13. Surakarta-Bandung, Nederlands-Indië 1942


Surakarta, Centraal-Java

 

“O, kleine mof ben jij hier terecht gekomen.”

Anton stond te praten met de wacht en keek verbaasd om. Theo kwam hem met een grote grijns tegemoet en gaf hem een ferme hand. "Hoe is het met kleine caplak?"

De wacht vertelde hem waar hij zich moest melden en Theo liep met hem mee. Ze hadden elkaar zo'n half jaar niet gezien. Anton vertelde over de internering maar vooral over het leven in Magelang. "Guusje gaat trouwen. Ze gaat trouwen met iemand van Duitse afkomst die ik heb ontmoet. Paul heet hij. Paul Schubert."

Theo knikte instemmend. "Dat is goed. Je zal hem niet zomaar aan haar hebben voorgesteld, jouw kennende. Het is een beetje een onzekere tijd. In Singapore zijn de Jappen en Britten hevig aan het vechten. Ben benieuwd wat er allemaal gaat gebeuren. Wanneer gaat Guusje trouwen?"

"Deze maand. Ik verheug me er erg op."


Anton kreeg een anti-tank opleiding en werd bewapend met een karabijn, een klewang, 2 anti-tank landmijnen, één liter benzine of kerosine, een koevoet en een roldeken. De koevoet diende om de rupsbanden van een tank los te wrikken, de deken om de wielen vast te laten lopen en de benzine of kerosine om in het rooster van de motor te gieten voor ontbranding. De opleiding was al geheel gericht op een eventuele oorlog.

Steeds meer Britten en Australiërs werden op Java gestationeerd. 

Toch gingen de geallieerden er vanuit dat er nu geen invasie zou plaatsvinden in de kuststreek boven Bandung. Het was de periode van de natte moesson en de hoge golfslag maakte een mogelijke landing bijna onmogelijk. Rondom Bandung waren ook maar zo'n 5900 manschappen aanwezig in tegenstelling tot het westen met 21.000 soldaten.


Maar de oorlog begon voor Nederlands-Indië al op 11 januari toen Japanse troepen landden bij het oliecentrum Tarakan bij Borneo en bij Menado en Kema op Celebes. De Nederlanders lieten de olie in Tarakan in vlammen opgaan maar de Japanners wisten voet aan wal te zetten. Zij ondervonden weinig weerstand en het krachtsverschil was groot. Bovendien hadden de KNIL militairen nooit echt gevochten en was het meer een politieorgaan om inlandse onlusten te onderdrukken.


In de kazerne te Surakarta steeg de spanning met de dag. Men kon zich geen enkele voorstelling maken van hetgeen zich afspeelde in de Buitengewesten. Hoe waren die Japanners? Er gingen geruchten over hun wreedheden: verkrachtingen, martelingen en onthoofdingen. Men kon er beter niet aan denken.


Anton zag Theo niet vaak aangezien zijn broer zo’n vijf kilometer verder was gelegerd. Theo nodigde hem uit om weer eens gezellig bij te praten. Hij nam zaterdag een grote kom soto als ontbijt en ging op weg. Soldaten op de fiets en in legertrucks passeerden hem in beide richtingen. Anton ging een smalle brug op en plotseling werd geroepen “Wie is daar ? Wat is het wachtwoord?”

Hij schrok zich rot en stond verstijfd stil op de brug. Achter hem dook plotseling Theo lachend op. Anton gaf hem een duw en schold hem uit. Hij was behoorlijk geschrokken. "Je hebt zeker lang op mij staan wachten", zei Anton en lachend liepen ze naar de kazerne. Ze spraken met name over de naderende oorlog maar Theo vertelde hem ook over zijn liefde, de gitaar. In verband met de avondklok moest Anton blijven slapen maar dat was allemaal geregeld. De volgende dag genoten ze van de nasi liwet bij de lunch en ze spraken af dat ze samen naar het huwelijk zouden gaan. "Ik kan je dan meteen voorstellen aan de dochter van predikant De Jong. Dan kun je mooie liedjes voor haar schrijven." 


De terugweg gaf het zelfde beeld van soldaten die in beide richtingen op weg waren. Anton zag twee Glenn Martins in de lucht op weg naar Kalidjati. De geallieerden waren druk bezig met het opzetten van de verdediging van Java. De spanning was voelbaar als een Stille Kracht en de waakzaamheid werd groter en groter. Dat merkte Anton ook.

Op maandag 25 januari stond hij voor het eerst op wacht. Hij had instructies gekregen om alle verdachte personen aan te houden en met name goed te letten op hun uitspraak omdat de Japanner de letter L niet goed kan uitspreken. Het leek een makkelijke opdracht en Anton controleerde iedere persoon die de brug over wilde en die hij niet kende. Plotseling zag hij zijn compagniecommandant in de verte vergezeld door een onbekend persoon met dusdanige onderscheidingstekens dat hij wist dat het iemand met een hoge rang betrof. De commandant knikte instemmend naar hem en  Anton liet beiden door. Hij vroeg niet naar de vereiste papieren. Ze passeerden hem en ineens draaide de militair van hogere rang zich om en liep op Anton af. Hij ging wijdbeens voor hem staan. “Waarom houd jij mij niet aan?”

Anton keek hem verbaasd aan. “U ziet er helemaal niet verdacht uit en bovendien is mijn compagniecommandant uw geleide!”

Het bleek regimentscommandant Scholten te zijn en hij bekeek hem van top tot teen “Jij gaat vandaag nog op rapport! Wat is je naam ?"

 

Aan het einde van de middag moest Anton zich melden bij zijn commandant en kreeg hij te horen dat hij vier dagen streng arrest kreeg. Hij sputterde nog tegen maar het werd hem meteen duidelijk gemaakt dat door protesteren de straf alleen maar hoger zou worden. “Het komt rechtstreeks van kolonel Scholten. Die duldt geen tegenspraak. Je hebt simpelweg je plicht verzaakt. We zijn in oorlog. Er wordt hevig gevochten in Birma. Er heerst hoogste paraatheid. Wees een vent en onderga je straf."

Anton was stomverbaasd en terneergeslagen. Hij legde de situatie uit van het komende huwelijk van zijn achttienjarig zusje  maar praatte tegen dovemansoren. Hij begreep het. Het was een kansloze missie. "Kunt u tenminste mijn broer informeren?"

De commandant beloofde niets maar zou het proberen.

