de Nederlandse grens.

De jenever werd daar zowel per liter als per maatje verkocht.

Later toen Roelf Edens het tijdelijk met het eeuwige had verwisseld, zette zijn vrouw Mina het op dezelfde voet voort.

Één maatje koste één grossen.

Dat was zes centen.

Dat ging zo even over de toonbank.

 

                                                                               

 

 


                   Uit krant van 02 september 1896                                Uit krant van 04 september 1896

 

Vooral de mannen die des avonds van de Duitse boeren van het vlegeldorsen huiswaarts keerden, wiens kelen schor van het stof waren, meenden hun adamsappel daar even te moeten strelen, door er een dubbel maatje door te laten glijden.

Dat was twaalf centen die ze hun armoedige gezinnen te kort deden.

Ook woonden daar mensen die niet zo erg op de smokkelen waren ingesteld.

Deze mensen maakten in de winter strodokken van roggestro, hetwelk een beetje vakmanwerk was, zodat niet iedereen hieraan mee kon doen.

(Strodokken gebruikte men onder de dakpannen als isolatie)

Bij bijna alle inwoners van de Lethe kwam men met een borrel nooit te laat.

Zij stonden er bijvoorbeeld midden in de nacht voor op.

Er was jenever bij het slachten van het varken, bij het binnenhalen van de oogst.

Wanneer in het voorjaar de aardappelen waren gepoot, moest er een borrel op gegoten worden.

Kortom bij iedere gelegenheid speelde drank een voorname rol in de geschiedenis van de oude Leete.

In de zomer was het een uitstekend middel tegen de warmte.

In de winter zo zegde men was het een wonderlijk vocht tegen de kou.

Ging er een echtpaar op bezoek gaven ze de kinderen tevoren een foppertje (fopspeen)in de mond.

Dat was een katoenen lapje, waar suiker in was gedaan.

Dit werd met een witte katoenen draad dichtgebonden en daarna flink in de jenever gedompeld.

De kleintjes waren dan de gehele nacht zoet en de ouders konden zonder enige zorgen feest vieren.

Wanneer de kinderen buikpijn klachten hadden, dat waren wurms (wormen) die door de jenever verdreven moesten worden.

Wanneer de kinderen tijdens het wisselen mondklachten hadden en huilden dan was een flinke scheut brandewijn een bij uitstek geschikt middeltje.

Zo werden de kinderen daar vroegtijdig met de jenever in aanraking gebracht.

 

De bewoners werden aangekeken voor een soort mens van beneden nul.

Als een meisje kennis kreeg met een jongen uit de Lethe , dan werd zij zeer zeker door haar ouders onder handen genomen.

Gelukkig had zulks meestal een averechtse uitwerking en kwamen ook deze jongelingen toch aan hun trekken.

 

Door het veelvuldig gebruik van jenever, dat daar in de Lethe ook wel koer en doornkaat werd genoemd, waren er vele vechtpartijen.

Als het al te bar werd kwam de provoostgeweldiger, gewapend met een bruingelakte knuppel de zaak een beetje in het reine te slaan.

Vooral bij de stoetloterijen,(stoet is een brood) die men daar meestal tegen de kerstdagen organiseerde, ging het soms erg Spaans toe.

De Nederlandse overheid voerde de loterijwet in, zodat er een vergunning moest worden aangevraagd voor een dergelijke loterij.

Gezien dit  niet voor één of andere liefdadige doel bestemd was, werd hiervoor geen vergunning verleend.

De Lethe bewoners schrokken daar niet van terug.

Zij gingen de loterij nu op Duits gebied houden, tot ook de Duitse wetgeving er iets op vond.

De Duitse grensbeambten geholpen door gendarmes lieten op zekere dag alles zover komen dat velen in de staat van dronkenschap verkeerden.

Zij grepen toen in.

De gehele voorraad wittebrood, krentenbrood, koek en kaas werd in beslag genomen.

Op een handkar waar genoemde etenswaren op lagen, werd ruimte gemaakt voor de stomdronken Hemmo IJzer, die ze gevangen hadden genomen.

 

Zo werd het gehele gevalletje overgebracht naar het gericht in Weener.

Hemmo IJzer, was mede organisator en heeft daarvoor een half jaar in Duitsland in de nor gezeten.

Meerdere personen die deze zaak mede op touw hadden gezet, vluchten nog juist bijtijds de grens over naar Nederland en zagen hoe hun voorraad door de beambten werd weggevoerd.

Één Duitse beambte riep nog aan de Nederlanders: ”Laat die man met die blauwe blouse hier maar eens komen!”.

Zo is er dan eindelijk een einde gekomen aan deze onsmakelijke stoetloterijen in de Lethe.

 

 

 

 

De Lethe bewoners maakten daar echter nooit ruzie.

Het waren meestal mensen, die over ver kwamen en zich na het gebruik van alcohol niet met de loterij konden verenigen.

Deze stoetloterijen werden gehouden nabij de woning van Hemmo IJzer.

Later werd dit perceel bewoond door Heiko Meijering, vervolgens door het gezin Albert Stokebrook, en daarna door Geert Diepenbroek.

 

Woning van H. Meijering en A. Stokebrook

 

 

 

Interieur van de woning

 

 

Het huis is door brand verwoest.

Bij het blussen van het huis, op zoek naar water vond men kippen die in een zak waren gestopt. Dit leverde het bewijs van brandstichting.

De toenmalige bewoner heeft daarvoor zijn staf uitgezeten.

In bijna ieder huis in de Lethe was jenever te koop.

 

Om te beginnen bij Jan van Lenning, hij woonde nabij de laatste overgebleven batterij.

 

      Het huis van de Familie van Lenning                          Interieur huis van, van Lenning

 

Bij Harm Metting, Berend Holtkamp, Grietje Smit, Albertje Loeks, Hilke Broens, Abel Abels zijn vrouw Jantje Vrieze, bij mooi Jantje aan de Veendijk en ten slotte bij Albert Edens die de rij sloot.

 

 

De bewoners waren een echte gemeenschap, getuige deze foto van hun buurt vereniging.

 

 

Buurtvereniging Samenwerking

Foto 21 maart 1946 in Reiderland

 

 

Ik kwam achter de naam van de buurtvereniging door het lidmaatschap van mijn over grootmoeder Gepke Kuiper Metting.

Na haar overlijden had de buurtvereniging een rouwadvertentie in de krant geplaatst.

 

 

 

 

 

 

Of er gezamenlijk op uit trokken.

Onder andere met een bus van garage de Wit naar Duinen Zathe.

 

                                                              Uitje Duinen Zathe, 

 

 

 

             Groepsfoto uit de Lethe

 

Bovenste rij:  1e Hendrik Klok, 2e Berend Schaub, 5e Berend Waalkens(leutje Berend)

Op de vijfde rij:  1e Line Klok-Roll. 2e Betje Metting-Mulder, 3e Elsje Timmer-van Lenning.

4e mevr. Schaub-Bonder,

Op de derde rij: 1e Jantje Bos-Vrieze, 2e Anno Bos

Op de tweede rij: 4e Geert Meijer, 5e Altjo Harms, 6e Anton Harms.

Op de eerste rij: 2e Etje Telkamp-Kuiper, 5e Wed. Volders, 6e Wiepko Volders, 7e Lieske Brouwer

8e Truida Elsien Letema, 9e Jan Metting.  

 

 

 

 

 

 

         Groepsfoto uit de Lethe gemaakt tijdens een reis naar Den Haag 16 juli 1960

Bovenste rij 1e Dhr. Deiman Chauffeur, 3e Jantje Metting, 4e Anno Bos, 5e Line Roll, 6e Hendrik Klok, 7e Jan Christiaans, 8e Antje Fokken,12e Filippus Stokebroek, 13e Riekje Waalkens.

Middelste rij 4e Rinie Reit,9e Albertus Brouwer, 10e Klaassien Waalkens.

Voorste rij 1e Willem Christiaans,2e Etje Telkamp, 3e mevr. Koekoek,5e Fenna Groen,7e Rikste Volders.

 

            Reis buurvereniging van de Lethe in 1955

 

 

Reis met de buurtvereniging Lethe in juni 1958

 

Verschillende woningen zijn er in de Lethe afgebrand.

Allerlei oorzaken werden er genoemd, zelf één brand was veroorzaakt door een vluchtende poes.

Het beestje haar staart had in de kacheloven vlam gevat en rende door angst gedreven de schuur in, voorbij het hooi waar het brand begon.

 

 

 

Links op de foto Etje Telkamp Kuiper.

2e Angie Potter

3e Hilke Stokebroek (dikke Hilke)

4e Angie Kruiter


Foto gemaakt door Vrijma’s Fotobedrijven Groningen

Postbus 83

 

 

 

 

 

 

 

Wij beginnen met de woning staande aan de Molenlaan, alwaar weduwe Telkamp, Etje Kuiper het laatst heeft gewoond.

 

     

Etje Telkamp Kuiper                                                 

     

Dit huis is twee keer afgebrand.

Op dezelfde laan volgt de woning bewoond door familie Diepenbroek, het geen al reeds eerder is vermeld.

 

 

 

Eveneens aan de Veendijk de woning het laatst bewoond door familie Baais, eigendom van Sebo Meijer, kraaide de rode haan twee keer.

De ene keer toen Jan Abels er woonde met zijn vrouw Jantje, of te wel mooi Jantje, is nog wel de moeite waard om te beschrijven.

Het was in de zomer.

Een onweersbui met dreigende wolken bedekte de lucht in de Lethe.

De zoon des huizes bevond zich op de zolder.

Toen een daverende slag het landschap deed sidderen, riep de zoon: ”zal ik het nu maar aansteken moeder, dit was een goeie slag”!

Een grensbeambte die bescherming had gezocht tegen de dreigende bui zat bij Jantje in de kamer, en moeder Jantje kon toen haar ja woord niet geven.

Daarom brandde het maar op tijdens een volgende onweersbui toen de lucht ook binnenhuis veilig was.

 

Wij gaan verder landinwaarts, het huis bewoond door Jakob Kuiper en de woning destijds bewoond door Eppo Frikken.

Het zelfde huis is tijdens de bommenregen van de fatale 25 juni geheel verwoest.

 

 

Aan de zelfde laan, de Oudelaan, ging de woning toebehorende aan Engelke Geertsema in vlammen op.

Hij Engelke probeerde nog om de varkens te redden, doch dat werd hem noodlottig en kwam daarbij om het leven.

 

          Uit krant van 21-09-1936

 

 

 

Op de werkhuislaan, in het huis van Tonko Stel, bleef ten gevolge van het vuur geen steen op elkaar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voor het laatst brandde het huis geheel af destijds bewoond door de weduwe Bernardus Waalkens, genaamd Trijntje Bontkes.

 

Huis Bernardus Waalkens en Trijntje Bontkes

 

 

 

 

          Albert Bontkes en vrouw                                               

 

 

 

 

Vlak in de buurt stond een woning, destijds bewoond door de familie Hendrik Takens en Trijntje Edens, een jong echtpaar, met één kind.

 

Op de fatale dag in de tweede wereldoorlog, toen de gemeente Bellingwolde rijkelijk met vliegtuigbommen werd bedeeld, ruim 1000 stuks, gebeurde daar een groot geluk bij een ongeluk.

Moeder de vrouw wier echtgenoot als grensarbeider in Duitsland te werk was gesteld, hoorde motoren ronken van vliegtuigen en ontploffen van bommen.

Zij riep haar drie jarig dochtertje, maar deze antwoordde niet.

Moeder dacht , mogelijk is ze wel, zoals gewoonlijk naar de buurvrouw gestapt.

Daarom spoedde zij zich daar ook heen, alwaar de bommenregen werd afgewacht.

Toen naar hun mening het gevaar was geweken, maakte zij aanstalten om met haar kroost naar huis terug te gaan.

Voor het huis van buurvrouw gekomen, kreeg zij de schrik van haar leven.

Zij zag dat hun woning met de grond gelijk was gemaakt.

Een voltreffer had dan ook totaal alles vernield.

Hun beddengoed hing aan flarden gescheurd in de bomen.

De hond welke aan een ketting naast het huis was vastgebonden bleef ongedeerd.

Wegens schaarste aan allerlei goederen in de oorlogstijd, was deze schade haast onoverkomelijk.

Maar men kon zeggen: ”gelukkig zij hebben elkaar behouden, door een bijzonder samenloop van omstandigheden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De voor die tijd moderne brandspuit voor de Lethe, was gestald bij Berend Holtkamp.

 

 

 

 

 

 

 

    Brandspuit

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Daarna bij Sebo Meijer, vervolgens bij Karel Jansen.

Er konden zes mannen aan pompen.

Veelal werkte de spuit wel maar gaf geen water.

Er werd nooit mee geoefend.

Een anekdote is: als er ergens brand was uitgebroken en de brandweer was gearriveerd vroeg men altijd wat men wou water of wind.

Water voor hen die niet waren verzekerd, en wind die wel waren verzekerd.

Een brand werd aangekondigd door een man die op een koperen hoorn blies.

Een ieder was terstond bereid om te helpen de brand te blussen.

Daarbij werd voor het blussen, tijdens en ook hierna rijkelijk met doornkaat gegoten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Na dit globaal overzicht van de buurtschap de Lethe, gaan wij terug naar de Molenlaan.

Vlak aan het Boelo Tijdens kanaal staat het huis, dat er juist staan kon blijven vanwege dit kanaal project, het laatst bewoond door de familie Schaub, eerder door de familie Engelke Perton en Albertje Landlust.

Daarvoor de familie Evert Kuiper.

Deze had last van zenuwen en heeft zich op 22e februari van het leven beroofd.

Zijn vrouw moest daarna om zich staande te houden uit te werken.

Daar schuin achter had Roelf Bruins zich met een vrouwtje genesteld.

Na Arend Arends en Tallechien Waalkens, kwam de dochter van Roelf Bruins, gehuwd met Hendrik Kolk hier te wonen.

 

Momenteel bewoond door Willem Kuiper en Grietje Arends.

 

Fam. Willem Kuiper & Grietje Arends

 

Ook aan dit huis is een geschiedenis verbonden.

Roelf Bruins had een koe, welke één kalf ter wereld had gebracht.

Het was een lijfbieder geweest.

Roelf kwam daarom met zijn vrouw overeen, dat hij deze koe op een maandag op de markt te Winschoten zou verkopen.

Hij zou daar dan tevens een andere terugkopen.

Mogelijk kon hij voor het zelfde geld een andere dus een betere krijgen.

Opgetogen ging Roelf met de zwart bonte op stap over Oude Schans, over de klei naar de markt te Winschoten.

