Pedagogiek in verscheidenheid – Publicaties van Daan Thoomes

Gedichtenkeuze

bijgewerkt op 25 september 2016


DE KINDEREN ZITTEN door hun gebedje in de wereldregering.

Okke Jager (1928-1992).


Uit: Beeldenstorm. Aforismen van Okke Jager. Verzameld door Pieterjan de Buck.

Baarn, Ten Have, 1993, p. 55.

(oorspronkelijk uit: Uw wil geschiede, Baarn, 1957, p. 167).

● ● ●


Voor: In de Waagschaal, tijdschrift voor theologie, cultuur en politiek:


De tuin


Hier rijpt de tijd in schaduwing van muren

Onder de kruinen van zeer oude bomen.

Doet de ommuurde stilte niet het rode

Vlammen der najaarsbladen eeuwig duren?


Want deze tuin is als een herfstig klooster,

Waar alle driften in de stilte stranden

En zacht ontgloeien tot zij niets meer dan de

Vurige teeknen zijn des Allerhoogsten.


Muus Jacobse.


Uit: Muus Jacobse (Klaas Hanzen Heeroma), Het oneindige verlangen. Gekozen en ingeleid door Ad den Besten. Nijkerk, Callenbach, 1982, p. 41).

Oorspronkelijk in: Programma, Maastricht 1932 en uit De drie kooien en andere gedichten, Kampen, 1946.

Afgedrukt in: In de Waagschaal, tijdschrift voor theologie, cultuur en politiek, jrg. 36, nr. 15,

3 november 2007, p. 25.





Verkondiging


Een engel kwam en heeft het aangezegd:

Hoor nu het einde van uw eenzaamheden.

De lege wanhoop die gij hebt doorleden

Heeft God verhoord, eer ze was uitgezegd.


Hij heeft het woord gesproken, dat zijn recht

Reikt dieper dan uw ongerechtigheden.

Hij is de hoge hemel uitgetreden

En heeft zich aan uw voeten neergelegd.


Hoor, ’t lied dat in de hemelen begon

Doet Hij, in de oren wellend als een bron,

Aan zijn beminden in de slaap ervaren.


Sta van uw dromen op en heb geen vrees,

Want Hij is vlees geworden van uw vlees.

Hij zal zich aan uw ogen openbaren.


Muus Jacobse.


Uit: Muus Jacobse, Het oneindige verlangen. Gedichten en liederen. Gekozen en ingeleid door Ad den Besten. Nijkerk, Callenbach, 1982 (oorspronkelijk uit: Het huisgezin, Kampen, 1959).

Afgedrukt in: In de Waagschaal, tijdschrift voor theologie, cultuur en politiek, jrg. 39, nr. 16, 20 november 2010, p. 30.



● ● ●



Voor: Lessen, periodiek van het Nationaal Onderwijsmuseum en de Vereniging van Vrienden:



DE OUDE LERAAR


Ik heb mijn oude leraar

Op zijn sterfbed nog beloofd

Dat ik zou gaan studeren

Want ik had zo’n helder hoofd

Dat was heel goed gezien van hem

Hij zei nog met een gebroken stem:

Cornelia, Cornelia

Jij wordt nog neurologe

Dat was het laatste wat hij zei

En toen sloot hij zijn ogen

En tot op heden

Voel ik nog de wroeging en de spijt

Cornelia ging nimmer naar de universiteit



Ik werd geen neurologe, psychologe

Fysiologe, dermatologe, reumatologe

En wat er verder wezen moge

Ik werd geen dokter, ingenieur

Geen titel, rang of graad

Ik had chirurge kunnen zijn

Maar nou is het te laat

Ik heb het niet gehaald

Jammerlijk gefaald


Wat heb ik veel gemist

O wat heb ik veel gemist

Ik dacht dat ik iets worden zou

Wat heb ik me vergist

Het is zo snel voorbijgegaan

Mijn leven is verkwist

O, wat heb ik allemaal gemist


Er was nog zoveel anders

Waar ik aanleg voor bezat

Het schrijven van romans

Waar ik zoveel talent voor had

Ik had beroemder kunnen zijn

Dan Mulisch of dan Reve

Wanneer ik al mijn schokkende

Verhalen had geschreven

Ook dat is fout gegaan

Want ik heb het niet gedaan

Ik had toch zoveel gaven

Maar ik heb ze niet gebruikt

Ze liggen diep begraven

En zijn nimmer meer ontluikt…


Er zijn van die momenten

Dan denk ik toch zo vaak:

Ik heb zoveel talenten

Die liggen allemaal braak

Eén van die talenten die ik ongetwijfeld had:

Muziekrecensente bij het Handelsblad


Ik was zo goed in gymnastiek

En ik kon zo hard lopen

Dus lag er in de atletiek

Een wereld voor me open

Hoe zou het zijn geweest

Wanneer ik daartoe had besloten…

Ze hadden me

Met mannelijke hormonen volgespoten

Wanneer ik vlot

Het kampioenschap hordelopen won

Olympisch goud, maar met een snor

En met een bariton


Wat heb ik veel gemist

O wat heb ik veel gemist

Ik wilde zoveel dingen

Maar het noodlot heeft beslist

Dat ik hier nu alleen sta

Met deze malle pianist

Maar dat had ik toch niet graag gemist


Annie M.G. Schmidt


Uit: Annie M.G. Schmidt, Zeur niet! Onder redactie van Henk van Gelder. Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 2007, p. 589-591.

Afgedrukt in: Lessen 1, 4de jrg., maart 2009.





EERST’


Ergens buiten spelen kinderen:

dat komt omdat zij het nog weten

wat hun is ingefluisterd op een vroege dag.

Ze sliepen nog en in de verte hoorde je de eerste tram.

‘Zodra je kijkt, ben je verloren.

Zolang de dingen naar jou zien,

treed j’in hun binnenst vuur en diepste steen.

Verwonder je, m’n liefje, en laat de dagen spreken.

Zing er omheen en vraag altijd om meer:

‘en toen?’ ‘en wat nog meer?’ ‘het is toch nog niet uit?’

Vouw je handen open naar de regen

en vraag of die je groter maken wil.

En als je ’s avonds thuiskomt, beloof je aan je goeie

ouders,

dat heel de wereld goed zal worden als jij groter bent’.


M.J. Langeveld


Uit: M.J. Langeveld, Altijd na terugkeer. Nijkerk, 1981, Callenbach, p. 9.

Afgedrukt in: Lessen 2, 4de jrg., juni 2009.





Het kind en ik


Ik zou een dag uit vissen,

ik voelde mij moedeloos.

Ik maakte tussen de lissen

met de hand een wak in het kroos.


Er steeg licht op van beneden

uit de zwarte spiegelgrond.

Ik zag een tuin onbetreden

en een kind dat daar stond.


Het stond aan zijn schrijftafel

te schrijven op een lei.

Het woord onder de griffel

herkende ik, was van mij.


Maar toen heeft het geschreven,

zonder haast en zonder schroom,

al wat ik van mijn leven

nog ooit te schrijven droom.


En telkens als ik even

knikte dat ik het wist,

liet hij het water beven

en het werd uitgewist.


Martinus Nijhoff (1894-1953)


Uit: M. Nijhoff, Verzamelde Gedichten. Tekstverzorging W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn. Amsterdam, Prometheus / Bert Bakker, 1995, p. 222

(oorspronkelijk uit: Nieuwe Gedichten. Amsterdam, Querido, 1934)

Afgedrukt in: Lessen 3, 4de jrg., september 2009.





Paedagoochum


‘Zo lang je maar niet snurkt,

kun je rustig slapen’

sprak de leraar wrang

tot twee heel suffe knapen.