 

Anton werd opgesloten in een soort hol onder de grond. Er was een rooster boven zijn hoofd meteen naast een pispaal. Het was zo. Hij probeerde de slaap te vatten. Hij dacht aan Ambarawa en zag Guusje als klein meisje spelen in de kali. Hij zag haar genietend van de chocola die zij van haar vader had gekregen. Hij dacht aan hoe hij haar verleidt had tot het weeshuis en de grote ruzie die ze hadden in Magelang. Zolang geleden en toch ook weer niet. Nu ging ze trouwen en hij was er niet bij.


Paul en Guusje trouwden op 28 januari 1942 en vestigden zich daarna  in Surabaya aan de Manggaweg 3.



Januari 1942: Huwelijk Paul en Guusje. Links Elvire de Jong (Nannie, de latere vrouw van Theo), rechts Tien, een halfzusje van Elvire


"Hé Sieberichs, wakker worden. Je straf zit er op!" bulderde een stem vroeg in de ochtend. Het luik van het hol werd opengetrokken, een houten trap daalde neer en kwam met een klap op de grond. Anton stond op van de grond pakte de trap vast en klauterde naar boven. Het regende. Hij voelde zich niet eens overdreven vies maar had wel honger. Drie soldaten wachtte hem op. "Meelopen. je kunt nog een dag bijkomen in het hospitaal."

Eén soldaat liep voor hem. Twee achter hem. Ze waren niet gewapend. Er was druk luchtverkeer. Hij werd afgeleverd bij een verpleger en die wees hem zijn slaapplek toe. "Je kunt je vieze kleren naast het bed leggen. Er ligt een hemd op het bed. Je kunt je in de ruimte achter de zaal opfrissen."

In de zaal lagen nog drie anderen met echte bedoeningen. Het was er vooral grauw en sober. In de grote kamar mandi spoelde hij met de gayon de viezigheid en de stank van zich af. Hij schoor zich met een bot scheermesje zonder zeep en liep met zijn vuile kleren voor zijn buik terug naar de zaal. Hij trok het hemd aan en ging liggen op het harde bed. Anton had niet meer veel aan de bruiloft gedacht, viel hem plotseling op. Zou Theo nog zijn geweest? Mijmerend en starend naar het plafond viel hij in slaap.

In de middag werd hij gewekt en stond er een kom soep met rijst maar weinig vlees klaar. Na dit gretig verorberd te hebben ging hij snel naar de kakus. Er was geen botol cebok maar er lag een oude krant van 29 januari. Hij wierp er een blik op alvorens hem te gebruiken. Veelbelovende koppen sierden de voorpagina. 'Japansche armada bij stukjes en beetjes verder vernietigd', 'Nieuwe Japansche nederlaag in de lucht in Birma'. In bioscoop Rex draaide "Texas Rangers ride again'.

Na bijna heel de krant gebruikt te hebben voor zijn billen ging hij terug naar het bed.

De volgende ochtend werd hij op de tijd van het dagelijks appèl gewekt en werd hij naar de arts gebracht. Deze onderzocht hem vluchtig en stelde wat vragen. "Je bent weer topfit. Meld je om 8 uur bij de commandant. Een schoon uniform ligt op je bed."

Om stip acht uur stond hij weer in de kamer waar hij had gehoord dat hij streng arrest kreeg.

De commandant was nog ernstiger dan de eerste keer. "Je straf zit er op. Je bent weer gevechtsklaar." Hij keek Anton van achter het bureau aan. "De Jappen zit al op Ambon. Net als op Borneo onthoofden en verdrinken ze Nederlanders. Meld je bij je compagnie." Anton verliet het kantoor en keek naar de lucht. Er komt dus oorlog, dacht hij, zou hij Guusje nog zien voordat het begint ? Bezorgd liep hij naar de barakken waar zijn compagnie vertoefde.

"Ze zijn op Sumatra geland. De Jappen zitten al in Palembang!" 

Soldaat Smits, een blonde jongen van 19 jaar, kwam met veel bombarie de slaapzaal binnen. Sommigen gingen meteen rechtop in hun bed zitten maar er waren er ook die het bed uitsprongen alsof de vijand al voor de deur stond. Niemand bleef onverstoorbaar liggen. Anton zat rechtop en wreef de slaap uit zijn ogen. Het was vijf uur in de morgen. Er was overal geschreeuw maar hij zag vooral de schrik en de verbazing bij zijn kameraden. Wat moesten ze nu doen?

Bij het appèl werden de manschappen ingelicht. De Japanse vloot lag voor de kust van Sumatra en vanaf de schepen werden de Japanners met kleine landingsvaartuigen naar het strand gebracht. 

De Japanse vloot was oppermachtig in de Pacific nadat het al in 1941 de grootste Engelse oorlogsschepen, de 'Repulse' en de 'Prince of Wales' had vernietigd. Bovendien werd na de val van Singapore, waar zo'n 130.000 Britse krijgsgevangenen waren gemaakt door de Japanners, ook de Australische havenstad Darwin bedreigd en lieten de Australiërs de Nederlanders enigszins aan hun lot over. "Het schijnt dat ze het Britse leger op gestolen fietsjes hebben verjaagd", fluisterde een soldaat naast Anton, "Zie je het voor je?"

Eigenlijk wist Anton niet wat hij er van moest denken. De compagnie ging terug naar de barak om op nader orders te wachten. "Wat zoeken die Japanners hier eigenlijk?"

Bartens, die om zijn kennis ook wel de professor werd genoemd, ging naast hem op het bed zitten. "Olie", zei hij, "het gaat allemaal om de olie." Anton zag dat hij een nieuwe vraag moest stellen. Bartens hield ervan om zijn kennis te delen. Maar het hoefde niet. Bartens vervolgde zijn verhaal. "Al voor de oorlog onderhandelden de Japanners met de Nederlandse regering om leverantie. Ze zijn toen door de directeur Economische Zaken, ene Van Mook, als het ware van het kluitje in het riet gestuurd. En nu komen ze het dan maar halen. Ik vrees ook dat we weinig moeten verwachten van onze bondgenoten. Die hebben het allemaal druk met zichzelf."

Anton knikte. Hij vroeg zich af of het mogelijk zou zijn nog langs huis te gaan. Maar ja zijn moeder en broertjes zaten in Magelang en Guusje helemaal in Surabaya. Hij moest het morgen maar eens voorleggen aan de commandant. 

De volgende ochtend kreeg hij, zoals verwacht, nul op request. 

Een week later, op 27 februari, stoomde de ´Combined Striking Force´, een geallieerde vloot van 14 marineschepen onder leiding van schout-bij-nacht Karel Doorman richting de Japanse vloot om deze de weg te versperren richting Java.