Vrij spoedig verkocht hij de koe op de mark aldaar.

Hij keek toen maar steeds uit naar een andere.

Laat in de namiddag, gelukte het hem een koe te kopen naar zijn smaak en inzicht.

Vol trots met zij nieuwe aanwinst toog Roelf op stap wederom over de klei in de richting van zijn woning.

 

 

Drentselaan

 

Hij ging de Drentselaan op in de richting van de Lethe.

Onderweg kwam Hendrik Meijer en Tallechien (zijn zuster) het beest bewonderen en prijzen, zodat hij met nog meer trots de reis voortzette.

Juist voor de woning van Harm Beishuizen gekomen, staande aan de Moerdijk, schrok de koe voor een luid blaffende hond.

De koe brulde een paar keer en trok zodanig aan het hoorntouw dat Roelf los moest laten.

De koe holde in de richting van zijn woning.

Zo snel mogelijk als Roelf kon lopen volgde hij het beest.

Toen hij bij zijn woning kwam en de geopende deur binnen liep, zag hij het beest rustig op zijn stal staan.

Roelf had onwetend zijn eigen koe teruggekocht.

Natuurlijk tot groot vermaak van de gehele Lethe en ver door buiten.

Hoeveel Roelf dit aan klinkende munt heeft gekost is nooit iemand aan de weet gekomen.

Het huis is later verbouwd door Athur Vierboom, en daarna afgebrand.

Engelke Perton heeft het weer herbouwd, en het wordt nu bewoond door huisarts de heer Veeman.

 

 

Woning Fam. Willem Kuiper, voor de woning Athur Vierboom

 

 

Vlak naast dit huis loopt de rijksgrens.

 

Rijksgrens

 

Deze grensscheiding bestond in tegenstelling met de overige plaatsen in de Lethe uit een vrij brede sloot.

Aan de overkant van deze sloot, op Duits gebied dus, lag een soort dijkje van ongeveer 5 meter breedte.

Dat dijkje was begroeid met kreupelbos.

Midden over dat dijkje liep een paadje, waar men over kon lopen.

Soms moest men zich even bukken voor het overgroeiend struikgewas.

Dat dijkje liep vanaf de Moerdijksloot tot aan de schenkwirtschaft van Roelf Edens.

Naar men zegt hebben de oude Lethe bewoners hier voor het laatst een nachtegaal horen zingen.

Of dit dijkje bij de batterij bij de Redoute heeft behoord is onbekend.

 

                                               Huis Fam. van Lenning

Dijkje bij de Batterij

 

 

Deze batterij lag in zuidelijke richting achter de woning van Roelf Bruins.

Op de oude kaart staat deze batterij aangegeven in het Frans als Redoute.

In het Nederlands vertaald is dit veldschans.

Groen = Redoute

Rood  = Fleche

 

 

 

 

 

 

 

 

 


De moerdijk, de Moerdijksloot, genoemde batterij alsmede de tegenwoordige bestaande batterij (genoemd met een Frans woord Fleche, in het Nederlands vertaald pijlschans) zijn overblijfselen van de Franse soldaten onder het opperbevel van Napoleon.

Deze mannen, als ze niet konden vechten, wegens gebrek aan een vijand, moesten zingen of werken.

 

Uit Staatsblad van 02-11-1870

 

Eerst genoemde batterij de Redoute is destijds op een publieke veiling verkocht.

Sebo Meijer in wiens land deze lag, ging er met zijn moeder op af.

Hij was de hoogste aan bod, totdat er een boer die te veel had gedronken de gelagkamer binnentrad.

Juist even tevoren voordat de uit uitveiler had afgehamerd deed deze er een bod overeen en werd eigenaar van de batterij.

Op een dag kwam hij bij Sebo Meijer en wilde zijn nieuw aangeworven land bezichtigen.

Zijn dochtertje was bij hem.

Deze wilde terstond bij de berg grond opklauteren, maar kwam niet zover.

Zij zakte in de met lang gras begroeide gracht weg tot aan haar middel.

De nieuwe eigenaar vroeg aan Sebo, wat of dat was.

Sebo antwoordde: ”ja u hebt een hoop grond gekocht met water, maar dat laatste was wegens het lange gras niet zichtbaar”.

De man had meteen genoeg van de batterij en deed deze maar weer over aan Sebo Meijer.

Sebo heeft hier verscheidende jaren bagger uit gewonnen, waarna het bouwland is geworden. Alles is nu in hersteld.

 

 

 

Achter deze in de koop omschreven batterij lag het boerderijtje van Sebo Meijer.

Hij had een Duitse vrouw, genaamd Hebertha Haken.

Zij was geboren op het klooster Dunnebroek gemeente Wymeer, alwaar zij in haar kinderjaren naar school ging.

Zij was doof en praatte zeer moeilijk.

In hart en nieren is zij Duitse gebleven.

Sebo ging iedere zondag met één of andere boer uit het dorp Bellingwolde de Lethe in om de landerijen en of gewassen te bezichtigen.

Zijn vrouw ging zolang zij kon naar Wymeer ter kerke.

 

Eens in de eerste wereld oorlog toen Hebertha haar Duitse krantje van een Duitsers in ontvangst wilde nemen, werd zij door Jan Potter, een soldaat behorende tot de Nederlandse landweer aangeroepen: ”sta of ik schiet!”.

Het oude mens hoorde dit niet en prompt viel het schot.

Gelukkig trof dit geen doel.

Een golf van verontwaardiging en verwijten ging door de Lethe.

 

In voormeld boerderijtje speelde zich eens een drama af.

In de herfst werd in de Lethe bij de welgestelden onder deze bewoners een varken geslacht.

Men zei dan, kon men met een smerige bek uit het venster kijken.

Zo ook bij Sebo Meijer zijn ouders.

Veelal werd zo’n beest nadat deze de gehele dag in de kou aan een ladder had gehangen, uit elkaar gesneden.

Dit gebeurde echter de volgende morgen.

Het was een Duitsers die dit werk verrichte.

Hij zette het mes in de rug van het dode dier en sneed in de richting van zijn lichaam.

Het mes glipte eruit en trof de man in zijn rechter lies, alwaar de slagader werd geraakt.

Hevig bloedend ging hij liggen en zei, :”bid voor mij ik ga naar de hemelse vader”.

Sebo Meijer sprong terstond op een paard en ging in galop naar de dokter te Bellingwolde.

Een ander vervoermiddel was er in die tijd niet.

Ook was er geen telefoon.

De dokter zei, :”ik zal wel komen, maar daar is voor mij ook niets meer aan te doen”.

Sebo keerde in dezelfde tempo terug naar zijn woning.

In het achterhuis hoorde hij het slachtoffer nog zuchten.

Toen hij de kamer binnentrad was de man overleden.

 

Ongeveer 700 meter achter voren vermeld boerderijtje staat het huis eens bewoond door de familie Derk Raatjes.

Daarna door de familie Klaas Kuiper en Maria Geertsema.

Zij hadden twee dochters genaamd Etje en Wilhelmina.

Deze laatste werd de koningin van de Lethe genoemd.

 

Ook hadden zij een zoon, genaamd Jurrien.

Hij was commies geworden, de tweede commies die de smokkelende Lethe heeft geleverd.

Hij is 32 jaar oud geworden en is aan T.B. overleden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Etje en haar man Derk Telkamp betrokken na haar ouder deze woning.

 

Woning Derk en Etje Telkamp.

Werd bewaakt door de Herdershond met de naam Prins.


 

In één kamer van dit huis hebben onder meer: Hero Levering, Harm Bodde en Eppo Frikken gewoond.

Derk Raatjes was een smokkelaar in groot vee.

Eens probeerden de grensbeambten daar een inval te doen.

Zij kwamen echter voor een gesloten deur.

Met behulp van een bevel tot binnentreden van de woning afgegeven door de burgemeester verschaften zij zich de toegang.

Ook met dit bewijs ging het er nog heftig aan toe.

Een politieman kreeg daarbij een schot in één zijner armen.

Toen de beambten de woning binnen waren gedrongen, troffen zij in de woonkamer van dit perceel de gesmokkelde koeien aan.

De beesten deden zich te goed aan het stro uit de bedsteden.

Daarnaast maakten zij ook een menu van de rabatten en gordijnen die voor de bedsteden hingen.

 

Een zoon van deze Derk Raatjes, eveneens genaamd Derk, ventte in de dertiger jaren te Stadskanaal met naalden en schoenveters.

Hij stond in het algemeen politieblad gesignaleerd voor een boete van 12 gulden wegens herhaalde dronkenschap.

Een politieman uit de Lethe, de enige die de Lethe heeft geleverd, zag hem, herkende hem en rekende hem in.

 

Naast zijn negotie (handel) had hij zegge en schrijven zeven centen op zak.

Het hiervoor omschreven huis, is aan de gemeente verkocht en zal ter zijner tijd worden afgebroken.

 

 

 

 

 

Schuin achter deze woning stond het huis van de stamvader van de van Lennings.

Uit de mond van Elzo van Lenning, die als schoenmaker naar Amsterdam was vertrokken hoorde ik dat vermoedelijk de naam, van Lenning zijn oorsprong vindt van een Duitse soldaat die uit Lingen kwam, dus von Lingen. 

Willem van Lenning, geboren te Bourtange op 14 april 1804, overleden te Bellingwolde op 14 januari 1867, zoon van Jan Jans van Lenning en Hiltje Hindriks Raatjes.

Hij is gehuwd met Annechien Wirtjes Eilderts, geboren te Bourtange op 20 december 1804, overleden te Bellingwolde op 14 april 1898,dochter van Wirtje Eilderts en Hindertje Folgers, stichten hier een gezin.

Hij leefde daar onder de naam Eildert Jans.

Zij onder de naam Annechien Gent.

Hij was afkomstig uit de vesting Bourtange.

Na het overlijden van een zekere Jans van Lenning in Bourtange ontstond er een familietwist over een slingeruurwerk, voor die tijd een kostbaar bezit.

Willem van Lenning verwijderde zich van zijn woonplaats en zijn familie en heeft dat contact nooit meer opgenomen.

Uit dit huwelijk werden twee dochters en twee zonen geboren, genaamd Jan, Hindertje, Wirtje , en Hilje.

Jan geboren te Bellingwolde op 11 juli 1836, overleden aldaar op 6 mei 1917 bleef later op het ouderlijk erfdeel wonen.

Het grond erfdeel werd verdeeld met zijn zusters.

Ieder dus één derde gedeelte van de gronden.

 

Hij trad op 27 oktober 1864 in Duitsland in het huwelijk met Hindertje Roze geboren te Stapelmoor op 18 maart 1842, overleden te

 

Bellingwolde op 21 maart 1922, natuurlijke dochter van Marike Markus Roze.

 

 

 

 

Jan van Lenning en Hindertje Roze


 

 

 

Hilje geboren te Bellingwolde op 14 november 1847, overleden aldaar op 25 september 1935.

Zij huwde met een Duitser genaamd Wiert Zwaneveld, geboren te Wymeer op 24 december 1848,overleden te Bellingwolde op 18 januari 1928.

Hij was een zoon van Nanne Harms Zwaneveld en Engelina Blok

Hilje had deze jongeling leren kennen, toen zij ter school ging in het dorpje Wymeer.

In het dorp Bellingwolde werd toen nog geen onderwijs gegeven.

Hilje had maar één oog.

Een dokter die destijds bij haar moeder was ontboden hield veel van kinderen.

Hij liep altijd heel parmantig en zwaaide overdadig met zijn  armen en handen.

Onverhoeds liep het kind, Hilje naar deze zwaaiende dokter.

Ongelukkigerwijze trof zijn vinger het linker oog van het kind en moest zij verder het leven door met één oog. De dokter had later de bijnaam Fokko de zwaaier.

 

Op het gronderfdeel van Hilje werd door haar zwager genaamd Hemmo IJzer, die nogal handig was, een woning gebouwd voor de prijs van 500 gulden.

Er moest een hypotheek worden genomen van de familie van der Veen uit Vriescheloo groot 300 gulden tegen een rente van 2 ½ %.

Evenals alle huwelijken ging dit eerst heel mooi.

Men werkte gezamenlijk om vooruit te komen.

Na ongeveer 5 jaren zo te hebben gezwoegd en het gezin was vermeerderd met één dochter, sloeg het noodlot toe.

De oorlog van 1870 tussen Duitsland en Frankrijk was uitgebroken.

Ook Wiert Zwaneveld werd als rijks Duitser opgeroepen om zijn plichten jegens zijn heimat te vervullen, zijn vrouw achter latende met het vorengenoemde en in de schuur, een vaarskalf, een klein varkentje en negen kippen.

In de portemonnee had de vrouw slechts zeven stuiver.

De uitkeringen aan de Duitse soldaten was zeer slecht en er moest hoger worden geleden.

Brandstof werd er in de vorm van turfkluitjes gezocht in Duitsland op de Koeperskaampbe.

Het land voor zover in cultuur moest worden bewerkt.

Het gras moest bij de greppels weggesneden worden, deels voor direct voer en deels als hooi voor de winter.

 

Op een dag, de zon was al reeds onder, kwam Hilje met haar dochtertje genaamd Engelina met een schort vol veenkluiten uit de Duitse venen.

Zij zagen een grote vuurbol, komende van de woning van Roelf Edens (Duitsland) en in de grond gaande bij de woning van Derk Raatjes.

Men noemde dit een voorbode.

Beide huizen zijn kort na elkaar door vuur verwoest.

Hilje is nooit meer naar Duitsland geweest om turfkluitjes te zoeken.

Zij ging nu naar Sebo Meijer, alwaar zij voor een dubbeltje turf kocht.

 

Na de oorlog diende Wiert Zwaneveld onder luitenant Hindenburg nog twee jaren voor de bezetting in Frankrijk, alwaar de Duitsers evenals in de jaren 1940 tot 1945 ongewenste vreemdelingen waren, en ook als zodanig door die bevolking behandeld werden.

Het gezin is later aangegroeid met een tweede dochter genaamd Annechien.

 

 

Annechien Zwaneveld wed. A. Potter

 

 

Na het heengaan van de oude lui is het huis met grond verkocht op een publieke verkoping in het hotel Reiderland (wed. Klein) aan Jan Waalkens voor de prijs van 1050 gulden.

 

Hotel Reiderland

 

 

Jan Waalkens heeft op deze plek een nieuw huis laten bouwen.

Beide oudjes zijn overleden en het huis is, momenteel onbewoond.

 

 

Hindriktje van Lenning trad in het huwelijk met Hemmo IJzer.

Hij had uit eigener beweging het timmeren geleerd en zette zich op het landserfdeel van zijn vrouw een woning.

