Artikels‎ > ‎

Verbiedt de Bijbel het versieren van (kerst)bomen?

De Hoax-Wijzer | 04/12/2012 | Update: 21/08/2015



Tijdens de kerstperiode circuleert er geregeld een afbeelding waarop wordt beweerd dat het zetten van de kerstboom in feite verboden is door de Bijbel. Hierbij wordt verwezen naar het hoofdstuk Jeremia 10:1-25. De geciteerde tekst bestaat in verschillende vertalingen en aldus verschillende interpretaties, maar in de volledige context is er weinig tot niets dat erop wijst dat het versieren van bomen expliciet verboden is.

De tekst op de circulerende afbeelding luidt als volgt:


Actually son it's a Yule tree. The Christian Bible forbids decorating trees from the forest.
Jeremiah 10:1-25

Dit vertaalt zich in het Nederlands als volgt:

In feite, jongen, is het een Yuleboom. De christelijke Bijbel verbiedt het versieren van bomen uit het bos.
Jeremia 10:1-25


Volgens het circulerende plaatje zou het versieren van een boom uit het bos (meer specifiek doelend op de kerstboom) verboden zijn door de Bijbel, wat opmerkelijk is gezien het een bekende christelijke traditie is die met de kerstperiode wordt geëerd in verschillende landen in de wereld. Hier stelt zich aldus de vraag of het geciteerde hoofdstuk uit de Bijbel dit verbod wel degelijk oplegt, en op welke manieren deze tekst kan worden geïnterpreteerd in de verschillende vertalingen.

We bekijken vooreerst het hoofdstuk Jeremia 10 in de Statenvertaling van 1977, de vertaling die nog steeds wordt gebruikt in conservatief-protestantse kerken. Het is was de eerste gemoderniseerde versie van de oorspronkelijke Statenvertaling uit 1637, wat één van de oudste vertalingen van de Bijbel naar het Nederlands is. Het gedeelte van de tekst dat relevant is, en verwijst naar de bomen uit het bos, wordt hieronder in vetgedrukt weergegeven.

De afgoden en de Heere

1 Hoort het woord, dat de Heere tot u spreekt, o huis Israëls!

2 Zo zegt de Heere: Leert de weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, omdat de heidenen zich ervoor ontzetten.

3 Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van de handen van de werkmeester met de bijl.

4 Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hamers, opdat het niet waggelt.

5 Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen.

6 Omdat niemand U gelijk is, o Heere! zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid.

7 Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is.

8 In één ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.

9 Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk van de werkmeester en van de handen van de goudsmid; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al tesamen.

10 Maar de Heere God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn gramschap niet verdragen.

11 (Aldus zult gij tot hen zeggen: De goden, die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder deze hemel.)

12 Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en de hemel uitgebreid door Zijn verstand.

13 Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in de hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met de regen, en doet de wind voortkomen uit Zijn schatkamers.

14 Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen, en er is geen geest in hen.

15 IJdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde van hun bezoeking zullen zij vergaan.

16 Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede van Zijn erfenis; Heere der heerscharen is Zijn Naam.
Voorzegging van de naderende verwoesting

17 Raap uw kramerij weg uit het land, gij inwoneres der vesting.

18 Want zo zegt de Heere: Ziet, Ik zal de inwoners des lands op ditmaal wegslingeren, en zal ze benauwen, opdat zij het vinden.

19 O, wee mij over mijn breuk! mijn plaag is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een krankheid, die ik wel dragen zal!

20 Mijn tent is verstoord, en al mijn zelen zijn verscheurd; mijn kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand meer, die mijn tent uitspant, en mijn gordijnen opricht.

21 Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben de Heere niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandig gehandeld, en hun ganse weide is verstrooid.

