DEUREN NAAR HET LICHT Alle 150 psalmen Voor de titel verwijs ik naar ps. 119 =========================
ps.1:2 Gelukkig de mens die vreugde vindt in de woorden van de Heer, ze steeds weer overdenkt, overdag en 's nachts.
1.SLEUTELWOORD
Een mens hoopt dikwijls op het blind geluk, zodat hij niet staat onder hoge druk; als het niet komt, dan gaat hij naarstig zoeken in hoeken, gaten en in studieboeken; zijn levensstijl wordt een warrig gewoel, want hij begeert voorspoed als levensdoel.
Totdat hij woorden van de Oorsprong hoort of leest in heilig boek een sleutelwoord, dat vergezichten zal gaan openleggen dan wil hij weten wat God hem wil zeggen en zal hij voortaan in gedachtengang gelukkig zijn het hele leven lang. ps.2:7 en 8 De koning zegt: 'Luister naar het besluit van de Heer. Dit zijn zijn woorden: Jij bent mijn zoon, vanaf heden ben ik je vader. Vraag mij wat je wilt; ik geeft je heel de aarde in handen, ik stel alle volken onder je beheer...'
2.LIEVELINGSWERK
De Bron vertelt het nieuwgeboren kind dat in de schepping veel bollen bewegen en een ervan komt onder het bewind van die afstammeling die is genegen om die planeet vorstelijk te besturen en waar hij altijd graag mee samenleeft. 'Vraag in het nu; daar zijn mijn creaturen, waarvoor de zon het licht zacht heeft gezeefd.'
Dat kind gaf daarop antwoord aan zijn Bron 'In 't eeuwig heden hou ik steeds in handen en koester heel de wereld in de zon, zal haar hoop geven op veilige stranden. waar zij bewaard is, zeker en geborgen; dit is voortdurend mijn lievelingswerk; ik zet elk mensenkind vandaag of morgen in 't paradijs dat kent noch paal noch perk.'
ps. 3:5 en 6 Wanneer ik de Heer om hulp roep, antwoordt hij mij vanaf zijn heilige berg. Ik ben gaan slapen en ben weer ontwaakt: de Heer heeft mij onder zijn hoede.
3.LIJFWACHT
Steeds werd ik mij gewaar van een groot doodsgevaar in al mijn levensdagen. Dan zat ik in de knel, mijn leven werd een hel, ik zag veel hinderlagen, voelde mij ongedekt en was niet opgewekt in mijn onzekerheden. Ik ben vooral bedacht op onraad dat mij wacht en ben zo moegestreden.
Nadat ik om hulp riep bij Hem die alles schiep heb ik antwoord gekregen. Of ik nu slaap of waak, in moeilijkheid geraak, Hij redt mij allerwegen. Al ben ik machteloos of slaap ik als een roos, er staan engelenscharen, lijfwachten om mij heen; zo ben ik nooit alleen, want God zal mij bewaren.
ps. 4:2 en 4 God, antwoord mij als ik roep. U doet mij recht, u geeft mij weer ruimte als ik in het nauw zit. Heb medelijden met mij, luister naar mijn bidden.
Weet dit wel: De Heer doet wonderen voor wie hem trouw zijn; hij luistert als ik hem roep.
4. ERVAREN WACHTER
Meermalen heb ik ondervonden dat U mij woord voor woord verstaat, als mijn gebed werd opgezonden, omdat benauwdheden ontstonden. Sta mij weer bij met raad en daad; nu ben ik in het nauw gedreven. 'k Wacht stil op U tot U mij redt. U kunt een mens de ruimte geven en laten zien Uw medeleven. U bent nabij, hoor mijn gebed.
ps. 5:12 en 13 Verheugen zullen zich allen die schuilen bij U, aan hun gejuich komt geen einde, omdat u hen beschermt. Wie u beminnen, uw naam in ere houden, zullen u toejuichen. Heer, u zegent wie zich richt naar u, liefdevol beschermt u hem, als een schild.
5. BESCHERMD WONEN
In Uw woning ben ik verscholen, beschut tegen de wereldsmart. gekoesterd aan Uw moederhart. Nu hoor ik na langdurig dolen klank van violen.
Want ieder is bij U geborgen, juicht levenslustiog en dolblij in flonkerende feestkledij; het is oneindig hedenmorgen; geen tijd voor zorgen.
ps. 6:8 Jullie die mij kwaad willen doen, verdwijn uit mijn ogen! Want de Heer hoort mij als ik huil, de Heer luistert als ik smeek, de Heer wijst mij niet af.
6. TROOSTRIJKE GEDACHTE
Ach, laat mij toch betijen; ik moet zo bitter schreien en heb veel zielsverdriet; omhoog hef ik de armen, God wil zich steeds erbarmen, want hij vergeet mij niet.
Zij die hun vuisten ballen tegen mij: zij vergallen mijn leven dag en nacht.
Verdwijn toch uit mijn ogen! God zal mijn tranen drogen en hoort mijn jammerklacht.
ps. 7:2 Heer, mijn God, bij u zoek ik bescherming, bevrijd mij van mijn achtervolgers. Red mijn leven.
7. VLUCHTHAVEN
Tot aan mijn lippen komt het water want ik moet vluchten voor mijn hater; mijn leven is in doodsgevaar, O God, mijn trouwe Luisteraar, wil mij verlossen en bevrijden en wil mij naar een uitweg leiden; ik weet dat U mij gadeslaat: Help mij toch weer, mijn Toeverlaat.
ps. 8:2 en 3 Heer, onze Heer, hoe groot is uw naam overal op aarde! U die aan de hemel uw luister spreidt, voor u is de stem van kinderen, van de allerkleinmsten, het bolwerk waarmee u vijanden stuit, het wapen waarmee u hen doet zwijgen, aan wraakzucht een einde maakt.
8. OPVLIEGEN EN KALMEREN
Almachtige, Uw aanzien op de aarde kan elk mens zien, omdat U openbaarde de hemelboog met sterren in hun baan die immer voor ons hebben klaargestaan.
De woedeaanval van hen die U haten loopt vast op peuterstemmen die zacht praten; dat is Uw bolwerk waarop de drift koelt, zodat de vijandschap wordt weggespoeld.
ps. 9:8-11 Maar de Heer is voor altijd koning, onwankelbaar is zijn troon, alleen hij is rechter. Hij bestuurt de wereld rechtvaardig, hij velt over de volken een eerlijk vonnis. Voor onderdrukten is hij een burcht, een burcht in tijden van nood. Heer, wie u zijn toegedaan, kunnen op u rekenen; wie bij u hun toevlucht zoeken, laat u niet in de steek.
9. LOSRAKEN
Beklemd door kluiten, moedeloos, voel ik mij als een struik, zo broos, omdat mijn vogelvrienden vluchten, zoekend naar zuidelijke vruchten.
Wat ik nu van mijn vrienden leer in deze nood maar al te zeer: dat zij niet van de last bevrijden een plant, beklemd aan alle zijden.
Ik leer God kennen in die nood; Hij is toevlucht die storm gebood om mij te slaan met hagelstenen: zo is mijn zielsverdriet verdwenen.
ps. 10:14 Want u bent niet blind, u ziet alle ellende, elk verdriet. Weerlozen en wezen rekenen op u, u reikt hun de hand, alleen u helpt hen!
10. NOODHULP
Men kijkt niet naar een wees met tranenbrood of naar een schaap dat weerloos ligt geveld maar overweegt: daarmee wordt winst vergroot want zwijggeld moet hiervoor niet neergeteld en wie komt er tot bijstand toegesneld? God zal voortdurend elk verdriet aanschouwen; een weerloze kan op zijn hulp vertrouwen.
ps. 11:1 Voor de voorzanger. Uit de bundel van David. Bij de Heer ben ik veilig. Hoe kunnen jullie dan zeggen: 'Vlucht, vlucht naar de bergen, als een vogel!
11. ONRAAD
Men raadt mij aan om nu de vlucht te nemen, om weg te vliegen naar een bergterrein; het dreigend onheil geeft heel veel problemen. Moet ik gaan wonen vlak bij een ravijn? Ben ik een vogel zonder denkvermogen? Mijn God wil altijd met mij samen zijn; bewaart me als de appel van zijn ogen.
ps. 12:7 Op wat de Heer zegt, kun je aan. Zijn woorden zijn zuiver als zilver, als zilver in de oven gelouterd, tot zevenmaal toe.
12. BETROUWBAAR WOORD
De mensen spreken dikwijls loze woorden die men later anders heeft opgevat; hun woorden dansen op de slappe koorden en draaien als een populierenblad.
Maar Gods woord klinkt als klare zilverklanken, waar je op aan kunt, dat je houvast geeft, zoals de wijnstok vasthecht aan de ranken; 't als een burcht die je geheel omgeeft.
ps. 13:2, 3 en 6 Hoelang nog Heer, zult u mij vergeten? Hoelang nog houdt u zich voor mij verborgen? Hoelang moet ik naar een uitweg zoeken met de angst in mijn hart, dag in dag uit? Hoelang nog zullen mijn vijanden sterker zijn? Op uw liefde vertrouw ik, Heer. Ik juich van vreugde, want u brengt redding. Over u zal ik zingen, want u bent goed voor mij.
13. VERGEET-ME-NIET
Ik zal, o God, te zijner tijd van U gaan zingen, begeleid door zanglijsters en nachtegalen; dan kan ik weer ruim ademhalen; Uw trouw is vanzelfsprekendheid.
Maar nu heb ik een angstig hart ben zeer bevreesd, zie alles zwart hoelang bent U mij al vergeten,
hoort U dan niet mijn hartekreten? Dag in dag uit ben ik benard.
ps. 14:4-6 De Heer zegt: 'Missen zij dan elk inzicht? Ze doen anderen kwaad, mergelen mijn volk uit, ze eten het als brood; van mij trekken ze zich niets aan.'
Ineens worden zij door angst overvallen, want God komt de goeden te hulp. Jullie, slechte mensen, jullie ontnemen de armen alle hoop, maar de Heer is hun toevlucht.
14. ZANGHULDE
De uitbuiters missen toch elk verstand; zij dompelen de mensen in ellende; het is een plunderende roversbende hun heerschappij houdt tegenspoed in stand in groepsverband.
Opeens worden die afpersers erg bang, als zij zien dat Gold helpt met groot erbarmen de verdrukten, miskenden en de armen, die daarom aanheffen een jubelzang hun leven lang.
ps. 15: 4b en 5 Een mens die zijn beloften nakomt, al is het in zijn nadeel, die geld uitleent en geen rente vraagt; iemand die zich niet laat omkopen, niet getuigt tegen onschuldige mensen. Wie zo leeft, kan niets overkomen.
15. GOEDE TROUW
Zo menig mens wil een present voor leugens tegen argelozen of men vraagt rustig tien procent van uitstaand geld als rendement aan vriend, zonder blikken of blozen.
Als je dat achterwege laat en je alsmaar hebt voorgenomen dat je een hartsvriend niet verraadt en niet uit bent op eigenbaat, dan zal je nooit iets overkomen.
ps. 16:11 U wijst mij de weg naar het leven; in uw aanwezigheid ben ik blij; in uw nabijheid ben ik gelukkig, voor altijd.
16. DE WEGWIJZER
Vaak weet je niet de weg die je moet gaan als je op 't kruispunt staat van vele wegen waar wegwijzers aangeven: neem die baan
al weet je niet: wat kom je daar straks tegen; misschien wel moeite, mist en grote zorgen, wat houdt die weg morgen voor mij verborgen?
Maar als ik inkeer, diep in mijn gemoed zie ik glashelder de weg naar het leven die God mij wijst, een pad vol zonnegloed, want d'Eeuwige is met mijn ziel verweven. Ik krijg voortdurend uithoudingsvermogen, ben altijd vreugdevol en opgetogen.
ps. 17:7 en 8 Laat zien hoe trouw u bent, u bevrijdt toch wie bij u bescherming zoekt. Bewaar mij als uw liefste bezit, verberg mij onder uw veilge vleugels.
17. VLUCHTHEUVEL
Al was ik vogelvrij verklaard, laat medemensen toch aanschouwen: Ik ben gered door godsvertrouwen. Wie God bewaart is welbewaard! Al lijkt de aard' een mallemolen, ik ben voortdurend best beschermd; God heeft zich over mij ontfermd, mij onder vleugels goed verscholen.
ps. 18:5-7 en 17 De dood had mij in zijn greep, zware golven stortten over mij heen. Van alle kanten dreigde de dood, ik raakte verstrikt in zijn netten. In mijn benardheid riep ik de Heer, ik schreeuwde mijn God om hulp. In zijn paleis hoorde hij mij, mijn hulpgeroep drong tot hem door. ... Uit de hemel reikte hij mij de hand, hij greep mij vast en trok mij uit het kolkende water.
18. HANDREIKING
De dood kwam op mij af van alle kanten alsof ik werd verward in slingerplanten die zich vastklampten aan mijn zwakke romp, mij grepen, zodat ik van spierpijn kromp; ik slaakte in mijn doodsangst luide kreten en zag de hemel middendoor gepleten: God reikte mij de hand en greep mij vast; ik leefde op. Hij heeft nooit misgetast.
ps 19:2-5 De hemel getuigt van Gods grootheid, het gewelf verkondigt wat hij heeft gemaakt. De ene dag geeft het door aan de andere, de ene nacht maakt het aan de volgende bekend. Het is een taal zonder woorden, geluiden hoort men niet. Toch gaat hun stem uit over heel de aarde, dringt hun taal tot de uithoeken door.
19. LESBOEK
Er is één wereldtaal, een mooi vervolgverhaal, een oertaal zonder grens; haar taalboek van formaat dat aan de hemel staat geeft les aan dier en mens; zij maakt aldoor bekend dat in het firmament klinken Gods slotakkoorden; zij geven harmonie, eeuwige energie, maar 't is taal zonder woorden.
ps. 20:8 Sommigen vertrouwen op strijdwagens, anderen op paarden, maar wij beroepen ons op de Heer, onze God.
20. VERZOEK AAN DE ALMACHTIGE
Laat ons toch man en paard gaan noemen: de oorlog is verklaard door oorlogstuig dat wil verbloemen hun daad die steeds ontaardt in misdaad om jachtbuit te krijgen met wapens, paardekrachten waarbij zij elk leven bedreigen, doof zijn voor jamnmerklachten.
Zij kunnen het toch niet verzwijgen; wat hen nu zorgen baart is dat zij daardoor slechts verkrijgen: de wagen voor het paard. Wij bouwen niet op macht van troepen in heel ons mensenleven gaan wij ons steeds op God beroepen: Hij zal ons alles geven.
ps. 21:5 [Heer, de koning ...] Leven vroeg hij van u en u hebt het hem gegeven, leven tot in lengte van dagen.
21. VORSTELIJK GEBED
Het volk zong bij het kroningsfeest: 'Lang leven onze koning!' Zij kregen een beloning. Maar ik was erg bevreesd geweest: Wat is mijn levensduur, dacht ik in 't avonduur.