 

Timmerlui waren drinkelui.

Hij was geen uitzondering.

Zijn vrouw Hindriktje begon in al deze ellende hem in het drinken te overtreffen, met het gevolg dat zij op 3 mei 1900 hieraan is overleden.

Op de dag dat deze vrouw naar haar laatste rustplaats gebracht moest worden, was hij, als gewoonlijk door de alcohol half beneveld.

In het huis was geen geld.

De zoetigheid in de thee ontbrak.

Hij Hemmo zocht uit het bedstee enige door zijn vrouw afgezogen klontjes, waarmede hij de aanwezige mensen, die zijn vrouw de laatste eer wensten te bewijzen, trakteerde.

Begrijpelijk is op deze droeve plechtigheid het minst gedronken.

Hemmo is ondanks zijn misbruik van alcohol nog behoorlijk oud geworden, na veel in dit voor hem aards tranendal te hebben meegemaakt.

 

 

De andere zoon genaamd Wirtje van Lenning geboren op 13 september 1842, vestigde zich als slager in het dorp Bellingwolde.

Hij huwde op 1 september 1866 een zeer nette vrouw genaamd Grietje Engelkens, die bij de tijd was.

Zij was een dochter van Hero Heres Engelkens en Gepke Harms Heiting,

Zij is geboren te Bellingwolde op 18 januari 1838, en overleden op 5 augustus 1897.

Wirtje overleed op 14 april 1932

Geen van hun kinderen is dan ook tot de arbeidersstand teruggekeerd.

 

De landerijen die van de familie waren geërfd, bestonden uit zeer laag gelegen gronden, welke slechts gedeeltelijk in cultuur waren gebracht.

Voor deze onbebouwde eigendommen werd geen grondbelasting betaald.

Deze landerijen werden meestal na de werkzaamheden bij de boer of op zondag of in de winter bouwrijp gemaakt.

Kunstmest was toen nog onbekend.

De melk werd zuur gemaakt en gekarnd.

De boter werd in de buurt verkocht of ging naar Winschoten naar de markt.

De karnemelk was grotendeels voor de varkens.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wij gaan terug naar het stamhuis van de van Lennings.

Uit het huwelijk tussen Jan van Lenning en Hindertje Roze, werden zes jongens en drie meisjes geboren.

Jan, zelf was op een betrekkelijke jonge leeftijd zwaar gehandicapt.

Hij had in erge mate last van reuma en liep derhalve met een stok.

Men zij dat hij dit opgelopen had in Duitsland.

Daar gingen vele arbeiders uit de Lethe heen om in het voorjaar in de plaats Stapelmoor en Bargermoor turf te graven.

Één van zijn jongens Jan geboren te Bellingwolde op 31 oktober 1875, overleden aldaar op 7 november, huwde te Bellingwolde op 19 december 1908 met Alke Roll geboren te Beerta op 2 augustus 1876, en ging met zijn vrouwtje wonen nabij de batterij gelegen bij de Wymeersterbrug.

Zij overleed te Meeden op 27 maart 1961, en was een dochter van Johannes Jaspers Roll en Elsien Dijkhuis.

Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren.

 

Uit krant van 18 april 1916

 

 

 

Één daarvan genaamd Elzo werkte zich op, en werd in Amsterdam schoenmakersbaas in een soort werkkamp voor mindervaliden.

Daar in Amsterdam hadden zij een Groningerclub, die hij dan ook vrij geregeld bezocht.

Aldaar leerde hij een meisje kennen, dat hem wel wat toe leek, waarmede hij zich een poosje onledig kon houden.

Haar voornaam wist hij eerst niet, maar dat kwam al vrij spoedig.

Zij was een Leentje.

 

Elzo & Leentje van Lenning

 

Kort daarop kwam ook de achternaam uit de bus.

Het was een van Lenning, afkomstig uit de vesting Bourtange.

Begrijpelijk heeft Elzo zich mogelijk wel even in zijn arm geknepen of hij droomde, maar het was de werkelijkheid.

Zo is de familie van Lenning, wederom in ons groot Mokum herenigd.

 

Trouwfoto Elzo en Leentje van Lenning

 

Uit het huwelijk zijn twee meisjes geboren genaamd Ellie en Alkeline.

Ellie zit in het onderwijs in Groningen, en Alkeline woont in Amsterdam en geeft college in Tilburg.

 

Wij gaan ons weer verplaatsen naar de woning het laatst bewoond door de familie Jan Waalkens, destijds bewoond door de familie Wiert   Zwaneveld, en Hilje van Lenning.

Toen hun twee dochters Engelina en Annechien waren gehuwd, kwam er bij eerstgenoemde een zoon, die de naam Wiert kreeg.

Mede gedwongen door een beetje naamziekte, namen zijn grootouders de jongen, toen

1 ½ jaar oud, tot zich.

Zij voedden hem op tot hij bij de Koninklijke Marechaussee werd geplaatst.

Drie jaar na het overlijden van zijn vrouw, huwde hij ten tweede male met de weduwe Berend Waalkens, Jan zoon. 

En zo kreeg Lukea Kranenborg twee mannen uit de Lethe en wel uit een en de zelfde huis.

In de opgroeiende jeugd van deze knaap was er met werken niets te verdienen.

Sommige goed door kneedde boerenarbeiders, kregen nog wel werk, doch de overigen moesten op een houtje bijten.

Het was in de oorlog 1914 – 1918 en kort daarna.

 

Om een paar zakcenten te bemachtigen was smokkelen en stropen de aangewezen weg.

De smokkelaars hielpen elkaar zoveel mogelijk in de Lethe.

Het was dan ook moeilijk voor de grensbeambten om iemand te grijpen in de Lethe.

 

                     Uit krant van 10-06-1884

 

Meerdere staaltjes van vernuft zijn te beschrijven.

Een smokkelaar dacht zijn droge hammen naar Duitsland te verkopen.

Bij de slager Braaf in Bellingwolde kon hij daarna rundvlees terugkopen.

De koop betreffende deze hammen werd gesloten met een man uit het dorp Wymeer genaamd Rieks Koop.

Op een barre winteravond waagde de man zijn geluk.

Nadat hij de hammen zodanig op zijn rug had bevestigd, dat ze met een mes gemakkelijk losgesneden konden worden, ging hij op stap, tot de woning van Wiert Zwaneveld.

Om de laatste sprong over de grens te wagen moest hij daar goed uitkijken, aangezien het daar open veld was.

Om beter te kunnen zien, wachtte hij op het ijs op het eind van de sloot.

Op de Molenlaan in oostelijke richting zag hij twee personen.

Als hij goed keek zag hij dat deze twee heen hen weer liepen.

Dat waren natuurlijk commiezen.

Hij wachtte daar maar even.

Nadat hij zich op deze koude plaats een ogenblikje schuil had gehouden, kwamen er twee commiezen voor de woning van Zwaneveld aan kuieren en sloegen hun bivak op vlak bij de smokkelaar op een dijkje.

Twee uren heeft deze man daar met zijn hammen op het ijs gelegen.

Hij had in het geheel geen kou gevoeld.

De vermeende commiezen die hij eerst had gezien waren een paar bosjes geweest.

Deze bosjes staan daar nog op de Molenlaan, nu de 4e Lethelaan.

De smokkelaar die nog in zijn kinderschoenen stond is naar huis teruggegaan en heeft nooit meer gedacht om zijn hammen te verkopen.

 

Willem van Lenning smokkelde textiel naar Duitsland.

Vlak bij de woning van Wiert en Hilje muike (tante) gekomen, zag hij twee commiezen lopen op de Molenlaan, in zijn richting.

Van binnenuit werd bij Wiert Zwaneveld een dakpan opzij geschoven en de textiel verdween in de woning van Wiert Zwaneveld.

De commies Dijkmeijer en de buitengewoon commies Hisken onderzochten Willem maar vonden niets.

De Lethe lachte om deze daad.

 

 

Een ander geval waarbij de commiezen zegevierden.

Op een avond hadden de commiezen schapen gehoord vlak over de grens.

 

 

 

 

Natuurlijk moesten deze beesten gesmokkeld worden.

Zij gingen ergens liggen om de geleiders en de beesten in te pikken, maar de smokkelaars kwamen niet.

Het begon deze mannen te vervelen en ze zeiden tegen elkaar: ”Wij zijn gezien en nu komen ze niet”.

Zij besloten dat één commies weg zou gaan.

Deze deed een stok over zijn schouder en daar werd de overjas van de andere opgehangen.

Bij donker weer zou men zeggen ze gaan alle twee weg.

De smokkelaars waanden zich veilig.

Zij werden prompt door de andere commies ingerekend.

 

 

 

 

Wij gaan nu de woning onder de loep nemen van Hemmo IJzer en Hindriktje van Lenning.

Na haar overlijden op 3 mei 1900 leidde hij een kluizenaarsleven.

Uit eindelijk heeft zijn zoon Jakob hem daar vandaan gehaald.

Hij had een gat in zijn rug en het ongedierte had daar een goed leven.

 

 

Vervolgens kwam daar Heiko Meijering ,geboren te Vriescheloo

op 4 november 1864, en gehuwd met Maria van Lenning geboren te

Bellingwolde op 3 maart 1967 te wonen.

Zij huwden te Bellingwolde op 9 juni 1888.

Heiko overleed te Bellingwolde op 19 oktober 1920.

Maria overleed te Groningen op 14 mei 1949.

 

 

Hij had een bode rit op de stad Winschoten met paard en huifkar.

Hij handelde in paarden en wist vele koppige beesten uit Duitsland tot rede te brengen.

Het oude huis werd opgeknapt.

Er kwam een nieuwe wc., zijnde een driehoek, zonder deur bij de mestvaalt te staan.

Het huis is later overgegaan in handen van Albert Stokebroek en Hilke Broens.

 

                    Hilke Stokebrook-Broens

 

Op een dag gebeurde daar een groot ongeluk, juist op de plaats waar heel vroeger de stoetloterijen werden gehouden.

Het oudste dochtertje van Albert en Hilke, genaamd Gepke, een heel mooi meisje met goudblond haar, werd daar doodgeschoten.

Een op jaren zijnde Duitse soldaat, genaamd Pannenborg, afkomstig uit het dorp Wymeer, had daar de wacht.

Het geweer dat niet op veilig was gesteld ging af, toen Pannenborg zich even draaide, terwijl hij een beetje lui tegen een grenspaaltje leunde.

De kogel trof Gepke nabij het oog in het hoofd, doorboorde haar hersentjes.

Zij was onmiddellijk dood.

Men kon de laatste stuiptrekkingen van haar vingertjes in het veen zien staan.

Haar vader droeg het lijk, op zijn beide armen liggende naar huis.

Bij iedere stap die hij deed, zag men het goudblond haar van Gepke spelen in een zacht zondags en voorjaarswindje.

De soldaat wentelde zich in het afgegraven veen en riep steeds maar weer: ’dat arme kind, dat arme kind!”

Op de plaats des onheil kwam later het Duitse kriegsgericht om de zaak te behandelen.

De soldaat werd gestraft, omdat hij het geweer niet in zekering had gesteld.

Twee van Gepke’ s vriendinnetjes, die bij het ongeval aanwezig waren, genaamd Hilje Potter en Stijntje Koekoek, moesten daar getuigenis afleggen.

Een paal siert Gepke’ s laatste rustplaats.

Men leest er de naam Gepke.

Het is zo weinig maar het zegt ons zoveel.

Onze gedachten staan bij dit graf even stil en we denken terug.

Met eerbied herdenken wij, dat onschuldig kind, dat zo jong op wrede wijze van de Lethe bewoners werd weggerukt.

 

De Winschoter courant plaatste in het rubriek, uit Couranten van 50 jaar geleden het volgende:

 

 

 

                                                                   21 Maart 1918.

 

Wij gaan ons nu verplaatsen naar de Veendijk, naar de woning eens toebehorende aan Sebo Meijer, alwaar zoals eerder is vermeld eens mooi Jantje woonde, die de grensbeambten, zowel de Nederlandse als de Duitse, van geestrijk vocht voorzag.

Na haar kwamen daar Albert Potter en Annechien Zwaneveld.

Daarna Jurjen de Groot en Lukje, vervolgens Derk Telkamp en Etje Kuiper.

Hierna Abel van der Laan en Etje Peper, vervolgens Tonko Stel en Alberdine Smit die de rij sloten.

 

Tonko Stel en Alberdine Smit

 

Hierna is het huis afgebroken.

 

2e Lethelaan 12 en 9, mevrouw Stel bij woning nr. 9 Huis Tonko Stel

 

 

 

 

 

 

In dit huis heeft een mannelijke bewoner eens twee schapen gestolen uit het dorp Brual in Duitsland.

Hij heeft de beesten in dit huis geslacht.

Het vlees in vaatjes gemaakt en de huiden onder de ladder in de schuur begraven.

Toen de politie daar een inval deed vonden zij het vorengenoemde.

Het vlees in vaatjes werd voorlopig bij Harm Bloem in bewaring gegeven.

Na enige dagen kwam de eigenaar van de schapen uit Brual en mocht zijn vlees meenemen naar Duitsland, toen hij het vlees van zijn schapen zag begon hij te huilen.

Het was een arme man.

 

Achter dit huis, bij de mestvaalt, trof men eveneens een wc aan zijnde een open driehoek.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naast dit huis aan de Drentselaan en aan de Veendijk stond het huis eens bewoond door Garrelt Jansen.

Later kregen Eildert van Lenning geboren te Bellingwolde op 20 januari 1880, en Elsien Klooster geboren te Bellingwolde op 15 oktober 1881, het

in handen.

Haar moeder Talje Wolda heeft hier haar laatste levensdagen

doorgebracht.

Eildert en Elsien zijn in dit huis binnen een half uur na elkaar overleden in één nacht op 8 januari 1954

Ook dit huis is afgebroken.

 

In de achtergevel van dit perceel was een zogenaamd kippenpoortje open gelaten voor de kippen en de poes.

Men zag op een zekere avond de geel gekleurde poes de Veendijk oversteken.

Hij had een adder vlak achter de kop te pakken.

De adder had zijn lichaam heel netjes om de hals van de poes gelegd.

Zo liep deze kater een beetje schommelend door het kippenpoortje het huis binnen.

De uitslag van dit drama bleef verder onbekend.

De volgende dag werden uit dit huis zes kuikens vermist.

Aan diefstal werd niet gedacht.

Men kon de sporen zien die op die van een vos leken.

Vele mannen gewapend met schoppen en vorken, vergezeld van de hond Mollie, gingen het veen in, om de vos onschadelijk te maken.

Op dit veen lagen half droge veenkluiten.