De volgende dag al kwam het bericht binnen dat de geallieerde vloot was verslagen. Er waren honderden doden. De schrik op de kazerne was groot. Anton was zijn lievelingsboek 'Alleen op de Wereld' aan het lezen toen hij het nieuws vernam. Hij was bij het hoofdstuk dat Remi en Mattia naar Engeland vertrokken en had het al meerdere malen gelezen. Hij klapte het boek dan ook zonder boekenlegger dicht. "Dus ze komen er aan?"
Eigenlijk wist niemand binnen de compagnie wat er aan stond te komen. Ze hadden nooit gevochten. Amper een schot gelost op een stilstaand doel. Maar iedereen dacht inderdaad 'ze komen er aan'. Het ging heel de dag nergens anders over. Ondanks de paniek vond Anton in de avond een rustpunt. Er stond een soort van bureau aan het begin van de zaal en daar begon hij aan een brief voor Guusje. Er waren zoveel zaken die hij aan haar moest vertellen. Het was zo lang geleden dat hij haar gesproken had. De pen haperde maar hij slaagde erin de woorden neer te schrijven die zijn gevoelens uitdrukten. Hij begon over de dag waarop ze ruzie kregen over Lena maar hij had zoveel te vertellen dat zijn gedachten zijn pen inhaalden. Er was zo ongelooflijk veel gebeurd en hij maakte zich ongelooflijk veel zorgen. Hij kon ook niet naar Magelang om zijn moeder en broers te beschermen maar ook niet naar Surabaya. 
Plotseling realiseerde hij zich dat hij niet ineens het adres wist van Guusje. Hij keek naar de brief maar wilde deze ook niet verscheuren. Het was inmiddels al laat geworden. Het was donker in de zaal. Hij stopte de brief in zijn zak, ging op zijn bed liggen en dommelde in slaap.
Een paar uur later hoorde hij veel rumoer buiten. Motoren en harde stemmen. De deur van het slaapzaal vloog open en het licht ging aan. "Compagnie klaarmaken. We vertrekken over een uur naar Bandung. Aankleden en uitrusting ophalen bij het depot. Opschieten ! Opschieten !"

Anton zat halverwege de Chevrolet drietons. Zijn plunjezak had hij gepropt onder de bank en hij hield zijn geweer stevig vast. De regen kletterde hard neer op het tentdoek van de vrachtwagen. De natte moesson vierde hoogtij. Maar ze waren dus toch gewoon gekomen die vervloekte Jappen. Hij bekeek zijn geweer voor de zoveelste keer weer eens goed. Hij was niet eens zenuwachtig. Wat ging er gebeuren? Ondanks de schokken, veroorzaakt door de kuilen in de weg, vielen zijn luiken dicht. Een enorme schok maakte hem wakker. Hij wist niet hoe lang ze al onderweg waren.
"Een enorme steen of een lijk", zei de man naast hem. Slaapdronken keek Anton hem aan. Ineens stond hem weer bij dat hij onderweg was naar de oorlog. "James Sanders", stelde de man naast hem zich voor. "Lekker geslapen?"
"Sorry", zei Anton, "Ik weet niet eens of ik lang of kort heb geslapen. Ik ben Anton. Anton Sieberichs." Hij pakte zijn geweer nog maar eens goed vast. "Ik ken je niet. Andere compagnie?"
James bood hem een diko aan, een van de betere krètèk sigaretten, en antwoordde onverschillig "Volgens mij maakt dat allemaal niet meer uit. We zijn op weg naar het ongewisse. Of ik nu in compagnie vijf of zes sterf. Wat maakt het uit? Ben jij trouwens van Duitse afkomst? Sieberichs klinkt niet echt Nederlands ..."
Anton kon zijn lach niet onderdrukken. "Klopt. Heb er veel ellende door gehad. En jij? James klinkt niet echt Nederlands."
"Nee", antwoordde hij, "maar Sanders wel. Een rare tik van mijn ouders. Ik en mijn twee zusters zijn naar Amerikaanse filmsterren genoemd. James, Laurence en Merle. De meesten noemen me trouwens Jimmy." Hij stak zijn hand uit. "Aangenaam."
Anton nam een stevige trek van de sigaret en zette zijn helm recht. "Hoe schat jij onze kansen in?"
"Nul", zei James zonder maar enigszins na te denken. "Nul procent..."

Ineens stopte de truck. Ze hadden wel overvliegende geluiden gehoord en ook motoren die hen inhaalde maar gevaarlijke situaties hadden zich niet voorgedaan. Ze schrokken en grepen de wapens met beide handen vast.
Ze hoorden iemand in het Sundanees iets roepen. Plotseling verschenen er inlanders achter de truck. De soldaten wilden hun wapens richten maar het bleek iets anders te zijn.
"No, no, don't shoot. We have Arak and Jenever! Good, Good" Ze hielden een aantal flessen in de lucht.
De gezichten veranderden van ernstig en angstig in opgelucht. De inlanders hadden een aantal kratten bij zich en zo'n zeven flessen gingen de truck in. "Good luck, Good Journey", riepen ze na toen de Chevrolet de weg hervatte.
Anton boog zich voorover en keek door de opening van het tentzeil naar buiten. Hij zag de inlanders in de verte verdwijnen. Het werd al enigszins licht. "Je weet maar nooit", zei hij tegen James.  
De reis eindige ten noorden van Bandung. De mannen sprongen uit de truck.
"Wow",  was de algemene gedachte, "wat is dit?" Een enorme villa pronkte voor hun neuzen. "Villa Isola", riep de chauffeur vanachter zijn stuur, "maar denk maar niet dat jullie daar slapen." Lachend scheurde hij weg.
De villa in de bergen werd gebruikt als  het hoofdkwartier van de officieren. Het had een prachtig uitzicht op de vallei waar het Parijs van Java was gelegen.
Er stonden tenten klaar om alle troepen op te vangen. Doorweekt zocht iedereen zijn slaapplaats op. Niemand dacht aan de erbarmelijke omstandigheden. Er was geen enkel moment om te klagen hoe vreselijk het allemaal was. Iedereen was zich bewust van die andere werkelijkheid die voor de deur stond.
Er was ook geen sprake van slapen gaan. Meteen na aankomst en wegleggen van de plunje vond er een briefing plaats. Majoor Willems gaf uitleg van de stand van zaken.
De Jappeners waren op drie plekken geland:In het uiterste westen van Java bij de Baai van Bantam, in het oosten bij Kragan en verrassend genoeg bij Eretan Wetan. Die laatste plek lag ten noorden van Bandung en dat was dus het doel van deze compagnie. Voorkomen dat de stad zou worden ingenomen.
Er hing een onduidelijke kaart achter hem. Eretan Wetan lag zo'n 60 kilometer van de plaats Subang.
De majoor sloeg met zijn stok op de plek. "Om 2 uur vannacht is de Jap aan land gekomen en er wordt nu al gevochten in Subang. Dit hebben we pas laat vernomen. Die spleetogen hebben met behulp van verraders op Java veel telefoonposten vernield. Hun doel is nu duidelijk: Kalidjati. Daar vanuit willen ze dan de oprukken naar de andere steden. Wij gaan er voor zorgen dat de Jap wenste dat hij nooit voet op dit eiland had gezet!"
Zes Glenn Martins vlogen boven de hoofden van de compagnie op weg naar vliegbasis Andir.

