13. Surakarta-Bandung, Nederlands-Indië 1942


Surakarta, Centraal-Java

 

“O, kleine mof ben jij hier terecht gekomen.”

Anton stond te praten met de wacht en keek verbaasd om. Theo kwam hem met een grote grijns tegemoet en gaf hem een ferme hand. "Hoe is het met kleine caplak?"

De wacht vertelde hem waar hij zich moest melden en Theo liep met hem mee. Ze hadden elkaar zo'n half jaar niet gezien. Anton vertelde over de internering maar vooral over het leven in Magelang. "Guusje gaat trouwen. Ze gaat trouwen met iemand van Duitse afkomst die ik heb ontmoet. Paul heet hij. Paul Schubert."

Theo knikte instemmend. "Dat is goed. Je zal hem niet zomaar aan haar hebben voorgesteld, jouw kennende. Het is een beetje een onzekere tijd. In Singapore zijn de Jappen en Britten hevig aan het vechten. Ben benieuwd wat er allemaal gaat gebeuren. Wanneer gaat Guusje trouwen?"

"Deze maand. Ik verheug me er erg op."


Anton kreeg een anti-tank opleiding en werd bewapend met een karabijn, een klewang, 2 anti-tank landmijnen, één liter benzine of kerosine, een koevoet en een roldeken. De koevoet diende om de rupsbanden van een tank los te wrikken, de deken om de wielen vast te laten lopen en de benzine of kerosine om in het rooster van de motor te gieten voor ontbranding. De opleiding was al geheel gericht op een eventuele oorlog.

Steeds meer Britten en Australiërs werden op Java gestationeerd. 

Toch gingen de geallieerden er vanuit dat er nu geen invasie zou plaatsvinden in de kuststreek boven Bandung. Het was de periode van de natte moesson en de hoge golfslag maakte een mogelijke landing bijna onmogelijk. Rondom Bandung waren ook maar zo'n 5900 manschappen aanwezig in tegenstelling tot het westen met 21.000 soldaten.


Maar de oorlog begon voor Nederlands-Indië al op 11 januari toen Japanse troepen landden bij het oliecentrum Tarakan bij Borneo en bij Menado en Kema op Celebes. De Nederlanders lieten de olie in Tarakan in vlammen opgaan maar de Japanners wisten voet aan wal te zetten. Zij ondervonden weinig weerstand en het krachtsverschil was groot. Bovendien hadden de KNIL militairen nooit echt gevochten en was het meer een politieorgaan om inlandse onlusten te onderdrukken.


In de kazerne te Surakarta steeg de spanning met de dag. Men kon zich geen enkele voorstelling maken van hetgeen zich afspeelde in de Buitengewesten. Hoe waren die Japanners? Er gingen geruchten over hun wreedheden: verkrachtingen, martelingen en onthoofdingen. Men kon er beter niet aan denken.


Anton zag Theo niet vaak aangezien zijn broer zo’n vijf kilometer verder was gelegerd. Theo nodigde hem uit om weer eens gezellig bij te praten. Hij nam zaterdag een grote kom soto als ontbijt en ging op weg. Soldaten op de fiets en in legertrucks passeerden hem in beide richtingen. Anton ging een smalle brug op en plotseling werd geroepen “Wie is daar ? Wat is het wachtwoord?”

Hij schrok zich rot en stond verstijfd stil op de brug. Achter hem dook plotseling Theo lachend op. Anton gaf hem een duw en schold hem uit. Hij was behoorlijk geschrokken. "Je hebt zeker lang op mij staan wachten", zei Anton en lachend liepen ze naar de kazerne. Ze spraken met name over de naderende oorlog maar Theo vertelde hem ook over zijn liefde, de gitaar. In verband met de avondklok moest Anton blijven slapen maar dat was allemaal geregeld. De volgende dag genoten ze van de nasi liwet bij de lunch en ze spraken af dat ze samen naar het huwelijk zouden gaan. "Ik kan je dan meteen voorstellen aan de dochter van predikant De Jong. Dan kun je mooie liedjes voor haar schrijven." 