22 Ziet, er komt een stem van het gerucht, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning der draken.

23 Ik weet, o Heere! dat bij de mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richt.

24 Kastijd mij, Heere! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.

25 Stort Uwe grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest.



De auteur van het plaatje heeft wellicht enkel passages 10:3 en 10:4 gelezen, waaruit men inderdaad zou kunnen opmaken dat het gaat om een versierde boom. Er wordt immers verteld dat er een boom gekapt werd met een bijl, om hem elders vast te zetten zodat hij niet zou wankelen of omvallen, waarna hij dan tenslotte werd versierd met zilver en goud. Een ander en meer volledig beeld wordt geschept wanneer we verder lezen in hetzelfde hoofdstuk, waarin wordt verwezen naar iets "gelijk een palmboom van dicht werk". Dit palmboom-achtig object kan niet spreken en stappen, en bijgevolg ook geen kwaad (of goed) verrichten. Het is opmerkelijk dat er in die passage de moeite wordt genomen om dit specifiek te vermelden, aangezien het op zich volkomen normaal is dat een boom niet in staat is om te praten of te stappen. Eveneens bizar is dat er een vergelijk wordt gemaakt met een palmboom, wat onlogisch klinkt als de tekst op zich al over een boom gaat.

Na de publicatie van de Statenvertaling in 1977 vond er een herziening plaats die de tekst verder heeft gemoderniseerd naar de huidige standaard van de Nederlandse taal. We hernemen hieronder de relevante passages (10:3-5) zoals gepubliceerd in de Herziene Statenvertaling (HSV) van 2010:

3 Want de gebruiken van die volken zijn onzinnig:
het is immers een stuk hout, iemand heeft het uit het bos gekapt,
vakwerk met de bijl.

4 Met zilver en met goud maken ze het mooi,
met spijkers en met hamers zetten ze het vast,
zodat het niet kan wiebelen.

5 Ze zijn als een vogelverschrikker op een komkommerveld, want spreken kunnen ze niet.
Ze moeten helemaal gedragen worden, want ze kunnen geen stap verzetten.
Wees niet bevreesd voor hen, want kwaad kunnen ze niet doen,
maar ook goeddoen is er bij hen niet bij.

Hoewel het verhaal bijna identiek is, merken we toch dat er hier een fundamenteel verschil is met de voorgaande tekst. De "palmboom van dicht werk" wordt hier een "vogelverschrikker op een komkommerveld" genoemd, wat het verhaal meteen in een geheel andere context plaatst. De bedoeling van een vogelverschrikker is, zoals het woord al impliceert, het verjagen van vogels die de geplante zaden op het veld willen komen eten. Aangezien vogels in principe geen schrik hebben van een boom, is het opzetten van een omgehakte boom op een veld dus niet erg zinvol. Nuttiger is om de vogelverschrikker een menselijke gedaante te geven, omdat het de intentie is vogels de indruk te geven dat er een daadwerkelijke mens op het veld staat.

Zoals beschreven in deze Bijbelse passage, gaat het om een soort pop gemaakt van hout, die een menselijke gedaante heeft en dus wordt vergeleken met de beeltenis van een vogelverschrikker. Indien er inderdaad een menselijke figuur wordt afgebeeld, klinkt de daaropvolgende passage meteen een pak logischer: een vogelverschrikker mag dan wel op een mens lijken, maar hij kan inderdaad niet praten en niet stappen. Ook de rest van de tekst lijkt deze interpretatie ten volle te ondersteunen, aangezien er wordt gesproken over "een stuk hout" dat uit het bos gekapt is, en over "vakwerk met de bijl".

Hieruit blijkt dat de Bijbel geen verbod legt op het versieren van een boom, maar wel op het maken en aanbidden van afgodsbeelden. Het was immers vrij voorkomend dat heidense volkeren de beeltenis van hun goden en godinnen creëerden uit hout of steen. Deze heidense goden hadden echter geen plaats in het monotheïstische concept van het Judaïsme en het christendom, waardoor ze werden verketterd als zijnde "valse idolen". In het vroege Judaïsme, dat henotheïstisch was, werden aanvankelijk nog meerdere goden erkend, tot de andere goden werden verketterd tot "valse idolen" (of soms gedegradeerd tot "engelen"). Dit verklaart ook meteen waarom de tekst het verder nog heeft over God, of de "Heer", die niet met deze houten idolen mag worden vergeleken omdat "niemand Hem gelijk is". De titel die de Statenvertaling van 1977 aan deze tekst geeft is immers "De afgoden en de Heere", waaruit opnieuw blijkt dat het gaat om afgoden.