 

Villa Isola, Bandung

 

De Drietons stonden klaar om de troepen naar hun bestemming te brengen. Anton ging met zijn kameraden terug naar de tent. Ze hadden een half uur en ze waren al doodop door de reis van Surakarta naar Bandung die een halve dag duurde. Hij keek in zijn plunjezak wat hij allemaal mee wilde nemen. Zou hij hier nog terugkeren ? Hij kieperde alles uit de zak en wat verkreukelde speelkaarten aan uit het weeshuis doken op. "Mae West" zei hij per ongeluk hardop en stopte de kaart in zijn broekzak. Hij wikkelde de fles benzine en de koevoet in de roldeken en gooide de M.95 om zijn schouder. Hij testte de scherpte van de klewang en knikte tevreden. De antitank mijnen lagen in de munitiewagen. De roldeken met inhoud ging terug in de plunjezak tezamen met een soort slaapmat en hij stak de machete er in als of het zijn vijand was. Proviand zou bij de 3-tons worden uitgedeeld. 

Om 21:00 uur vertrok het peloton richting Ciater, zo'n dertig kilometer boven Bandung.

Anton had een plaats achterin gekregen omdat hij als één van de eersten eruit moest om zijn mijnen op te halen. Smits zat naast hem. Half slapend en steeds even de ogen open wanneer de truck opgeschud werd door een kuil of een steen. De chauffeur zette de vaart erin.

Hij gaf Smits een por. "Wat denk je. Maken we een kans?" vroeg Anton hem. Hij schrok ervan en wreef in zijn ogen. Hij haalde een pakje kauwgom uit zijn zak en bood hem een stick aan. "Kauwgom?" Smits keek hem niet aan maar tuurde bezorgd voor zich uit. Zo kende Anton hem niet. Hij nam de Wrighley's aan en wachtte op het antwoord.

"Nee", zei hij, "Ik denk het niet. Ik denk het niet. En vooral wakker blijven." De blonde jongen dommelde weer in.


Anton keek naar buiten en zag de weg onder hem voorbij glijden. Smits was een optimist en hij had, tegen beter weten in, een ander antwoord willen horen. Waar ging dit pad naar toe? Vóór Lembang viel de weg mee maar daarna werd het erger en erger. Slapen was echt onmogelijk. Langs de kant van de weg maar ook er op zag Anton dode geiten en kippen. Wellicht aangereden door de gehaaste Chevrolets.

Tegen elven kwamen ze op de bestemming aan. Ciater was bekend om zijn warm water bronnen maar dat was ook alles wat Anton er van wist. Hij was hier nooit eerder geweest.

Het was er druk. Meerdere bataljons waren reeds gearriveerd. Blijkbaar werd op de hoogvlakte een verdedigingslinie opgesteld. Kanonnen keken naar de lucht. Anton zijn compagnie vond zijn plek in de chaos die alom was. Het was er donker en nat. Het was vrijdag 1 maart 1942 om 23:00 in de avond en Ciater had niets bekoorlijks.


Er waren geen orders gegeven voor de volgende ochtend. Dat kon betekenen dat ze konden uitslapen. Geen reveille om 5 of 6 uur. Anton sliep in de open lucht. Hij staarde naar de sterren boven hem maar viel al snel in slaap. Hij was net als zijn kameraden behoorlijk uitgeput.

Anton zat tussen een eerste luitenant en een sergeant in. Ze hadden mooie kostuums aan die zijn vader had gemaakt. Vóór hem een kom rijst met een beetje rendang en een grote pot bier. Ze vertelden over de meisjes die bewonderend naar hen keken. "Er soll mich nicht enttäusschen", riep zijn vader. Iedereen moest lachen en de potten met bier werden hoog geheven. Anton was gefascineerd ondanks zijn jonge leeftijd. Hij wilde ook militair worden net als de helden naast hem die gevochten hadden in Atjeh. "Jij krijgt vast het mooiste uniform van je vader!" De officier zette hem zijn helmhoed op en gaf er een klap op.  Anton schrok wakker. Smits porde hem aan. De omgekeerde situatie. "Als je vader in Duitsland was gebleven stond je er nu beter voor". 

"Dan was ik er waarschijnlijk niet", antwoordde hij, "maar wie weet ..."" . 

Vliegtuigen vlogen over en over. Anton wist dat niets meer betrouwbaar was en dat er ook geen houvast mee bestond. Hij was wakker geworden in de realiteit. De patrouilletocht zou beginnen. Op zoek naar de vijand, de Japanners. Gelukkig was er enige tijd. Het was overdag en pas in de avond zouden ze richting Lembang de posities gaan bezetten. De angst en dreiging was er niet minder om. Kalidjati was reeds gevallen en moest heroverd worden. De taak van de compagnie van Anton was echter dat de Japanners tegen gehouden zouden worden richting Bandung. Deze stad mocht niet veroverd worden. Maar de angst voor de Japanners was groot.


De situatie was onduidelijk. Niemand wist exact wat de stand van zaken was en waar de Japanners zich nu bevonden. Anton moest de tankmijnen meenemen. De Japanners moesten hun lesje verdienen. Hij stopte de mijnen in een jutezak. Ze waren zo'n 10 kilo per stuk dus het was behoorlijk sjouwen. Hij stapte met de zak in de vrachtwagen. Ze gingen op weg. Doel was dus een hinderlaag opzetten tegen de oprukkende vijand.

Een goede plek werd gevonden. Het was de weg richting Tangkuban Perahu naar Lembang en een greppel kon goed dienen als sluipplaats. Met de karabijnen op scherp wachtte men trillend op de geluiden die niet overeen kwamen met de dagelijkse geluiden van de natuur. Na een uur was het nog steeds rustig en Anton kreeg van sergeant Rolvink de opdracht om de twee mijnen op de weg in te graven zodat het gewicht van de tank de ontploffing tot stand kon brengen. Anton moest bovendien in de buurt een éénmansput graven zodat hij eventuele vluchtende Japanners het genadeschot kon geven.