‘U hebt gelijk, meneer’

sprak toen de oudste rakker,

‘door dat gesnurk van ons

wordt heel de klas soms wakker.’


John O’Mill


Robert-Henk Zuidinga, Hier ligt Poot ………. p. 165 (beide gedichten).

(oorspronkelijk: John O’Mill (ps. Van J. van der Meulen), Lyrical Laria, Laren, Andries Blitz, 1956).

Afgedrukt in: Lessen 4, 4de jrg., december 2009.





De oude leraar


Als hij zijn laatst ‘begrijp je?’ heeft gezegd,

Laat hij zijn oog langs onze hoofden dwalen

En zit als een van ons in het lokaal en

Ieder probleem schijnt helder en beslecht.


Dan wordt het stiller en gaat hij oprecht

De dromen van zijn eigen jeugd verhalen,

En wordt zó een met onze idealen

Als met een som die hij heeft uitgelegd.


Tot één vraagt – en wij allen schrikken even -:

‘Waarom bent u er dan niet bijgebleven?’

Dan komt er afstand, en hij glimlacht stil

Een verre glimlach, of hij zeggen wil:

‘Ach, dat juist kan ik je niet doen begrijpen,

Omdat je daarvoor groeien moet en rijpen.’


Muus Jacobse (ps. voor K.H. Heeroma).


Uit: Muus Jacobse, Het oneindige verlangen. Gedichten en liederen. Gekozen en ingeleid door Ad den Besten. Nijkerk, Callenbach, 1982 , resp. p. 71 en p. 77. (oorspronkelijk uit: Het bescheiden deel, Nijkerk, 1941).

Afgedrukt in: Lessen 1, 5de jrg., maart 2010.





IK ALS KIND


Toen ik een kind was,

Toen ik op school zat in een bos van banken

En las over houthakkers op een zaterdagmorgen,

Dacht ik dat leven het land in

Zoiets was als luisteren naar een koekoeksklok.

Nu denk ik het nog.


Guillaume van der Graft, 1957


Uit: Van der Graft, Mythologisch. Gedichten, oud, nieuw en herzien.

Baarn, 1997, De Prom, p. 235.

Afgedrukt in: Lessen 3, 5de jrg., september 2010.





Kinderen die leren lezen


kinderen die leren lezen

zitten in lokalen

uit te rusten van

onrustige verhalen


er hangt een stilte

zoals tussen auto’s

op parkeerterreinen

en tussen bomen


en juf beklimt

het podium

met wit papier


kinderen die leren lezen

hangen letters te drogen

aan de wanden

van de klas


in de winter steekt

juf de kaarsen aan

en kinderen die leren lezen

mogen zingen


en ze beschilderen papier

met de lievelingskleuren

van hun lievelingsdier


kinderen die leren lezen

denken aan de slaap

van de komende nacht


Kees ’t Hart (1944)


Uit: De allerliefste en allermooiste. Gedichten over geboorte en kinderen.

Rainbow Essentials. Amsterdam, Muntinga, 2005, pp. 74-75.

(oorspronkelijk uit: Kinderen die leren lezen, Querido, 1998).

Afgedrukt in: Lessen 2, 5de jrg., juni 2010.





Kinderspel


Kinderen spelen met onzichtbare dingen.

Zij gaan met minder dan een schaduw om.

Wat voor ons stom is heeft voor hen geluid.

Waar wij niets zien zien zij de mooiste ogen.


Adriaan Morriën


Uit: Adriaan Morriën (1954). Vriendschap voor een boom. Amsterdam, De Bezige Bij, p. 60.

Afgedrukt in: Lessen, 6de jrg., nr. 2, december 2011.





Natuurkunde


‘o, denkt men er zo over!’

zei het jongetje

dat de wet van newton gelezen had


en hij steeg als een leeuwerik

in de dampige najaarshemel

en geen sterveling op aarde

heeft hem ooit nog teruggezien


Cees Buddingh’


Uit: C. Buddingh’ (1963), Zo is het dan ook nog weer eens een keer. Utrecht, A.W. Bruna & Zoon, 36.