De Hemelvorst hoorde mijn vraag: 'Wil mij toch steeds omgeven; laat mij lang blijven leven.' De kroon die ik vandaag nog draag leg ik nog lang niet neer. Daarvoor mijn dank, o Heer.
ps. 22:28-30a Laat iedereen dit ter harte nemen, laat heel de wereld terugkeren naar de Heer. Alle volken moet zich voor hem buigen. Want de Heer is koning, hij heerst over alle volken. Allen zullen aan het feestmaal deelnemen en zich voor hem neerbuigen, armen maar ook rijken.
22. FEESTELIJKE VOLKSVERHUIZING
Rijk en ook arm zullen straks binnen zijn; ze praten dan niet over mijn en dijn; geen enkel mens wordt in Gods kroondomein buitengesloten. Een feestzaal ligt daarginds, zonovergoten, want God richt aan zijn feestmaal voor de volken, wil met muziek zijn grote vreugd vertolken, erg aangedaan.
Wij zullen saam ons buigen vol ontzag voor d'Eeuwige, op die hemelvaartsdag, want wij voelen ons als bij toverslag door God verheven. Dat feest gaat door, een lied wordt aangeheven door ieder mens door planten en de dieren die samen leven, dansen en gaan zwieren: Gods hartewens!
ps. 23:1-4 Een psalm uit de bundel van David. De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken. Hij brengt mij naar groene weiden, laat me rusten aan het water. Hij geeft mij kracht en leidt me langs veilige paden, zoals Hij beloofd heeft. Al ga ik door een diepdonker dal, ik hoef geen gevaar te duchten, want u, Heer, bent bij me, uw staf en uw stok beschermen mij.
23. GROEPSREIS
Ik hoor de herder die zijn lied laat schallen wanneer wij samenlopen met z'n allen; dat deuntje geeft mij rust op al mijn wegen waarop wij dicht opeen in zon en regen met heel de kudde zoeken naar de grassen achter de herder aan met snelle passen.
Soms moet je door donkere dalen trekken voordat je groene weiden gaat ontdekken; de herder leidt mij langs veilige paden en zorgt ervoor dat geen ding mij kan scahden; alléén hoef ik nooit uit het dal te komen: de kuddegeest heeft mij steeds meegenomen.
ps. 24:1 Van de Heer is de aarde en al wat er leeft; van hem is de wereld en al zijn bewoners.
24. DE GRONDVESTER
Hij die zijn grondgebied beziet weet: van de wind leven kan niet; hij wil op den duur stil gaan leven; nu is het dat hij zaait en maait, 't komt zo niet bij hem aangewaaid; bezitsdrang heeft hem aangedreven.
Een landloper loopt daar ook rond; hij heeft geen stukje eigen grond, hij werd uit zijn bezit gestoten door heel hebzuchtig oorlogstuig dat aanhief een groot feestgejuich en in de lach schoot, aangeschoten.
Verdreven, zo van huis en haard of met vermogen, noemenswaard, de mens wordt rechtgeaard en schoner, als hij weet, dat na Genesis het eigendomsrecht van Hem is, de wereld en elke bewoner.
ps. 25:4 en 5 Heer, wijs mij de weg, leg mij uit hoe ik moet gaan, wees mijn trouwe gids. Want u, God, bent mijn behoud, op u vestig ik mijn hoop elke dag van mijn leven.
25. ARM IN ARM
Wat zal er vandaag gebeuren? Wie wijst mij de juiste weg? Valt daar onraad te bespeuren? Weet ik daar wel heg of steg? Elke dag ligt in de schoot van de toekomst diep verborgen; ja, reeds bij het morghenrood zit een mensenhoofd vol zorgen.
Ik wil mij oriënteren want ik kan niet blijven staan, gevaren moet ik trotseren om het juiste pad te gaan; alleen ga ik liever niet wie zal het gebied bekijken, die eenvoudig overziet hoe gevaren te ontwijken.
Wat kan ik dan beter vragen: 'Geef mij toch een arm, o God, wil mijn gids zijn alle dagen, dat verlicht mijn levenslot; op U vestig ik mijn hoop, alleen U kunt mij behouden; als ik met U samen loop, durf ik door inktzwarte wouden.'
ps. 26:2 en 3 Heer, beproef mij, keur mij, toets mijn diepste roerselen. Uw liefde houd ik steeds voor ogen; overtuigd van uw trouw, ga ik door het leven.
26. HET LIEFDERIJK
Omdat U liefde bent, is Uw macht ongekend en kunt U alles, grote God; U bent mijn zelfvertrouwen, op Uw woord kan ik bouwen, Uw spreken geeft luistergenot.
Omdat U liefde bent, bent U mij toegewend, bent U altijd met mij bevriend; Uw liefde wil ik loven, die vlam zal nimmer doven, U schenkt Uw warmte onverdiend.
Omdat U liefde bent, zie ik op elk moment voor ogen Uw trouwhartigheid; zo kom ik allerwegen, Vertrouwensman, U tegen en leef tot in oneindigheid.
ps. 27:13 In dit leven nog zal ik ervaren hoe goed de Heer is. Wat zou ik moeten beginnen als ik daaraan twijfelde.
27. ROTSVAST VERTROUWEN
Als ik alsmaar mijn schouders op zou halen, besluiteloos meedraaide met de wind, dan kon ik nooit mijn keuze goed bepalen en was ik iemand die niet goed begint; ik zou voortdurend op de tweesprong staan, beleefde niets en veel zou mij ontgaan, schoorvoetend zou ik onbedreven zijn, in 't leven staan zonder een levenslijn.
Maar ik heb in mijn leven vaak ervaren, dat soms de dagen goed zijn, dan weer kwaad; ik wist ook vast dat God mij zou bewaren, omdat Hij evenbeelden nooit verlaat; onwankelbaar begreep ik het voorgoed, dat God goedhartig is, weldaden doet, Hij is de mensen eeuwig welgezind en is beschermer van elk mensenkind.
ps. 28:9 Bevrijd uw volk, Heer, en maak het welvarend; leid hen als een herder, draag zorg voor hen, voor altijd.
28. SCHAPEN IN HET TRANENDAL
Krachten die ons tot zwijgen brengen, zien niet de tranen die wij plengen, horen niet de stille gebeden die wij opzenden hier beneden tot de Bevrijder van 't heelal, die ons brengt naar zijn fgestival.
Wil ons toch als Uw kudde weiden, ons van de zware lasten bevrijden die drukt op elk wereldlijk wezen; geef heerlijkheid spoedig na dezen en Uw koninkrijk en Uw kracht: Uw schepsels zijn dan thuisgebracht.
ps. 29:8 en 9 De stem van de Heer doet de steppe beven, beven doet de Heer de steppe van Kades. De stem van de Heer doet de hinden kalven en brengt de geiten tot werpen. In zijn paleis brengt iedereen hem eer.
29.ONHOORBAAR LEVEN MAKEN
Wij zien dat de steppe beeft, dat de geit zijn jongen heeft, dat het gras verdort en wuift en het droge zand verstuift; naar de zee kunnen we turen of naar vreemde vogels gluren; men kan duizendvoud ontwaren wat God ons wil openbaren.
Maar wie hoort de hoge stem van 't hemels Jeruzalem? Wie kan het geluid verstaan dat van God is uitgegaan? Die stem laat kalven de hinden bij de berken of de linden brengt de geiten aan het werpen op de hoogten of de terpen.
ps. 30: 12 en 13 [ ... Wat wint u als ik afdaal in het graf. Luister toch Heer, heb medelijden met mij ...] Heer, U hebt mij geholpen: ik treur niet meer, ik kan weer dansen van vreugde; feestkleren heb ik aangetrokken, mijn rouwkleed afgelegd. Zingen zal ik voor u, ik kan niet meer zwijgen; u zal ik danken steeds weer, Heer, mijn God.
30. LEVENSLIED
Het leek het einde van het lied, ik voelde loodzwaar zielsverdriet, mijn toestand was behoorlijk slecht, het rouwkleed was al klaargelegd; zieltogend lag ik zacht te zuchten, mijn kern was op het punt van vluchten.
Van de grafkuil ben ik gered; daarom zend ik een dankgebed tot U, o God, die hemelhoog een engel zond die naar mij vloog, zodat ik niet meer hoef te treuren, maar spreken kan van groots gebeuren.
Ik zwijg niet meer, een lied ontstaat zowel in drie- als vierkwartsmaat; mijn nieuwe feestkleed trek ik aan, in mijn oog komt een vreugdetraan als levensteken: ik ga dansen, want u geeft ongekende kansen.
ps. 31:10 en 11 Heer, heb medelijden met mij, want ik zit in nood. Mijn ogen staan dof van verdriet, mijn ziel lijdt pijn, mijn lichaam lijdt pijn. Zorgen putten mij uit, ik ben moe van het zuch- ten. Mijn krachten begeven het, mijn gestel is ondermijnd. Het is mijn eigen schuld.
31.MOEGESLAGEN HART
Mijn ogen staan dof van ellende, ik ben haast weggekwijnd, 't gestel is ondermijnd, gezondheid is een onbekende, mijn ziel en lichaam lijden of zwaarden mij doorsnijden.
Waarheen zal ik wenden of keren mijn moegeslagen hart dat altijd wacht met smart op dagen die ik kan waarderen, op dagen zonder klagen, die ik goed kan verdragen.
O God, kom toch mijn pijn verlichten, mijn last is levensgroot, ik kom in ademnood; geef mij weer blijde vergezichten, tot U hef ik mijn ogen, heb met mij mededogen.
ps. 32:3-5 Eerst verzweeg ik mijn zonden, ik bezweek eronder ik kon de hele dag wel schreeuwn. Heer, dag en nacht zette u mij onder druk, ik voelde me lusteloos als in de hitte van de zomer. Toen kwam ik openlijk uit voor wat ik misdaan had, ik hield het niet langer verborgen; u, Heer, heb ik mijn schuld bekend en u hebt al mijn zonden vergeven.
32. BINNENPRAAT
Bij mensen had ik al iets losgelaten waarover ik toch liever niet wou praten; kort daarop echter wezen zij mij na, verweten mij en 'k werd een paria; nooit zal er iets over mijn lippen komen van dwalingen, heb ik mij voorgenomen en voor mijn lippen zet ik nu een wacht; waaraan ik uiting geef, is weldoordacht.
Zo ingekeerd verzweeg ik al mijn zonden waardoor enorme spanningen ontstonden en ik wel schreeuwen kon de hele dag, vertoonde ook een lusteloos gedrag als in drukkende hitte van de zomer; mijn passen werden dag in dag uit lomer; de meeste tijd ja zweeg ik als het graf en meer en meer zonderde ik mij af.
Omdat ik van verdriet niet meer wil brullen, wil ik mijn fouten niet langer verhullen; het hoge woord dat moet er nou maar uit, volmondig spreek ik zonder stemgeluid, maar U, o God, kunt mijn gemompel horen, U gaat vergeven, vergeten; plompverloren laat U verdwijnen dat wat mij benauwt, 'k Ben opgelucht: U geeft mij lijfsbehoud.
ps. 33:5-9 De Heer heeft recht en gerechtigheid lief, de hele wereld bewijst hoe goed hij is. Op zijn bevel is de hemel ontstaan, door zijn woord de sterren. Het water van de zee damde hij in, de oceanen sloeg hij op in bekkens. Heel de aarde moet voor hem beven, al haar bewoners moeten voor hem ontzag hebben. Want één enkel woord van hem en hemel en aarde waren er; slechts één bevel en ze stonden vast.
33. IN ÉÉN WOORD
Meer dan eens moet d'aarde beven, met bevend hart toont zij ontzag voor God die hoog staat aangeschreven, want zijn stem riep haar eerste dag; woorden werden daden, zij ging zonnebaden met haar bladerkroon; tussen hemellichten zag zij vergezichten, ontzagwekkend schoon.
God heeft heel het heelal geroepen, onze wordingsgeschiedenis; met één woord riep hij sterrengroepen, stralend vóór mensenheugenis: woorden werden oorden waarop dagen gloorden; mensen, sla toch acht op de hoge sferen, wil uw Schepper eren, zingt hem dag en nacht.
ps. 34:7 en 8 Ik was er ellendig aan toe, ik riep de Heer te hulp en hij luisterde naar mij, verloste mij van al wat mij kwelde. Als je ontzag hebt voor de Heer waakt zijn engel over je, staat je bij en bevrijdt je.
34. NOG NADER
Nog nader dan een buur en dan een hulpvaardige vriend is iemand die jou altijd dient, een helderziend figuur; een wachtster van het licht met wakend oog, niet wereldvreemd, die jou onder haar vleugels neemt, snel als een bliksemschicht.
Een menswaardig bestaan, is wat zij aan je geven wil; zij staat je bij en werkt windstil is met je meegegaan, omdat je eerbied toont voor de Maker van het eng'lenkoor, zal die geleidegeest aldoor je helpen waar je woont.
ps. 35:11-18 Mensen die het geweld niet schuwen, getuigen tegen mij; ze beschuldigen mij van dingen waarvan ik geen weet heb. Ze vergelden mij goed met kwaad, ik sta helemaal alleen. Wat deed ik toen zij ziek waren? Ik trok een boetekleed aan, ik vastte streng en bad vurig tot God als gold het een vriend, een broer! Ik ging in het zwart en hield het hoofd gebogen, als rouwde ik om mijn eigen moeder. Maar wat doen zij nu ik niet meer verder kan? Ze lopen tegen mij te hoop, vol leedvermaak! Zelfs onbekenden slaan op mij los, ze zijn niet te stuiten. Ze staan om mij heen, spottend en grijnzend. Heer, hoelang blijft u nog toekijken? Bescherm mij tegen hun felle aanvallen, spaar mijn leven, bevrijd mij van die leeuwen. Dan zal ik u danken en eren, wanneer uw volk in groten getale bijeenkomt.
35. NIET GODSONMOGELIJK
Aleen de hemel die het wist, dat ik bad voor hen die bij twist in hun land het geweld niet schuwen, zodat landgenoten verruwen; zij waren toen enorm beroerd, daardoor werd ik hevig ontroerd. Men loopt nu tegen mij te hoop, vandaar dat ik hen niet ontloop.
Ze dreigen mij vol leedvermaak, zodat ik in paniek geraak; van angst kan ik geen lid verroeren nu die kwelgeesten naar mij loeren., O God, haal mij er toch doorheen ik kan niet meer en sta alleen, indien U weer mijn leven spaart, roem ik U ongeëvenaard.
ps. 36:6-8 Heer, uw liefde reikt tot in de hemel, uw trouw tot in de wolken. Het heil dat u brengt is onmetelijk als de hoogste bergen; de uitspraken die u doet, zijn onpeilbaar als de diepe oceaan. U bevrijdt mens en dier; uw liefde, God, is een kostbaar goed, onder uw vleugels zijn wij veilig, wij zwakke mensen.
36. RUIMDENKENDE LEEFGEMEENSCHAP
Het mensdom denkt: 'God is ons heil; Hij schenkt uit goedheid zonder peil ons 't eeuwig, zalig leven.' Maar men vergeet dan tijdgenoot, die sterveling die na de dood ook leven wordt gegeven door de Schepper die boeien slaakt van elk dier dat hij heeft gemaakt; Hij zal ze gaan verlossen: eencelligen en offerdier, de walvis en de goudplevier, maar ook rinocerossen.