Het lukte Anton om de put te graven maar de grindweg was te hard om de tankmijnen onzichtbaar te begraven. Hij keerde met de mijnen terug naar de greppel om een nieuwe tactiek te bepalen. Ze zaten in de buurt van een Kina onderneming. Smits opende een fles Arak die ze van de inlanders hadden gekregen. Er waren geen glazen. "Proost!" riep hij. Hij nam zijn slok en bood de fles aan Anton aan. "Toch een mooi gebaar van de leiding", zei Anton. Smits lachte. "Die zijn niet van onze leiders. Die zijn van die schoften die op de Japanners wachten. Waarom weet ik niet maar al die flessen zijn geroofd en ons gegeven door die aapjes die samenwerken met de Japanners." Anton keek hem verbaasd aan. Wat was er in godsnaam aan de hand? Niets meer was zoals het was. Hoe was het thuis? Hoe was het met zijn moeder en zijn broertjes. Hoe was het met Guusje? Leefde Theo nog. Daar had hij al helemaal niet aan gedacht.  Plotseling was er opschudding. Men zag schaduwen van de ene kant van de weg naar de andere. Men hield het hart vast maar uiteindelijk bleken het bladeren te zijn van de pisangboom die door de wind en het maanlicht deze voorstelling gaven. De nacht viel in. Men hoorde van alles maar er gebeurde nog niets.


Plotseling veerde iedereen op. Eerst was er het geluid van krijsende langurs die de stilte doorbrak maar vervolgens hoorde men een motor. Zenuwachtig werden de wapens op de donkere weg gericht. Het was maar één motorfiets en men wachtte met schieten. Rolvink kroop uit de greppel en ging midden op de weg staan met zijn karabijn in de richting van de naderende Norton. De motor werd gereden door een inlander maar achterop zat een donkerblonde figuur met een Nederlands vliegers uniform. Rolvink stak zijn hand op en de motor stopte. "Waar gaan jullie naar toe ?" De inlander keek achterom naar zijn passagier.

"Naar Bandung", zei de Nederlander gedecideerd, "Als ik jullie was zou ik dat ook doen. Kalidjati is bezet. Overal Japanners. Mijn commandant maar ook Australiërs zijn gevangen genomen. Het ziet er slecht uit. Ik ben Pieter, vlieger-waarnemer 2e klasse."

De sergeant keek hen aan en gaf permissie de weg voort te zetten. Hij ging terug de greppel in en dacht na. De manschappen keken hem hoopvol aan. Terug naar Bandung klonk zo veilig. Maar nee, Rolvink gaf Anton de opdracht om verderop nogmaals te proberen de mijnen te begraven. 

Hij slikte maar ging met de mijnen op weg. Hij kon niet anders. Hij liep zo'n 300 meter de donkerte in. Zo nu en dan omkijkend naar de achterblijvers en de oren gespitst. Vloekend probeerde hij met de klapschep in de grond te komen. Ondanks de vochtige grond kwam hij niet ver. De tankmijnen zouden zichtbaar zijn. Hij keek weer achterom naar zijn kameraden. Hij kon ze niet zien. Het was aardedonker op de weg. Een laag wolkendek en de mist maakte de omgeving nog vijandiger. Aan de kant van de weg was de grond aanzienlijk zachter en hij begon zijn éénmansput te graven. Op een veilige plek tussen de struiken zodat het niet zichtbaar was vanaf de weg.

Zo rond 06:00 uur sloeg plotseling een granaat in. Ver weg van waar ze zaten. K1-43 jagers van de Japanners vlogen over en het leek dat ze meer lukraak aan het schieten waren en op weg waren naar Andir. Maar plotseling hoorde men enorme ontploffingen. Blijkbaar hadden ze iets geraakt in het hoofdkamp bij Ciater. Hij maakte zich zo klein mogelijk in de put. Daar was eindelijk het akelig ratelende geluid van de rupsbanden. Het kwam steeds dichterbij. Anton ging iets omhoog zitten toen hij het gevoel kreeg dat ze nu in zicht moesten zijn en keek door het struikgewas naar de weg. Hij schrok. Waar waren de landmijnen. O nee, hij had ze gelukkig toch gewoon mee de put in genomen. Een aantal tanks zocht behoedzaam de weg. Er waren ook karren die voortgetrokken werden door paarden en Japanse soldaten die even behoedzaam de omgeving bespeurden. Doordat de mitrailleurs van de tanks opgesteld waren boven de koepel kenden ze praktisch geen dode hoek. Anton stond in de schuttersput met knikkende knieën van angst en ging zitten op de bodem met zijn karabijn naar boven gericht. “Ik zal schieten zodra ik een Japanse kop zie”, dacht hij bij zichzelf.



Hij wachtte op het moment dat zijn compagnie het vuur ging openen. Hij besefte plotseling dat hij wel in een rare situatie zat. Hij in zijn eentje hier en zij in de greppel. Er was echter geen tijd om hier langer over na te denken. Zijn vinger stond gespannen bij de trekker.

Het tergend langzaam geluid van de metalen rupsbanden gevolgd door het geluid van krakend hout van de karren volgde Anton met gespitste oren. Hij hoorde ook de voetstappen maar geen enkel woord. Hij overwoog geen moment om zijn schuttersput uit te springen en de Japanners onder vuur te nemen. Hij wachtte af wat er zo'n 300 meter verder ging gebeuren. Hij hield zich zo stil mogelijk en moest denken aan de dag dat hij Max had gepest op de wc, alweer zo'n zes jaar geleden. Zou hij zich ook zo angstig hebben gevoeld? Een lach ontglipte hem. Hij zou in ieder geval niet gaan zingen. Een rare mengeling van een zoete herinnering en de zure realiteit.

Het monotone geluid van de Japanse karavaan ebte weg. Geen schot. Geen gevecht. Er gebeurde helemaal niets. Wat was het plan van sergeant Rolvink? Moest hij in actie komen? Anton had geen enkel besef meer van ruimte en tijd. Duurde het tien minuten of een half uur en waar waren de Japanners? En waarom gebeurde er maar niets. Het leek wel een droom. Beter gezegd een nachtmerrie.

Uiteindelijk ging hij in zijn schuttersput staan en gluurde hij voorzichtig rond. De Japanse karavaan was zonder enige tegenstand weer in het niet verdwenen. Er was geen schot gelost. Waren hij en zijn compagnie lafaards? Waarom was er niets gebeurd? Hij klom behoedzaam uit zijn schuttersputje en luisterde aandachtig naar ieder geluid dat gevaar kon betekenen. Hij zag niemand en begon zachtjes te roepen naar zijn kameraden. Toen daar geen reactie opvolgde riep hij wat harder maar ook daar kwam geen reactie op. Waren ze allemaal gevlucht? 


