Deze site doorzoeken

Inhoud

Bezoek ook

13. Surakarta-Bandung, Nederlands-Indië 1942


Surakarta, Centraal-Java

 

Op 1 januari 1942 werd hij overgeplaatst naar Surakarta (Solo) waar hij zijn broer Theo weer ontmoetteen deze begroette hem met

“O, kleine mof ben jij hier terecht gekomen.”


Tien dagen later ging het spel al beginnen.
Japanse troepen landden op 11 januaribij het oliecentrum Tarakan 
 op Borneo en bij Menado en Kema op Celebes (Sulawesi). In hoog tempo versloegen zij alle Nederlandse strijdkrachten. Op 30 en 31 januari 1942 landden de Japanners op Ambon en namen het snel in. Op 27 en 28 februari 1942 versloegen de Japanners een Amerikaans, Brits, Australisch en Nederlands vlooteskader onder de schout-bij-nacht Karel Doorman in de Slag in de Javazee.
Nu was Java aan de beurt.

Anton kreeg hier een antitank opleiding en werd bewapend met een karabijn, klewang, 2 antitank landmijnen, één liter benzine of kerosine, een koevoet en een roldeken. De koevoet diende om de rupsbanden van de tank los te wrikken, de deken om de wielen vast te laten lopen, de benzine of kerosine om in het rooster van de motor te gieten voor ontbranding.

Theo zag hij niet vaak aangezien deze zo’n vijf kilometer verder was gelegerd in een gevorderde school. Eenmaal nam zijn oudere broer hem te pakken toen ze bij Theo hadden afgesproken. Anton liep op een smalle brug toen plotseling werd geroepen:

“Wie is daar ? Wat is het wachtwoord ?”

 

Anton schrok zich rot en stond stil op de brug. Plotseling stond lachend zijn broer voor hem. Hij vervloekte hem en lachend gingen ze naar de kazerne waar Anton moest blijven slapen in verband met de avondklok. 


Op een dag moest hij op wacht staan en kreeg hij de opdracht alle verdachte personen aan te houden en met name goed te letten op hun uitspraak omdat de Japanner de letter L niet goed kan uitspreken. Toevalligerwijs zou op die dag  de Regimentscommandant de troepen en de kazerne komen inspecteren. Om 14.00 uur kwamen de kolonel (Scholten) en zijn compagniecommandant aan en deze konden Anton zonder problemen passeren. Daarop zei de kolonel

“Waarom houd jij mij niet aan”

 

Anton antwoordde daarop

“U ziet er helemaal niet verdacht uit en bovendien is mijn compagniecommandant uw geleide!”

 

Hij zei daarop

“Jij gaat vandaag nog op rapport!”

 

‘s Middag meldde Anton zich dus bij zijn commandant.

“Ik moet je straffen namens de kolonel. 4 dagen streng arrest.”

 

Anton was stomverbaasd en ging op 27 januari de cel in. Het was een eenzame opsluiting in een cel onder de grond. Een klein luikje bevond zich net boven de grond en diende tevens als pispaal. Door dit arrest liep Anton het huwelijk van zijn zusje met Paul Schubert mis.

Op de tweede dag kreeg hij bezoek van de dokter en aalmoezenier en hij vertelde hem dat hij in hoger beroep wilde gaan. Deze zou er werk van gaan maken maar door de oorlogssituatie hoorde hij hier nooit meer iets van.

 

Op 1 maart 1942 ging de compagnie naar Bandung. Het echte werk ging beginnen. De aanval op Java was begonnen.

Tijdens de rit naar het front ontvingen ze veel flessen met jenever en ze dachten dat dit een gulle gift was van het leger. Pas later hoorden zij dat ze dit hadden gekregen van de Vijfde Colonne. Via de Lembang weg kwamen ze aan bij de Villa Isola, het huwelijksgeschenk van prinses Juliana en prins Bernhard. Hier was het hoofdkwartier van de officieren gelegerd.

 

Villa Isola, Bandung

 

’s Avonds werden de stellingen ingenomen te Ciater, zo'n 30 kilometer boven Bandung. De compagniecommandant had verzekerd dat de Japanners zo’n 50 kilometer verder zouden zitten bij Cheribon.


Tijdens de eerste patrouilletocht echter vielen de eerste beschietingen al plaats.

Verderop ontmoetten ze een bataljon uit Semarang en daar zag Anton de eerste doden en gewonden. Van een volgend bataljon uit Magelang hoorden ze dat er zo’n kilometer voor hen zich Japanse sluipmoordenaars bevonden. De groep zocht dekking in een greppel en aan het einde van de weg zagen zij mensen van de ene straatkant naar de andere straatkant oversteken. Men hield het hart vast maar uiteindelijk bleken het bladeren te zijn van de pisangboom die door de wind en het maanlicht deze voorstelling gaven.


De volgende dag was het rustig. Men dronk van de jenever en men had plaatsgenomen in een Kinaonderneming. Anton kreeg toen de opdracht van sergeant Rolvink om een éénmansput te graven om zich daar ’s avonds in te verstoppen zodat hij vervolgens twee landmijnen tegen de Japanse tanks kon leggen. Om 22.00 uur kroop Anton in zijn gat. Het lukte hem niet om de landmijnen te leggen omdat de grindweg veel te hard was om een gat te graven. Tezamen met zijn lotgenoten, die zo’n 5 à 10 meter van hem vandaan in zo’n zelfde soort putje zaten wachtte Anton de dingen af.