De terugweg gaf het zelfde beeld van soldaten die in beide richtingen op weg waren. Anton zag twee Glenn Martins in de lucht op weg naar Kalidjati. De geallieerden waren druk bezig met het opzetten van de verdediging van Java. De spanning was voelbaar als een Stille Kracht en de waakzaamheid werd groter en groter. Dat merkte Anton ook.

Op maandag 25 januari stond hij voor het eerst op wacht. Hij had instructies gekregen om alle verdachte personen aan te houden en met name goed te letten op hun uitspraak omdat de Japanner de letter L niet goed kan uitspreken. Het leek een makkelijke opdracht en Anton controleerde iedere persoon die de brug over wilde en die hij niet kende. Plotseling zag hij zijn compagniecommandant in de verte vergezeld door een onbekend persoon met dusdanige onderscheidingstekens dat hij wist dat het iemand met een hoge rang betrof. De commandant knikte instemmend naar hem en  Anton liet beiden door. Hij vroeg niet naar de vereiste papieren. Ze passeerden hem en ineens draaide de militair van hogere rang zich om en liep op Anton af. Hij ging wijdbeens voor hem staan. “Waarom houd jij mij niet aan?”

Anton keek hem verbaasd aan. “U ziet er helemaal niet verdacht uit en bovendien is mijn compagniecommandant uw geleide!”

Het bleek regimentscommandant Scholten te zijn en hij bekeek hem van top tot teen “Jij gaat vandaag nog op rapport! Wat is je naam ?"

 

Aan het einde van de middag moest Anton zich melden bij zijn commandant en kreeg hij te horen dat hij vier dagen streng arrest kreeg. Hij sputterde nog tegen maar het werd hem meteen duidelijk gemaakt dat door protesteren de straf alleen maar hoger zou worden. “Het komt rechtstreeks van kolonel Scholten. Die duldt geen tegenspraak. Je hebt simpelweg je plicht verzaakt. We zijn in oorlog. Er wordt hevig gevochten in Birma. Er heerst hoogste paraatheid. Wees een vent en onderga je straf."

Anton was stomverbaasd en terneergeslagen. Hij legde de situatie uit van het komende huwelijk van zijn achttienjarig zusje  maar praatte tegen dovemansoren. Hij begreep het. Het was een kansloze missie. "Kunt u tenminste mijn broer informeren?"

De commandant beloofde niets maar zou het proberen.

 

Anton werd opgesloten in een soort hol onder de grond. Er was een rooster boven zijn hoofd meteen naast een pispaal. Het was zo. Hij probeerde de slaap te vatten. Hij dacht aan Ambarawa en zag Guusje als klein meisje spelen in de kali. Hij zag haar genietend van de chocola die zij van haar vader had gekregen. Hij dacht aan hoe hij haar verleidt had tot het weeshuis en de grote ruzie die ze hadden in Magelang. Zolang geleden en toch ook weer niet. Nu ging ze trouwen en hij was er niet bij.


Paul en Guusje trouwden op 28 januari 1942 en vestigden zich daarna  in Surabaya aan de Manggaweg 3.



Januari 1942: Huwelijk Paul en Guusje. Links Elvire de Jong (Nannie, de latere vrouw van Theo), rechts Tien, een halfzusje van Elvire


"Hé Sieberichs, wakker worden. Je straf zit er op!" bulderde een stem vroeg in de ochtend. Het luik van het hol werd opengetrokken, een houten trap daalde neer en kwam met een klap op de grond. Anton stond op van de grond pakte de trap vast en klauterde naar boven. Het regende. Hij voelde zich niet eens overdreven vies maar had wel honger. Drie soldaten wachtte hem op. "Meelopen. je kunt nog een dag bijkomen in het hospitaal."

Eén soldaat liep voor hem. Twee achter hem. Ze waren niet gewapend. Er was druk luchtverkeer. Hij werd afgeleverd bij een verpleger en die wees hem zijn slaapplek toe. "Je kunt je vieze kleren naast het bed leggen. Er ligt een hemd op het bed. Je kunt je in de ruimte achter de zaal opfrissen."