In oertaal hoort het dierenrijk dat die God in zijn Koninkrijk de vrijheidsboom gaat planten; Hij haalt het hek dan van de dam: uit elke taal en elke stam komen de muzikanten; de lopen los, ja tomeloos leven zij verder voor altoos hun juk is daar verbroken hun onuitsprekelijk gezucht loopt af, zij zijn zo opgelucht, want God heeft het gesproken.
ps. 37:4-6 Zoek je vreugde bij de Heer, dan vervult hij ieder wens. Leg je leven in zijn handen, vertrouw op hem, hij stelt je niet teleur. Hij zal het voor je opnemen, hij zal je recht doen; je zult stralen als het morgenlicht, als de zon midden op de dag.
37. LEVENSDOEL
Je gaat vaak af op dezen of op genen bij onbekendheid wat te wachten staat; voorals als zekerheden zijn verdwenen, zoek je voor de hand liggend resultaat, dat veilig voor je is als edelstenen, dat je weer ruilen kunt voor mondvoorraad.
Als je dat niet vindt, zal je zoektocht falen; vertrouw dan God die aan je zij wil staan, zijn recht van spreken zal voortaan bepalen dat je gelukszon nooit meer uit zal gaan en je gezicht zal steeds van vreugde stralen als morgenlicht, goudglanzend: kijk toch aan!
ps. 38:8-16 Want ik ben ziek tot in het merg, ik heb overal pijn. Ik ben uitgeput, lamgeslagen. Mijn hart bonst, ik schreeuw het uit. Heer, u kent mijn verlangen, u hoort mijn zuchten. Heftig slaat mijn hart, mijn krachten laten mij in de steek, het licht verdwijnt uit mijn ogen. Vrienden en bekenden laten zich niet meer zien, mijn familie blijft op een afstand. Mijn vijanden spannen hun strikken, ze staan mij naar het leven, ze strooien lasterpraat rond, dag in, dag uit. Maar ik houd mij doof en stom, ik doe of ik niets hoor, ik blijf zwijgen en verdedig mij niet. Want ik hoop op u, Heer, u, mijn God, zult hun van antwoord dienen.
38. ALSNOG ANTWOORD
Als een orgel dat moet zwijgen stokt mijn eigen stem en doet mij spraak'loos staan; ik moet voelen, wil niet horen; plompverloren moet ik laster ondergaan.
Heel mijn lichaam gaat verkwijnen door de pijnen die ik alle dagen merk; boze tongen die beweren en bezeren heel mijn vroeger levenswerk.
Maar ik wil geen stom woord zeggen, iets weerleggen; ik hou mij horende doof. d'Eeuwige zal antwoord geven in hun leven; dat is wat ik vast geloof.
ps. 39:5-7 Heet, laat mij beseffen hoe kort mijn leven is, hoe eindig ik ben, hoe vergankelijk. Doordring mij daarvan. U gaf mij een kort bestaan, maar enkele handbreedten lang, voor u is mijn leven maar een ogenblik. Wat is een mens? Een zuchtje wind, een voorbijgaande schaduw. De mens maakt zich druk om niets, hij schraapt een vermogen bijeen, maar weet niet voor wie. 39. SCHADUWBEELD
Een mens kan echt niet leven van de wind, zodat hij werkt voor 't aardse slijk, waarmee hij levenslang goed garen spint; zijn tuin is altijd schaduwrijk; tot zijn bezit hoort het vruchtgebruik van appelboom en rozestruik.
Uit welke hoek de wind waait, weet hij niet; hij piekert, maar kan er niet bij: voor wie is straks zijn geld en grondgebied als hij voortleeft aan gene zij? Zijn leven is voor God een ogenblik; eens geeft een mens de laatste snik.
Wat is de mens meer dan een wind, een zucht, enkel een schaduw die passeert, als hij in 't schaduwrijk is weggevlucht en in het hemelrijk verkeert. Wat maakt een mens zich druk om hebbeding: op aard was hij een sterveling.
ps. 40:6 en 7 Heer, mijn God, wat hebt u niet voor ons gedaan, wat hebt u niet met ons voor! Als ik over u zou willen vertellen, over wat u gedaan hebt, waar zou ik moeten beginnen? Het is teveel om op te noemen. Maar dit wil ik wel zeggen: offers geven u geen vreugde, daarvan hebt u mij doordrongen. U verlangt geen brandoffers en geen offers om zonden weg te nemen.
40. IN ROOK OPGAAN
Waar blijft het offer, waar komt het terecht; wanneer het met orakeltaal verbrand wordt in de offerschaal, waardoor het zich aan het aardse onthecht? Het komt niet in de hemel ondanks het vroom gefemel; weg waait het rookgordijn. Het is geen eerbewijs, zeker geen eer en prijs en geen verbindingslijn.
Voor U, o God, is het geen feestgeschenk, het brengt U geen hemels geluk: Wat U gemaakt heeft, moet niet stuk. Dat is wat ik verstandig overdenk. Wat zal een mens U geven? een dier dat opgedreven, gedood wordt en verbrand? Van U is het heelal. Mijn zonden zonder tal vergeeft U mij constant.
ps. 41:1-3 Voor de voorzanger. Een psalm uit de bundel van David. Gelukkig ben je als je je inzet voor de zwakken. Want kom je zelf in nood, de Heer zal je redden! Hij zal je beschermen, je in leven houden, je gelukkig maken.
41. OP GOED GELUK AF
Wie zich voor het breekbare zorgenkind inzet met hart en ziel, een zwak heeft voor een zwakke en bemint kasplantje in 't asiel, zo nodig hemel en aarde beweegt, voor hem bergen verzet;
die is gelukkig, want hij heeft verpleegd, een kind van God gered.
ps. 42:2 en 3a Zoals een hert naar water, zo smacht ik naar u, o God; u bent mijn leven, ik verlang naar u, o God.
42. BRONNENTOCHT
Levensbron, wil mij toch laven bij de mond van de rivier; als een hert moet ik hard draven, 'k heb een droge speekselklier; van de dorst zal ik vergaan, in gevaar komt mijn bestaan, mijn tong is van dorst aan 't branden; maar ik hoop te watertanden.
Levensbron, ik wil U loven, want U gaf mij levenskracht, levenssappen van hierboven, daarmee ben ik grootgebracht; 'k zing voor U mijn levenslied op Uw eigen grondgebied, waar de planten en de vruchten groeien door insektenvluchten.
Levensbron, U bent mijn leven, U bent heel mijn levensweg, U bent zelf met mij verweven, gaat met mij langs heg en steg; U die alles overziet, U - weet ik - vergeet me niet; ik kan heel mijn doen en laten zonder meer met U bepraten.
ps. 43:5 Mijn ziel, wat drukt je terneer, waarom ben je zo onrustig? Op God wil ik vertrouwen, eens zal ik hem weer prijzen, hem, mijn behoud, mijn God.
43. INNERLIJK WETEN
Ik leef nu in een dal vol tranen, een vlaag van onrust drukt mij neer, ik zie voortdurend vreemde wanen, verlamd lijken mijn spraakorganen, mijn innerlijk gaat flink te keer, daar ik veel prakkezeer.
Hoe moeilijk ook, ik kan al weten dat mijn bestaan is welbewaard; al slaak ik nu nog wanhoopskreten, ik ben niet door mijn God vergeten. Eens is de lucht weer opgeklaard, zo ongeëvenaard.
ps 44:12-15 en 23 [God...] U deed ons van de hand als slachtvee, naar vreemde volken voerde u ons weg. U verkocht uw volk voor een spotprijs, winst leverde het u niet op. Wij zijn het mikpunt van spot, het voorwerp van hoon en smaad. Onze schande is spreek- woordelijk! De mnensen schudden om ons het hoofd. [...] Om onze trouw aan u zijn we voortdurend in levensgevaar, om onze trouw aan u worden we behandeld als slachtvee.
44. SMEKENDE KUDDE
In blinde trouw bleven wij samen bij U, de Herder, die de namen noemde van elk schaap in de kooi; wat was de kudde wondermooi! We werden groot onder Uw staf en dartelden bij waterbronnen; bij onraad ging U erop af; we zagen nieuwe horizonnen.
U voert ons nu naar vreemde volken; we lopen onder donderwolken, want U verkocht ons spotgoedkoop; het eind van onze levensloop komt dichterbij, men spuwt en spot, spreekwoordelijk is onze schande; redt ons hieruit, o grote God, wij zijn niet meer dan offerande.
ps. 45:1-5 Voor de voorzanger. Een bruiloftslied uit de kring van Korach. Op de melodie van het lied 'De lelies'. In mij wellen de woorden op, de verzen voor mijn koning. Als een vaardige pen is de tong in mijn mond. Uw schoonheid is onovertroffen, grote bekoring gaat er van uit: op u rust Gods zegen voor altijd. Dappere strijder, gord uw zwaard om, ruk in volle wapenrusting uit. Want het gaat om een goede zaak, om het recht van de armen. U zult uw kracht tonen en indruk- wekkende daden verrichten.
45. KONINKLIJK MEDEDOGEN
Laten we eren de man met het teken, dat God aan hem gaf in de lijdensweken, aan de Koning van de strijdende kerk die hier eeuwig vericht zijn liefdewerk, Die met erbarmen opkomt voor de armen, zo vaak in de kou staand; hij zal ze warmen, zijn schapen omarmen, omdat hij strijdt voor 't recht van de armen die hij begeleidt.
Laten we eren de held der berooiden, van verworpenen en de weggegooiden. Hij vindt dat het gaat om een goede zaak; hulp aan ontrechten is zijn levenstaak. Die met erbarmen opkomt voor de armen, zo vaak in de kou staand: hij zal ze warmen; die klanten zijn koning. Hij geeft een huis zonder een kruis, louter met feestgedruis.
ps. 46:5 en 6 Een rivier stroomt door de stad van God, tot vreugde van de mensen. Het is de stad van de hoogste God, hijzelf is binnen haar muren, daarom zal zij niet vallen. Voor de ochtend aan- breekt, komt hij haar te hulp.
46. STEDELIJK PARADIJS
De volken gaan in karavanen langs de rivier die vol met tranen
van vreugde stroomt in onze plaats, waar nimmermeer gebeurt iets kwaads; het stormt hier nooit; door zacht gewiegel ontstaat een mooie waterspiegel, waarin wij zien Gods aangezicht: innemend lachend levenslicht.
Evenals alle creaturen woont God hier zelf binnen haar muren; we zijn in de geboortestad, waar ooit ontsprong ons levenspad; daarom hoef je hier niet te wennen, je zult 't eind van 't geluk niet kennen; een loftrompet die eeuwig schalt: 'Dit is de stad die nimmer valt.'
ps. 47:7 en 8 [Volken, ...] Zing voor God, zing hem toe, zing voor onze koning, zing hem toe. God is koning over heel de aarde, huldig hem met liederen.
47.SCHEPPENDE VERBEELDING
Luister! Woordentolk, laat de stem van 't volk elke dageraad zingen in de maat, in elk taalgebied zingen 't hoogste lied voor de Vorst der aard' ongeëvenaard, want zelfs elke ster brandde tot dusver door zijn grote macht en verbeeldingskracht.
ps. 48:10 en 11 In uw tempel, God, overdenken wij al het goede dat u hebt gedaan. U hebt een grote naam, men eert u overal op aarde, want u bent gerechtigheid.
48. DENKWERELD
Hier in Uw tempel, welbeschouwd, loopt een gedachtengang, oeroud; waar ark en kandelaar getuigen van tijden waarin konden juichen zij dit dit land betraden en de Jordaan doorwaadden; op deze plaats is overdacht Uw goede daden dag en nacht; daarom bent U wereldberoemd; voor ieder bent U hooggeroemd.
ps. 49:16 Ook mij zal God loskopen, mij weghalen uit het dodenrijk.
49. LEVENSSCHOOL
De aarde is een school voor iedereen; de eerste schooldag is er veel geween; later volgt vreugde; op een goeie dag weerklinkt wel weer een frisse schaterlach; je leert je levenslessen met veel pijn, het leven lijkt te gaan in zigzaglijn; andere spektakels gaan zich ontrollen op schoolreis zou je best weg willen hollen.
Wanneer voor mij de schooldeur dicht zal gaan; ik schoolverlater ben, teloorgegaan voor erfgenamen treurend aan mijn graf, staat aan die poort des levens met een staf mijn Moeder-Vader-Herder die mij vraagt om mee te gaan van school naar huis: geslaagd! Op weg naar 't huis met vele blijde zalen voel ik mij vrij en blij: God kwam mij halen.
ps. 50:12-15 en 23 [Ik, God, jullie eigen God! ...] 'Als ik honger had, zou ik het dan zeggen? Beschik ik niet over de aarde, over alles wat erop is? Maar ik eet toch geen stierevlees, ik drink toch geen bokkebloed! Nee, breng mij een waardig offer: breng mij je dank! Kom je beloften na, aan mij, de allerhoogste God. Roep mij aan bij gevaar, dan zal ik je redden en jij zult mij eren ... Alleen met dankbaarheid eer je mij, alleen zo zul je mijn hulp ervaren.'
50. MIS-OFFER
Met korenaren eren heeft geen zin; Ik lust geen lamsvlees en bloed evenmin, want ik ben God, Ik die alom beschik over de aarde en met kennersblik kijk naar de waarde van uw offerdieren die Ik zelf maakte met hun hart en nieren.
Een waardig offer breng je met jouw dank aan Mij, want mijn naam heeft een goede klank; roep Mij met luider stemme in gevaar dan reik ik je de hand, onwankelbaar; offer nooit meer een dier op je altaren: slechts zo zul je Mijn hulp in nood ervaren. ps. 51:7-9 [Heer, ...] Ja, zondig ben ik geboren, schuldig ben ik vanaf de moeder- schoot. Maar u verlangt alleen dat ik oprecht ben, tot in het diepst van mijn ziel; vervul mij met uw wijsheid tot in het diepst van mijn hart. Besprenkel mij, dan word ik weer rein; was mij; dan word ik witter dan sneeuw.
51. ALLEENSPRAAK
Ik weet dat ik vanaf de bakermat reeds schuldig ben, maar U wilt niet vermanen; U ziet bij mij mijn droge, stille tranen omdat ik Uw leefregels overtrad; wat U verwacht is, dat ik levensecht diepgaand naar binnen ga en onomwonden spreek tot mijn kern, aandachtig nen oprecht, "bemerk het doelloze van al je zonden."
ps. 52:10 Maar ik, ik ben vol levenskracht, als een bloeiende olijf- boom bij de tempel; ik vertrouw op Gods liefde, altijd weer.
52. STRELENDE OMGEVING
Ik voel: ik zal in leven blijven, mijn wortels zijn geaard waarin de sappen bovendrijven op weg met grote vaart naar elke tak die bloesem draagt: straks vruchten, veelgevraagd.
Op de olijfberg bij de tempel waar een koel briesje waait; de bergen rondom zijn een drempel tegen wind, warmgedraaid; Gods ouderliefde koestert mij en geeft mij feestkledij.