Afgedrukt in: Lessen , 7de jrg., nr. 2, december 2012.



● ● ●



Voor het artikel: D.Th. Thoomes, Het (school) kinderleven in de poëzie van Rilke.

In: De School Anno, jrg. 17, nr. 3, 1999, pp. 20-23.

Fulltext: http://igitur-archive.library.uu.nl/fss/2012-0917-200438/UUindex.html




Kinderjaren


Op school verloopt de tijd in angst met lang wachten

met louter domme dingen.

O eenzaamheid, o zware tijd om door te komen ....

En dan naar buiten: de straten fonkelen en klinken

en op de pleinen springen de fonteinen

en in de tuinen wordt de wereld zo wijd -,

en daar doorheen lopen in kleine kleren

heel anders dan de anderen lopen en liepen

O wonderlijke tijd, o tijdsverloop, o eenzaamheid.


En in dat alles ver naar buiten kijken

mannen en vrouwen; mannen, mannen, vrouwen

en kinderen die anders zijn en kleurig;

en daar een huis en af en toe een hond

en stil terugschrikken afgewisseld met vertrouwen-:

O droefheid zonder zin, o droom, o schrikbeeld,

o peilloze diepte.


En om zo te spelen: bal en ring en hoepel

in een tuin, die zwak verbleekt,

en af en toe de volwassenen lichtjes aanraken

blind en wild tijdens het krijgertje spelen

maar tegen de avond stil met kleine stijve passen naar huis lopen,

stevig aan de hand -:

o steeds maar wijkend begrijpen

o angst, o last.


En urenlang aan de grote grijze vijver geknield te zitten

met een kleine zeilboot

weer te vergeten, omdat er nog andere, eendere en mooiere zeilen door de

golfjes trekken

en te moeten denken aan het kleine bleke gezicht

dat lijkt weg te zinken in de vijver

O kinderjaren, met al die verdwijnende dingen

Waarheen? Waarheen?



Je moet het leven niet willen begrijpen


Je moet het leven niet willen begrijpen,

dan zal het worden als een feest.

Laat elke dag je overkomen

als een kind dat voortgaat

en door iedere windstoot

zich vele bloesems laat schenken


Om die bloesem op te rapen en te verzamelen,

dat komt bij een kind helemaal niet op.

Het (kind) maakt ze voorzichtig los uit de haren

waarin ze zo graag gevangen waren,

en steekt de lieve jonge jaren

zijn handen toe.



Kindertijd


Het zou goed zijn om veel na te denken, om

iets onder woorden te kunnen brengen van wat zó verloren is gegaan,

van die lange middagen tijdens de kindertijd,

die nooit meer op die manier terugkwamen - en waarom?


We worden er nog wel eens aan herinnerd-: misschien wel tijdens een regenbui,

maar we weten niet meer wat het betekent;

nooit meer was het leven zo vol van ontmoeten,

van weerzien en verder gaan


net als toen, toen ons niets anders overkwam als slechts

wat een ding of een dier overkomt:

toen leefden we op een volwassen wijze zoals zij

en werden geleidelijk boordevol betekenis.


En raakten zo vereenzaamd als een herder

en met zulke grote afstanden overladen

en als van verre geroepen en aangeraakt

en langzaam als in een lange nieuwe draad

opgenomen in die volgorde van beelden,

waar het ons nu in verwarring brengt om daarin voortdurend te zijn.


Rainer Maria Rilke (Praag, 1875 – Montreux, 1926)


(eigen vertaling)


Literatuur:

Rilke, R.M. (1999). Lyrik und Prosa. Herausgegeben und mit einem Nachwort von D. Lamping. Düsseldorf/Zürich: Artemis und Winkler Verlag (Lizenzausgabe Wissenschaftliche Buchgesellschaft, Darmstadt, 1999)

Sutter, F. (Hrsg.) (1997). Die schönsten Gedichte von Rainer Maria Rilke. Zürich: Diogenes



● ● ●



Voor het artikel: D.Th. Thoomes, Poëzie over, voor en van schoolkinderen.