Op deze manier wil de Bijbel verklaren dat er maar één échte God is, en dat alle andere goden (en godinnen) vanzelfsprekend vals zijn of niet bestaan. Het ultieme bewijs (volgens de Bijbel althans): de vogelverschrikker kan niet praten, niet stappen, en geen kwaad (en goed) verrichten, dus leeft hij niet en is hij helemaal geen god. Hij mag, binnen de geloofsovertuigingen gestoeld op de Bijbel, vervolgens ook niet verafgood worden. In feite is de vraag of het nu om een versierde boom of om een godsbeeld gaat eigenlijk niet eens relevant in de context van het Bijbelse hoofdstuk, omdat het in eerste instantie gaat om het verafgoden van een object (wat dat ook mag zijn) in plaats van "de ene God".

Laten we dezelfde tekst ook even bekijken in andere Nederlandse vertalingen van de Bijbel, zoals hieronder de NBG 1951 van het Nederlands Bijbelgenootschap. Deze vertaling werd in 1951 gepubliceerd, dus 26 jaar eerder dan de hierboven geciteerde Statenvertaling.

3 Want de handelwijze der volken, die is nietigheid: want als een stuk hout heeft men het uit het woud gehakt, – arbeid van werkmanshanden met de bijl –

4 met zilver en goud siert men het op, met spijkers en hamers maakt men het vast, zodat het niet waggelt.

5 Als een vogelverschrikker in een komkommerveld zijn zij, zij spreken niet, zij moeten beslist gedragen worden, want zij kunnen geen stap doen. Vreest voor hen niet, want zij doen geen kwaad, maar ook goeddoen is er bij hen niet

Hier lezen we opnieuw dat het gaat om een "stuk hout" en een "vogelverschrikker in een komkommerveld". Het gaat hierbij niet om een vogelverschrikker op zich, maar wel om een beeltenis die gelijkt op een vogelverschrikker en aldus een menselijke gedaante heeft. Wederom verwijst de tekst hier naar een afgodsbeeld gemaakt van hout, zoals ook wordt aangegeven in de titel van de tekst: "God en de afgoden".

De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV), die dateert van 2004, luidt als volgt:

3 De gebruiken van die volken zijn niets waard.
Ze hakken een stuk hout in het bos,
een ambachtsman bewerkt het met zijn beitel,

4 verfraait het met zilver en goud.
Ze spijkeren het vast, dan valt het niet om.

5 Het is net een vogelverschrikker,
neergezet in een komkommerveld.
Het kan niet spreken
en moet worden gedragen,
want zelf kan het geen stap verzetten.
Heb voor beelden geen ontzag,
kwaad doen ze niet,
en goed nog minder.’

Ook hier herhaalt zich opnieuw hetzelfde verhaal, maar dan met extra details die de vooropgestelde interpretatie kracht bijzetten. Er wordt een "stuk hout" gehakt in een bos, dat vervolgens door een ambachtsman wordt "bewerkt met zijn beitel". Hieruit blijkt dat de zin over de ambachtsman, de werkmanshanden of het "vakwerk" niet verwijst naar het omkappen van de boom zelf, maar wel naar het bewerken van diens hout achteraf. Verder lezen we dan opnieuw dat het hout wordt bewerkt tot het lijkt op een afgod, of aldus de zogenaamde "vogelverschrikker neergezet in een komkommerveld" die niet kan spreken en stappen.