Vertrouwenspersoon, geef mij krachten; ik ga steeds op U af, zal vreugd' en vrucht van U verwachten, U die mij steeds omgaf; Hierdoor is mijn gemoed gerust, U geeft mij levenslust.
ps. 53:6a Ineens worden door angst overvallen wie geen angst kenden, want God slaat die onderdrukkers uiteen.
53. DRUKVERLIES
Wij worden uitgeperst en onderdrukt, zijn onderworpen, voorwerp van het lijden, zeer zwaar geteisterd in de druk der tijden, onmenselijk wordt ons volk weggerukt; wij gaan gebukt.
Plots overviel de overvallers vrees, ineens waren ze uit het veld geslagen; die onderdrukkers wou God snel verjagen naar huis en haard; zodat ons land herrees en men God prees.
ps. 54:3-5 God, bevrijd mij, ik doe een beroep op u; toon uw macht en doe mij recht. God, luister naar mijn gebed, schenk aandacht aan wat ik vraag. Vijanden hebben het op mij gemunt, ze gebruiken geweld, ze staan mij naar het leven, en aan u storen zij zich niet.
54. DIT LUISTERT NAUW
Zij die mij naar het leven staan zullen zich vast aan U niet storen; O, God, wil naar mijn smeekstem horen, weet U, nu komt het er op aan, mis toch geen woord van mijn gebed, met klem wil ik mij tot U wenden, wil vlug mij Uw verlossing zenden, laat gaan mij op Uw wegennet.
ps 55:17-19 en 23 God, de Heer, roep ik te hulp, hij biedt uitkomst. Ik zal niet ophouden te klagen, ik zal niet ophouden te kreunen, van de ochtend tot de avond, de Heer zal naar mij luisteren. Hij stelt mijn leven veilig, hij verlost me van hen die mij bestrijden, al zijn ze met velen. De last op je schouders, draag hem over aan de Heer, hij zal voor je zorgen; wie hem trouw is, laat hij niet bezwijken, nooit.
55. LASTENVERLICHTING
Draag je door laster zware lasten, omdat mensen je beeld bekrasten; ben je bedrukt, terneergeslagen, heb je kopzorg voor alledag, hoor je vaak spot en hoongelach? Je kunt dat alles overdragen.
Leg al je lasten op de schouder van de Behoeder en Behouder; dan zie je aren, druiventrossen die steeds je worden aangereikt; God wil niet dat je ooit bezwijkt; Hij zal je van je last verlossen.
ps. 56:4 en 5 [David, gevangen door de Filistijnen] Bij al mijn angsten, machtige God, vertrouw ik op u. Ik vereer u, mijn God, om wat u beloofd hebt. Als ik op u vertrouw, ken ik geen angst meer. Wat zouden ze mij kunnen doen, die nietige mensen?
56. NIEUWE START
Omstandigheden maakten mij benard, het was mij zeer benauwd al om het hart, ik was door duizend angsten erg verward, de schrik zat in mijn benen; 'k vertrouwde God, die wou mij hulp verlenen, waarna vervolgers minne mensjes schenen; zo is opeens mijn angst voorgoed verdwenen: ik maak een nieuwe start.
ps. 57:10-12 U wil ik dank brengen, Heer, over u wil ik zingen voor alle volken. Want tot aan de hemel reikt uw liefde, tot aan de wolken uw trouw. God, laat zien hoe machtig u bent, in de hemel en op heel de aarde.
57. LIEDBOEK VOOR DE MENSEN
Ik wil een zangboek maken voor de mens met verzen, hemelsbreed en zonder grens om zo hemel en aarde te bewegen van Gods trouw, liefde en macht, heel intens, te gaan zingen, elkander toegenegen.
Och, zongen medemensen zonder tal zo met elkaar in één groot festival, opdat daardoor toch heel de aarde eerde de Meester van 't oneindige heelal, die op zijn tijd elk mensenkind boetseerde.
Zo'n zanggezelschap dat ten hemel zingt en door haar klanken de wereld doordringt dat in orde is onze moeder aarde daar in de hemel Gods liefde ontspringt; die God die altijd zijn gaarde bewaarde.
ps 58:1 en 2 Voor de voorzanger. Op de wijs van het lied 'Jaag mij niet de dood in'. Een lied uit de bundel van David. Machtigen der aarde, zijn jullie wel eerlijk? Spreken jullie werkelijk recht? Nee, zoals jullie regeren, maak je de weg vrij voor geweld.
58. DOODLOPENDE BRUTAALWEG
Zijn jullie, machtigen der aarde, wel eerlijk bezig in het licht? Die onrecht aanricht, en ook zwicht voor leugenmonsters zonder waarde, waardoor het recht kromt en verbuigt: onschuldigen zijn afgetuigd.
't Recht van de sterksten, oppermachten, is enkel kracht, vooral geen recht; die overheersing is inslecht, dus gaan volken jullie verachten; je maakt de weg vrij voor geweld. je laatste dagen zijn geteld.
ps 59:7-9 [God, bescherm me tegen mijn vijanden ...] Iedere avond opnieuw trekken ze door de stad, als een meute huilende honden. Alleen spot komt over hun lippen, messen zijn hun woorden, want, zeggen ze, wie zou ons moeten horen! Maar u hoort hen, Heer! U lacht met hen, u drijft met hen de spot.
59. BESPOTTELIJKE VIJANDEN
Een meute honden loopt te huilen, trefwoorden komen uit hun muilen: het zijn vleesmessen voor mijn lijf, waardoor ik ook van schrik verstijf. Men zweeg: ik kon God horen lachen, een zege met wimpels en vlaggen. Die bende met hun moordcomplot? o God, U drijft met hen de spot.
ps. 60:3 en 4 God, u hebt ons verstoten, ons uit elkaar geslagen, uw woede op ons gekoeld, maak ons nu weer sterk. U bracht het land aan het beven, de grond aan het scheuren, alles zal instorten. Genees dit land van zijn wonden!
60. NA DE LANDSTORM
O God, ons land is zwaargewond, doorploegd onze geboortegrond met zere plekken, massagraf; zinloos is zelfs de bedelstaf. Kom, Genees, Heer, breng balsem aan, geef Vreeland aan elk' onderdaan, houd onze levens ongeschonden, genees dit land van al zijn wonden!
ps. 61:5 [Mijn God ...] Laat mij wonen in uw tempel, voor altijd; laat mij schuilen bij u, onder uw veilige vleugels.
61. GEMEENSCHHAP VAN MENSEN EN GOEDEREN
Een ruïne met wat drempels, afgodstempels, vindt men in een tempelstad; maar ik zoek naar hoger' oorden die bekoorden mensen op mijn levenspad.
Wel in Gods hus, niet in godshuis, voel ik mij thuis: daar wil ik gehuisvest zijn. Laat, o God, mij bij U wonen met personen, zwijgend over mijn en dijn.
ps. 62:11 en 12 [Mensen ...] Vertrouw niet op geweld, verwacht niets van roof. Verlaat je niet op bezit, al neemt dat nog zo toe. Ik heb God horen zeggen en meer dan eens: 'Alle kracht komt van mij.'
62.ONVERGANKELIJKE RIJKDOM
Wanneer je je bezit beziet daarop vertrouwt en goed geniet van klinkend' munt en mooie stuiver, hoog opgetast en waardevast; zo ben je niemand ooit tot last; bekijk die rijkdom wel loepzuiver.
Want 't lijf komt in het aardse slijk, al was je fabelachtig rijk, je kunt niet eens meer gaan verzitten; je bent niet aard- en nagelvast; wel in de hemel eregast, daar hoef je niets meer te bezitten.
ps. 63:1 en 2 Een psalm uit de bundel van David. David heeft deze pslam gedicht toen hij zich in de woestijn van Juda schuilhield. God, u bent mijn God, u blijf ik zoeken. Met lichaam en ziel verlang ik naar u, ik smacht naar u als een droog en dorstig land naar water.
63. HOOPVOLLE VINDINGSKRACHT
Ik tastte in den blinde rond, wist niet meer waar ik het moest zoeken, las jaar en dag in studieboeken maar geen plaats waar ik God nog vond. Nochtans: mij ziel en lichaam smachten naar deze Meester van 't heelal die zich laat vinden overal; dus blijf ik d'Eeuwige verwachten.
ps. 64:2 en 3 Mijn God, luister naar mij, u klaag ik mijn nood. Vijanden jagen me angst aan, bescherm mijn leven, bewaar mij voor hun gekonkel en gelaster. Verberg me voor die misdadigers.
64. NOODKREET
Bewaar mij voor de addertongen en voor de vuige lastertaal van hen die met hun vals verhaal - dat stinkend walmt uit al hun longen - hun prooi besprongen.
Behoed mij voor de kogelregen van leugentaal die heel ver draagt, want ik voel mij fel opgejaagd door hen die gaan langs kronkelwegen. God, geef mij zegen.
ps. 65:1-4
Voor de voorzanger. Een psalm uit de bundel van David. God, die op de Sion woont, het is goed dat wij u eren, onze beloften aan u nakomen, want u verhoort onze gebeden. Alle mensen komen bij u, beladen met zonden. Drukken onze fouten ons terneer, u vergeeft ze.
65. VERGEVEN EN VERGETEN
Als onze fouten ons bedroeven, benemen levensmoed, wij op de lippen tranen proeven door ons somber gemnoed,
dan ziet God die gedrukte stemming en hij scheldt alles kwijt, terstond verdwijnt ook de beklemming: wij ademen bevrijd.
'Wij' is geen groep, neen, alle mensen krijgen een schone lei; een van Gods grootste hartewensen: Stop de bangmakerij! Zodra de zonden ons benauwen, vergeeft God ons meteen en hij wil ons dan toevertrouwen: 'Ik hou van iedereen.'
ps. 66:16 en 17 Wie ontzag heeft voor God: kom naar mij luisteren. Ik zal u vertellen wat hij voor mij heeft gedaan. Nauwelijks had ik om hulp geroepen of ik kon hem al danken.
66. IN MINDER DAN GEEN TIJD
Zoals een kind roept om zijn moeder, zo riep ik hulp in van omhoog. 'Want God is onze Albehoeder', was wat ik eerder overwoog. Mijn bede was net afgelopen of ik sprak al een dankgebed: meer steun dan ik had durven hopen had God reeds voor mij klaargezet.
ps. 67:2-4 God, heb medelijden met ons, zegen ons, zie ons welwillend aan. Dan zullen alle volken weten hoe u te werk gaat, hoe u bevrijding brengt. Laten alle mensen u eer bewijzen, alle volken u eren.
67. LEERGANG
God, U heeft ons volk uitverkoren voor het aanschouw'lijk onderwijs; zo konden alle volken horen van onze lange wereldreis; U had medelijden, wilde ons bevrijden, keek ons vriend'lijk aan. D'aarde kan doorgronden wat wij ondervonden en 't ons is vergaan.
ps. 68:21 Hij is de God die ons behoudt, die ons redt van de dood, hij, God, de Heer.
68. DE TEGENWOORDIGE
Ik ben een redder in de nood, een levenlang uw reisgenoot Ik ben altijd aanwezig. Mijn naam is Ikben, roep mij aan, engelen vliegen af en aan en zijn altijd druk bezig; op elke plaats, ja overal ben 'k tegenwoordig in 't heelal; Ik zal de jeugd en ouden, zelfs in hun laatste ogenblik, al zijn ze dan ook stijf van schrik altijd heelhuids behouden.
ps. 69:33 en 34 Wie verdrukt worden, zullen zich verheugen; wie bij u hun toevlucht zoeken, zullen opleven, want u, Heer, luistert naar arme mensen, u minacht gevangenen niet.
69. HET ZAL VERKEREN
Verschoppelingen krijgen snauw op grauw en toevluchtzoekers lopen veel gevaren; de armen lijken wel de schuldenaren; men brengt die allen heel vaak in het nauw. Vanuit de hemel kijkt God toch niet neer op havelozen, maar Hij zal hen horen en brengen in hun zware lot een keer: dan zien zij eeuwenlang het zonnegloren.
ps. 70:6 Heer, arm ben ik, hulpeloos, kom snel, mijn God, u mijn helper, mijn redder. Laat mij niet wachten!
70. NOODSEIN
God, U bent Redder uit de nood, o, help mij waarlijk en almmachtig, want ik ben weerloos en neerslachtig; zie ik straks nog het morgenrood? Help mij zo vlug als een gedachte en kom mij pijlsnel tegemoet, want ik heb zoveel tegenspoed, laat mij, o God, niet langer wachten.
ps. 71:9 [Heer] Laat mij niet over aan mijn lot nu ik oud ben; laat me niet in de steek nu mijn krachten het begeven.
71. LEVENSAVONDGEBED
Nu, in de avond van mijn leven ben ik der dagen zat en heel erg afgemat terwijl mijn krachten het begeven; Heer, laat mij toch niet schieten; dat zou mij zeer verdrieten.
ps. 72:1 en 2 Uit de bundel van Salomo. God, verleen de koning uw macht, laat hij rechtvaardig zijn als u. Laat hij uw volk besturen naar recht en billijkheid, laat hij opkomen voor de verdrukten.
72. RECHTSBIJSTAND
Laat de regering zó besturen dat elke onderdaan, ja, zelfs de minste randfiguren steeds worden bijgestaan; dat ieder eerlijk en rechtvaardig zijn recht krijgt, elk zijn deel, want God wil dat een mens menswaardig leeft op dit schouwtoneel.
ps. 73:25 en 26 Wie heb ik in de hemel behalve u? Behalve u verlang ik ook niets op aarde. Al zou mijn lichaam bezwijken, al zou mijn hart het opgeven, u bent de rots waarop ik bouw, u bent mijn hele bezit, o God, voor altijd.
73. KINDSDEEL
Eens heb ik geen bekwaamheid meer om mijn vermogen in beheer te geven aan mijn tijdgenoten: mijn leven wordt dan afgesloten; maar God, U bent heel mijn bezit, al is mijn lichaam ook lijkwit, 'k ben erfgenaam, door U geleid naar het hiernamaals voor altijd.
ps. 74:12
God, u bent toch onze koning, al sinds onheuglijke tijden; u brengt steeds weer bevrijding, overal op aarde.
74. BEVRIJD DOOR EIGEN MEESTER ZIJN
Al wordt de vrijheid wijd en zijd beknot, de Hemelkoning zal ons weer verblijden; reeds in de oertijd kwam hij ons bevrijden: wereldomvattend, overal is God.
ps. 75:2 God, wij eren u, wij brengen u eer, uw naam is altijd op onze lippen, uw grote daden maken wij bekend.
75.MEERSTEMMIGE WERELDWIJS
Alle mensen, ik zing voor en bazuin het in het rond tot aan elke horizont; zingt met mij mee, zingt in koor,
duizendstemmig vol ontzag van Gods daden, nacht en dag.
Alle mensen, zing mij na: 'God is iemand van de daad.' God is iemand van de daad! Vol van liefde en genâ voegt Hij daden bij het woord, omdat ieder bij Hem hoort.
Alle mensen, zingt Hem toe en bewijst Hem alle eer; Hij verlaat ons nimmermeer, ook al ben je soms doodmoe, want hij schiep een meesterstuk met veel wijsheid en geluk.
ps. 76:9 en 10 [o, God] Vanuit de hemel sprak u recht en de aarde werd stil in ontzag toen u verscheen om recht te doen, om alle verdrukten te bevrijden.