In: Lessen, 6de jrg. Nr. 2, december 2011, pp. 14-16.

http://igitur-archive.library.uu.nl/fss/2012-0214-200359/UUindex.html



Rainer Maria Rilke schrijft bijvoorbeeld in een terugblik over zijn ‘Kindheit’:


‘Op school verloopt de tijd in angst met lang wachten

met louter domme dingen

O eenzaamheid, o zware tijd om door te komen

En dan naar buiten: de straten fonkelen en klinken

en op de pleinen springen de fonteinen

en in de tuinen wordt de wereld zo wijd

en daardoor heen lopen in kleine kleren

heel anders dan de anderen lopen en liepen

O wonderlijke tijd, o tijdsverloop, o eenzaamheid …..’i


Muus Jacobse dichtte in algemene bewoordingen over ‘Het kind’:

‘Ons is geen toekomst en geen keus gelaten:

Wij moeten voort, verward en hulpeloos

In een cultuur van films en radio’s

En, soms, wat over het verleden praten.

Niemand ontkomt er aan –

alleen het kind is nog hetzelfde als voor duizend jaren:

Nieuw en verwonderd ligt het rond te staren

Alsof de wereld pas vandaag begint ……’ii


Guillaume van der Graft verwerkte een schoolherinnering in wat meer concrete termen:

Op een zwart schoolbord krast een stem van krijt

resurrexit, het staat wit van verwijt

En dan, dat klinkt zo mogelijk nog witter

sicut dixit. Ik proef het. Het smaakt bitter,

Niet iedereen haalt dat er uit, maar ik

heb hem herkend, de oude kinderschrik,

hij is een echte christelijke frik.’ iii


Gerard den Brabander, ten slotte, maakt korte metten met ons zoete kindbeeld:

Het lieve kind bestaat slechts op een plaatje

Het lieve kind lispelt bedeesd: “Papaatje ..”

Mijn dochter slaat me in ’t gezicht: “Pak an!”

Het lieve leven zélf ontroert en schaadt je.’iv



Het kinderblad Kris Kras

Naast de verhaaltjes van Winnie de Poeh en veel versjes van Annie M.G. Schmidt verschijnen in het blad Kris Kras (1954-1966) ook veel bijdragen die aan het criterium van leeftijdloosheid beantwoorden. Het doel ervan was het Nederlandse kind een artistiek en pedagogisch verantwoord blad te geven. Hier vinden we onvergetelijke versjes en verhaaltjes van Jean Dulieu , Leonard Roggeveen en Rudy Steyn die dicht aansloten bij de stijl van Annie M.G. Schmidt zoals in het gedicht: ‘April doet wat hij wil’:


Een mannetje genaamd april

Riep: Ik doe lekker wat ik wil

En ik wil me liever niet vervelen

Dus hup maar, wat kan mij het schelen

Vlug kocht hij een paar paarse schoenen …..’v


Kris Kras was bedoeld om thuis te lezen, tegelijkertijd verschenen er op de schoolborden steeds vaker versjes van Annie M.G. Schmidt, zoals ‘Dikkertje Dap’ en ‘Ik heb een tante en een oom, die wonen in een eikenboom’. Zij, maar ook andere auteurs als Mies Bouhuys, Jan Peeters, Han Hoekstra, Ankie Peypers en Ed. Hoornik schreven kindergedichtjes die heel geschikt waren om voor te lezen of om samen met de kinderen te lezen. Een voorbeeld daarvan is ‘Het vogeltje’ van Guillaume van der Graft:

Vogeltje Renée moet opstaan

vogeltje Renée moet opstaan uit haar nest

Of ze hoog springt of laag springt

of ze gaat op haar kop staan

ze moet uit haar nest net als de rest …..’ vi


Gedichten van kinderen

Sommige scholen beginnen in de jaren zeventig te experimenteren met ‘poëzielessen’. Dat deed bijvoorbeeld, Carla Dura in 1991 op de Montessorischool in Bilthoven.vii De veronderstelling daarbij is, dat wanneer kinderen bij poëzie betrokken raken, ze zelf tot initiatieven zullen komen. Zij gaan zelfstandig poëzie kiezen en lezen en ontdekken wat ze mooi vinden. Aan de kinderen van de bovenbouw werd als eerste opdracht gegeven: ‘Vuurwerk. Een hoogmoedige vuurpijl, ijdel en zelfverzekerd, is ervan overtuigd dat hij bij het afschieten de allermooiste is van allemaal. Helaas gaat hij op het beslissende ogenblik niet af …’viii De opdracht was bedoeld als een eerste oefening in het verwoorden van gedachten en gevoelens. Eva Levison (11 jaar) maakte het volgende gedicht ‘Vuurwerk’:


Ik vuurwerk, o zo klein

ik zal eens de grootste zijn

Ik geef een grote knal

ik word een hele grote vuurbal

Maar ach, toen met nieuwjaar

ik was helemaal klaar

Ik dacht: nu word ik afgestoken

maar ik lag daar

alleen maar te roken

Ik de grootste van al

was nu een kleine uilebal.’ix


i Thoomes, D.Th. (1999). Het (school)kinderleven in de poëzie van Rilke. In: De School Anno, jrg. 17, nr. 3, pp. 20-23.

ii Jacobse, Muus (ps. van K.H. Heeroma) (1982), Het oneindige verlangen. Gedichten en liederen. Gekozen en ingeleid door Ad den Besten. Nijkerk: Callenbach.

iii Graft, G. van der (1997). Mythologisch. Gedichten, oud, nieuw en herzien. Baarn: De Prom.

iv Brabander, Gerard den (ps. van J.G. Jofriet) (1984). Verzamelde verzen. Amsterdam: Van Oorschot.

v Steyn, R. (1959). April doet wat hij wil. Kris Kras, 6 (1), p. 11.

vi Rood - wit – blauw. Bloemlezing Kindergedichten (1957). Verzameld door Mies Bouhuys. Amsterdam: Duwaer & Zonen, p. 8.

vii Pimpelpaarse pissebed. (1992). Gedichten van kinderen. Verzameld en ingeleid door Carla Dura. Amsterdam: De Beuk, Stichting voor literaire publikaties.

viii Ibid, p. 9.

ix Ibid, p. 15.


Fulltext: http://igitur-archive.library.uu.nl/fss/2012-0214-200359/UUindex.html

Herbst Herfst
   
Die Blätter fallen, fallen wie von weit,  De bladeren vallen als komen ze uit de verte,
als welkten in den Himmeln ferne Gärten;  alsof er verre tuinen in de hemelen verwelkten;
sie fallen mit verneinender Gebärde.  ze komen neer met afwijzende gebaren.
   
Und in den Nächten fällt die schwere Erde  En ’s nachts valt de zware aarde
aus allen Sternen in die Einsamkeit.  uit alle sterren in de eenzaamheid.
  
Wir alle fallen. Diese Hand da fällt.  Wij vallen allemaal. Zo zal deze hand vallen.
Und sieh dir andre an: es ist in allen.  En kijk naar de anderen: het gebeurt bij iedereen.
  
Und doch ist Einer, welcher dieses Fallen  En toch is er Éen, die dit vallen
unendlich sanft in seinen Händen hält.  oneindig zacht in zijn handen houdt.

 Rainer Maria Rilke (11.09.1902).

 

Bij de herinneringsdienst van dr. J.G. Thoomes, 24.11.1909 – 14.3.2004.


                                          

Comments