In deze kluiten kreeg de hond lucht en men groef daar.

Nadat enige meters veenpollen waren verwijderd, vond men de voorraadschuur van Reintjes familie.

Het waren stukken vlees, resten van hazen, patrijzen en tot grote verbazing van deze mannen, ook de gele kater die de avond te voren een maaltijd van de adder meende te moeten maken.

Hij was nu het slachtoffer van Reintje geworden en lag daar uitgestrekt te wachten tot hij verdeeld zou worden.

Na in het geheel zeven meter te hebben gegraven, had men eindelijk het nest van moeder en vader Reinard te pakken.

Zeven jonge vosjes, waarvan de snuitjes nog niet waren uitgegroeid, gingen in mensen handen over.

 

Als bijzonderheid kan vermeld worden dat de hond Mollie, anders stapel dol op wild, deze jonge diertjes als het ware in bescherming nam.

Alleen de baas van de hond, anders kon niemand de jonge diertjes benaderen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Achter laatst genoemde woning, stond eveneens aan de Drentselaan, de woning eens bewoond door Harm Bloem en Trijntje Luppens.

 

Harm Bloem & Trijntje Luppens

 

Harm Bloem als jonge kerel door een bijenzwerm overvallen.

 

                                         Uit krant van 14-08-1898

 

 

Later ging dit huis over in handen van Hagenis, waarna het is afgebroken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verderop de Lethe in, eveneens aan de Drentselaan staat het huis dat eens door twee gezinnen werd bewoond.

Aan de zuidwest zijde woonde Abel Abels en aan de andere zijde woonde Derk Kruize.

In dit huis is in heel vroeger jaren een ongewenst kind geboren.

Volgens overlevering moet het kind bij stukjes onder een kookpot zijn verbrand.

 

Of het kind bij de geboorte heeft geleefd is onbekend gebleven.

 

 

 

Derk Kruize en zijn vrouw Aaltje Borgers hadden kinderen onder meer een Liesbeth.

Dat was de eerste drenkelinge die als kind uit het nieuwe kanaal werd gered.

Bij de Lethe brug raakte een span paarden op hol.

 

Lethe brug

 

Het kind dat naar school ging, bevond zich midden op deze brug toen de hollende paarden daar oprenden.

Kort voordat de hollende paarden haar raakten stak het kind de handen in de hoogte.

Mogelijk schrokken de paarden en kwamen op het moment dat Liesbeth de beesten raakten ten val.

Ook het kind viel en raakte van de brug af midden in het kanaal.

Daar werd zij zonder noemenswaardige letsel uitgevist.

 

 

 

 

 

Laatst genoemde woning is gekocht door Sebo Brons, een kleinzoon van Sebo Meijer.

Sebo Brons woont daar momenteel nog met zijn tante Lukea Meijer.

 

              

       Lukea Meijer & Mevr. Brons                                                Lukea Meijer

Kort achter deze dubbele woning stond een bos, grotendeels van eiken bomen.

In de twintiger jaren zijn deze bomen ter plaatse bij een openbare verkoping verkocht en geveld.

 

Achter dit bos, aan de Moerdijksloot heeft een arbeiders huisje gestaan, dat moest worden afgebroken toen het kanaal in 1909 werd gegraven.

Het werd het laatst bewoond door het gezin Harm Beishuizen, welks huis reeds in verband met de koe van Roelf Bruins is vermeld. Alhoewel het Boelo Tijdenskanaal voor bijna alle Lethe bewoners een onding was.

In de eerste plaats voor de smokkelaars.

Ten tweede voor de kooplustige dames en de schoolkinderen.

Men voelde zich hierdoor van de wereld afgesloten.

Vooral toen het kanaal nog niet geheel was voltooid en er al reeds de eerste drenkelinge, nabij de Wymeersterbrug, zijnde de vrouw van Filippus Stokebroek, genaamd Gepke, gevolg door een tweede, zijnde een schipperskind en ten slotte een derde genaamd Jan Temkes een Duitse hun leven in dit water hadden gelaten, sloeg de moeders iedere morgen de schrik om het hart als de kinderen naar school moesten, bij dat gevaarlijke vaarwater langs.

 

Maar voor de landerijen was het een grote verbetering in de Lethe.

De overlast van water behoorde tot het verleden.

 

De eerste drenkelinge hier voren genoemd, was zelfmoord, als gevolg van huiselijke moeilijkheden.

Het tweede een ongeluk.

Het derde wederom zelfmoord, dat geweten moet worden aan een gruwelijke eenzaamheid van deze man.

Vele jaren later is nabij de Wymeerster brug nog een jongen genaamd Derk Kamphuis verdronken, waar wij maar niet, wegens smadelijke herinneringen verder op in zullen gaan.

 

Uit krant van 17 februari 1961

 

Ongeveer op de plaats waar de woning heeft gestaan van Harm Beishuizen, heeft een tijdlang een vierkante bootje gelegen om het grote ongerief en de ontevredenheid van de Lethe bewoners op te heffen.

Men moest aan een ketting trekken om naar de overkant te komen.

Wij gaan verder de Oudelaan, waar eens Harm Metting en Truida Jans woonden.

 

Dit is nu de 1e  Lethelaan.

 

Het huis wordt thans bewoond door weduwe Jan Metting, genaamd Truida Elsien Letema.

 

Jan van Lenning, Truida Metting & Truida Elsien Letema

                                                                        

 

Bij haar in wonen haar dochter genaamd Truida Metting, gehuwd met Jan van Lenning, Eildert zoon.

Woning wordt nu bewoond door de familie de Graaf.

 

        Huis Fam. de Graaf

 

 

 

 

 

 

Aan de zelfde laan verderop de Lethe in staat een vrij groot huis, eens bewoond door familie Engelke Bos.

Het was een nette vooruitstrevende familie.

Hij deed het huis slachten bij de boeren, burgers en buitenlui.

Hij was de eerste in de Lethe die een motor aanschafte met een maalderij.

Zijn zoon Anno Bos gehuwd met Jantje Vrieze woont daar nog.

Ze hebben een dochter genaamd Geertje.

 

Anno Bos & Jantje Vrieze Dochter Geertje en Schoonzoon

 

 

 

Heden wordt deze woning bewoond door Willem Andrea.

 

2e Lethelaan 2, kapschuur met stro, 2 schuren + woonhuis en stookhokWoning Anno Bos

 

Wij gaan verder de Lethe in.

Daar treffen wij het huis aan waar eens Jan Metting en Betje woonden.

Vervolgens woonden door Eppo Kuiper, daarna Hendrik van der Laan, en Zwaantje Derks.

Zij had de bijnaam van Zwaantje hond.

 

Dit is het huis waar eens een asociaal gezien woonde.

De oudste dochter had een kind van haar vader opgelopen.

Op een dag toen de dochter met haar vader te bed lag, sprak de moeder vanzelfsprekend haar misgenoegen daar over uit.

Hij sprong recht overeind in het bed en riep: ”er uit, er uit, ik wil er geen smeerlappen bij hebben! ”Om klappen te voorkomen, koos zij het hazenpad.

 

 

 

 

 

 

 

Weduwe Jan Kuiper genaamd Fenna Groen woont daar momenteel.

Het huis is nu inmiddels ook afgebroken.

 

 

Fenna Groen. weduwe Jan Kuiper

 

 

 

 

Wij gaan verderop, men kan wel zeggen in het hartje van de Lethe, naar het huis thans bewoond door familie Jacob Kuiper en Jantje van Bergen.

 

 

Jacob Kuiper & Jantje van Bergen

 

 

 

 

 

 

Zij hebben elkaar leren kennen toen het kanaal werd gegraven. Haar vader werkte daar als putbaas met een ploeg werkvolk.

In dit huis hebben Jacob zijn ouders, en ook zijn grootouders gewoond. Er werd veel Duitse jenever, suiker en klontjes verhandeld

 

Woning Fam., Kuiper anno 2004

 

Als bijzonderheid moet worden vermeld dat Jacobs moeder genaamd Gepke Kuiper Metting in dit huis bijna 103 jaar oud is geworden.

Zij was eens enige tijd de oudste inwoner van Nederland.

De Winschoter courant maakte daar melding van met bijvoeging van haar foto.

 

De 6e februari hoopt de wed. G. Kuiper,

wonende in de Lethe, gemeente

Bellingwolde, haar 102de verjaardag te

vieren. We hopen hierop dan terug te

komen.

 

Haar geboorte–akte luid als volgt.

 

Burgerlijken stand Provincie Groningen

Arrondissement Groningen.

Gemeente Bellingwolde.

Op 6 februari achttien honderd vijf en

veertig, des namiddags te vier uur, is te

Bellingwolde aan het adres N 204

geboren een kind van het vrouwelijk

geslacht GEPKE vader Berend Aikes

Metting, van beroep timmerman wonende te Bellingwolde, moeder

Harmke Tammes, Inlandsche Kramersche, wonende te

Bellingwolde.

De aangifte geschiedde in tegenwoordigheid van Luppo Kars, oud

44 jaar, van beroep secretaris, wonende te Bellingwolde en van

Berend Berends Metting, oud 27 jaar, van beroep timmerman

wonende te Bellingwolde, door den heer Anton Christiaan

Bornheck, oud 37 jaar van beroep vroed meester, wonende te Bellingwolde.

 

              Uit krant van 19-02-1945                        Uit krant van 20-11-1947

 

 

Overlijden advertentie  G. Kuiper Metting 18/11/47

 

 

 

 

Aan dit huis is een geschiedenis aan verbonden dat zijn weerga niet kent.

Eens kwamen er mannen uit Oude Pekela, die tegen nieuwjaar ook wel eens een paar centen wilden verdienen met smokkelen.

Zij vroegen de weg naar Mina in Duitsland, alwaar ze de smokkelwaar konden kopen.

De Lethe bewoners waren er in het geheel niet op gesteld, dat de Pekelders daar kwamen om te smokkelen dat konden ze zelf wel af.

Toen deze uitheemsen in Duitsland waren gingen enkele mannen uit de Lethe zich verkleden, deden zogenaamde pelterine’ s om en gaven zich uit voor commiezen.

Toen de mannen uit Pekela terug kwamen en in Duitsland jenever hadden geproefd, werden zij prompt door de pseudo-ambtenaren staande gehouden.

De voorraad smokkelwaar werd in beslag genomen.

De mannen werden voor de burgemeester geleid.

 

Jacob Kuiper mijn (overgrootvader) fungeerde als burgemeester.

 

Deze had in allerijl zich een beetje opgetuigd en zelfs een hoed voor deze gelegenheid geleend.

Zo werden deze lui uit Pekela in dit huis veroordeeld voor 25 gulden boete met verbeurd verklaring van de in beslaggenomen smokkelwaar.

Nadat de mannen uit Pekela waren verdwenen werd er feest gevierd van de in beslaggenomen jenever.

Toen de buit op was, ging men voor de 25 gulden nieuwe schone halen.

Zo hebben hier vele Lethe bewoners 4 dagen en nachten vroegtijdig het nieuwjaar ingeluid.

Jacob Kuiper heeft zijn levenslang de naam van burgemeester gehouden.

 

Jaren nadien werd er in hetzelfde huis een huishoudelijk feestje op touw gezet, omdat ze bij Kasines de Groot in Duitsland de zaak kort en klein hadden geslagen.

Na afloop van dit pretje moest ieder zijn deel betalen.

Hemmo IJzer, goed in de olie wilde niet betalen.

Op de terugweg werd hij door pseudo-ambtenaren staande gehouden.

Hemmo was zodanig onder de invloed.

Hij zij steeds: ”och Jurrien laat mij deze keer toch lopen”.

Een zekere Jurrien Kuiper, eerder genoemd. Was juist commies geworden en dat speelde Hemmo waarschijnlijk door zijn verslapte hersenen.

 

Op deze wijze is Hemmo IJzer een gedwongen betalende feestvierder geworden.

Als pseudo-ambtenaren traden toen op Jacob Kuiper en Geert Abbas.

Jacob Kuiper is voor dit geval strafrechtelijk vervolgd.

 

 

 

 

Van Luppo Kars die bij de aangifte was van Gepke Metting toen als gemeente secretaris is te vermelden dat hij later burgemeester van Bellingwolde is geworden.

Dit blijkt uit het volgende publicatie in de krant.

 

Uit krant van 29-06-1860

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Schuin achter deze woning staat het huis, waar eens laatst genoemde heeft gewoond.

 

 

Daarna Eppo Frikken en Kina Doornbos.

Vervolgens Karsien Abels en wordt nu bewoond door Harm Bos en Trientje Klok.

Zij is een Duitse.

 

 

v.l.n.r. Fenna, Engelke, Trientje Klok & Harm Bos

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In dit huis stak eens Enjo van der Laan het meisje Grietje IJzer dood.

Hij, Enjo wilde deze woning binnen.

 

                                                          Uit krant van 15-08-1893

 

Aan de binnenzijde werd hem dit mede door Grietje belet.

Hij nam daarna een mes en stak deze in een spleet van de deur.

Het lemmet trof haar in de buik.

Op een paar centimeters na, had hij haar dwars doorstoken.

Het meisje strompelde daarna de Molenlaan op en zakte in elkaar om nooit meer op te staan.

 

                  Uit krant van 09-10-1893                              Uit krant van 17-10 1893

 

 

 

Uit krant van 24-11-1893

 

 

Uit krant van 29-05-1915

 

 

Enjo van der Laan vluchtte na deze gruweldaad de grens over naar Duitsland.

Op zekere dag was de burgemeester Jacob Kuiper op zijn land aan het werk.

Hij hoorde een bekende stem roepen: ”Jacob, Jacob hoe is het met Grietje?”

Schijnbaar wist hij toen nog niet dat zij overleden was.

Het antwoord van de burgemeester was: ”ik wil niet zo hard schreeuwen, kom maar bij mij dan zal ik het jou wel vertellen”.

Enjo liep naar hem toe.

De burgemeester toonde toen dat hij zijn naam waardig was.

Hij greep de moordenaar in zijn kraag.

De moordenaar verzette zich nogal.

Heiko Meijering die het zag gebeuren schoot de burgemeester te hulp.

Door deze twee mannen werd hij zolang vastgehouden tot de zoon van de burgemeester genaamd Jacob mijn (grootvader) er met een stuk touw aan kwam draven.

Dit touw was de avond te voren gebruikt om de hond van de burgemeester op te hangen, omdat het beest enige schapen dood had gebeten.

 

De handen van Enjo werden daarmee op zijn rug vastgebonden en zo werd Enjo de moordenaar overgebracht naar de Koninklijke Marechaussee, die een detachement hadden in het Grenshotel destijds bestuurd door de heer Broekema, te Bellingwolde.