In de zaal lagen nog drie anderen met echte bedoeningen. Het was er vooral grauw en sober. In de grote kamar mandi spoelde hij met de gayon de viezigheid en de stank van zich af. Hij schoor zich met een bot scheermesje zonder zeep en liep met zijn vuile kleren voor zijn buik terug naar de zaal. Hij trok het hemd aan en ging liggen op het harde bed. Anton had niet meer veel aan de bruiloft gedacht, viel hem plotseling op. Zou Theo nog zijn geweest? Mijmerend en starend naar het plafond viel hij in slaap.

In de middag werd hij gewekt en stond er een kom soep met rijst maar weinig vlees klaar. Na dit gretig verorberd te hebben ging hij snel naar de kakus. Er was geen botol cebok maar er lag een oude krant van 29 januari. Hij wierp er een blik op alvorens hem te gebruiken. Veelbelovende koppen sierden de voorpagina. 'Japansche armada bij stukjes en beetjes verder vernietigd', 'Nieuwe Japansche nederlaag in de lucht in Birma'. In bioscoop Rex draaide "Texas Rangers ride again'.

Na bijna heel de krant gebruikt te hebben voor zijn billen ging hij terug naar het bed.

De volgende ochtend werd hij op de tijd van het dagelijks appèl gewekt en werd hij naar de arts gebracht. Deze onderzocht hem vluchtig en stelde wat vragen. "Je bent weer topfit. Meld je om 8 uur bij de commandant. Een schoon uniform ligt op je bed."

Om stip acht uur stond hij weer in de kamer waar hij had gehoord dat hij streng arrest kreeg.

De commandant was nog ernstiger dan de eerste keer. "Je straf zit er op. Je bent weer gevechtsklaar." Hij keek Anton van achter het bureau aan. "De Jappen zit al op Ambon. Net als op Borneo onthoofden en verdrinken ze Nederlanders. Meld je bij je compagnie." Anton verliet het kantoor en keek naar de lucht. Er komt dus oorlog, dacht hij, zou hij Guusje nog zien voordat het begint ? Bezorgd liep hij naar de barakken waar zijn compagnie vertoefde.

"Ze zijn op Sumatra geland. De Jappen zitten op Sumatra!" 

Soldaat Smits, een blonde jongen van 19 jaar, kwam met veel bombarie de slaapzaal binnen. Sommigen gingen meteen rechtop in hun bed zitten maar er waren er ook die het bed uitsprongen alsof de vijand al voor de deur stond. Niemand bleef onverstoorbaar liggen. Anton zat rechtop en wreef de slaap uit zijn ogen. Het was vijf uur in de morgen. Er was overal geschreeuw maar hij zag vooral de schrik en de verbazing bij iedereen. Wat moeten we nu doen?



Vanaf 2 december 1941 bevonden zich grote Japanse vlootformaties in de ZuidChinese Zee en op de verlaten noordelijke Stille Oceaan. In de morgen van zondag 7 december 1941 vielen Japanse vliegtuigen de Amerikaanse slagvloot aan in Pearl Harbor, en tegelijkertijd landden Japanse troepen in Thailand, Malakka, Hongkong en de Filippijnen. Nederland verklaarde Japan vervolgens op 8 december 1941 de oorlog. Tussen 10 januari en 19 februari 1942 bezweken Indische kuststeden en eilanden onder de Japanse overmacht, ondanks dat het KNIL overal bataljons had geposteerd met één of twee stukken veldartillerie. Het eiland Java werd aangevallen door twee Japanse landingsvloten. De oostelijke landingsvloot leverde slag met de Geallieerde Combined Striking Force onder leiding van Schout bij Nacht Karel Doorman. Op 27 februari 1942 volgende een grote zeeslag, de Slag in de Javazee. De krachtsverhoudingen waren ongeveer gelijk, maar Doorman miste luchtwaarneming. Duizenden zeevarenden verloren het leven, en Doorman’s opoffering hield de Japanse verovering van Java maar één dag op. Op 1 maart landden Japanse troepen nabij Batavia en ten westen van Soerabaja. Vrijwel nergens hield het leger langer dan een dag stand. Op 8 maart 1942 capituleerde het KNIL.