Het regende nog steeds. Al heel de ochtend. Niet hard maar wel voortdurend. Anton keek in zijn schuttersput. Hij besloot zoveel mogelijk achter te laten en alleen zijn karabijn, bajonet en munitie mee te nemen. Hij twijfelde even maar sprong uiteindelijk toch terug de put in. Hij groef nog wat dieper en verstopte de mijnen en de rest van zijn spullen onder de grond. Hij stampte het aan en klom weer uit de plek die ook zijn graf had kunnen zijn. Zijn zelf gegraven graf. Hij luisterde opnieuw aandachtig. Geen geluid meer van piepende rupsbanden of krakende wielen. Geen stemmen. Geen Japanse maar ook geen Nederlandse. Hij leek helemaal alleen op de wereld. Hij moest terug naar Bandung maar dat was niet eenvoudig. Het was een behoorlijke terugtocht. De weg terug was logischerwijs vanaf de hoofdweg in zoverre je die zo kon noemen. De tanks hadden hun sporen in de grond achtergelaten. Hij vond het veiliger om een zijpad in te slaan. Hij zou wel zien waar hij terechtkwam. Bij iedere stap ebde de angst weg maar nam de honger toe. Het was al weer even geleden dat hij iets had gegeten. De weg leidde omhoog. Hij wist dat hij in de buurt van een vulkaan was, Plots zag hij in de verte iemand op hem af komen. Hij schrok niet echt. Een Japanner zou niet in zijn eentje hier rondlopen. Ook een verkenner zou niet logisch zijn. Het bleek Lilipal te zijn. Een Ambonese soldaat eerste klas en hoornblazer die ook in zijn compagnie zat. Ze begroetten elkaar maar niet uitbundig. Toen Anton vroeg waar de anderen waren, kreeg hij als antwoord “Weg ze zijn!” 

Lilipal was de vulkaan op gevlucht en was nu weer op weg naar de hoofdweg. Anton wist hem te overreden dat het beter zou zijn om naar boven te gaan. Voorlopig was het daar veiliger. Morgen zouden ze wel verder zien. Het was een kronkelende weg door een prachtig dennenbos met beekjes en houten bruggetjes. Ze bereikten de top van de Tangkuban Perahu en daar werden ze getrakteerd op een overweldigend uitzicht over de krater. Anton wist niet wat hem overkwam. Het was net alsof je in de toekomst keek. Er hing een sterke, bijna verstikkende, zwavellucht.

Een Elang Jawa dook vanuit de verte op. Ze volgden het dier vol bewondering. "Die hoeft zich geen zorgen te maken", zei Lilipal. Maar plots dook de kuifarend weg en werd zijn plek ingenomen door een Engelse jager die zijn weg zocht naar het noorden. Twee Japanse Ki-43's vlogen de Hurricane echter tegemoet en openden het vuur. Anton en Lilipal zagen het Engelse vliegtuig rechtsomkeer maken. Ze tuurden de drie toestellen lang na richting het zuiden en zochten vervolgens een comfortabele plek in de bossen. Ook Lilipal had geen eten bij zich en de honger knaagde. Het was niet echt koud ondanks dat ze zo'n 2 km hoog in het gebergte lagen. Voorlopig beschermde de prauw van Sangkuriang hen. Anton had een veilig gevoel en viel snel in slaap.


4 maart

Het regende niet meer toen Anton wakker werd. Ze hadden een redelijk waterdicht onderkomen gemaakt met takken en bladeren en dus was ook de nacht niet onrustig verlopen. Lilipal sliep nog. Anton keek naar de vredige uitdrukking op zijn gezicht. Hij wist eigenlijk niets van zijn lotgenoot. Had hij broers en zusters? Leefden zijn ouders nog? Misschien was hij wel getrouwd. Hij kroop uit het struikgewas vandaan en schrok. Aan de rand van de krater zag hij iemand staan. Hij wreef de slaap uit zijn ogen en keek en keek nog eens goed. Het leek goed volk. Het was in ieder geval een KNIL militair. Hij herkende het uniform. Het was een sergeant. Voorzichtig liep hij naar hem toe. De man draaide zich om met een glimlach. "Kom , de Kawah Ratuh is schitterend. Zelfs vandaag. Echt een koningin." Anton kwam dichterbij ondanks dat hij er niets van begreep. Droomde hij?


"En de vreselijke Wereld van Geheim was om mij, breidde zich ontzaglijk rondom mijne, haar tartende, nietigheid."


Ze stonden naast elkaar. Anton keek de diepte in. "Je snapt er niets van. Dat verbaast mij niets. Ik was hier al voor jullie. Ook gevlucht. Ik zag jullie de vulkaan op komen en verborg mij. Ik had geen zin om te praten en heb ook de slaap gevat. Nu wil je natuurlijk weten wie ik ben. Ik ben sergeant Den Doodt en geen grappen over mijn naam."

Anton keek hem aan. "Sieberichs. Anton Sieberichs,  Fuselier, éénentwintigste bataljon Infanterie. Ik ben hier samen met Lilipal, soldaat Eerste Klas.

De sergeant keek hem niet aan maar tuurde ook de krater in. "Ik ben geboren in Bandung. Ik kom hier vaak. Ik ken de omgeving als mijn broekzak. En jij? Zo te horen Duits. Je ziet er niet Duits uit. Waar kom jij vandaan?"

"Ambarawa", antwoordde Anton, "Ik ben geboren in Ambarawa." Den Doodt keek hem eindelijk aan. "Ken ik niet. Ligt dat in Duitsland?"

"Nee, dat is gewoon hier in de buurt...". Hij kon zijn zin niet afmaken. Lilipal was ook wakker geworden en kwam tussen hen in staan. De sergeant gaf hem en Anton een hand. "Aangenaam. Nou, daar staan we dan. Ik denk dat we het best terug kunnen keren naar ons bataljon in Bandung. Wat dat betekent weet ik niet maar hier blijven lijkt mij geen goed plan. God, wat heb ik trek in een lekkere rijsttafel."

Zowel Anton als Lilipal keken hem verwonderd aan. Een rijsttafel. Daar hadden ze beiden nog nooit van gehoord. Een tafel vol rijst? 

Den Doodt zag de verbazing op hun gezichten. "Nooit van gehoord?" Nee, het was geen tafel vol rijst. Hij beschreef de weldadigheid van zijn favoriete rijsttafel. Vorige week zat hij nog, tijdens verlof, met de familie aan tafel. Nasi kuning, overheerlijke saté ajam en babi, rendang, telor, sajoer boontjes, kroepoek en pisang goreng. En maar blijven opscheppen en opscheppen. 

Anton en Lilipal geloofden hun oren niet. Zij waren al blij met een bakje rijst met wat groenten en vlees. Maar ook zij waren uitgehongerd. "Adoe seh, Den Doodt is rijke totok!"