 

Grenshotel Fam. Broekema

 

 

Uit krant van 26-04-1941

 

                                         Uit krant van 29-04-1941

 

Later zat hier de familie Keizer op, hij met de bijnaam Jan knip.

 

Hij, Enjo heeft voor deze daad acht jaar geboet in de strafgevangenis te Leeuwarden.

Naast erwten lezen, koffieboontjes uitzoeken, las hij veel in de bijbel.

Nadien vertelde hij aan een ieder die het maar wilde horen, dat er in de bijbel niets dan leugens stonden.

Later als hij naar zijn werk ging naar de aardappelmeelfabriek te Veelerveen, zong hij altijd christelijke liedjes die hij daar had geleerd.

 

Aardappelmeel fabriek te Veelerveen

 

 

Hij is gehuwd geweest met Siementje Walburg.

Precies achter de woning alwaar hij zijn misdaad had begaan, kwam hij later te wonen.

Alle Lethe bewoners schuwden deze man.

Een wrede kerel voor een heel goed vrouwtje.

Op zijn graf staat een klein houten paaltje.

Men leest daar: rustplaats van Enjo van der Laan, het geen in de dood nog op zijn plaats is.

 

Bij hun in het kamertje woonde Simon Walburg, een broer Van Siementje.

Een heel goeie Simon, die een reuzen steun is geweest voor zijn zuster die het met die kerel bar moeilijk had.

Hij Simon is ongehuwd gestorven.

Het huis is nu afgebroken.

Engelke Meffert en Jantje, die elkaar in de eerste wereldoorlog, hij als soldaat, hadden leren kennen, hebben hier nog een tijdje gewoond evenals Bernardus Waalkens en Mettje Moed.

 

Naast dit huis stond een zeer klein arbeiders huisje, waarin een kruideniers zaakje was gevestigd van Annechien Kruiter van Lenning.

Haar man, Berend Kruiter, was vroegtijdig heengegaan en zij bleef onder behoeftige omstandigheden met vier kinderen achter.

Het huis is door de gemeente aangekocht en afgebroken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wij komen nu bij het betrekkelijk groot huis bewoond door de eeuwige vrijgezel Geert Abbas.

 

 

Geert Abbas

 

Eens werd dit huis bewoond door Berend Holtkamp.

Hij had in dit huis een kruidenierswinkel, tevens was er een verlof verleend.

Een vrouwelijke hulp was hier echt wel op zijn plaats.

Hij nam daarom een huishoudster, een ongehuwde moeder van vijf kinderen.

Hij nam haar terstond als zodanig als echtgenote aan.

De gevolgen bleven echter niet uit.

Hij, Berend, een baardman, ging naar de moeder van Griet met de bedoeling het haar te vertellen dat hij met Griet wilde trouwen.

Ongelukkiger wijze spande hij het paard in dit geval juist verkeerd voor de wagen.

Hij vertelde eerst aan zijn toekomstige schoonmoeder dat Griet van hem in een gezegende staat verkeerde.

Hij had toen geen tijd meer om de rest te vragen of te vertellen.

De striemen van de tang dwongen hem om het huis zo spoedig mogelijk te verlaten.

Bont en blauw keerde Berend naar zijn huishoudster terug.

Ondanks deze tegenslag is hij toch met haar in de echt verbonden.

Hij heeft er een prima echtgenote aan gehad.

De Lethe bewoners hadden er schik in en maakten daar een liedje op.

Geheel de Lethe kon dat lied en geheel de Lethe zong dat lied.

 

Uit krant van 15-08-1911

 

Het oog van Berend Holtkamp was later steeds gericht op een glaasje met een voet gemaakt van een garenklosje.

Hij was de enige man in de Lethe die met de boeren uit het dorp Bellingwolde naar de soos ging.

Hij bezocht deze samenkomst met lange lieslaarzen aan.

Bij terugkomst van deze partijtjes ging hij in het dorp Bellingwolde in de zwetsloot van Botjes en liep zo tot aan een vonder.

 

Zwetsloot van Botjes

 

Als hij deze vonder voor zijn borst voelde, was dit het teken voor hem dat hij eruit moest.

Op deze manier had hij altijd een behouden thuiskomst.

 

Van de persoon Geert Abbas kan gezegd worden: een in zijn tijd een eerlijke smokkelaar.

Hij had niet alleen het vertrouwen bij zijn vrienden waarmede hij de feiten pleegde maar bij de gehele Lethe bewoners.

Het is bekend dat hij, daar waar in de Lethe destijds echte armoede werd geleden, daadwerkelijk ging helpen.

Dank daarvoor Geert.

 

 

Even in oostelijke richting woont zijn broer Engelke Abbas.

Ook deze is ongehuwd gebleven.

 

                                             Engelke Abbas             Dit had hij goed gezien. Uit krant van 09-06-1965

 

Voor Engelke daar woonde, was het huis eigendom van Geert Hidding, die met zijn zuster genaamd Eppie Abbas is gehuwd geweest.

 

Geert Hidding met paard en wagen(1933)

 

 

Uit krant van 14-06-1941

 

Daarvoor woonde daar Heiko Meijering.

 

Hij, Heiko, heeft eens geprobeerd om zijn aardse lot te verbeteren door naar het veel beloofde land van de dollars te gaan.

Na een half jaar is hij weer tot zijn gezin teruggekeerd.

Waarschijnlijk voelde hij zich niet meer de oude van vroeger.

Hij is dan ook vrij spoedig na zijn terugkeer gestorven.

Nog verder in oostelijke richting staat het huis nu bewoond door Tonko Stel en Alberdina Smit.

 

Uit krant van 02-10-1964

 

 

Daarvoor woonde daar Benjamin Kluiter.

Kluiter was een vreemde eend in de bijt van de Lethe bewoners.

Na jaren werd hij toch in de gemeenschap opgenomen.

Voor deze familie woonde daar de familie Pieter Kuiper met zijn vrouw genaamd Antje de Groot.

Het is eigenlijk het stamhuis van de familie Kuiper.

Hij, Pieter, had een slechte borst en is vroegtijdig heengegaan.

Zijn weduwe Antje heeft daar jaren nadien nog gewoond met haar jongste zoon genaamd Geert.

Hij had de bijnaam van Geert Bonus.

Geert had destijds een vrij grote zwartbonte hond.

Deze hond was razend op de commiezen.

Als de mensen deze hond hoorden, keken ze niet eens, maar zeiden ze: ”de commiezen zijn bij Antje Kuipers huis”.

Deze hond die altijd aan een ketting vast lag, werd op een nacht doodgeschoten.

De commiezen kregen de schuld.

Er werd geen aangifte gedaan, omdat zo zei men, de politie er toch niet achteraan zou gaan.

 

Wij gaan verder de Lethe in.

Daar stond eens het huis bewoond door de familie Waalkens.

Knellies had zijn oude lui ten einde gebracht en hij huwde nadien met Klasien Kwak, die eerder met zijn neef gehuwd was geweest.

Daarna werd het huis bewoond door Arend Arends en Tallechien Waalkens.

Hij werkte altijd in Duitsland als bedrijfsleider op een boerderij bij een weduwe wiens man terstond in de eerste wereld oorlog op het ereveld was gevallen.

 

Toen zij het huis verlieten ging het over in handen van Willem van Lenning geboren te Bellingwolde op 18 maart 1870 en Gepke Rotmans geboren te Bellingwolde op 21 februari 1870.

Zij traden op 24 april 1897 in het huwelijk.

Hij overleed op 25 februari 1961, zij op 20 januari 1945.

Zij was een dochter van Jakob Rotmans en Knelsie Helmers.

Zij hadden een dochter en twee zoons.

De oudste zoon genaamd Jan werd geplaatst bij de raad van arbeid aan de Boschplein 2 te Winschoten en wist zich op te werken tot afdelingschef.

Nu ik dit schrijf, werk ik er zelf bij Stichting Welzijn Oldambt als beheerder van De Boschpoort zo het nu heet.

Nadat Koert Kaput en Dinie er nog enige levensdagen in hadden versleten, heeft de gemeente het huis aangekocht die hebben het gesloopt.

 

Naast dit huis staat de woning nu bewoond door Hendrik Geertsema.

 

 

Hendrik Geerdsema (Kaibs)

 

 

 

 

 

 

Vroeger stond daar een oud huisje bewoond door Jan Kuiper en Fenna Groen.

In het kamertje daarvan woonden Freerk Smit en Harmke Kranenborg.

 

Harmke Kranenborg weduwe Freerk Smit

 

Wij gaan nu terug naar het gezin van Jan Kuiper.

Jan had een zeer slechte borst.

Hij is vaak heel erg ziek geweest.

Het gevolg was dat er geen inkomsten waren en deze mensen moeilijke tijden moesten doormaken.

Hij voorzag in de winter zijn gezin van vlees door het schieten van grijze kraaien.

Men zei wel eens Jan laat ze weer de kraaienmars blazen.

 

Nu halen wij het gezin van Freerk Smit even voor de geest.

Hij, Freerk Smit had daar altijd gewoond.

Zijn ouwelui tijdelijk.

Hij was een echte drinkebroer, smokkelde veel met jenever in een varkensblaas.

Deze blaas had hij op zijn achterwerk hangen met een touwtje om zijn middel.

 

Uit krant van 22-09-1814

 

Wanneer de commiezen hem benaderden, liet hij de blaas vallen, liefst in een sloot of lang gras, zonder dat de ambtenaren dit zagen.

Zo redde hij zich vaak van een strafvervolging.

De twaalf kinderen werden in grote armoede grot gebracht.

De eerste levensdagen brachten de meeste kinderen door in een lege klontjeskist, wegens gebrek aan een wiegje.

De kleintjes werden gewassen in een aker een voor die tijd veel gebruikt stuk keuken gereedschap, bestemd om melk te halen of boodschappen te doen.

Alle respect voor deze vrouw, die zich in bittere armoede wist te behelpen met alles wat maar denkbaar was om haar gezin staande te houden.

Haar gezegde was: ”die zich niet weet te behelpen is niet waard dat hij arm is”.

Ook toen de kinderen ouder werden, bleef het gezin in behoeftige omstandigheden verkeren.

Men zag de kinderen op blote voeten in de sneeuw lopen.

Ze kregen dan ook de bijnaam van poezen.

Ze waren echter nooit ziek, altijd opgeruimd en vrolijk.

De vrouw Harmke Kranenborg, haar achternaam zegt iets in die geest moest volgens overlevering, die eigenlijk nooit bevestigd is, afkomstig zijn uit de plaats Kranenborg in Duitsland, alwaar deze familie aanzienlijke personen zijn geweest met grote bezittingen.

Wij gaan overstappen op de moeder en vader van Freek Smit, genaamd Albertje Kruizinga en Harm Smit.

Haar bijnaam was Albertje Loeks.

Men kende haar niet anders in de Lethe en ver daar buiten als met deze naam.

Zij bewoonden destijds een huthuis, dat al reeds lang is afgebroken, in de tuin van het perceel, nu bewoond door weduwe Volders.

 

Huthuis

 

Zij, Albertje Loeks is precies 123 keer veroordeeld voor het smokkelen.

Eens werd zij door ambtenaren gepakt.

Onder haar vijfschaften rok, uit haar buutse (een zak of bergplaats welke iedere vrouw destijds voor haar lichaam droeg) haalde de voor haar lastige mannen de klontjes en suiker te voorschijn.

Albertje Loeks bleef steeds met het gezicht naar deze beambten staan en smeekte om haar voor deze keer door de vingers te willen zien.

Zij hield namelijk een fles met jenever, de grootste buit, in haar handen op haar rug vast.

De ambtenaren vonden dit niet.

Zo redde zij deze keer een gedeelte van haar buit.

Door haar werden in de Lethe de meeste huishoudelijke feestjes georganiseerd.

Zij maakten van ieder gelegenheid gebruik om de bloemetjes eens buiten te zetten.

 

Een zekere Teuben liep er bar veel.

Hij was ongehuwd, had wel een paar centen en hield van het leven.

Hier kon hij ongemerkt en vrij goedkoop aan allerlei liefhebberijen, die het leven ons bied deelnemen.

Eens wilde hij een hond kopen van Albertje Loeks.

Het was een hele goeie hond die vaak commiezen wist te vinden.

Albertje vroeg daarom 25 gulden voor die hond.

Het antwoord van Teuben was: ”ben je gek geworden, 25 gulden en dat voor een hond en ze worden bij de straat gemaakt”.

De koop ging vanzelf niet door.

 

Toen Albertje voor de 100e keer was gepakt wegen smokkel verscheen zij persoonlijk voor de rechter te Winschoten.

 

Uit krant van 07-10-1903

 

Nadat de gebruikelijke beschuldiging door de rechter was voorgelezen, vroeg hij aan Albertje, wat ze daarop te zeggen had.

 

 

                       Uit krant van 07-08-1890                                        Uit krant van 19-01-1909

 

Albertje antwoordde: ”ik heb niets op u tegen meneer, maar ik moet wel smokkelen wegens armoede. Het is in de winter en mijn kerel kan niets ander verdienen dan met stropen, als hij een ander baantje had , bijvoorbeeld zoals jij, dan was het niet nodig dat ik smokkelde”.

De rechter maakte haar toen opmerkzaam dat zij heden voor de 100e keer wegens smokkelarij terecht stond.

Albertje had zulks niet bijgehouden en zei: ”gut mijnheer weet het nog veel beter dan ik zelf”.

Albertje werd als gewoon veroordeeld tot een geldboete.

Nogmaals vroeg de rechter wat ze te zeggen had.

Haar antwoord was: ”daar kan ik niets op zeggen, maar de boete moet ik maar weer bij elkaar zien te krijgen met het smokkelen, anders hebben wij geen inkomen”.

De rechter begreep als mens, met welke moeilijkheden deze vrouw te kampen had.

 

 

 

Toen gebeurde er iets, wat nog nooit bij de balie was voorgekomen en dat mogelijk ook wel nooit meer gebeuren zal.

Men gaf daar in de rechtszaal een juk waaraan twee emmers vol met zoute haringen hingen, aan Albertje.

De rechter had daarbij een toepasselijk woordje dat onder meer inhield, dat Albertje maar moest gaan venten.

Zij moest beloven om nooit meer te gaan smokkelen.

Lachend verliet Albertje de rechtszaal, nadat ze nog een vriendelijk knikje naar de deurwaarder wierp, die haar de deur uitliet.

Buiten gekomen begon zij terstond met haringen te venten.

De laatste werden verkocht in Oude Schans.

In Bellingwolde verkocht zij het juk met de emmers.

Door het één en ander was Albertje wakker geschud, de 100e keer dat ze veroordeeld was.