 

Op 1 maart 1942 ging de compagnie naar Bandung. Het echte werk ging beginnen. De aanval op Java was begonnen.

Tijdens de rit naar het front ontvingen ze veel flessen met jenever en ze dachten dat dit een gulle gift was van het leger. Pas later hoorden zij dat ze dit hadden gekregen van de Vijfde Colonne. Via de Lembang weg kwamen ze aan bij de Villa Isola, het huwelijksgeschenk van prinses Juliana en prins Bernhard. Hier was het hoofdkwartier van de officieren gelegerd.

 

Villa Isola, Bandung

 

’s Avonds werden de stellingen ingenomen te Ciater, zo'n 30 kilometer boven Bandung. De compagniecommandant had verzekerd dat de Japanners zo’n 50 kilometer verder zouden zitten bij Cheribon.


Tijdens de eerste patrouilletocht echter vielen de eerste beschietingen al plaats.

Verderop ontmoetten ze een bataljon uit Semarang en daar zag Anton de eerste doden en gewonden. Van een volgend bataljon uit Magelang hoorden ze dat er zo’n kilometer voor hen zich Japanse sluipmoordenaars bevonden. De groep zocht dekking in een greppel en aan het einde van de weg zagen zij mensen van de ene straatkant naar de andere straatkant oversteken. Men hield het hart vast maar uiteindelijk bleken het bladeren te zijn van de pisangboom die door de wind en het maanlicht deze voorstelling gaven.


De volgende dag was het rustig. Men dronk van de jenever en men had plaatsgenomen in een Kinaonderneming. Anton kreeg toen de opdracht van sergeant Rolvink om een éénmansput te graven om zich daar ’s avonds in te verstoppen zodat hij vervolgens twee landmijnen tegen de Japanse tanks kon leggen. Om 22.00 uur kroop Anton in zijn gat. Het lukte hem niet om de landmijnen te leggen omdat de grindweg veel te hard was om een gat te graven. Tezamen met zijn lotgenoten, die zo’n 5 à 10 meter van hem vandaan in zo’n zelfde soort putje zaten wachtte Anton de dingen af.

 

De volgende ochtend om 06.00 uur hoorde men eindelijk de motoren van tanks. In de lucht verschenen bovendien een aantal vliegtuigen dat het mitrailleurvuur opende en bommen afwierp vlak bij Anton en zijn vrienden. Plotseling doken 5 tanks op, gevolgd door infanteristen. Doordat de mitrailleurs van de tanks opgesteld waren boven de koepel kenden ze praktisch geen dode hoek. Anton stond in de schuttersput met knikkende knieën van angst en ging zitten op de bodem met zijn karabijn naar boven gericht.

“Ik zal schieten zodra ik een Japanse kop zie”, dacht hij bij zichzelf.

 

Na zo’n tien minuten, maar op zo’n moment verliest men de zicht op tijd, stond hij weer op en gluurde hij voorzichtig rond. Hij zag niemand en begon zachtjes te roepen naar zijn vrienden. Toen daar geen reactie opvolgde riep hij wat harder maar ook daar kwam geen reactie op. Hij kroop uit het gat maar kon niemand vinden. Iedereen was gevlucht! Hij besloot toen zijn uitrusting maar achter te laten met uitzondering van zijn karabijn, bajonet en munitie. Na één kilometer ontmoette hij eindelijk een collega. Het was de Ambonese soldaat eerste klas en hoornblazer Lilipal. Toen Anton vroeg waar de anderen waren, kreeg hij als antwoord

“Weg zijn ze” 

 

Ze vervolgden samen hun weg en op de top van berg Tangkoeban Prahoe zagen ze in de verte een luchtgevecht tussen een Engels en twee Japanse vliegtuigen. Het Engelse vliegtuig droop af.