76. HET ZICHTBARE ZEGERIJK
Alle verworpelingen saam leven zo vaak onaangenaam daar een onmens één levensdoel heeft: stil leven, zonder gevoel voor mensen die zijn uitgezogen en ook wordt nog hun recht gebogen.
Toen God hun recht deed op hun klacht, zag heel de aarde hemelkracht; in doodse stilte, ademloos, zag men roerloos hoe God verkoos een eind te maken aan het lijden door de verdrukten te bevrijden.
ps. 77:20 [Mijn God,] U baande u een weg door het water, een pad door de diepe zee, niemand kon uw voetsporen zien.
77. EEUWIGE UITWEG
In woestijnen, afgelegen, kom je stapsgewijs op wegen, achtervolgd ga je rechtdoor; jagers volgen nu je spoor. Uitzichtloos lijkt dan het vluchten wie hoort daar je diepe zuchten? Je raakt helemaal van streek; Doodlopend de oversteek.
Denk dan aan de God der Goden die je helpt uit alle noden; zelfs in een verlaten stee, liep Hij door een diepe zee: spoorloos ging Hij op die heerbaan, maakte voor het volk een loopbaan; 't was een uitweg voor altoos. schitterend en weergaloos.
ps. 78:52 en 53 Maar over zijn eigen volk waakte hij als een herder over zijn kudde. Hij leidde hen door de woestijn. Onder zijn veilige hoede hadden zij niets te vrezen;
78. STAPVOETS ACHTER DE REISGIDS
Woestijnbewoner, laat de moed niet zakken, al zijn er op je tocht veel ongemakken of is de zandzee slechts een dorre vlakte, wordt je geplaagd door kwetsbaarheid en zwakte, al gaat het rondlopen vragenderwijs: je leven is één grote pelgrimsreis.
Woestijnbewoner, wil toch overdenken: in barre streken zijn ook godsgeschenken; zie: Israël dat niet met lege handen werd begeleid naar zachte heuvellanden, onder Gods hoede had het heel wat moed, al gaandeweg werd het steeds weldoorvoed.
ps. 79:11 Hoor toch, Heer, hoe wij in gevangenschap zuchten, wij zijn ten dode opgeschreven. Houd ons in leven, toon ons uw grote macht!
79. BEHOUDZUCHT
Almachtige, wij kunnen niet meer spreken, eenvoudigweg zelfs niet bidden en smeken; wee ons, wij zijn ten dode opgeschreven, kom ons te hulp en hou ons toch in leven! Wij zuchten ach en we, omdat van lieverlee allen in cellen wonen; wij zuchten onder 't juk van tegenstanders druk; wil ons Uw almacht tonen.
ps. 80:15 en 16
Almachtige God, wend u niet langer van ons af, kijk vanuit de hemel naar ons en draag zorg voor de wijnstok, voor de stek, door u geplant, de loot, door u gekoesterd.
80. WIL TOCH NEERZIEN VAN OMHOOG
Wijngaardenier, wil ons ontwaren, zoals van ouds in vroeger jaren, toen U de wijnberg had geplant en goed verzorgd van hogerhand; wend U niet langer van ons af: wij stuiven bijna weg als kaf.
ps. 81:6B-8A Een onbekende stem hoorde ik zeggen:'Ik nam de last van je schouders, de korven met klei uit je handen. Toen je het moeilijk had, riep je mij om hulp en ik heb je bevrijd ...
81. BOVENSTEM
Hoor nu mijn gezang, dat ik aan moet heffen; mijn gedachtengang hoorde plots een stem in Jeruzalem: een vreemd samentreffen.
Want de stem die sprak kwam mij onbekend voor, maar ik onderbrak niet: God weet vanwaar! Kwam die redenaar er gewoon tussendoor?
Hoor mijn nieuwe lied, 'k weet van horen zeggen: "In het stroomgebied maakte Ik je vrij, van de korven klei; je zou 't loodje leggen.
Toen je om hulp riep, gleed last van je schouders en Ik vrede schiep; gaf je een profeet, wat Ik nog meer deed, deed ik voor je ouders."
ps. 82:8 God, treed op, handhaaf het recht op aarde, want alle volken behoren u toe.
82. HEEL HET HEELAL
In Uw gemeenschap valt een ieder; U bent de koning en gebieder die recht heeft op al wat U schiep, op wat U ooit in aanzijn riep. Vaag onrecht weg, handhaaf Uw wetten, wil vals beschuldigden ontzetten, want U geeft steeds elk mens zijn part: waar Uw schat is, daar is Uw hart.
ps. 83:1-5 Een lied. Een psalm uit de bundel van Asaf. God, zie niet werkloos toe, blijf niet zwijken, houd u niet doof. Want uw vijanden roeren zicht, vol haat keren zij zich tegen u. Ze spannen saam tegen uw volk, smeden een komplot tegen uw beschermelingen: 'Laten we Israël vernietigen, we willen die naam niet meer horen.'
83. ISRAËL IS REËEL
Vijanden, vol van blinde haat zijn woedend dat Uw volk bestaat; ze willen ons te gronde richten en heel ons staatsbestel ontwrichten; hun doel is dat we zeer bevreesd zijn, hun streven dat we er geweest zijn.
Maar Israël is heel reëel, altijd geweest. Ook momenteel hoort God naar ons. God, blijf niet zwijgen! Houd U niet doof, wil Uw oor neigen naar onze luide smeekgebeden! Wil voor ons in het strijdperk treden!
ps. 84:13 Almachtige Heer, gelukkig is wie op u vertrouwt.
84. VAN ZICH DOEN SPREKEN
Een mensenwoord wordt vaak verdraaid, zodat het twist en tweedracht zaait. Boekdelen spreken al Gods werken; vertrouw gerust op heel dat woord; het bracht al het bestaande voort; dan zult u wonderwel bemerken: vertrouwenwekkend woordgebruik maakt dat voor u geluk ontluikt.
Is God uw vertrouwenspersoon, dan wordt uw leven wonderschoon, gelukszon gaat daarna niet onder; zo ingelukkig, welgemoed krijgt heel uw leven zonnegloed, uw glimlachen is niet bijzonder; bij wandelweer of wervelwind bent u altijd een zondagskind.
ps. 85:10-12 [God, de Heer] Wie ontzag voor hem tonen, komt hij bevrijden; hij laat hen niet wachten. In al zijn majesteit komt hij wonen in ons land. Dan gaan liefde en trouw hand in hand, recht en vrede strengelen zich ineen, trouw bloeit op uit de aarde en recht daalt neer uit de hemel.
85. ALLEDAAGSE INWONING
Als wij voor God tonen een groot ontzag, bevrijdt Hij ons en woont hier alledag, gewoon bij ons in al zijn majesteit, waarna de vrede met gerechtigheid mooi samengroeit, gestrengeld tot een koord, zoals de trouw bij elke liefde hoort: het vruchtbeginsel voor de wereldbol is dat we samenwonen, liefdevol.
Dan is er toewijding op de planeet, komen er zegeningen hemelsbreed, omdat de koele dauw van bergen daalt die door de aarde wordt binnengehaald, zodat we zien een grote bloemenzee, waar vruchten groeien zo van lieverlee; dit paradijs onder het hemelsblauw ontstaat dus door de liefde en de trouw.
ps. 86:7 [Heer, ...] Als ik geen uitweg meer zie, dan roep ik u, want u geeft antwoord.
86. WEERKLONKEN AANROEP
Al mijn roepen is slechts trillen van de lucht, beven en rillen, niet meer dan een holle toon zoekend naar contactpersoon; zal mijn roep een klankbord vinden of verwaait hij door de winden, waar komt straks mijn hulp vandaan, wie is er met mij begaan?
Maar ik heb weerklank gevonden, toegangswegen die ontstonden, omdat ik de roepnaam riep van de God die alles schiep. Mensen riep Hij in het leven die mij hulp hebben gegeven; als ik soms geen uitweg zie roep ik om Zijn energie.
ps. 87:5 Van Sion zal worden gezegd: 'Alle volken zijn er geboren. De Allerhoogste heeft Sion gesticht voor altijd.'
87. TEHUIS VOOR DE VOLKEN
Een wereldstad met plaats voor alle volken, een pension met inwoning en kost, zie daar Sion, een hoge uitkijkpost; wel te verstaan zijn duidelijke tolken.
Gebvoortestad, elk volk is hier geboren, de naties hebben hier hun bakermat; ter wereld brengen heeft hier plaatsgehad, ja ieder volk zag hier het zonnegloren.
O moederstad, wij zijn zo opgetogen, wij met die eendere familietrek raken hier met een ieder in gesprek: wij zijn geboren tot begripsvermogen.
ps. 88:9 en 10 [... de dichter is bijna dood...] U hebt mij vervreemd van mijn vrienden, ze hebben een diepe afkeer van mij. Ik zit opgesloten en zie geen uitweg, de glans verdwijnt uit mijn ogen. Elke dag weer roep ik om u, Heer, ik strek mijn handen naar u uit.
88. WARMTEZOEKER
De weerglans in mijn oog wordt mat, zodat mijn vrienden mij ontwijken; ik zal van eenzaamheid bezwijken, omdat men mij aldoor vergat; ik zit potdicht is mijn ervaring; mijn huis lijkt een huis van bewaring.
Toch roep ik dagelijks om U, o, God en ik strek beide armen steeds naar U uit, wil mij verwarmen geef mij een uitweg, doe het nu; U kunt mijn handen wel bereiken, wil hartverwarmend mij bestrijken.
ps. 89:16 en 17 Gelukkig de mensen die weten wat het is u toe te juichen, te leven in uw geborgenheid. Om u kunnen zij juichen, heel de dag, uw weldaden maken hen sterk.
89. DUBBEL GELUK
Gelukkig is het volk dat zich geborgen weet en aan 't eren van God nog heel wat tijd besteedt, zij jubelen het uit, gaan saam hun vreugde delen, zij zijn buiten gevaar, ver van de strijdtonelen, in alle toonaarden gaan zij hun Heer bezingen, de vonken van geluk zullen dan overspringen.
ps. 90:1-3 Een gebed uit de bundel van de profeet Mozes. Heer, u bood ons beschutting van geslacht op geslacht. Vóór de bergen ontstonden, vóór u de aarde schiep, was u al God. U bent God, alle eeuwen door. Als u zegt: 'Word weer stof, jullie zwakke mensen', dan worden zij weer stof.
90. TOEKOMSTIGE BOUWSTOFFEN
Als U zegt: 'Word weer stof', tegen de aarde dan worden wij weer stof zonder veel waarde. U was al God voordat bergen ontstonden, voordat vergingen de eerste seconden, wist U al van het menselijk geslacht dat U op deze wereld samenbracht.
U wilt die stof gaan bergen in de dalen of in de bergen, tot U gaat bepalen wanneer er nageslacht zal wederkomen die Uw berschutting hebben meegenomen. Zo zal 'horen en zien' ook niet vergaan: men zal in and're handen overgaan.
ps. 91:14-16 De Heer zelf zegt: 'Omdat hij van mij houdt, red ik hem; omdat hij mij kent, breng ik hem in veiligheid. Als hij mij te hulp roept, antwoord ik hem. Als hij in het nauw zit, sta ik hem bij. Ik zal hem bevrijden en in ere herstellen. Een lang leven schenk ik hem, ik zal hem gelukkig maken.
91. HULPWERKWOORD
De mensen zeggen vaak zoveel zonder antwoord te geven, vergeten erewoord geheel, hun bijstand duurt slechts even; als je hen dringend vraagt: 'och, kom!' omdat je hulp moet vragen, houden ze zich soms doof en stom: je bent terneergeslagen.
Maar God zegt met zijn zeggingskracht: 'Wil iemand mij beminnen, die mij al kent, steeds aan mij dacht, dan zal ik snel beginnen met brengen hem in veiligheid, zal ik mij tot hem wenden en hem in minder dan geen tijd hulp en verlossing zenden.'
ps. 92:1-3 Een psalm. Een lied voor de sabbat. Heer, allerhoogste God, het is goed u hulde te brengen, voor u te zingen, in de ochtend en in de avond, onder het spelen op de harp, bij het getokkel op de lier.
92. WONDERLICHTE MELODIE
God laat steeds van zich spreken; zing dan het hoogste lied, een lied dat hulde biedt, dat geeft een levensteken aan Hem zo op de rustdag; hef dan een loflied aan zingt allen mee, komaan, dan wordt die dag een feestdag.
Laat dag lied begeleiden door spelers op de lier zij geven ons plezier, zodat wij ons verblijden in schoonklinkende luister van harp- en snarenspel, verdrijvend wonderwel de zorgen en het duister.
ps. 93:3 en 4 De oceaan gaat tekeer, onstuimig gaat zij tekeer; onstuimig bruist de branding. Maar machtiger dan de bulderende zee, machtiger dan de aanstormende golven, bent u Heer, hoog
in de hemel.
93. ZEEMACHT
Meeuwen aan land, de storm ligt voor de hand; de zee die neemt het strand stormenderhand; verbolgen winden, aangierend met kracht alsof de storm de watergeest veracht.
Die hoge zee maakt mens en dier doodsbang, zo indrukwekkend door die dadendrang, maar machtiger dan heel die woest' orkaan bent U, o Heer, U liet die storm ontstaan.
ps. 94:8 en 9 Komt tot inzicht, domme mensen, dwazen, worden jullie ooit verstandig? God heeft onze oren gemaakt, zou hij niet kunnen horen? Hij heeft onze ogen gemaakt, zou hij niet kunnen zien?
94. ONBENULLIGHEID
Wat een geraaskal, lege vaten, die slechts klinkklare onzin praten, kortzichtigheid en dwaas gedoe, dat alles maakt me zo doodmoe; hoe breng ik jullie aan 't verstand dat dazen komt uit wartaalland.
Kom toch tot inzicht, dwaze mensen, dat is een van mijn hartewensen; je oren zijn gemaakt door God, spot dan niet met je levenslot; Hij was het die je ogen schiep, bemerkt wel wat je deed en riep.
ps. 95:3-6 Want de Heer is een groot God, een machtig koning, groter en machtiger dan alle goden. Hij beheerst de diepten der aarde, de toppen van de bergen. Zee en land behoren hem toe, hij heeft ze gemaakt. Kom, laten wij neerknielen, ons buigen, hem onze dank brengen. Hij heeft ons gemaakt.
95. NAGEBOOTST
Zeg mensen, wij zijn nagemaakt, zijn zelf door Gods hand aangeraakt; Hij wou ons in het leven roepen; wij danken aan Hem ons bestaan, hef dan een danklied aan, komaan een lied voor alle leeftijdsgroepen.
Zeg mensen, buigen wij het hoofd en vormen wij een groep die looft en die een woord van dank wil spreken; kniel neer in de vergadering, zing saam als een verademing een levenslied zonder gebreken.
ps. 96:11-13 Laat de hemel zich verheugen, de aarde juichen, de zee bruisen, de zee met al wat erin is. Laten de velden met alle gewassen juichen, de bomen in de bossen het uitjubelen. Want de Heer komt, hij komt om de aarde te besturen, over alle volken zal hij heersen, eerlijk, trouw aan zijn beloften.