Ze moesten hard lachen. De lach stierf weg in de krater nadat ze zich hadden omgedraaid, hun spullen hadden gepakt en de tocht waren begonnen richting Kota Kembang.


 

Tangkoeban Prahoe

 

Het was droog en de temperatuur aangenaam toen ze de vulkaan afdaalden. Anton vroeg aan de sergeant hoe het nu verder moest.

"Dat weet ik niet maar dat weet niemand. Ik kan me haast niet voorstellen dat we verliezen van die spleetogen. Maar de werkelijkheid lijkt anders."

"En wat gebeurt er met ons"', vroeg Anton, "wat gaan de Japanners met ons doen ?"

"Ze zullen ons echt niet allemaal onthoofden hoor, als je dat bedoelt. Kun jij trouwens niet iets regelen met je naam? Misschien is er voor jou wel een oplossing."  

Het was een mooie route met houten bruggetjes over beekjes. Anton werd op zijn weg verwend met mooie groene bomen, orchideeën, rododendrons en goudvarens. Hij werd er bijna gelukkig door.

"Sieberichs zegt die Japanners niets. Dat is voor hen hetzelfde als Jansen of Timmerman. Nergens staat zwart op wit dat ik een Duitser ben."

"Ja dat is waar", antwoordde Den Doodt, "je zit in hetzelfde schip."

Na twee uren lopen zagen zijn in de verte wat hutten. Ze waren extra alert. Wie woonden daar? Ze kregen snel antwoord. Het dorpje, in zover je dat zo mocht noemen, was verlaten. Maar blijkbaar sinds kort leek het. Waarom? Ze splitsen op om de hutten te onderzoeken

Bij één van de hutten zag Anton een kip op haar nest zitten. De honger knaagde en hij joeg het dier van het nest af. Tot zijn vreugde lag er een ei! Lilipal en de sergeant waren niet in de buurt en hij besloot om het meteen op te eten. Hij brak het boven zijn mond open en goot de inhoud gulzig in zijn mond. Net toen hij het wilde doorslikken voelde hij iets vreemds. Die kip had al enige tijd gebroed en het ontstane embryo bleef steken in zijn keel. Half kotsend spuwde hij het kuikentje in spé uit.

Maar de honger heerste en had zelfs de angst voor de Japanners verdrongen. "Nergens iets te eten", zei Den Doodt toen ze hun weg vervolgden.

Zo tegen twaalf uur besloten om langs een beek even uit te rusten. Lilipal en de sergeant vlijden zich op de grond. Anton liep de beek langs. Hij kwam enthousiast terug gerend. "Een bajonet. Snel."

Hij prikte deze op zijn karabijn en ging weer rennend terug. Even later kwam hij met een spartelende Gurami op zijn bajonet terug. Van wat takken en bladeren maakt hij een vuurtje en roosterde daar de enigszins schoongemaakte karper op. Zijn kompanen twijfelden en bedankten uiteindelijk voor de eer. "Het lijkt me geen Gurami Semur. We wachten wel tot we in Bandung zijn!"

Aan de rand van de stad kwamen ze een stel Sudanezen tegen. Zij wisten te vertellen dat er overal Japanners zaten maar de meeste in de buurt van de stad. De situatie was niet echt duidelijk. Zaten de Japanners nu wel of niet in de stad ?

Ze kwamen langs het RK militair tehuis. Het zag er vredig uit en ze besloten naar binnen te gaan. Ze werden hartelijk ontvangen en kregen een bordje nasi goreng om die vreselijke honger te stillen. Anton en Lilipal namen afscheid van Den Doodt en gingen samen verder op weg. Op de Prahaweg ontmoette zij eindelijk militairen van hun compagnie. Ze hoorden dat er veel geruchten waren over de aanwezigheid van de Japanners maar niemand kon het bevestigen. Ze zouden reeds in hotel Homann bezig zijn om dit als hoofdkwartier in te richten maar niemand wist het zeker. Er waren tot zover nog geen gevechten geweest in Bandung. Vol nog van vragen arriveerde Anton in de kazerne waar ze tijdelijk waren gelegerd. Hij moest zich eerst melden bij de commandant die redelijk ongeïnteresseerd zijn stamgegevens controleerde en afvinkte. Vervolgens ging Anton naar de slaapzaal waar hij tot zijn blijheid Smits aantrof. 


Smits vroeg aan de soldaat naast hem of hij een bed op wilde schuiven. Anton plofte neer op de vrijgekomen plek. Ze keken elkaar aan maar zeiden niets. "Ik ga eerst maar slapen", zei Anton, "Moe."

De volgende ochtend schrok hij wakker en ging rechtop het bed zitten. Zijn blonde vriend zat ontspannen in het bed een krant te lezen. "Hoe laat is het ? Heb ik het reveille gemist?" 

Smits keek achter zijn krant vandaan. "Doe rustig aan. Geen reveille. We gaan nergens heen. We gaan niets doen." 

Anton wreef de slaap uit zijn ogen. "Hoe laat is het en welke dag ?"

"Het is acht uur en het is donderdag 5 maart. Moet je horen: 

'De regering heeft de toestand wel in de hand. Het Koninklijk Nederlands Indisch Leger vecht kranig en met succes. Onze strijdende mannen verdienen dat een sterk en eensgezind burgerfront achter hen staat'."

Dat is toch goed nieuws, niet ?" Anton proefde de cynische ondertoon. "Van wanneer is die krant ?"

"Niet eens zo oud. Van gisteren."

Anton ging weer liggen en zag de advertentie van de film 'Flirting with Fate' met Joe E. Brown. "Hij heeft dezelfde lach als jij", schertste hij. Smits draaide de krant om en keek naar de advertentie. Net voordat hij wilde antwoorden kwam Anton met de vraag "Waar waren jullie ineens?"


Hij sloeg de krant dicht. Vouwde hem netjes op. "Krant is van de commandant. Laten we kijken of er iets te eten is ..." De blonde jongeling verliet zijn bed en pas toen viel het Anton op dat er iets aan de hand was. Smits liep mank. De keuken was dicht. Ze besloten op de binnenplaats op een bankje even bij te praten. "Toen de Japanners kwamen namen we stelling in de greppel. Sergeant Rolvink had aangegeven dat wanneer hij begon met schieten wij hem moesten volgen. Ik zag hem echter wit wegtrekken toen hij de overmacht aan Japanners zag. Zowel wat betreft manschappen als materieel. Hij liet zijn wapen zakken en maakt zich zo klein mogelijk in de greppel. Hij gaf ons het bevel hetzelfde te doen. Daar hadden we geen moeite mee. De colonne passeerde ons dus zonder slag of stoot. De Japanners waren ook niet op zoek. Ze weken niet van de route af. Toen Rolvink zeker wist dat ze op voldoende afstand waren stond hij op en worstelde hij duidelijk met de situatie."