 

Tangkoeban Prahoe

 

Ze sliepen op de berg in de open lucht. De volgende ochtend arriveerde een lotgenoot op de berg, sergeant Den Doodt.

Met z’n drieen zetten zij de tocht voort en kwamen ze in een klein verlaten dorpje. Ondertussen vergingen ze van de honger en de vreugde was groot toen Anton een kip op haar nest zag zitten. Hij pakte een eitje brak het en goot de inhoud gulzig in zijn mond. Tot zijn afgrijzen bleek het een bebroed ei te zijn. Hij spuwde het uit en gaf over. De honger bleef knagen en Anton kwam bij een vijver. Bij toeval vond hij ook nog een soort van net en met veel pijn en moeite slaagde hij erin een goerami (soort karper) te vangen. Hij maakte de vis schoon en roosterde hem. De sergeant en de hoornblazer bedankten voor de eer.

 

Het drietal liep richting Bandung en kwamen op een gegeven moment Sudanezen tegen. Zij wisten te vertellen dat er overal Japanners zaten maar de meesten in de buurt van de stad.  Daar aangekomen waren ze echter nog geen Japanner tegengekomen. Volgens een aantal Europese vrouwen zaten ze meer in het centrum en met name in het hotel Homann.

 

 Hotel Homann

 

Als teken van overgave sloeg het drietal een witte doek om de hals. Anton verliet de andere twee en nam een ontbijt in een soort militair tehuis.

Hierna ging hij weer verder op pad nog steeds met een witte handdoek om zijn hals. Op de Prahaweg ontmoette hij eindelijk militairen van zijn eigen bataljon en meldde hij zich bij zijn commandant.

 

Java capituleerde op 8 maart 1942. De oorlog was voor Anton als militair net begonnen en alweer beëindigd.

 

Nederlanders gevangen door de Japanners

 

De krijgsgevangenen die werden gemaakt op de verschillende plaatsen in de Archipel werden, na te zijn ontwapend, verzameld in kazernes en andere etablissementen voor zover de Japanners deze zelf niet nodig hadden. Voor een belangrijk deel lagen deze kampementen in Bandung en in het ten westen van deze stad gelegen Cimahi. Ook elders werden kleine groepen krijgsgevangenen bijeengebracht.

 

Al spoedig begonnen de Japanners de krijgsgevangenen te concentreren teneinde ze buiten de Archipel en zelfs naar Japan te brengen. Hun behandeling was in de beginperiode niet slecht. Wel was er sprake van excessen, zoals openlijke vernederingen, een gedragslijn die geheel paste bij de Japanse doeleinden. Vernietiging van aanzien en invloed van de westerling en vernedering in de ogen van de inheemse bevolking. In die periode werden de gevangenen in de kampen in hoofdzaak aan hun lot overgelaten en was contact met de buitenwereld geoorloofd. Zo rond de herfst van 1942 werden de kampen gesloten voor de buitenwereld en werden ze voller en de situatie werd slechter.

De militairen van Surakarta werden weer bij elkaar gebracht in de 15e bataljon kazerne te Bandung.

Op een dag moesten zij zich naast de kazerne bij het luchtdoelartillerie verzamelen. Er stonden reeds drie militairen, twee Hollanders en een Indische jongen en natuurlijke de Japanse bewakers. De aanwezigen hoorden dat zij gepoogd hadden de Japanse bewakers te overmeesteren omdat zij gehoord hadden dat de Amerikanen geland waren. Dit bleek een gerucht te zijn. De Japanse commandant vroeg of ze nog wat te zeggen hadden en de 2 Hollanders riepen

“Leve de koningin!”

 

De  Indische jongen spuwde de Japanse officier in zijn gezicht. Daarop werden zij alle drie met de bajonet doodgestoken.

 

 
Kamp Tjikoedapateuh in Bandung                                  Afgetuigde krijgsgevangene in het kamp

 

Terug        Verder 
 
 
Comments