 

De volgende ochtend om 06.00 uur hoorde men eindelijk de motoren van tanks. In de lucht verschenen bovendien een aantal vliegtuigen dat het mitrailleurvuur opende en bommen afwierp vlak bij Anton en zijn vrienden. Plotseling doken 5 tanks op, gevolgd door infanteristen. Doordat de mitrailleurs van de tanks opgesteld waren boven de koepel kenden ze praktisch geen dode hoek. Anton stond in de schuttersput met knikkende knieën van angst en ging zitten op de bodem met zijn karabijn naar boven gericht.

“Ik zal schieten zodra ik een Japanse kop zie”, dacht hij bij zichzelf.

 

Na zo’n tien minuten, maar op zo’n moment verliest men de zicht op tijd, stond hij weer op en gluurde hij voorzichtig rond. Hij zag niemand en begon zachtjes te roepen naar zijn vrienden. Toen daar geen reactie opvolgde riep hij wat harder maar ook daar kwam geen reactie op. Hij kroop uit het gat maar kon niemand vinden. Iedereen was gevlucht! Hij besloot toen zijn uitrusting maar achter te laten met uitzondering van zijn karabijn, bajonet en munitie. Na één kilometer ontmoette hij eindelijk een collega. Het was de Ambonese soldaat eerste klas en hoornblazer Lilipal. Toen Anton vroeg waar de anderen waren, kreeg hij als antwoord

“Weg zijn ze” 

 

Ze vervolgden samen hun weg en op de top van berg Tangkoeban Prahoe zagen ze in de verte een luchtgevecht tussen een Engels en twee Japanse vliegtuigen. Het Engelse vliegtuig droop af.

 

Tangkoeban Prahoe

 

Ze sliepen op de berg in de open lucht. De volgende ochtend arriveerde een lotgenoot op de berg, sergeant Den Doodt.

Met z’n drieen zetten zij de tocht voort en kwamen ze in een klein verlaten dorpje. Ondertussen vergingen ze van de honger en de vreugde was groot toen Anton een kip op haar nest zag zitten. Hij pakte een eitje brak het en goot de inhoud gulzig in zijn mond. Tot zijn afgrijzen bleek het een bebroed ei te zijn. Hij spuwde het uit en gaf over. De honger bleef knagen en Anton kwam bij een vijver. Bij toeval vond hij ook nog een soort van net en met veel pijn en moeite slaagde hij erin een goerami (soort karper) te vangen. Hij maakte de vis schoon en roosterde hem. De sergeant en de hoornblazer bedankten voor de eer.

 

Het drietal liep richting Bandung en kwamen op een gegeven moment Sudanezen tegen. Zij wisten te vertellen dat er overal Japanners zaten maar de meesten in de buurt van de stad.  Daar aangekomen waren ze echter nog geen Japanner tegengekomen. Volgens een aantal Europese vrouwen zaten ze meer in het centrum en met name in het hotel Homann.

 

 Hotel Homann

 

Als teken van overgave sloeg het drietal een witte doek om de hals. Anton verliet de andere twee en nam een ontbijt in een soort militair tehuis.

Hierna ging hij weer verder op pad nog steeds met een witte handdoek om zijn hals. Op de Prahaweg ontmoette hij eindelijk militairen van zijn eigen bataljon en meldde hij zich bij zijn commandant.

 

Java capituleerde op 8 maart 1942. De oorlog was voor Anton als militair net begonnen en alweer beëindigd.

 

Nederlanders gevangen door de Japanners

 

De krijgsgevangenen die werden gemaakt op de verschillende plaatsen in de Archipel werden, na te zijn ontwapend, verzameld in kazernes en andere etablissementen voor zover de Japanners deze zelf niet nodig hadden. Voor een belangrijk deel lagen deze kampementen in Bandung en in het ten westen van deze stad gelegen Cimahi. Ook elders werden kleine groepen krijgsgevangenen bijeengebracht.

 

Al spoedig begonnen de Japanners de krijgsgevangenen te concentreren teneinde ze buiten de Archipel en zelfs naar Japan te brengen. Hun behandeling was in de beginperiode niet slecht. Wel was er sprake van excessen, zoals openlijke vernederingen, een gedragslijn die geheel paste bij de Japanse doeleinden. Vernietiging van aanzien en invloed van de westerling en vernedering in de ogen van de inheemse bevolking. In die periode werden de gevangenen in de kampen in hoofdzaak aan hun lot overgelaten en was contact met de buitenwereld geoorloofd. Zo rond de herfst van 1942 werden de kampen gesloten voor de buitenwereld en werden ze voller en de situatie werd slechter.

De militairen van Surakarta werden weer bij elkaar gebracht in de 15e bataljon kazerne te Bandung.

Op een dag moesten zij zich naast de kazerne bij het luchtdoelartillerie verzamelen. Er stonden reeds drie militairen, twee Hollanders en een Indische jongen en natuurlijke de Japanse bewakers. De aanwezigen hoorden dat zij gepoogd hadden de Japanse bewakers te overmeesteren omdat zij gehoord hadden dat de Amerikanen geland waren. Dit bleek een gerucht te zijn. De Japanse commandant vroeg of ze nog wat te zeggen hadden en de 2 Hollanders riepen

“Leve de koningin!”

 

De  Indische jongen spuwde de Japanse officier in zijn gezicht. Daarop werden zij alle drie met de bajonet doodgestoken.

 

 
Kamp Tjikoedapateuh in Bandung                                  Afgetuigde krijgsgevangene in het kamp

 

Terug        Verder 
 
 
Comments