Een beetje verder in dezelfde NBV-vertaling van Jeremia 10 lezen we bovendien nog bijkomende details over deze houten afgodsbeelden:

8 Allen zijn ze dom en dwaas,
wat ze moeten leren is dit:
die nietige beelden zijn maar hout.

9 Ze zijn bewerkt met bladzilver, uit Tarsis ingevoerd,
met goud afkomstig uit Ufaz,
door een ambachtsman,
door de handen van een goudsmid.
Ze zijn in blauw- en roodpurper gekleed,
ze zijn vakkundig gemaakt.

In Jeremia 10:8 lezen we duidelijk dat er wordt verwezen naar "nietige beelden" die gemaakt zijn van hout, en dus niet naar (versierde) bomen op zich. In de daaropvolgende lijn wordt nog verteld dat de zilveren en gouden versieringen afkomstig zijn van respectievelijk Tarsis en Ufaz, waaruit duidelijk blijkt dat het nog steeds om hetzelfde hout gaat als dat van Jeremia 10:3-5, waar ook wordt verteld over verfraaiingen met zilver en goud.

Een bijna identiek verhaal lezen we hieronder in de Willibrordvertaling, waarvan de eerste editie dateert uit 1975. Deze vertaling wordt beschouwd als de standaard en officiële vertaling van de Bijbel voor de Rooms-katholieke Kerk. Hieronder citeren we evenwel uit de herziening van 1995:

3 Wat zij doen betekent niets:
ze hakken blokken hout in het bos,
een vakman bewerkt ze met de beitel,

4 hij belegt ze met goud en zilver,
met een hamer spijkert hij ze vast
zodat ze niet wankelen.

5 Het zijn vogelverschrikkers tussen de komkommers:
ze kunnen niet spreken, ze moeten gedragen worden,
want ze kunnen geen stap verzetten.
Wees niet bang voor hen,
ze doen geen kwaad
en goed doen ze evenmin.’

8 iedereen is dom en dwaas.
Hun afgoden zijn van hout,

9 met bladzilver uit Tarsis en goud uit Ufaz belegd;
het werk van vakmannen,
en door de handen van de goudsmid bewerkt.
Bekleed met blauw en rood purper:
alles is het werk van bekwame vaklui.


Uit dit alles kunnen we concluderen dat de desbetreffende Bijbelse tekst een beschrijving geeft van voorchristelijke (en aldus heidense) godsbeelden, en niet van een versierde boom. Hoewel er veel verschillende versies van de Bijbel bestaan, waardoor er altijd een opening blijft voor andere interpretaties, wegen de argumenten dat het gaat om een versierde boom hier niet op tegen die van versierde godsbeelden van heidense religies. Een vergelijking van de Engelstalige versies van de Bijbel vertelt een gelijkaardig verhaal met dezelfde conclusie. Ongeacht of het nu een (versierde) boom is of een pop gemaakt van hout, wil de tekst in eerste instantie vertellen dat het fout is om een object te verafgoden, omdat volgens de Bijbel enkel "de ene God" verafgood mag worden.

Zelfs al zou de tekst of de afbeelding wel waar zijn, betekent dit niet automatisch dat een kerstboom dus een "Yuleboom" of "Joelboom" zou zijn. Joel is een eeuwenoud feest dat afkomstig is uit het Germaanse heidendom, maar er is geen bewijs dat de oude Germanen ook specifiek de traditie hadden om een versierde boom in huis te plaatsen. In die zin is de Yuleboom geen voorganger van de christelijke kerstboom, waarvan de traditie is ontstaan in het Duitsland van de 16de eeuw. Wel bestonden er reeds verschillende voorchristelijke tradities om het huis te versieren met takken van groenblijvende bomen, De Romeinen deden dit voor het festival van Saturnalia omstreeks midwinter. Het moderne concept van de "Yuleboom" daarentegen is een hedendaagse heidense tegenhanger van de christelijke kerstboom, oftewel een goed excuus voor moderne heidenen die in december toch een versierde boom in huis willen zetten.