Nu daar moest een feestje van komen, zij had immers weer geld.

De zelfde avond vierde zij met vele anderen in haar hut, deze gedenkwaardige dag.

Toen men druk met dit feestje doende was en vele voor haar bekende persoonlijkheden in een vrolijke bui verkeerden, kwamen ook de commiezen, die haar voor de 100e keer hadden gepakt, het feest opluisteren.

Alhoewel deze mannen het wel goed meenden, waren het voor Albertje ongewenste pottenkijkers, die ze best kon missen.

Het was moeilijk voor haar om tegen deze mannen te zeggen “hoepel maar op”, of iets van dien aard, daarom zei zij op een schetsende toon: ”maar jullie hadden toen alles nog niet gevonden heren”.

Zij tilde haar oude rok omhoog en tot groot vermaak van de aanwezigen, bleek dat ze nu ook eens een keer de waarheid had gesproken.

Nadien hebben de commiezen nooit meer de moed bezeten om een dergelijk feestje op te luisteren.

Na het overlijden van Albertje Loeks op 63 jarige leeftijd, is haar man Harm Smit door armoede gedreven naar Sebo Meijer gegaan, alwaar hij kon werken voor de kost en kleding tot aan zijn dood.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wij stappen hier vanaf naar de woning van weduwe Volders.

Zij is een Duitse.

 

 

 Weduwe Volders Huizinga

 

 

Eerder had daar Albert Potter gewoond met zijn vrouw Annechien Zwaneveld.

Daarvoor had Klaas Poel er gewoond.

Daarvoor woonde er een Grietje Smit.

Ook zij was een smokkelaarster van klasse.

 

Ook hier werden feestjes op touw gezet.

Zelfs op een morgen bleek dat ze 28 vlooien had gevangen, die ze in de po op de beddenplank had verdronken.

Dat was een record en daar volgde een feestje op.

 

Oude Graitje is op een hoopje bedstro in haar tuin overleden.

 

Klaas Poel had zich in dit huis gevestigd als klompenmaker.

Het is het enige bedrijf dat de Lethe heeft gekend buiten landbouw en veehouderij om.

 

Tegen over dit huis aan de andere zijde van de Oudelaan, stond eens het huis bewoond door Willem IJzer en Aaltje Holstein.

Hij, een zoon van Hemmo IJzer, timmerman en arbeider van beroep,  beslist ongeschikt voor caféhouder.

Zij hebben daar hun gehele huwelijks leven in grote armoede geleefd.

Had hij een paar centen ontvangen, dan liet hij de jenever rijkelijk door zijn keel vloeien, ten koste van zijn gezin.

Eens toen hij voor de zoveelste keer van zo’n voor hem welbestede reis huiswaarts keerde, nam hij de bocht gelegen tegenover zijn huis in de Oudelaan iets te krap en rolde in de sloot.

Hij lag daar zodanig dat zijn vrouw hem juist kon zien, terwijl zij door het raam zat te aardappelen schillen.

Pieter Koekoek, destijds behorende tot Neerlands laatste hoop in bange dagen, kwam voorbij.

Hij wilde naar zijn meisje genaamd Johanna Waalkens.

 

Johanna Waalkens Wed. P. Koekoek

 

 

 

Hij zag Willem daar in de sloot liggen.

Als humaan mens en als flink soldaat, waarschuwde hij Willems vrouw Aaltje.

Hij kreeg ten antwoord: ”ik heb hem wel gezien.

Ik houd hem wel in de gaten.

Hij heeft de kop altijd nog boven water.

Het is geen schaap, hij verzuipt van onderen niet”.

Pieter trok Willem toch maar even uit de sloot, sleepte hem achter zich aan op zijn erf.

Onder de pruimenboom aldaar kon hij zijn roes uitslapen.

Het armoedig gezin werd boven dit alles nog getroffen, doordat ze naast hun kinderen ook nog kleinkinderen groot moesten brengen, waaronder een kleinzoon die zwaar invalide was.

 

Hun zoon Hemmo gehuwd met Antje Kuiper heeft een tijd in een daarvoor in gereedheid gemaakte kamertje gewoond.

 

Wij gaan nu verder in oostelijke richting en zijn nu aangekomen bij het huis eens toebehorende aan Filippus Stokebroek en Harmke Lameijer.

Zij was een Duitse.

Het waren flinke arbeiders lui, die zich door hard werken, zonder te smokkelen, een redelijke bestaan wisten op te bouwen.

 

Later hebben daar Bernardus Waalkens en Trijntje Bontkes gewoond, vervolgens Bernardus Waalkens, Jan zoon, gehuwd met Maria Bontkes.

Het huis is evenals het vorige van Willem IJzer afgebroken.

 

 

 

 

 

 

 

Wij gaan iets verder in zuidelijke richting, waar het huis staat van de familie Waalkens.

Men kan wel zeggen het stamhuis van deze familie.

Het werd in de Lethe aangeduid als de Vossehole, omdat al deze kinderen met een rossige hoofdtooi waren bedeeld.

Beide oudjes genaamd Berend Waalkens en Johanna van Heuvelen zijn behoorlijk oud geworden.

Hun jongste zoon genaamd Harm, heeft zolang met het huwelijk gewacht tot dat beiden heen waren gegaan.

 

Harm Waalkens

 

Hij huwde daarna met een Duitse genaamd Elsien Kramer.

Het huwelijk is maar van korte duur geweest, waaruit een zoon is geboren genaamd Berend.

Deze is wederom gehuwd met een Duitse, eigenlijk van Nederlandse afkomst en wel een afstammeling van de familie Kuiper.

Harm wordt nu door deze jongelui verzorgd.

 

Destijds dat was nog voor de tweede wereldoorlog, vluchtten eens twee Duitse gevangenen, welke op Duits gebied te werk waren gesteld en gehuisvest waren in één achter de Lethe gelegen concentratiekampen, naar Nederland.

Zij hielden zich schuil in de brandnetels achter de schuur van dit huis.

Op aanwijzing vonden de Duitse bewakers deze twee mensen daar en namen hun mee terug in de richting van de Veendijk nabij de woning van Albert Edens.

Aldaar nabij de Veendijk zijn deze twee mannen letterlijk door de twee bewakers doodgeknuppeld.

Dit ter afschrikking van de andere gevangenen, die zulks konden zien.

Een dubbele moord dus op Nederlands gebied.

Als naaste buren van de familie Waalkens, de familie Geerdsema, het huis waar Engelke bij een fatale brand het leven moest laten.

 

                                                              Uit krant van 21-09-1936                                       

 

Een kleinzoon van dit slachtoffer genaamd Jakob woont daar momenteel nog in.

 

Huis Fam. Geerdsema 

 

Als buren hadden deze twee families niet veel aan elkaar.

 

      Jakob Geerdsema

 

Beide waren zeer oppassende lui en harde werkers.    

                                                                                                                                                                          

 

                          

Nogmaals gaan wij een stapje verder naar de veel omstreden oude Veendijk.

 

Oude Veendijk

 

Hier treffen wij het huis aan, eens bewoond door het echtpaar Geert Waalkens en Hillechien Schut.

Dit echtpaar is niet oud geworden.

Het huis wordt thans bewoond door Engelke Geertsema en Grietje Hilbrands.

Zij is een Duitse.

 

Engelke Geerdsema & Grietje Hilbrands met zoon Theus

 

 

 

 

 

 

Weer een stapje dichter bij de Veendijk gekomen staan wij bij de woning eens bewoond door het echtpaar Geert Bos en Hilje Frikken.

Hooite van der Laan en Berendina Stokebroek en daarna Geert Meijer bewoonden het daarna.

 

Geert Meijer

 

Van het eerste echtpaar kan gezegd worden een paar van rust en tevredenheid.

Na het heengaan van dit echtpaar is daar boeldag gehouden.

Er was een uitveiler die, na het gebruik van alcohol zijn taak goed verstond.

De po noemde hij een nachtspiegel.

De spiegel een terug kijkertje.

De stoof een opdrogertje en de turfbak schold hij uit voor kwispeldore.

(dit is een pot waar men de speeksel in spuwde als men tabak kauwde)

 

Hooite van der Laan was in erge mate suikerpatiënt.

Hij heeft zich door verdrinking in de sloot, die door de Duitse gevangenen was gegraven, van het leven beroofd.

Naast dit huis stond het huis van Berend Waalkens en Klasien Kwak.

Hij is niet oud geworden en zij moest hard werken om voor zich en de  kinderen de kost te verdienen.

Zij is later in het huwelijk getreden met Knellies Waalkens een neef van haar overleden man.

Ondanks, dat, nadat er nog een meisje was geboren ging Klasien uit te werken, naar de boer en in het veen.

Zij was dat nu eenmaal zo gewoon.

Zij kon schelden en kwaad worden ook.

Dat ondervond Berend de jongste zoon van haar eerste man.

Hij had een dubbeltje meegekregen van zijn moeder om zijn haar te laten knippen, bij een kapper in Bellingwolde.

Berend ging echter niet naar de kapper, maar liep even naar zijn vriend, die in het bezit was van een haar snij machinetje.

Hij vroeg of deze hem wilde helpen, dan kon hij dat dubbeltje ten eigen bate aanwenden.

Deze vriend deed dat ten dele.

Hij knipte hem zodanig dat er enige strepen haar op zijn hoofd bleven staan.

Nadat Berend zijn vriend met bedankjes had overladen, stapte hij op huis af.

Natuurlijk vroeg moeder Klasien of het haar eraf was.

Vol trots toonde Berend zijn kruin en toen was de boot aan.

Wederom keerde Berend zich tot zijn vriend met het verzoek ook de laatste restjes te willen verwijderen, waaraan prompt werd voldaan.

Ja zo is het dan nog wel eens, van je vrienden moet je het maar hebben.

Later zijn deze twee, zwagers geworden en komt het nog wel eens ter tafel.

Ook dit huis is afgebroken.

 

Wij zijn teruggekeerd bij de Veendijk.

Daar woonde eens het gezin van Albert Edens en Trijntje Ammersken.

Hij was de voerman van het gehucht, en een Duitser van afkomst.

Zijn moeder, was de vrouw genaamd Mina, waarvan in dit stuk meerdere malen melding van is gemaakt, die de jenever aan de Hollanders verkocht.

Hij, Albert kon aardig vertellen en was een goede kaartspeler.

Ook in de stroperswereld was het geen vreemde.

Menig haasje is dan ook het haasje geworden door zijn toedoen.

 

Als het tegen paasdagen liep, dan was het daar voor de Lethe bewoners de plaats van het notenschieten.

Zij noemden het daar riesteren.

Het is al eens voorgekomen dat er 80 gulden op de plank stond, hetgeen een kapitaal was in die tijd.

Zij, Trijntje verkocht hierbij jenever.

Hij vertelde vaak over Jan Veenhuppel met de zoedeltent.

 

 

 

Grenspaal 186

 

Vanuit de grenspaal 186, gaande het hoogveen op in oostelijke richting op Duits gebied, kwam men op een zekere moment aan bij een verhoging, waaromheen een soort slootje was gegraven.

Dat slootje was nagenoeg dichtgegroeid.

Men kon niet op de verhoging komen zonder natte voeten.

Dat was volgens Albert Edens de plaats waar eens Jan Veenhuppel met de zoedeltent zijn kamp had opgeslagen.

Jan Veenhuppel, is zeker een scheldnaam, zijn eigenlijke naam is onbekend.

Tot nu toe, zijn naam is nu bekend hij heette Pieter Alberts.

 

                     Uit krant van 12-03-1898                                      Uit krant van 14-03-1898

 

                                                                                                     Uit krant van 02-09-1896

 

 

 

 

 

Hij woonde destijds in een soort hol in het veen.

Dat hol was in de buurt alwaar Jurjen Menninga, de man die ook wel eens heeft geschreven uit zijn omgeving, heeft gewoond.

Jan Veenhuppel verkocht jenever op boeldagen, en op het ijs.

Hij ving de mensen op midden in het veen die naar de Rhedermarkt gingen en verkocht hun daar jenever.

Zo zoedelde hij de jenever uit.

Waarschijnlijk was dit in Nederland verboden, waarvoor hij werd gezocht.

Hij verhuisde van zijn woonplaats het hol en sloeg toen op het Duits gebied midden in het veen een soort tent op.

De gracht er omheen had hij gegraven tegen het ongedierte en onbetrouwbare mensen.

 

Heden 2004 wil het dat er in de Lethe een inwoner woont die ook een sloot langs zijn huis heeft laten graven tegen de muizen.

Laat deze heten Veenhuizen.

 

Deze eenpersoons nederzetting lag ongeveer 500 meter vanaf de Hierbaan of ook wel Kouboerslaan genoemd.

Dit was een soort landweg gelegen op dit hoogveen, waar karrensporen op zichtbaar waren.

Over deze landweg gingen de smokkelaars naar Dielerheide hun geluk beproeven.

De karrensporen waren mogelijk nog overblijfselen van een echtpaar dat op de Dielerheide in Duitsland in een plaggenhut woonde.

 

Het was het echtpaar, Rustebiel.

Zij sneden uit het veen landschap heide en rijzenbezems en verkochten deze bij de boeren.

Indien ze een paar centen over hadden, gingen ze het terstond in jenever omzetten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij de woning van Roelf Edens, alwaar deze lui de lading in kregen, werden ze op de hondenkar gelegd en vort zei men tegen de beesten en zo kwamen de honden altijd behouden met hun baas en bazin bij de plaggenhut aan.

 

 

Roelf Edens

 

 

Deze Heereweg stond bij de oude Lethe bewoners bekend als de plaats waar eens de soldaten van één of ander vechtjas over zijn gekomen om in de Lethe te plunderen.

Men had het kleinvee midden in het hooi of stro in de schuur begraven.

In genoemd huis woont momenteel de zoon van Albert, genaamd Roelf Edens en nog steeds zonder levensgezellin.

 

Uit krant van 02-10-1915

 

Wij stappen nu over naar de Botjeslaan.

Naast de woning van Sebo Meijer, Berend Holtkamp en Jan ten Ham, was het de woning die wat grootte aangaat daarmee op één rij geplaatst worden.

Namelijk de woning van Heufte.

Hij woonde daar met een huishoudster, genaamd Jantje Abels.

Daarna werd het huis bewoond door Tjaben Vrieze en Anna Lutjeboer, vervolgens door Freerk Mulder en Grietje Bloem.

Tenslotte door weduwe Landlust, waarna het is afgebroken.

 

De Botjeslaan, genoemd naar een landbouwer, die aan de Hoofdweg te Bellingwolde woonde en wiens landerijen zich uitstrekten tot de Veendijk in de Lethe, was de laatste laan die nog intact was toen het kanaal werd gegraven.