"Overwoog hij nog om ze van achter aan te vallen?" vroeg Anton.

"Nee dat denk ik niet. Hij had het plan om te proberen eerder dan de Japanners terug bij Ciater te zijn om ze daar dan met de andere troepen op te wachten. Hij zei tegen een kleine Ambonees dat hij jou moest gaan zoeken en dat jullie dan ook naar Ciater moesten gaan."  Anton knikte. "Vreemd daar heeft Lilipal het niet over gehad. Ik kwam hem ook maar heel toevallig tegen."

Smits vervolgde zijn verhaal. Ciater lag zwaar onder vuur. Vliegtuigen vlogen aan en af en dus besloot de sergeant dat ze verder terug zouden gaan. Naar Lembang. 

"Ik heb nog wat spullen liggen in Ciater", merkte Anton tussendoor op, "die zal ik wel niet meer terug zien." 

"Personal stuff?" vroeg Smits. 

"Hm. Niets van waarde, denk ik. Ik weet het niet eens. Besef nu dat ik eigenlijk niet echt iets bezit. Ben al zo lang onderweg van de ene plek naar de de andere." Hij deed een greep in zijn broekzak. "Een Aas, met Mae West. Mijn belangrijkste bezit!" Hij hield de kaart triomfantelijk omhoog. "Ik weet eigenlijk niet eens waar ik naar op weg ben. Waar ik naar op zoek ben."

"Tja, wie wel ?"

Enorme ontploffingen volgden op de elkaar. "Andir", ze zijn Andir aan het bombarderen. bezig met de voorbereidingen voor de aanval op Bandung. Ze staan voor de deur van Ciater en Purwakarta.

"Dus er zijn nog helemaal geen Japanners in Bandung", merkte Anton op, "misschien kunnen we vanmiddag de stad in?"

"Forget it. Alle verloven zijn ingetrokken. Het is zeer onduidelijk wat nu de plannen zijn. Ik weet ook niet of ze aan de rand van de stad al een stelling aan het opzetten zijn. Heel weinig informatie."

Ze wandelden terug naar de slaapzaal. 

"Er is vanavond een soort entertainment met eten en een bandje à la het Kilima Trio."

Anton ging er naar toe en het was een gezellige en drukke avond ondanks het naderende onheil. Maar op dat moment was alles vergeten en de halfvolle maan gaf de avond toch iets feeërieks. Anton genoot van zijn soep met rijst, een soort Soto Bandung, en zag steeds meer kompanen: Bartens, Sanders. Hij miste alleen de sergeant.

"Rolvink?" vroeg James hem. "Die is omgekomen in Ciater. Bij een bombardement."

Anton besefte nu de werkelijkheid nog duidelijker. Plots veerde hij op. Hij zag iemand op het toneel iets bespreken met de gitarist van het bandje dat hen had getrakteerd op een mengeling van Jazz en Hawaiiaanse muziek. Ook de Ukele ontbrak niet.

Hij keek nog eens goed en wandelde behoedzaam in de richting van het podium. Hij wachtte tot die persoon weer plaatsnam tussen zijn vrienden. Hij had het hoogste woord. Anton ging achter hem staan en riep ineens met harde en donkere stem "Hé Sieberichs, je staat onder arrest!"

De man draaide zich verschrikt om maar al snel verscheen de karakteristieke lach op het gezicht van Theo. Voor het eerst had de kleine caplak de grote laten schrikken. Ze omhelsden elkaar niet maar schudden elkaar de hand en gaven een harde klap op eenieders rug. "Ga zitten", zei Theo, "Je hebt vast veel te vertellen."


https://www.youtube.com/watch?v=a6gcG3t-RI4


Theo was wel naar de bruiloft van Guusje en Paul gegaan. Hij had op Anton gewacht op het station maar kon de trein niet missen. Hij wist ook niet waarom Anton niet was komen opdagen maar was er toen wel boos over. Het was een mooie bruiloft en Guusje zag er prachtig uit in een witte jurk met een verfijnde sleep. Hij had inderdaad Elvira ontmoet maar zei Theo "Dat is nog een kind!".

Anton moest lachen en vertelde waarom het hem niet gelukt was om er bij te zijn.

 

 Hotel Homann

 

 

Nederlanders gevangen door de Japanners

 

De krijgsgevangenen die werden gemaakt op de verschillende plaatsen in de Archipel werden, na te zijn ontwapend, verzameld in kazernes en andere etablissementen voor zover de Japanners deze zelf niet nodig hadden. Voor een belangrijk deel lagen deze kampementen in Bandung en in het ten westen van deze stad gelegen Cimahi. Ook elders werden kleine groepen krijgsgevangenen bijeengebracht.

 

Al spoedig begonnen de Japanners de krijgsgevangenen te concentreren teneinde ze buiten de Archipel en zelfs naar Japan te brengen. Hun behandeling was in de beginperiode niet slecht. Wel was er sprake van excessen, zoals openlijke vernederingen, een gedragslijn die geheel paste bij de Japanse doeleinden. Vernietiging van aanzien en invloed van de westerling en vernedering in de ogen van de inheemse bevolking. In die periode werden de gevangenen in de kampen in hoofdzaak aan hun lot overgelaten en was contact met de buitenwereld geoorloofd. Zo rond de herfst van 1942 werden de kampen gesloten voor de buitenwereld en werden ze voller en de situatie werd slechter.

De militairen van Surakarta werden weer bij elkaar gebracht in de 15e bataljon kazerne te Bandung.

Op een dag moesten zij zich naast de kazerne bij het luchtdoelartillerie verzamelen. Er stonden reeds drie militairen, twee Hollanders en een Indische jongen en natuurlijke de Japanse bewakers. De aanwezigen hoorden dat zij gepoogd hadden de Japanse bewakers te overmeesteren omdat zij gehoord hadden dat de Amerikanen geland waren. Dit bleek een gerucht te zijn. De Japanse commandant vroeg of ze nog wat te zeggen hadden en de 2 Hollanders riepen

“Leve de koningin!”

 

De  Indische jongen spuwde de Japanse officier in zijn gezicht. Daarop werden zij alle drie met de bajonet doodgestoken.


En daar hadden jullie geen krant?' vroeg Guusje waar ze beiden hartelijk om moesten lachen 

 

 
Kamp Tjikoedapateuh in Bandung                                  Afgetuigde krijgsgevangene in het kamp

 

Terug        Verder 
 
 
Comments