Het Bos‎ > ‎

Woeste Gronden


Van Markegrond naar Landgoed
Het bos op de Biesterije is aangelegd in de periode tussen 1900 en 1950. Niet toevallig was dat ook de periode waarin een groot deel van het Nederlandse bos is geplant, voornamelijk op heidegronden (in de polders is nog steeds vrij weinig bos te vinden).

Op het eerste oog is dit vreemd: de behoefte aan hout was immers in Nederland al decennia heel groot. Bovendien groeide de bevolking, wat impliceert dat er meer landbouwgrond nodig was. De overheid had zich dan ook al sinds de Franse tijd ingespannen om de heidegronden in productiegrond om te zetten.
Maar tot circa 1890 hadden al deze inspanningen nog weinig effect. Ondanks maar liefst drie wetten (1809, 1847 en 1886) weigerden de boeren het oude gebruik (schapen uitweiden) te staken. Toen het bos dan uiteindelijk wel werd geplant, was dit het gevolg van twee introducties die niets met bos te maken hebben, namelijk goedkope Australische wol en bovenal: kunstmest.

Marken
In 1886 was nog altijd een belangrijk deel van het Nederlands heideland niet in eigendom van particulieren of organisaties of de staat, maar in collectief eigendom van boeren of van de nabijgelegen stad. De boeren teelden hun gewassen op particuliere grond (vaak gepacht van een ander), maar hun vee lieten ze grazen op grote onomheinde gebieden, meestal heide. Dat gebied heette de ‘marke'.
Dit systeem kwam vooral voor op de arme zandgronden in het oosten van het land, waaronder ook Rijssen. Op dat moment bestond er nog geen kunstmest en waren boeren voor de vruchtbaarheid van hun land afhankelijk van de mest van hun vee en van plaggen die ze uit de heide afstaken. De marken waren een winningsgebied.

Situatie in Rijssen
Kadastergegevens uit 1863 tonen dat de heidegronden ten zuiden van Rijssen bijna allemaal toebehoorden aan de stad Rijssen. (Zie afbeelding)
Geen marke dus, maar publieke grond. Het huidige wakelveldje was eigendom van ene Hendrik ten Berge, landbouwer. Het zuidelijkste deel van ons huidige terrein behoorde toe aan de “markte van Elsen”. Elsen was en is een buurtschap ten zuiden van Rijssen, even boven Markelo.

Markenwet 1847
De markenwet van 1847 splitste de eigendom van de marken formeel over de inwonende boeren, maar er werd weinig gebruik gemaakt van het recht om dat eigendom af te zonderen. Elke boer had er meer baat bij om zijn vee op het gehele terrein te laten grazen. In 1886, toen een tweede Markenwet werd aangenomen, was in Nederland nog steeds 36.000 hectare (1% van het landoppervlak) onderdeel van een marke.
Hoe het precies is gegaan met de gemeenschappelijke gronden die in eigendom van de gemeenten waren, is onduidelijk. De Markenwet was ook op deze gronden van toepassing: de “gerechtigde inwoners” van deze gronden konden verdelen opeisen. Niettemin is de meeste heidegrond die in 1836 van de stad Rijssen was, tot op de dag van vandaag in handen van de gemeente, nu als bos.
Enkele stukken, waaronder deze sectie bos en een aantal kleinere percelen, zijn nu in handen van particulieren, maar dit zou ook door gewone verkoop kunnen zijn ontstaan.

Kunstmest
Ook de tweede Markenwet leidde aanvankelijk tot weinig opsplitsingen - totdat enkele jaren later de kunstmest zijn intrede deed. Eerst guano, gemijnd op eilanden in de Stille Oceaan, daarna industriële kunstmest naar Duits proces, zorgde ervoor dat boeren hun bouwland vruchtbaar konden houden zonder hun vee uit te weiden op de heides en zonder plaggen te steken.
In een periode van enkele jaren hadden de heidegronden in eigendom van marken en gemeenten voorgoed hun economische waarde als graas-gebied verloren. Dit is het startschot voor het ontstaan van de Nederlandse bossen. Een bijrol wordt nog gespeeld door Australische wol, die in deze periode massaal op de Europese markt kwam en daarmee het Nederlandse schaap uit de markt prijsde.






Afbeelding: samenvoeging van kadastrale kaarten uit 1863.
 Het gebied tussen Rijssen (boven), Enter (rechts) en Markelo (onder) is heidegrond.





Schaalvergroting
Het duurde niet lang voordat ondernemers, waaronder een andere voorvader van de huidige generatie beheerders -A.J. Blijdenstein- met plannen kwamen om de heidegrond op grote schaal te ontginnen. Hij was door aankoop van woeste gronden grootgrondbezitter en experimenteerde er op serieuze schaal mee. Hij was dan ook betrokken bij de oprichting en bestuurslid/voorzitter van een speciale Heidemaatschappij (Heidemij) in1888 die zich hierin ging specialiseren. In de eerste tien jaar van haar bestaan legde de Heidemij bijna 2000 hectare bos aan.

Tragedie van de marken

In het Engelse taalgebied kent men de uitdrukking “the tragedy of the commons”, die verwijst naar het feit dat de marken (commons) werden uitgeput omdat de deelnemende boeren meer belang hadden hun eigen land te verrijken dan om de gezamenlijke marke in in goede staat te houden. Dat was ook in Nederland het geval: veel heidegebieden balanceerden voortdurend op de rand van zandverstuiving.
De marken waren vooral Koning Willem I, die Nederland wilde moderniseren, een doorn in het oog (bron). Hij wilde dat de marken werden verdeeld onder de eigenaren, zodat dezen de grond konden kopen en verkopen en moderniseren. In 1847, een jaar voordat hij Thorbeckes grondwet accepteerde en de macht bij het parlement kwam te liggen, nam hij de eerste Markewet aan, die het verdelen mogelijk maakte.
[Willems Franse voorganger Lodewijk Napoleon had in 1809 overigens al een dergelijke wet aangenomen, die echter kennelijk niet meer geldig was na het vertrek van de Fransen.]