De Lethe bewoners konden daarlangs alleen nog het dorp Bellingwolde bereiken.

Vrij spoedig kwam er een nood bruggetje nabij de woning van Luppo Arends, huis.

Alhoewel er nog niet veel water in het kanaal stond, durfden velen niet over dat noodgevalletje en waren dus in de Lethe opgesloten.

Later kwam er de Lethebrug, en kon men weer vrij het dorp bezoeken.

Nadat deze brug was geplaatst met het opschrift Lethebrug, was het ten ene male gedaan met het schrijven van de Leete of Lete met één e.

De Lethe bewoners werden toen elke dag herinnerd dat de oude Leete de nieuwe naam LETHE had gekregen, waarna men dan ook op alle brieven en stukken de Leete werd geschreven in nieuwe stijl.

 

In het woordenboek leest men: Lethe: rivier der onderwereld, stroom der vergetelheid, waarin de schimmen vóór het binnentreden dronken, om al het aardse te vergeten.

 

Tijdens de eerste wereldoorlog was deze Lethebrug een tijdlang omhoog gedraaid.

De Lethe bewoners waren nu aangewezen op de Wymeersterbrug om in het dorp te kunnen komen.

Op deze bug was een oude Lethe bewoner genaamd Eppo Kuiper gehuwd met Geertje Waalkens de eerste brugwachter.

 

  Eppo Kuiper & Geertje Waalkens

 

Hij was een broer van de burgemeester, en werd om niet bekende redenen minister genoemd.

Wij stappen over naar de Werkhuislaan.

Deze laan was genoemd naar het toenmalige werkhuis.

 

Werkhuis aan de Hoofdweg  (hier staat nu de Grenshof)

 

Dit was een opslagplaats voor ouden van dagen en anderen die, wegens ziekten of overlijden zich niet staande konden houden.

Inmiddels staat hier nu de Grenshof, die nu in gebruik is als asielzoekerscentrum.

Men vreesde het werkhuis, dat heden ten dage nog onder de mensen voortleeft als een soort gevang.

 

Wc van het werkhuis

 

Aan deze laan staat het huis van Karel Jansen, gehuwd met Maria woonde.

Zij was klein van postuur.

Samen hadden zij één kind genaamd Moutje, welke in de stad Groningen ter wereld is geholpen.

Het huis staat nu leeg en verkeert in een vervallen staat.

 

Naast dit betrekkelijk groot huis, stond een klein huisje dat bewoond werd door Jan Smit en Triene.

Zij had de bijnaam van Triene Knol.

Hij was timmerman en dronk jenever alsof het water was.

Zijn vrouw overtrof hem daarin.

Zij bestelde bij een smokkelaar twee liter jenever.

Als de smokkelaar ermee in de kamer kwam, nam zij terstond een liter van hem en plaatste deze bij haar in de turfbak.

De andere liter werd op tafel neer gezet.

Van de voorraad kreeg zij duidelijk 1 ½ liter en hij precies ½ liter.

Vlak over de Duitse grens bij het verkoophuis van de jenever heeft hij Willem Mulder met een geweer door één zijner armen geschoten.

Daarvoor heeft hij hier in Nederland zijn straf, zijnde vijf jaren gehad.

Hij heeft deze straf uitgezeten in de strafgevangenis te Leeuwarden.

Als men hem nadien vroeg: hoe was het daar? ”dan was het antwoord: ”och ik kan niet anders zeggen dan goed. Ze deden daar alles voor je. Zelfs sloten ze de deuren nog voor je dicht”.

 

 

 

 

 

 

 

Bij dat zelfde gevecht het was eigenlijk een opstand tussen de grensbewoners van de Lethe en die van Wymeer, kreeg Enjo van der Laan een schot hagel in zijn onderste gedeelte van zijn rug.

Zijn kont zeg maar.

De dokter in Bellingwolde wist hem daarvan te verlossen.

 

                                                         Uit krant van 20-01-1886

 

Jan Smit was ondanks zijn overmatig gebruik van alcohol, altijd een krasse oude baas.

Op de schaats was hij zijn leeftijdsgenoten allen de baas.

Hij won meestal de eerste prijs, zijnde een stuk spek.

Men noemde het dan ook speklopen.

Toen het echtpaar ouder werd, kregen zij hun behandeling niet naar behoren.

Zij Triene, ging bijna iedere avond als Jan al reeds te bed lag met ontbloot bovenlijf op jacht.

De slachtoffers van deze jachtpartij werden op een brandende stander kachel gelegd.

Na afloop werden ze met een vegertje zonder steel in deze kachel gecremeerd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het huis is vernieuwd door Harm Koolhof en Sina Bloem.

Momenteel wonen daar Wiepko Volders en Linie Smit.

 

 

Wiepko Volders & Linie Smit met zoon Albert

 

Huis Fam. Volders 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Wij gaan verder op.

 

Daar treffen wij de heer Geert Holstein aan.

Die met zijn broer Harm verdacht word van poging tot levensberoving van douane assistent Ernst Klerke.

 

 

                   Geert Holstein                                                                      22-05-1931

 

Eerder was dit huis bewoond door Willem Moed en Jurina Kuiper.

 

Daarvoor hadden Richard Mulder en Hindertje IJzer bezit van dit huis genomen.

Hij had de bijnaam van Richard Tauber.

 

Daarvoor woonden daar Berend Kuiper en Grietje Stubbe.

Hij Berend is daar overleden.

 

Voor deze mensen woonden daar Willem van Lenning en Gepke Rotmans.

 

Daarvoor woonde er een zekere Jan Grijze.

Genoemde Grijze werd er van verdacht de kapitale boerderij van Hendrik Addens, staande aan de Hoofdweg te Bellingwolde in brand te hebben gestoken.

 

Boerderij van Hendrik Addens


Hij heeft daar een pak stro vandaan gehaald en kort daarna stond de gehele boerderij in lichte laaie.

Toch bleek dat hij het niet had gedaan.

Boerderij is weer opgebouwd, later is de schuur er van gesloopt woongedeelte gerenoveerd en het zijn nu appartementen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dan richten wij het oog op de woning waar eens weduwe Harms woonde.

 

Huis Fam. Harms

 

Zij moest de kost verdienen met het bakeren van kinderen.

Wanneer zij heel toevallig bij een echtpaar kwam, dan ging het door de Lethe: ’zo en zo, ik heb haar daar zelfs zien lopen”.

In zo’n geval was men nooit afgunstig op anders geluk.

Haar kleinzoon genaamd Altjo woont daar nu nog, zonder een echtgenoot.

 

Altjo Harms                                                                                                 Uit krant van 27-09-1927

 

Het huis wordt nu 2005 momenteel verbouwd.

 

 

 

 

 

 

Schuin achter deze woning stond eens het huis bewoond door Harm Stirler en zijn vrouw Klasien Leemhuis.

Na genoemde Stirler, woonden daar Egbert Potter en Janna Kappel.

Zij was een Duitse.

 

Egbert Potter & Janna Kappel

 

Toen deze twee zich per rijwiel naar het gemeentehuis begaven om een echtverbintenis aan te gaan, was er iemand in de Lethe, die meende en dat was ook de gewoonte, haar in het geluk te moeten schieten.

Hij schoot daarom twee keer uit het jachtgeweer.

Een poosje daarna verschenen twee leden van het wapen der Koninklijke Marechaussee, die een onderzoek instelden.

Door deze manschappen genaamd Stelpstra en Siemeling werd het geweer tussen een paar turfhopen gevonden.

De vermoedelijke dader werd mede naar de kazerne genomen.

Men had deze jongeling echter vroegtijdig bijgebracht dat bekennen hangen was en zijn antwoord was steeds.

Neen ik heb niet geschoten en ik weet ook niet wie heeft geschoten.

Tenslotte moest men deze taaie weder op vrije voeten stellen en kon hij het bruiloftsfeest mee vieren.

Het jachtgeweer was hij evenwel kwijt.

 

           

         Egbert & Janna Potter en kleindochter Janneke.     Harm Koolhof en dochter Janneke.         

                                          Alberdina Potter & Harm Koolhof

 

 

Na dit echtpaar, woonden hier het echtpaar Fokko Vrieze, Berend Schaub en ten laatste Tonko Stel en Berendina Smit.

Het huis is toen afgebrand en niet weer herbouwd.

 

Nu komt de woning aan de beurt, eens bewoond door het echtpaar Bertus Bloem en Harmke Edens.

Weduwe Beving met zoon en dochter wonen daar op het moment.

 

 

 Weduwe Beving Marie en Jan Beving

De zoon van Bertus genaamd Harm Bloem gehuwd met Trijntje Luppens volgden zijn ouders op.

 

In de kamer van dit perceel woonde een zekere Maria Kaput.

Zij was een zonderlinge vrouw.

De kinderen waren er bang voor.

Zij kon kwaad spreken en men zei dat deze vrouw heksen kon.

Voordat Bertus Bloem deze kamer had verhuurd aan deze vrouw woonde daar een man genaamd Dietert Engelkes met zijn oude moeder.

Dietert was anders dan andere.

Hij stal bij Bertus Bloem een boor(spade) uit de schuur en ging daarmee naar Stadskanaal.

Later hoorde men dat hij in Duitsland was.

Aldaar stal hij 700 mark en men sloot hem daarvoor op in de gevangenis te Aurich.

Hij is daar overleden.

 

De politie stelde een onderzoek in bij de oude moeder.

Zij vonden in zijn kist een geladen pistool en veel kleding dat gestolen was bij Stoppelberg, die toen destijds op het Tolhek woonde tussen Bellingwolde en Oude Schans.

Hier in is nu een seks huis gevestigd, van kutje Koster.

 

Wij stappen verder naar de woning eens bewoond door Harm Koekoek en Stijntje Kaput.

 

Stijntje Koekoek - Kaput

 

Harm smokkelde graag in en na de eerste wereldoorlog.

Jan Vrieze en Jantje waren hun opvolgers in dat huis.

Daarna kwamen daar Hendrik Niggendijker en Mina Edens te wonen.

Gevolgd door Engelke Geerdsema.

Het huis dat zijn diensten aan de mensen wel had bewezen is nu nagenoeg afgebroken.

Wij gaan nu verder op en komen nu achter de waterwal.

Het is een soort walletje met een sloot die moest dienen om in het voorjaar het overtollige water vanuit de Duitse venen tegen te houden.

Hier staat nog het huis waar eens Harm Jans ten Ham woonde met zijn vrouw Stijntje Ammersken.

Zij was ten tweede male gehuwd met deze man.

Hij, Harm Jans ten Ham had een lichaamsgebrek en vloekte meer dan hij sprak.

Hij was voerman en had meestal twee paarden.

Deze paarden hadden evenals zijn stiefzoon Otto Ammersken een slecht leven bij hem.

 

 

                                               Uit krant van 25-03-1851

 

Zijn vrouw was een grote statige vrouw, men zou haast zeggen van een beetje komaf.

Zij heeft pogingen genoeg gedaan om hem des zondags mee ter kerke te krijgen, en om hem van dat vloeken en schelden af te helpen, hetgeen haar niet is gelukt.

 

Het huis wordt nu bewoond door de heer Bisschop.

 

Fam. Bisschop

 

Naast dit huis stond eens het huisje bewoond door Wirtje van Lenning en Epke Jansen.

Hij was wat men noemt een echte zenuwpees.

Zijn vrouw werkte evenveel op het land als hij.

Zij kreeg schelden en wat dies meer zij op de koop toe.

Bij dit huis dat geheel was uitgewoond, trof men voor het laatst een wc aan, zijnde een open driehoek bij de mestvaalt.

 

 

 

 

 

 

 

Hierna komen wij bij het huis eens bewoond door Geert de Groot en Triene.

Hij was blind.

Toen zij overleden was, had hij een touw gespannen bij de deur, waar hij langs liep.

Na dit echtpaar, kwam daar Hero Levering met Geertje Doornbos te wonen, daarna Tjaben Vrieze en Anna Lutjeboer, vervolgens Geert Meijer gehuwd met Iekje Reit.

 

 

Geert Meijer

 

Ook Jacobus Hageman en Abel Volders hebben hier nog gewoond.

Volders is hier overleden.

 

Verder in oostelijke richting treffen wij de resten aan van de woning het laatst bewoond door weduwe Bernardus Waalkens, dat door brand is verwoest.

Eerder heeft Geert Hamster met zijn gezin er gewoond.

 

Hierbij stond eens het huis dat al reeds eerder is vermeld dat door bommen geheel is verwoest.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vervolgens krijgen wij de woning thans door Harm Holstein met zijn vrouw.

Zij is een Duitse.

Bij hun in de kamer woont Jakob Kuiper een half broer van Harm Holstein.

 

Harm Holstein & Froukje  en half broer Jakob Kuiper (Job Butter)

 

De broers Geert en Harm Holstein hebben eens een Duitse commies met zijn eigen wapen doodgeslagen.

Dit na ze waren overlopen bij het smokkelen.

 

Uit krant van 23-05-1931

 

 

 

Uit krant van 25-09-1931

 

Uit krant van 09-10-1931

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eerder werd dit perceel bewoond door Jakob Kwak en Taakje Kruize.

Vervolgens de woning alwaar Trijntje Bontkes momenteel woont met haar zoon Bernardus.

 

 

Trijntje Bontkes


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                                                     Zaaien met de hand

 

Eerder woonde daar Hendrik Meijer met zijn  vrouw en gezin.

Hij Hendrik was een vrij groot persoon, werkte altijd op het kloosterland.

Hij was een specialist in het met de hand zaaien van kunstmest, tezamen met Engelke Geerdsema.

 

 

 

 

 

 

 

 

Hij liep altijd in een houding die zijn natuur en gevoelens gingen verraden.

Zelfbewust en alwetend.

 

Wederom bij de Veendijk aangekomen zien wij de woning staan waar eens de familie Jan Jansen woonde.

Ook zijn ouders hadden hier gewoond.

Een bijzondere rustige arbeiders familie, waar niemand maar dan ook niemand last van had.

Op het moment woont daar Jan Niemeijer met zijn gezin.

 

Wij gaan verder op in zuidwestelijke richting, daar stond op de heerd van Dallinga een arbeiders woning waar jaren achtereen een Jan Waalkens met zijn gezin heeft gewoond.

Het huis dat de eenzaamste van de gehele Lethe kon worden genoemd is reeds lang afgebroken.

 

Voor dit huis daar stond eens een mooi dennenbos.

Midden in dat bos was het soms donker.

Ook dit mooie bos is reeds lang opgeruimd.