96. WERELDVREDE
God zelf komt de aarde besturen, waardoor ontstaat een staakt-het-vuren; in alle landen en op zee is er gelukkig pais en vree, een vrede die altijd zal duren.
Laat dan de planten en de dieren met mensen, zeeën en rivieren daarom gaan tintelen van vreugd; laat ieder schepsel zijn verheugd: zij zullen eeuwig feest gaan vieren.
ps. 97:6 De hemel verkondigt: 'De Heer is rechtvaardig.' De volken zullen hem zien in al zijn macht en majesteit.
97. HEMELSE VREUGDE
De Ziel van het heelal die eeuwig wezen zal staat ver boven de volken woont achter sterrewolken, maar naties kijken op, hun vreugde stijgt ten top, zij zien Gods majesteit, waardoor zij zijn verblijd, tevreden op-en-top.
ps. 98:2 De Heer laat zien dat hij de bevrijder is. Aan alle volken toont hij dat hij rechtvaardig handelt.
98. GELIJKWAARDIGE MENSENKINDEREN
Gods eigen volk is heel de mensheid, ja, alle volkeren op aard' - in eindeloze onbegrensdheid - zijn die voor Hem zeer achtenswaard; Hij wil geen rassen onderscheiden, maar tonen zijn rechtvaardigheid, zal heel der mensheid gaan bevrijden: het einde van de lijdenstijd.
ps. 99:1 en 2 De Heer is koning, hij troont op gevleugelde wezens; de volken beven, de aarde schudt. De Heer oefent zijn macht uit in Sion en heerst over alle volken.
99. WERELDMACHT
Op een koningstroon met een vleugelkroon van een eng'lenschaar woont God wonderbaar, het zijn rijk alleen,
gebiedt iedereen: in alle gebieden zal zijn wil geschieden.
Zijn gevleugeld woord bracht de schepping voort, bijgevolg voert Hij wereldheerschappij, ja, van hogerhand bestuurt Hij elk land; blijft zonder mankeren met liefde regeren.
ps. 100:1-3 Een psalm, tot eer van God. Bewoners van de aarde, juich de Heer toe. Ga naar zijn tempel, vereer hem met vreugde, zing voor hem. Besef: alleen hij is God, hij heeft ons gemaakt, hem behoren wij toe, zijn volk zijn wij. Hij zorgt voor ons als een herder voor zijn kudde.
100. VAN BINNENUIT ZINGEN
Bewoners van de aarde ga naar binnen toe en denk daar na wie ons bestaan in aanzijn riep: is dat niet God die alles schiep?
Daar in je schuilkerk, ongemerkt, bedenk je wat Hij heeft bewerkt: een grote kudde op de wei met bronnen, kooien, velerlei.
Daar in je tempel zit een lied dat je wilt zingen; je doorziet dat God voor ieder aandacht heeft, ook voor ons zorgt en om ons geeft.
Bezingen wij dan vol ontzag die grote Herder dag aan dag; bewijzen wij hem alle eer met vreugdezangen keer op keer. ps. 101:2B-4 [Een psalm uit de bundel van David.] Ik leef met een zuiver hart te midden van mijn hovelingen. Ik heb geen lage bedoelingen, ik verafschuw verkeerde praktijken, ik houd mij er niet mee op. Met gekuip laat ik mij niet in, het kwaad ga ik uit de weg.
101. WEGWIJS
Degenen die bij mij aan 't hof verblijven, zal ik snel van mijn huis en haard verdrijven, als zij doen wat het daglicht niet verdraagt, en mij mishaagt.
Ga uit de weg bij hen die zich misdragen, blijf uit de buurt van hen die zich verlagen tot slinkse streken en laaghartigheid; mijdt hen altijd.
ps. 102: 19-23 Schrijf dat neer voor het komende geslacht, dan zullen ook zij van de Heer zeggen: 'De Heer boog zich naar ons over vanuit zijn heilige hemel, hij heeft ons gezien vanuit zijn hoge woning. Hij heeft het zuchten van de gevangenen gehoord, hij heeft bevrijd wie ten dode waren opgeschreven.' Zo wordt hem in Jeruzalem hulde bewezen, zo wordt zijn naam met ere in Sion genoemd, wanneer alle volken er samenkomen, wanneer men uit alle koninkrijken op weg gaat om de Heer te aanbidden.
102. REISBESCHRIJVING
Voorgeslachten, vaak gevangen, werden met hun zielsverlangen, komend uit de wereldbrand, opgevangen in dit land; God wou hen naar Sion leiden, omdat Hij graag wou bevrijden hen die waren opgesloten, door de mensen uitgestoten.
Hoor, wij zijn de nageslachten, die teruggaan in gedachten naar God die ons heeft bevrijd en verlost uit lijdenstijd: Volkeren uit alle hoeken die Jeruzalem bezoeken, zien ons dansen en ons springen, zien ons danken en ons zingen.
Ps. 103:1-5 Ik dank de Heer, ik dank hem uit de grond van mijn hart. Dank aan de heilige God, geen van zijn weldaden zal ik vergeten. Hij vergeeft mijn fouten en geneest mijn kwalen. Hij redt mij van de dood, omringt mij met liefde en goedheid. Hij geeft mij weer levenskracht, schenkt mij een nieuwe jeugd, maakt mij sterk als een arend.
103. HET DUURT EEN EEUWIGHEID
Tot nu toe hield ik alsmaar in gedachten dat je gaat sterven aan verval van krachten, geleidelijk, maar 't kan ook onverwacht. Ik kon mij niet zo onbewolkt verblijden; al scheen de zon, ik zag vaak schaduwzijden, zodat verdween veel van mijn levenskracht.
Maar thans weet ik: God zal mij leven schenken nadat de dood mij zachtjes heeft staan wenken, omdat ik dan met liefde word omringd; ik krijg weer krachten, nieuwe jonge jaren, want d'Eeuwige wil altijd mij bewaren, zodat mijn hart de Schepper steeds bezingt.
ps. 104:24-26 Heer, wat hebt u al niet gemaakt. En zo wijs, zo kundig. Heel de aarde is uw werk. Daar is de zee, weids, niet te overzien. Ze wemelt van dieren, kleine en grote, niet te tellen; schepen varen er overheen, daar zwemt een leviathan, het zeemonster, u hebt het gemaakt, u speelt ermee.
104. HET AARD- EN WATERRIJK
Wat hebt u, Heer, al niet laten ontstaan? Wat heeft U al dat werk toch welgedaan! Zou ik de aarde willen onderzoeken, benaderen uit alle invalshoeken, dan is dat voor mij veel te uitgebreid, het vergt een eeuwenlange studietijd; door Uw altijddurend scheppingsvermogen geef ik aanhoudend de kost aan mijn ogen.
En als ik zo de wereldzee bekijk: wat is dat toch een prachtig waterrijk dat wemelt van grote en kleine dieren zoals de leviathans en de pieren; zie ik een groot schip op dat ruime sop het lijkt niet veel meer dan een notedop, het heeft iets weg van leuke taferelen: alsof U gids met draak en schip gaat spelen.
ps. 105:39 God beschermde de de Israëlieten met een wolk, een vuur gaf ze licht in de nacht.
105. VEILIGHEIDSLAMP
Ons volk verliet d'Egyptenaren, zag de woestijn met zijn gevaren: Egyptisch' duisternis volop, maar hen ging daar een zoeklicht op; zo liepen zij niet ongewis in ondoordringbaar' duisternis.
God gaf hun licht in alle nachten; dat schijnsel maakte dat zij lachten tegen elkaar in de woestijn, omringd door wolken als gordijn; zij gingen bij dat heilig vuur in donk're nacht naar goede buur.
Ook onderweg naar waterputten kwam God het reizend volk beschutten, trok er een wolkendek omheen, zodra het daglicht weer verscheen; het volk kwam daarom glansrijk aan bij klaar' en heldere Jordaan.
ps. 106:1 en 2 Eer aan de Heer. Breng dank aan de Heer, want hij is goed, eeuwig duurt zijn liefde. Wie kan zijn grootse daden verwoorden. Wie kan hem naar waarde prijzen?
106. MET GEEN PEN TE BESCHRIJVEN
Ons denkvermogen is verward, van het geheel zien wij een flard, wat weten wij van al Gods daden? Zijn werken zijn heel hemelsbreed, steeds moeten wij opnieuw beraden. Wie kan verwoorden wat Hij deed?
Hij voegt de daden bij het woord; zijn scheppingswerk gaat eeuwig voort; de wording is niet onderbroken, zodat door dichter of profeet het laatste woord niet is gesproken. Wie kan verwoorden wat Hij deed?
ps. 107:19 en 20 In hun angst riepen zij de Heer om hulp en hij redde hen van een wisse dood. Met een enkel woord maakte hij hen gezond, zo redde hij hen van het graf.
107. WERKWOORD
Wat heeft een woord voor waarde, een woord dat iemand gaf en daarbij ook gebaarde: het wentelt rond als kaf, indien men zich niet houdt aan plechtige verklaring, dan krijg je het steenkoud van die slechte ervaring.
Is slechts één woord gezonden, door Hem die alles schiep, naar zieken of gewonden, dan werkt zo'n woord heel diep en dringt door in het hart, waar het wordt ingelezen: verdwijnen zal de smart en ieder zal genezen.
ps. 108:1-5 Een lied. Een psalm uit de bundel van David. Nu ben ik veilig, God. Zingen en spelen wil ik, op mijn harp, op mijn lier, de zon wil ik wekken. U wil ik dank brengen, Heer, over u wil ik zingen voor alle volken. Want tot aan de hemel reikt uw liefde, tot aan de wolken uw trouw.
108. VEELSTEMMIGE MEEZINGER
Ik sla mijn harp, speel op de lier, schrijf noten op muziekpapier: zo maak ik een veelstemmig lied, meezinger voor elk taalgebied; bepaald niet voor één staat of land, want ieder mens is bloedverwant; van God zijn alle kroondomeinen; Hij kent immers geen scheidingslijnen.
Zo trilt de lucht door snarenspel, bewegend elk zenuwcel van ieder in het mensenkoor, zingend jaren en eeuwen door; een jubelzang van alleman over het groot bestemmingsplan van God met mensen, dieren, dingen; dat wil de mensheid gaan bezingen.
ps.109:21-23 Maar u, Heer, mijn God, help mij, dat bent u aan uw naam verplicht. Bevrijd mij in uw overgrote liefde. Ik ben zo arm, zo hulpeloos, ik ben gekwetst tot in mijn hart. Mijn leven is niet meer dan een avondschaduw. Men schudt mij van zich af als ongedierte.
109. WEGGEKEKEN VRAGER
Och, help mij God, wees mijn geleide, met leugentaal trekt men ten strijde en werpt een schaduw op mijn leven; mij kwijtraken dat is hun streven; nu ben ik nog een schim, een geest, schaduw van wat ik ben geweest.
Door praatjes over mij te kletsen, wil men mij tot in 't hart diep kwetsen, daarom voel ik mij zeer verdrietig; o, help mij toch, ik ben maar nietig; als ongediert' schudt men mij af, hoewel ik nimmer aanstoot gaf.
ps. 110 helemaal Een psalm uit de bundel van David. Mijn koning, God zegt tegen u: 'Neem plaats aan mijn rechterzijde, ik zal uw vijanden neerleggen als een bank voor uw voeten.' Mijn koning, vanaf de berg Sion zal de Heer uw macht uitbreiden, u zult heersen over al uw vijanden. Als u ten strijde trekt, zal het volk u uit vrije wil volgen. De jongemannen in schitterende gewaden, fris als dauw in de morgen, voegen zich bij u. De Heer heeft u gezworen en hij neemt zijn woord niet terug: 'U zult priester zijn voor altijd, priester als Melchisedek.' De Heer zal u terzijde staan. Op de dag dat hij wraak neemt, verplettert hij de koningen. Hij zal de volken vonnissen, de lijken hopen zich op. De hoofden van de machtigen verbrijzelt hij. Maar de koning zal drinken uit de beek langs de weg, hij heft gesterkt het hoofd.
110. HEILDRONK OP DE EEUWIGE KONING
Vergankelijk zijn koningen der aarde; ze hebben hier slechts tijdelijke macht; ze slapen in, ja zelfs de zeer vermaarde, verdwijnen zomaar op een kwader nacht.
Eeuwige sneeuw zal voeden alle beken, waaruit de Koning water tot zich neemt, een heildronk als een eeuwig levensteken, waardoor Hij zich van d'aarde niet vervreemdt.
De Priesterkoning zal voor altijd leven; onwankelbaar verheft Hij zich als hoofd van alle mensen: Hij is hoogverheven en weet dat heel de mensheid hem straks looft.
ps. 111:10 Wijshheid wortelt in ontzag voor de Heer; wie hem eerbiedigt is verstandig. Voor altijd duurt de roem van de Heer.
111. WORTELS VAN WIJSHEID
Het leven lijkt een studiereis, door scha en schande wordt men wijs en boekenwijsheid is niet handig; heel het bestaan wordt er doorzocht, het schijnt wel een verkenningstocht, maar wordt men onderweg verstandig?
Voelt men ontzag voor God, de Heer, bewijst men aan Hem alle eer, dan wortelt daarin alle wijsheid: uw stam groeit uit, de tak draagt vrucht, van zorg bevrijd en opgelucht leeft u tot in uw oude grijsheid.
ps. 112:1, 4 en 7 Eer aan de Heer. Gelukkig de mens die ontzag heeft voor de Heer en vreugde vindt in zijn geboden. Voor wie God getrouw zijn, is hij een licht in het duister; hij is vol medelijden, is goedgunstig en rechtvaardig. Een slechte tijding vreest hij niet. Hij is vastberaden, want hij vertrouwt op de Heer.
112. VAN GEEN WIJKEN WETEN
Men hoort zo vaak slechte berichten; veel levens kunnen zo ontwrichten; een jobstijdig laat mensen rillen en van benauwdheid gaat men trillen, men gaat zich zeer gejaagd gedragen en kijkt gedurig heel verslagen.
Hij die ontzag voor God wil tonen, schrikt niet zo snel; van die personen die slechte tijding ruchtbaar maken; hij zal niet in paniek geraken en vlucht niet over kronkelpaden, maar hij is altijd vastberaden.
ps 113 Eer aan de Heer! Dienaars van de Heer, breng hulde aan de Heer. Ja, breng hem hulde, dank hem, nu en altijd! Vanwaar de zon opkomt tot waar zij ondergaat, overal bewijst men hem eer. De Heer heerst over alle volken, zijn macht reikt hoger dan de hemel. Wie is als de Heer, onze God? Hoog zetelt hij op zijn troon, diep buigt hij zich om te kijken naar hemel en aarde. De zwakke tilt hij uit het stof, de arme haalt hij uit het slijk. Hij geeft hun aanzien, een ereplaats onder zijn volk. Van een vrouw zonder kinderen maakt hij een blijde moeder.