 

De kleine boerderij van Timmer laten wij maar buiten de Lethe, dan raken wij te ver uit de kern.

 

Maar het huis waar eens Luppo Arends woonde, is nog wel vermeldenswaard.

In vroeger jaren toen Arends nog in de welstand was, richtte hij zijn bijschuur in en stelde hij deze beschikbaar voor de kinderkerk.

 

 

Zondagschool bij Luppo Arends. Foto uit Winschoter Courant van 9 April 1983.

 

Vele kinderen uit de oude Lethe hebben hier voor het eerst iets gehoord van de bijbel.

Al zijn bewoners van de Leete, niet geheel bekeerd, zo Arends het zich had voorgesteld, toch heeft deze kinderkerk zijn invloed gehad op de jongere generatie van de Lethe bewoners.

Daar werd hun bijgebracht dat er vroeger ook mensen in deze wereld hebben gewoond, die het moeilijk hebben gehad, ja soms nog veel moeilijker dan wij zelf.

Dit dwingt ons tevreden te zijn met het geen wij hier op aarde in bruikleen hebben ontvangen.

Velen leerden hier de handen vouwen en de ogen te sluiten, al gluurden ze soms even door een spleetoog om de baard van Arends te zien bewegen, als hij hardop bad.

Het was voor velen moeilijk om zolang stil te zitten op die harde houten banken.

Zij hoorden alleen maar het laatste woordje amen met een Duits accent, dat voor dezulken de verlossing betekende.

Hoe velen dit waren moge blijken uit het volgende.

Op een zondag, het was in de winter, met veel sneeuw.

Arends leidde de zondagsschool.

Naast de bijschuur welke Arends met eigen primitieve middelen van de andere schuur had afgescheiden, kon men de schapen onder het bidden horen.

Het waren bekende stemmen.

Op deze zondag was er een ander schaap bijgekomen met een andere stem.

Onder het bidden liet dat beest haar stem horen.

Alle kinderen, zonder uitzondering openden hun ogen.

Zij hadden duidelijk het laatste woordje amen uit de mond van Arends gehoord, meenden ze.

Arends bad door en daarom sloten de kinderen hun ogen ook maar weer tot eindelijk het verwachte en verlossend woordje amen kwam.

 

Hier aansluitend rest mij nog te vermelden dat, zoals hieruit wel blijkt, dat in ieder huis in de Lethe bijna Duits bloed stroomde, de mensen in de Lethe in de laatste wereldoorlog allen brave Nederlanders zijn gebleven.

Daar zijn we trots op.

Ik wens de Lethe, welke bijna half is afgebroken nog een bestaan toe tot in lengte van dagen en ik groet alle bewoners daarvan, alsmede allen die tot de Lethe hebben behoort of daar verwant mee zijn, waar dan ook ter wereld.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Liederen De Lethe

 

Log stuwt de Lethe hare loome baren,                            “Hoort gij den nachtegaal klagen

als onbewuste droomen, naast het veld                           Zingend in ’t lage geboomt?”

van louter licht en vree, waar alles meldt:                                   Neen, maar het lokkende, trage

hier komt ge in ’t Rijk der eeuwige rust gevaren.                        Lied van de Lethestroom.

 

De schimmen, die onlijdelijk ommewaren,                       Klotsend en kabbelend tegen

schonk zij vergetelijkheid, en zalig welt                           Den oever, het water dat loom,

de bron van ’t ware leven, en nu smelt                             Zacht ruischende doet bewegen

de ziel in kalmte, nooit op aarde ervaren.                         Het riet langs den Lethezoom.

 

Toch, als bij een, wien nog, in klaren dag,                       “Maar hoort gij het droomzoete treuren

een droom kwelt, dien hij tracht en niet vermag             Van ‘t nachtegalenlied

te wekken, komt een wolk soms ’t oog omzweven.         En ruikt gij de rozengeuren

                                                                                              En ziet gij den maneschijn niet?”

Vergeten deed de Lethe ’t aardsche leven….

Zij poogde…. En toch niet gansch verdoofde zij               Ach, zingen de nachtegalen

Den angst der zielen en haar noodgeschrei.                     Nog immer het lied uit mijn droom?

                                                                                              En glanzen de manestralen

                                                                                              Nog steeds in den zilveren stroom?

                                                          

                                                                                              En geuren nog immer de roode,

                                                                                              De vurige rozen zoo zoet?

                                                                                              Maar dood zijn mijn droomen: een doode

                                                                                              Verlangt van het doode geen groet.

 

                                                                                              Maar geef mij één dronk uit de Lethe,

                                                                                              Den stillen vergetelheidsstroom,

                                                                                              Opdat ik de geuren vergete,

                                                                                              De kleur en den klank van mijn droom.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het Laite-laid

 

Ik wait ain plekje over’n knaol,

Doar woon’n wat mensen soam,

Dat plekje kenn’n wie aaltemoal,

Want Laite is de noam.

En as ik ooit ais raizen goa

Noar’n aander dorp of stad,

Dat plekje bie de Duutse grens

Dat zel ik nooit vergeet’n

 

Refrein

 

Dat is mien Laite, mien mooie Laite,

Doar woon,n de mensen gelukkig bie mekoar.

Dat is mien Laite, mien mooie Laite,

Doar zel’k aan denken al wor’k ook honderd joar.

 

As ooit de tieden veraandern goan,

Zoas’t bie ’n oorlog gaait,

De streek, woar ains mien waige ston,

Nee, dei veraandert nait.

Ik steur mie aan ain oorlog nait,

Want vrede is mien streev’n,

Hier op dat plekje over’t knaol,

Doar wil ik rustig leev’n.

 

Refrein

 

Hier is mien Laite, mien mooie Laite,

Doar leev’n de mensen in vrede mit elkoar.

Hier in mien Laite,mien mooie Laite,

Doar leef ik rustig van d’ain op d’ander joar.

 

 

Lied geschreven door Albert Meins

Bellingwolde 1946

Op de wiese: Daar bij die molen.

 

 

 

 

Foto,s van personen uit de Lethe

 

 

                                                 

Stoffer Waalkens (foto 1 november 1952)                                 Berend Waalkens (Leutje Berend)

 

 

                                

    Klaassien Waalkens en Albertus Brouwer                                                Jannie Waalkens

 

                                                                                    

         Riekje Waalkens en Filippus Stokebroek                     Marie Telkamp

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

     

Jacob Kuiper, Eppo Kuiper (zeer jong overleden)      

Jantje Kuiper (mijn Moeder)

 

 

 

 

 

Jacob, Geerdine, en Jantje Kuiper

 

 

 

                                       Bovenste rij: 4e Marie Kuiper, 5e Aike Smit,

                                             Voorste rij: 3e Jantje Kuiper 4e Jacob Kuiper

 

 

 

                                                          Jantje Kuiper van Bergen

 

 

Uit Couranten van 50 jaar geleden

Donderdag 7 februari 1935

 

Oud- De Wed. G. Kuiper-Metting te Bellingwolde(Leete)

Hoopt woensdag a.s. haar 90e verjaardag te vieren.

Het oudje, dat nog dagelijks haar eigen huishouding doet,

Is nog zeer kras.

                                                         Echtpaar J. Kuiper (84j)en J. Kuiper van Bergen(80j)

                                                                            60 jaar getrouwd

 

 

Berend Waalkens en Fokje Kranenborg

 

Fam. fam Lenning

 

                                                                                                  Elzo van Lenning nabij woning ouders

 

     

Egbert Potter en Altjo Harms winter 1946

Mevr. Reit Hageman

 

Geert Holstein

 

 

                                                                                                                             Tallechien van Lenning                  

 

         Trijntje Bontkes en zoon Bernardus

Knellies Waalkens, Metje Moed, Lukea Kranenborg

en Wubbe Waalkens

 

Bewijs van toekenning

 

 

 

 

 

                                                   Verblijfsvergunning aan Berend van Lenning

Registratieformulier

 

 

Verder een krantenknipsel verzameling van gebeurtenissen in de Lethe waar direct geen verhaal is geweid.

Maar toch de moeite waard is om het te vermelden.

 

                         Uit krant van 27-11-1896

 

 

                                                                                                          Uit krant van 11-12-1933

                                                 Uit krant van 19-10-1904

 

                         Wat hier van waar is weet ik niet maar het stond wel in de krant!!!!!!!!!!!

 

                                                                Uit krant van 25-01-1919

 

 

        Er zal toch iets van waar zijn, ander hoeft men er geen jacht op te maken

                                        Uit krant van 27-01-1919

 

                                                                                               Uit krant van 10-08-1934

 

 

 

 

 

 

 

 

 

           Lees als een advertentie

                  

                    Uit krant van 26-02-1916

 

 

 

Uit krant van 25-08-1951

 

                                                                  Uit krant van 07-06-1961

 

Ondertrouw opa en oma Kuiper

                       Uit krant van 23-05-1914

 

 

                                                        Geboorte van mijn moeder in burgerlijke stand.

                                                                            Uit krant van 12-11-1927

 

 

 

                                  Uit krant van 21-01-1891

 

 

                                                                                           Uit krant van 30-05-1886

 

                                      Uit krant van 16-08-1906

 

 

                                              Uit krant van 13-08-1929

 

 

 

Uit krant van 20-11-1919

 

 

                                             Uit krant van 20-01-1886

 

 

 

                                                       Uit krant van 10-07-1901

 

                                           Uit krant van 20-05-1929

 

                                                               Uit krant van 06-01-1815

 

                                                           Uit krant van 14-06-1815

 

                                                                                             Uit krant van 02-05-1938

 

                                                                    Uit krant van 12-12-1952

 

 

 

                                                        Uit krant van 04-11-1845

 

                        Uit krant van 26-02-1905

 

 

 

                                                                         Uit krant van 06-01-1815

 

Uit krant van 31-01-1925

 

 

Uit krant van 29-01-1841

 

 

Uit krant van 09-09-1899

 

Uit krant van 05-08-1922

 

                                    Uit krant van 05-04-1927

pict0.jpg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verklaring van de cijfers der huizen in de Lethe.

 

 

 

1.        Onbewoonbaar. Het laatst bewoond door Jan van Lenning en Aalke Rol.

2.        Door de gemeente afgebrand, brandweer oefening. Eens woonde hier Evert Kuiper.

3.        Bewoond door fam. Kuiper. Eens woonde hier Roelf Bruins.

4.        Bewoond door de fam. Sebo Brons. Eens woonde hier Sebo Meijer.

5.       Staat leeg. Eens woonde hier Derk Raatjes.

6.       Afgebroken. Eens woonde hier de familie van Lenning.

7.       Weekendhuisje bewoond door fam. Dijkstra. Vroeger woonde hier fam. Zwaneveld

8.       Afgebrand. Eens woonde hier Hemmo IJzer, Albert Stokebroek en Hilke Bruns   

          hebben hier ook gewoond.

9.        Afgebroken. Eens woonde hier mooi Jantje.

10.     Afgebroken. Hier woonde Eildert van Lenning.

11.     Afgebroken. Eens woonde hier Harm Bloem.

12.     Bewoond door Lukea Meijer. Eens werd hier een ongewenst kind geboren.

13.     Bewoond door de weduwe Metting. Truida en Jan van Lenning.

14.     Bewoond door Anno Bos en gezin.

15.     Bewoond door Fenna Groen. Eens woonde hier een asociaal gezin.

16.     Bewoond door J. Kuiper, de Burgemeester van de Leete.

17.     Bewoond door Harm Bos en gezin. Eens stak Enjo van der Laan hier Grietje IJzer  dood.

18.     Afgebroken. Hier woonde Enjo van der Laan.

19.     Afgebroken. Hier woonde weduwe Kruiter.

20.     Bewoond door familie Tonko Stel. Het stamhuis van de familie Kuiper.

21.     Bewoond door Engelke Abbas. Eens woonde hier Heiko Meijering.

22.     Afgebroken. Hier woonde Willem van Lenning.

23.     Bewoond door H. Geerdsema. Eens woonde hier Albertje Loeks.

24.     Bewoond door weduwe Volders. Eens woonde hier Graitje Smit.

25.     Afgebroken. Hier woonde Willem IJzer.

26.     Afgebroken. Vroeger woonde hier Filippus Stokebroek.

27.     Bewoond door E. Geerdsema, zijn grootvader verbrandde in dit huis.

28.     Bewoond door Bernardus Waalkens. Hier werden eens Duitse gevangenen  gevonden.

29.     Bewoond door Geerdsema. Eens woonde hier Geert Waalkens.

30.     Bewoond door Geert Meijer. Vroeger woonde hier Geert Bos.

31.     Afgebroken. Eens woonde hier Klazien Kwak.

32.     Bewoond door Roelf Edens, vroeger Albert Edens.

33.     Bewoond door Geert Abbas. Eens woonde hier Berend Holtkamp.

34.     Afgebroken. Eens woonde hier Heufte met zijn huishoudster.

35.     Onbewoond. Vroeger woonde hier Karel Jansen.

36.     Bewoond door de fam. Volders. Vroeger door Jan Smit en Triene Knol.

37.     Bewoond door Geert Holstein. Vroeger door Jan Grijze.

38.     Bewoond door A. Harms, vroeger door zijn grootmoeder die baker was.

39.     Opgebrand. Vroeger bewoond door Egbert Potter en Janna Kappel.

40.     Bewoond door fam. Beving. Vroeger door Dietert Engelkens ( een dief ).

41.     Onbewoonbaar. Vroeger bewoond door fam. H. Koekoek, daarvoor fam. IJzer.

42.     Bewoond door de heer Bisschop, vroeger woonde hier Jan ten Ham.

43.     Afgebrand.

44.     Bewoond door fam. Holstein en Jakob Kuiper.

45.     Bewoond door fam. Niemeijer(filo), daarvoor fam. Jansen.

46.     Bewoond door Trijntje Bontkes, daarvoor Hendrik Meijer, die een van zijn kinderen    doodsloeg.

47.     Onbewoonbaar. Eens bewoond door de fam. Volders, daarvoor de fam. De Groot.

48.     Afgebroken. Vroeger bewoond door Wirtje van Lenning.

49.     Onbewoond. Eerder bewoond door de fam. Arends, waar de kinderkerk was.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Auteur : W. Kruise 1967

 

Herschreven: G. van der Laan 2004

 

Foto’s: G. van der Laan herfst 2004

 

Bron kranten artikelen: Koninklijke bibliotheek 

 

Foto’s, dia’s en andere materialen beschikbaar gesteld door:

E. van Lenning.

J. Volders.

W. Uildriks.

A. Brouwer

A. Meins

R. Rosendahl.

 

Laite laid geschreven door: Albert Meins 1946