113. MOEDERDAG BREEKT AAN
Hier rust een vrouw in 't graf zo zacht die heel haar leven heeft gewacht op wederhelft en samenwonen; begreep niets van haar levenslot, werd ook nog heimelijk bespot, als zij wenste dochters en zonen.
Zo is er ook een lieve vrouw, gelukkig en haar man getrouw, die weduwvrouw werd na veel jaren; droeg nooit een kindje onder 't hart, haart toekomstbeeld lijkt ravenzwart; ze kijkt bedroefd naar ouderparen.
De toekomst gaat oneindig door en schepping staat niet op dood spoor, daarvoor zorgt onze Albehoeder, want van een vrouw - thans kinderloos - maakt hij bloedmooi en grandioos te Zijner tijd een blijde moeder.
ps. 114:7 en 8 Aarde, krimp ineen voor je heerser, voor de God van Jakob. Want hij is het die rotsen veranderde in een meer, hard gesteente in een bron.
114. STEENGOED
Zeg aarde, al ben je als kiezelsteen en ga je lang door hemelruimte heen met al je horizonnen, als Jacobs God je korst verand'ren wil, worden gesteentes, roerloos en doodstil: toevallig waterbronnen.
Zeg aarde, krimp in voor de Hemelvorst, want Hij herschept je als Jacobs volk dorst en zal dan presenteren: water dat fris tot aan de lippen staat en met hen meegaat als hun mondjesmaat; zo worden rotsen meren.
ps. 115:16-18 De Hemel behoort toe aan de Heer, de aarde geeft hij aan de mensen. Niet de doden brengen hulde aan de Heer, niet de doden in de stilte van hun graf, maar wij brengen dank aan de Heer, nu en altijd. Eer aan de Heer!
115. ONONDERBROKEN LIED
Nu klinkt ons lied, welluidend eerbewijs aan stations op onze wereldreis waar wij veel moois bespeuren, zodat wij dankbaar zijn voor Hem die schept maaksels zonder mankeren, ongerept, in vormen, geuren, kleuren.
Zijn we gezonken in het stille graf, dan komt opeens een engel op ons af om onze geest te leiden naar oorden, waar we zingen in een koor naamwoorden als dank aan God altijd door: getijden van verblijden.
ps. 116:1-4 De Heer heb ik lief! Hij heeft mij gehoord toen ik om hulp smeekte, hij heeft geluisterd toen ik hem riep! De dood had mij in zijn greep, in zijn ketenen was ik gevangen. Ik zag geen uitweg meer, ik was wanhopig. Toen heb ik geroepen: 'Heer, red mij toch.'
116. KLEURRIJK SCHOUWSPEL
Aangrijpend als men worstelt met de dood, niet geven kan een simpel levensteken, het innerlijk ternauwernood kan smeken, want er is levensgrote ademnood.
Ingrijpend kan dan zijn een stil gebed dat woordeloos in 't hart woordt weergegeven, waar men ontwaart de schepper van het leven, maar ook beseft: ik word eruit gered.
Dan opent zich een heel mooi vergezicht met levendige, intens diepe kleuren en gaat een mens hartstochtelijk bespeuren de schoonheid van het verder' levenslicht.
ps. 117
Volken, breng hulde aan de Heer! Naties, bewijs hem eer! Overweldigend is zijn liefde, eeuwig duurt zijn trouw. Eer aan de Heer!
117. ALLEMENSEN! Geen volk mag zeggen 'God met ons. Aanval kan goed met bataljons of ander oorlogstuig, zodat ons land een groter stuk omvat; het gaat er steeds meer op lijken: God stuurt ons zijn liefdeblijken.'
Die god, maaksel van èigen woord, heeft vele volken uitgemoord of weggesleept als handelswaar; zo woog u geld, inwisselbaar voor jachthuizen en kastelen. Al dat leed kon u niets schelen.
Maar in elk land over de grens woont tijdgenoot en medemens, gelijkwaardig en zielsverwant, van hogerhand aldaar geplant. Want God is niet van u alleen; Hij geeft zijn liefde aan elkeen.
Tolken, vertaal dit zonneklaar: De volken worden vriendenschaar die maatvast zingt in stad en land 'God is met ons, danst hand in hand, zijn liefde is indrukwekkend, zijn trouw voor allen verstrekkend.'
ps. 118:1-6 Breng dank aan de Heer, want hij is goed, eeuwig duurt zijn liefde. Israël, blijf zeggen: 'Eeuwig duurt zijn liefde.' Priesters, blijf herhalen: 'Eeuwig duurt zijn liefde.' Wie ontzag heeft voor de Heer, moet steeds weer zeggen: 'Eeuwig duurt zijn liefde.' Ik voelde me beklemd en ik riep de Heer; hij gaf mij antwoord en ik kon weer ruim ademhalen. De Heer is met mij, ik ben niet bang meer: wat kunnen mensen mij nog doen?
118. MET FRISSE MOED
Ik stond eens als een riet te beven, verkeerde ook in ademnood; 'k was al angstvallig thuisgebleven, was strijk en zet bang als de dood; nachtmerries gingen mij benauwen, adembenemend was mijn schrik, verdwenen was mijn zelfvertrouwen, voelde me angsthaas voor de strik.
'Och God, bewaar me!',zei ik smekend en dat heeft mij erg opgelucht; ik zag een zoeklicht dat baanbrekend mijn angst verjoeg: die nam de vlucht; daarna kon ik ruim ademhalen, zag rondedans in visioen, ga nu naar buiten zonder dralen, wat kunnen mensen mij nog doen?
ps. 119:129 en 130 Wonderen zijn uw woorden, daarom draag ik ze in mijn hart. Uw woorden zijn deuren naar het licht, inzicht krijgt wie nog in het duister tast.
119. DEUREN NAAR HET LICHT
U heeft de wereld vaak versteld doen staan in alle tijden en in alle oorden door Uw gezegden die wel te verstaan waren als luisterrijke slotakkoorden; die draag ik daarom steeds mee in mijn hart, want wonderen zijn immers als uw woorden.
Hoe kostbaar is mij toch uw woordenschat; zij is voor mij als openslaande deuren uitkomend op het licht: nieuw levenspad met rozegeuren en met buitenkleuren; een woordenschat die alle kracht bevat, waardoor nog altijd wonderen gebeuren.
ps. 120:1 en 2 Een pelgrimslied. In nood roep ik de Heer, hij antwoordt mij. Heer, bevrijd mij toch, bevrijd mij van leugentaal en lastertongen.
120. TAALBEDERF
Een lastermond wil lagen leggen en slechts stinkende leugens zeggen; door het slijk wil hij mijn naam sleuren, dat gaat maar steeds door, uitentreuren; de pijlen van die lastertongen zijn in mijn lijf binnengedrongen. Redt mij, God, van die leugentaal, zodat ik weer ruim ademhaal.
ps. 121:1, 2 en 8 Ik kijk naar de bergen want vandaar verwacht ik hulp. Te hulp komt mij de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft ... Waar je ook gaat of staat, de Heer waakt over je, nu en altijd.
121. WELBEWAAKT
Fijn leven wil toch ieder mens geborgen, welbewaard, wat moois bijeengegaard, veel vrienden, bijstand, hartewens. Hoe kan je dat bewaren, jouw dagen, maanden, jaren?
Mijn leven staat steeds op het spel; waar ik mij ook bevind: ik blijf een zorgenkind; van schrik krijg ik soms kippevel. Wie kan een mens behoeden nu wereldbranden woeden?
Zo'n leven lijkt een grillig lot; zo in het wilde weg weet je van heg noch steg. Weet, waar je staat of gaat, dat God ook jou wil vervolmaken, steeds over je zal waken!
ps. 122:3 en 4 Jeruzalem, hecht gebouwde stad, omgeven met machtige muren. Naar jou komen de stammen van Israël, de stammen van de Heer; hem komen zij eren, dat is hun opdracht.
122. DE OPDRACHT VAN HET BOEK
Wij, kinderen van Israël, kennen de opdracht van het Boek, brengen zo mogelijk bezoek en geven heel veel eerherstel aan de verheven grote stad, die God altijd heeft liefgehad; daar willen wij de knieën buigen; die stad is door ons hooggeacht, daar hebben wij een groepsopdracht: om zo al zingend te getuigen.
Jeruzalem, jij ereplaats, van alle kanten komen wij naar jou eerbiedig naderbij; jij bent alleen achttien karaats; wij komen uit de wereldbrand en leefden daar in niemandsland, waar wij je in de geest aanschouwden; zingend met stem en tegenstem zullen we jou, Jeruzalem, in eeuwigheid in ere houden.
ps. 123:3 Heb medelijden met ons, Heer, heb medelijden, want we worden zo veracht.
123. WEERLOOS
O Mensenvriend, kijk uit de hoogte neer, op Uw volk, keer op keer; heb toch met ons ontzettend medelijden en wil ons rap verblijden, want heel de dag wil men Uw volk kleineren; wij kunnen ons niet weren; O, grote God, wees zeer met ons begaan: wij zijn heel erg ontdaan.
ps. 124:7 en 8 Als een vogel zijn we ontsnapt uit het net; het net scheurde en wij zijn ontkomen. Te hulp komt ons de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.
124. EEN HOGE VLUCHT NEMEN
Ik wil mijn ziel graag in een vogelvlucht opbeuren, vrij van alle oorlogszucht, om rond de aardbol in een vogeltrek geluksvogel te zijn die, opgelucht, rustig gaat zoeken naar een nieuwe plek
waar ik kan vinden voedsel voor mijn geest en op kan pikken zaden, onbevreesd; daar zie ik spijs, hoor lokken zoet gefluit, zodat ik neerstrijk; hier is het een feest. Plots slaat het vogelnet dat mij omsluit.
Ook in dit warnet staat het vragen vrij. Waar vind ik hulp, wie hoort mijn angstgeschrei? Help! De vogelmarkt is één strijdgewoel. De Eeuwige trekt het net stuk voor mij en geeft mij ruimte voor mijn levensdoel.
ps. 125:2 Zoals de bergen Jeruzalem omringen, zo omringt der Heer zijn
volk, nu en altijd. 125. INWONERS VAN 'S-HEERENBERG
De bergen hebben zich verheven, vormen het ruggemerg, omgeven 's-Heerenberg, Jeruzalem werd vormgegeven door rotsen die de stad omvatten met al haar schatten.
Zo houdt God ook zijn volk omsloten, beschermt hen dag en nacht en is hun buitenwacht; Jeruzalem, zonovergoten, een bergplaats die te allen tijde zich kan verblijden.
ps. 126:1-3 Een pelgrimslied. Het was als een droom: Jeruzalem, door de Heer hersteld, in ouder glorie. We konden weer lachen, van vreugde juichen: alle volken zeiden: 'De Heer heeft voor hen iets groots verricht.' De Heer heeft voor ons iets groots verricht, wat waren we gelukkig.
126. STIJLVOL MEESTERWERK
De mensen zeggen vaak zoveel, maar volken zagen het juweel, Jeruzalem dat wonderwel een Meesterwerk in Israël geworden was, in oude glorie, schitterend mooi in elke porie; die naties zeiden toe: 'Kijk aan! God heeft voor hen iets groots gedaan.'
ps. 127:1 Een pelgrimslied. Uit de bundel van Salomo. Als de Heer het huis niet bouwt, bouwen de mensen voor niets. Als de Heer de stad niet bewaakt, waakt de wachter voor niets.
127. DIEPE ONDERGROND
De bouwvakkers bouwen een huis; volgens het opgestelde plan werken knechten en timmerman tot aan het drukke feestgedruis bij inwijding van huis en hof: de bouwmeester krijgt niets dan lof.
Al lijkt dat huis een stevig pand, het staat op zand en houdt geen stand, 't is krachtverspilling, niemendal; de mensen hebben, al met al, voor niets geploeterd en gesjouwd, wanneer de Heer het huis niet bouwt.
ps. 128: 1 en 2 Een pelgrimslied. Gelukkig ben je als je ontzag hebt voor de Heer, de wegen volgt die hij de wijst! Dan pluk je de vruchten van je arbeid, je zult gelukkig zijn, het zal je goed gaan.
128. REISGIDS
Waarheen zal men zich wenden? Je moet ergens op af; zij die de weg verkenden een weg die hen hergaf een spoor met overwegen van voor- en tegenspoed zijn moe van voor en tegen en twijfelen voorgoed.
Als ik met goede reisgids veel tekst en uitleg hoor en scherp ook mijn vertand spits, dan krijg ik heel gauw door: zo ik ontzag voor God toon, gehoor geef aan zijn raad, is het geluk mijn plukloon met vruchten vroeg en laat.
ps. 129:1 en 2 Een pelgrimslied. 'Hoe ze ons ook tegenwerkten van jongs af aan, - Israël kan het niet genoeg herhalen - hoe ze ons ook tegenwerkten, ze konden ons niet overmeesteren...' [['ze' = de vijanden van Sion]]
129. EINDOVERWINNING
Wij maken saam een grote bedevaart en daarom zijn we blij, heel diep van binnen; de vijand wou ons vegen van de kaart: zijn tegenstand kon ons niet overwinnen.
Wij zijn op weg naar onze tempelstad waar wij ons saam een tijdje gaan bezinnen; de hater stoort vanaf de bakermat: zijn tegenstand kon ons niet overwinnen.
Wij reizen nu terug naar huis en haard waar wij vrij wonen met onze gezinnen, zingen een pelgrimslied dat nooit verjaart: "zijn tegenstand kon ons niet overwinnen."
ps. 130:5 en 6 [Een pelgrimslied] Ik heb alle hoop op de Heer gevestigd, ik vertrouw op zijn bevrijdend woord. Ik kijk uit naar de Heer, met meer verlangen dan nachtwakers naar de morgen, naar het aanbreken van de dag.
130. REIKHALZEND UITZIEN
Steeds in het donker turen, beducht op het gevaar, kou is er te verduren, de dief en moordenaar gaan rond en willen stelen in 't donker van de nacht; soms zijn er strijdtonelen, maar er staat buitenwacht.
Ik heb veel godsvertrouwen, al is er grote nood; mijn handen zijn gevouwen: straks komt het morgenrood; ik kijk met meer begeren naar God verlangend rond dan wachters herwaarderen de gouden ochtendstond.
ps. 131:2 Mijn hart is tot rust gekomen, ik ben niet langer gejaagd; als een kind in de armen van zijn moeder, zo rustig ben ik.
131. GEMOEDSRUST
Niet langer ben ik rusteloos, mijn hart is vredig voor altoos; mijn moeder noemde mij "mijn lam", toen zij mij in haar armen nam.
Ik tast nu met mijn kindermond naar moeders lijf, mooi vol en rond, zij is het die mij zo omarmt dat heel mijn lijf wordt opgewarmd.
ps. 132:13-16 De Heer heeft Jeruzalem gekozen als plaats waar hij wil verblijven. Hij zei: 'Hier ga ik rusten voor altijd, hier wil ik blijven wonen. Ik zal de stad rijkelijk zegenen, de armen krijgen eten in overvloed, de priesters zullen hun kleed waardig zijn, zijn gunstelingen uitbundig juichen...'
132. WONEN IN DE WOORDENSCHAT
Jeruzalem, hier woont uw Heer; Hij daalde uit de hemel neer en Hij verlaat u nimmermeer; zijn alomtegenwoordigheid geeft uw plaats onaantastbaarheid.
De Heer koos woonplaats in de stad, die Hij eeuwig heeft liefgehad; daar woont Hij in de woordenschat van uitspraken die Hij zelf deed, vertolkt door iedere profeet.
ps. 133: 1-3 (helemaal) Een pelgrimslied. Uit de bundel van David. Wat goed is het, wat heerlijk, in eendracht bij elkaar te wonen. Weldadig is het als de balsem die uitgegoten is op Aärons hoofd en neerdruipt op zijn baard en kleren. Verfrissend is het als de dauw, die neerdaalt op de berg Hermon en de heuvels van Sion bedekt. Daar vanuit Sion zorgt de Heer voor een gelukkig leven.
133. VREDELIEVEND LEEFKLIMAAT
Als mensen met elkaar in vrede leven, dan wordt er niemand in het nauw gedreven, en lijkt het op de frisse dauw, die van de Hermon daalt op elk' landouw van Sions heuvels en die zó bedekt dat levenskracht wordt opgewekt.
ps. 134:1-3 (helemaal) Een pelgrimslied. Kom en zing de lof van de Heer, iedereen die hem dient, die ook 's nachts in zijn huis is. Hef uw handen omhoog in gebed en zing de lof van de Heer, in zijn heiligdom, op de Sion. Daar zal hij u zegenen, hij die hemel en aarde gemaakt heeft.
134. TOCHT DOOR HET ZEGENRIJK
Kom, vreemde, verlaat huis en haard, samen doen wij een bedevaart naar de Beschermheer van ons volk, die tot ons kwam in grote wolk.
Kom, landgenoot, God kent jou god, zing met ons mee, wees welgemoed, wij gaan naar Sion, sluit je aan bij hen die met ons bidden gaan.
Kom, pelgrim, Hij die alles schiep, jouw leven ook in aanzien riep, Hij zegent in Jeruzalem ons allen met de priesterstem.
ps. 135:13-18 Heer, U hebt een grote naam, men zal u roemen van geslacht op geslacht. De Heer zal zijn volk recht doen, hij laat het niet aan zijn lot over. De goden van andere volken, van zilver of van goud, het zijn maar beelden. Zij hebben een mond maar kunnen niet spreken; zij hebben ogen maar kunnen niet zien. Zij hebben oren maar kunnen niet horen en uit hun mond komt geen adem. Wie beelden maakt, op beelden vertrouwt, wordt aan een beeld gelijk.
135. SPREEKWOORDEN
Wie een beeld maakt van zijn god en daarop vertrouwen wil, lijkt wel op een grote zot, want dat beeldje zwijgt doodstil, de ogen kunnen niet zien en het is doof bovendien.
Later wordt hij evenbeeld, daar hij sprekend daarop lijkt; er heeft zich wat afgespeeld, zelfs geen beeldspraak is bereikt; maar tot zijn volk spreekt de Heer: "In jouw lot breng ik een keer."
ps.136: 23-26 [[De Heer, de hoogste God, de opperste Heer]] Hij die ons bijstond in zware tijden. Eeuwig duurt zijn liefde. Hij brak het juk van onze vijanden. Eeuwig duurt zijn liefde. Hij voedt al wat leeft. Eeuwig duurt zijn liefde. Breng hulde aan de God van de hemel! Eeuwig duurt zijn liefde.
136. ALTIJDDURENDE BIJSTAND
Breng hulde aan God, de Heer, die ons bijstond telkens weer; ja, tot hulp was Hij bereid, want Gods liefde duurt altijd.
Geeft eer aan de hoogste God; ons juk ging immers kapot; zo heeft hij ons volk bevrijd, want Gods liefde duurt altijd.
Loof de allerhoogste Heer; Hij ziet op zijn schepsels neer; voedt hen zonder onderscheid, want Gods liefde duurt altijd.
ps. 137:1-4 Wij zaten aan Babels rivieren en huilden als we dachten aan Sion. Aan de wilgen daar hingen wij onze lieren. Wie ons gevangen hielden, ons onderdrukten, wilden dat we vroilijk waren, vroegen ons te zingen: 'Zing voor ons, een van die liedjes over Sion.' Maar wie kan zingen voor de Heer op vreemde grond?
137. TEGENGEHOUDEN PELGRIMS ZINGEN NIET
In het verleden woonden wij in Babel en voelden ons daar heel erg miserabel; we dachten: dit is 't einde van het lied, want daar leefden we op vreemd grondgebied en aan de wilgen hingen onze lieren; de vijand sarde ons op veel manieren.
"Wil toch voor ons zo'n vrolijk liedje zingen, waarmee jullie voorheen naar Sion gingen." Dat was wat onze vijand ons dan vroeg terwijl hij ons verdrukte, zich misdroeg; hoe zouden wij aanheffen onze zangen voor onze Heer, want wij waren gevangen.
ps. 138:6-8 Heer, al woont u hoog in de Hemel, u hebt oog voor de geringen en herkent hoogmoedigen van verre. Al verkeer ik in grote angst, al word ik bedreigd, u houdt mij in leven. U steekt uw hand uit en redt mij. U blijft voor mij zorgen, uw liefde is eeuwig, Heer, u hebt mij gemaakt, trek uw handen niet van mij af.
138. HAND IN HAND GAAN
Almachtige, ik ben doodsbang en urenlang van schrik bevangen; ik ben bedreigd en loop gevaar, maar heb voorwaar geen doodsverlangen, maar eeuwig is Uw liefde, Heer, want keer op keer zult U mij sparen; U trekt uw hand niet van mij af, zult mij na 't graf altijd bewaren.
ps. 139:16 U zag mij toen ik nog geen vorm had, en mijn dagen waren al vastgesteld, al geschreven in uw boek, voor er één enkele was aangebroken.
139. DE ALZIENDE
Gods stemgeluid riep vrouw en man in een briljant bestemmingsplan. Mijn zieleleven toch verried zich in de verste verte niet; ook was het rijk der moog'lijkheden nog geen verleden, toekomst, heden.
Mijn levensduur werd vastgesteld voor er één dag was weggesneld. God, U hield al zielsveel van mij voordat U schreef Uw boekerij; lang voor mijn vormen al bestonden, kon U mijn wezen reeds doorgronden.
ps. 140:13 Heer, ik weet dat u het opneemt voor de armen, hun zaak verdedigt.
140. IEMAND IN DE ARM NEMEN
In 't godshuis ben ik opgenomen en leef daar van liefdadigheid; zo heb ik een goed onderkomen met mondvoorraad: gebenedijd.
God, voor de arme stervelingen bent U altijd de advocaat en pleit voor hen in rechtsgedingen, al zijn ze zo arm als de straat.
ps. 141:3 en 4 Heer, houd mijn tong in toom, waak over mijn woorden. Houd mij weg van het kwaad, sta niet toe dat ik onrecht bedrijf en meedoe met misdadige mensen, hoe aanlokkelijk het ook mag zijn.
141. BEHOEDER, BESCHERMHEER EN BEWAKER
Behoeder, luister naar mijn smeken en houd altijd mijn tong in toom, laat uit mijn mond geen woordenstroom gedachteloos het kwade spreken.
Beschermheer, houd mij weg van wegen, waarop de onverlaten gaan, want met hen meedoen trekt mij aan; ook ik ben tot het kwaad genegen.
Bewaker, wil vooral niet toestaan dat ik eenmaal onrecht bedrijf, geef dat ik immer eerlijk blijf, wil dag en nacht met Uw hulp klaarstaan.
ps. 142:1-4 Een lied uit de bundel van David. David heeft dat lied gedicht toen hij zich verborgen hield in een grot. Een gebed. Heer, luid roep ik tot u om hulp, luid smeek ik u om medelijden. Mijn hart stort ik bij u uit, u vertel ik al mijn zorgen. Heer, u kent de weg die ik moet gaan, maar ik dreig de moed te verliezen, want overal vind ik strikken op mijn pad, door vijanden uitgezet.
142. VERVOLGVERHAAL
God, hoor toch dit vervolgverhaal, dat aan U geeft een noodsignaal, want ik ben werkelijk beducht voor vijanden met oorlogszucht.
Daarom koos ik het hazepad, dat overal vol strikken zat en kwam terecht in de spelonk, alwaar ik in het niet verzonk.
Niet nodig dat ik U vertel dit lotgeval, maar ik zit knel; laat mij hier weggaan binnenkort; ik schreeuw voor ik geslagen word.
Laat mij mijn hart uitstorten, Heer: de moed verlaat mij min of meer, U kent de weg die ik moet gaan, verlos mij, haal mij hier vandaan.
ps. 143:7 en 8 Heer, antwoord mij snel, want ik ben aan het eind van mijn krachten. Houd u voor mij niet verborgen, want anders kan ik beter dood zijn. Laat mij uw stem weer horen, uw liefde voelen, elke morgen opnieuw; op u vertrouw ik. Wijs me de weg die ik moet gaan; aan u vertrouw ik me toe.
143. ADEMBENEMEND VOORTBESTAAN
Wil bliksemsnel mij antwoord geven, mijn krachten gaan mij al begeven, o God, ik zit in ademnood, verberg U niet, toon medeleven, want anders ben ik beter dood.
Ik luister nu met open oren of ik Uw antwoord al kan horen, wees elke dag mijn reisgenoot op weg naar goudgeel zonnegloren, want anders ben ik beter dood.
ps. 144:3 en 4 Heer, wat is de mens dat u om hem geeft, wat betekent hij dat u voor hem zorgt? De mens is een zuchtje wind, zijn leven een voorbijgaande schaduw!
144. VRAGEN ONDER DE ADEMTOCHT
In 't schaduwrijk is het zeer aardedonker, als er niet is een warm en zacht geflonker; zie daar een mens en wat betekent hij: een schaduwplek, terloops gaat hij voorbij; hij is een wind, afzwakkend en bedarend, een hebzuchtje, zacht wenkend, druk gebarend. Wat is die mens, God, dat U om hem geeft, dat U gevoelvol met hem medeleeft?
ps. 145:18 De Heer is nabij aan wie een beroep op hem doet, aan iedereen die oprecht zijn hulp vraagt.
145. BEREIKBARE HULPLIJN
Voor bidden geldt nooit een beroepstermijn; er is toch altijd een verbindingslijn tussen de mens die ondersteuning wil en God, want er bestaat geen tijdsverschil; hij kan gewoon oprecht om hulp gaan vragen en d'Eeuwige heeft hem gadegeslagen. Dit immers is de eerste levenswijsheid: bij ieder mens is God in de nabijheid.
ps. 146:5 en 6 Vertrouw niet op machthebbers, het zijn maar mensen, zij kunnen je niet redden. Gelukkig wie steun zoekt bij de God van Jakob, alles verwacht van de Heer, zijn God, van hem die hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en alles wat erin leeft, van hem die trouw blijft, altijd.
146. LEVENSVORST
Iemand gaat zich anders kleden in een jas van hermelijn, zet een kroon op, wordt aanbeden, door het volk op straat en plein, hij die is met macht bekleed, redt het volk van alle leed.
Zeg, verlosser en bevrijder, machthebber uit alle macht, stel God zegt jou: 'Ik verwijder', wie geeft mij dan levenskracht? Op jou steunen kan straks niet; nergens op jouw grondgebied.
Ik stel liever mijn vertrouwen in de Schepper van 't heelal op wie ik altijd kan bouwen, en staat op maak overal; ook al ben ik doodsbenauwd, Hij is mijn levensbehoud.
ps. 147:15 [[God...]] Hij stuurt de bevelen op aarde af, zijn woord is een snelle bode...
147. TEGENWOORDIGE TIJD
Een mens staat vaak voor levensvragen terwijl geen redding op komt dagen; hij wil het woord tot iemand richten die snel kan geven vergezichten op welversierde grondgebieden, waar ook nog wonderen geschieden en hij een antwoord kan ontdekken dat vreugde in hem kan verwekken.
Op vragen komen tegenwoorden die samen klinken als akkoorden, afkomstig van het Opperwezen, het Hoge Woord, dat onvolprezen, in minder dan geen tijd wil geven in ons reikhalzende stilleven: antwoord in elke periode, gesproken door een hemelbode.
ps. 148:1-6 Eer aan de Heer. Laat heel de hemel eer brengen aan de Heer, allen daar in de hoge. Eer hem, engelen, eer hem, hemelse krachten, eer hem, zon en maan, eer hem, stralende sterren, eer hem, wateren daarboven. Ja, hem, de Heer, moeten zij eren, want op zijn bevel zijn ze ontstaan. Hij houdt ze voor altijd in stand, hij stelt de wetten die geen van hen overtreedt.
148. DE STERREN VAN DE HEMEL ZINGEN
Zeg, hemelbode, hier op aard is niets bestendig, niets veel waard, maar bij jou, ver en hemelhoog,
nog hoger dan de hemelboog zal God jou duurzaam gaande houden; jij hoort eeuwig bij zijn vertrouwden; jouw voortbestaan is eindeloos en levenslustig voor altoos.
Zeg, hemelbode, geef dan eer aan God, de allerhoogste Heer; zing voor hem heel je leven lang een luisterrijke eng'lenzang; ja alle krachten in den hoge, zing mee, van vreugde opgetogen; ook jullie, sterren, zon en maan, eert Hem, omdat je bent ontstaan.
ps. 149:1-3 Eer aan de Heer! Zing voor de Heer een niew lied, zing zijn lof als jullie bijeen zijn, jullie die zijn gunst genieten. Wees blij, Israël, de Heer is jullie schepper. Juich, inwoners van Sion, hij is jullie koning. Eer hem met zang en dans, met spel op tamboerijn en lier.
149. ZANG- EN DANSFESTIVAL
Laten we een nieuw lied gaan maken, waardoor we in vervoering raken; laten we loven altegader de Schepper, onze Vader; bewijzen wij Hem alle eer, dat ieder zegt: 'Ik musiceer als een tamboer met veel plezier en luister naar de lier.'
In optocht gaan we samen dansen, want God geeft ons weer alle kansen om te gaan zingen op die klanken, een dansfeest om te danken; wij juichen en zijn zeer verheugd, zie ons eens tintelen van vreugd, we jubelen; hoor, de kapel: een klankrijk samenspel!
ps. 150:6 Laat alles wat adem heeft de lof zingen van de Heer. Eer aan de Heer!
150. HET GRENZELOZE KLANKRIJK
De dampkring geeft dier en mens lucht tot aan de bovengrens, laat licht door tot plantenrijk dat lucht omzet en gelijk voedsel biedt aan ieder wezen, dat alsmaar toeleven mocht op zijn grote ademtocht naar zijn God, heel hooggeprezen.
Laat een mens met elke zucht en levenswekkende lucht die hij uit het luchtruim krijgt eer geven die overstijgt het onwijze onzin spreken; laat hij met een mooi gezang God gaan roemen die zo lang aan ons gaf een levensteken.
Laat het zijn een levenslied, komend uit elk taalgebied, waar de mens spreekt en het dier die geschapen zijn om hier heel hun leven onomwonden God te geven eer en prijs, want zij zijn toch het bewijs dat Zijn woorden weerklank vonden.
|
Home >