Home‎ > ‎

DEUREN NAAR HET LICHT


Daaf Bokhout


 DEUREN NAAR HET LICHT

Alle 150 psalmen

Voor de titel verwijs ik naar ps. 119

=========================


 

ps.1:2

Gelukkig de mens die vreugde vindt in de woorden van de Heer,

ze steeds weer overdenkt, overdag en 's nachts.

 

1.SLEUTELWOORD

 

Een mens hoopt dikwijls op het blind geluk,

zodat hij niet staat onder hoge druk;

als het niet komt, dan gaat hij naarstig zoeken

in hoeken, gaten en in studieboeken;

zijn levensstijl wordt een warrig gewoel,

want hij begeert voorspoed als levensdoel.

 

Totdat hij woorden van de Oorsprong hoort

of leest in heilig boek een sleutelwoord,

dat vergezichten zal gaan openleggen

dan wil hij weten wat God hem wil zeggen

en zal hij voortaan in gedachtengang

gelukkig zijn het hele leven lang.


ps.2:7 en 8

De koning zegt: 'Luister naar het besluit van de Heer.

Dit zijn zijn woorden: Jij bent mijn zoon, vanaf heden

ben ik je vader. Vraag mij wat je wilt; ik geeft je

heel de aarde in handen, ik stel alle volken onder

je beheer...'

 

 

2.LIEVELINGSWERK

 

 

De Bron vertelt het nieuwgeboren kind

dat in de schepping veel bollen bewegen

en een ervan komt onder het bewind

van die afstammeling die is genegen

om die planeet vorstelijk te besturen

en waar hij altijd graag mee samenleeft.

'Vraag in het nu; daar zijn mijn creaturen,

waarvoor de zon het licht zacht heeft gezeefd.'

 

 

Dat kind gaf daarop antwoord aan zijn Bron

'In 't eeuwig heden hou ik steeds in handen

en koester heel de wereld in de zon,

zal haar hoop geven op veilige stranden.

waar zij bewaard is, zeker en geborgen;

dit is voortdurend mijn lievelingswerk;

ik zet elk mensenkind vandaag of morgen

in 't paradijs dat kent noch paal noch perk.'

 

 

ps. 3:5 en 6

Wanneer ik de Heer om hulp roep, antwoordt hij mij vanaf zijn

heilige berg. Ik ben gaan slapen en ben weer ontwaakt:

de Heer heeft mij onder zijn hoede.

 

 

3.LIJFWACHT

 

 

Steeds werd ik mij gewaar

van een groot doodsgevaar

in al mijn levensdagen.

Dan zat ik in de knel,

mijn leven werd een hel,

ik zag veel hinderlagen,

voelde mij ongedekt

en was niet opgewekt

in mijn onzekerheden.

Ik ben vooral bedacht

op onraad dat mij wacht

en ben zo moegestreden.

 

 

Nadat ik om hulp riep

bij Hem die alles schiep

heb ik antwoord gekregen.

Of ik nu slaap of waak,

in moeilijkheid geraak,

Hij redt mij allerwegen.

Al ben ik machteloos

of slaap ik als een roos,

er staan engelenscharen,

lijfwachten om mij heen;

zo ben ik nooit alleen,

want God zal mij bewaren.

 

 

ps. 4:2 en 4

God, antwoord mij als ik roep. U doet mij recht, u geeft

mij weer ruimte als ik in het nauw zit. Heb medelijden

met mij, luister naar mijn bidden.

 

 

Weet dit wel: De Heer doet wonderen voor wie hem trouw

zijn; hij luistert als ik hem roep.

 

 

4. ERVAREN WACHTER

 

 

Meermalen heb ik ondervonden

dat U mij woord voor woord verstaat,

als mijn gebed werd opgezonden,

omdat benauwdheden ontstonden.

Sta mij weer bij met raad en daad;

nu ben ik in het nauw gedreven.

'k Wacht stil op U tot U mij redt.

U kunt een mens de ruimte geven

en laten zien Uw medeleven.

U bent nabij, hoor mijn gebed.

 

 

ps. 5:12 en 13

Verheugen zullen zich allen die schuilen bij U, aan hun

gejuich komt geen einde, omdat u hen beschermt. Wie u

beminnen, uw naam in ere houden, zullen u toejuichen.

Heer, u zegent wie zich richt naar u, liefdevol beschermt

u hem, als een schild.

 

 

5. BESCHERMD WONEN

 

 

In Uw woning ben ik verscholen,

beschut tegen de wereldsmart.

gekoesterd aan Uw moederhart.

Nu hoor ik na langdurig dolen

klank van violen.

 

 

Want ieder is bij U geborgen,

juicht levenslustiog en dolblij

in flonkerende feestkledij;

het is oneindig hedenmorgen;

geen tijd voor zorgen.

 

 

ps. 6:8

Jullie die mij kwaad willen doen, verdwijn uit mijn ogen!

Want de Heer hoort mij als ik huil, de Heer luistert als ik

smeek, de Heer wijst mij niet af.

 

 

6. TROOSTRIJKE GEDACHTE

 

 

Ach, laat mij toch betijen;

ik moet zo bitter schreien

en heb veel zielsverdriet;

omhoog hef ik de armen,

God wil zich steeds erbarmen,

want hij vergeet mij niet.

 

 

Zij die hun vuisten ballen

tegen mij: zij vergallen

mijn leven dag en nacht.

 

Verdwijn toch uit mijn ogen!

God zal mijn tranen drogen

en hoort mijn jammerklacht.

 

 

ps. 7:2

Heer, mijn God, bij u zoek ik bescherming, bevrijd mij van

mijn achtervolgers.

Red mijn leven.

 

 

7. VLUCHTHAVEN

 

 

Tot aan mijn lippen komt het water

want ik moet vluchten voor mijn hater;

mijn leven is in doodsgevaar,

O God, mijn trouwe Luisteraar,

wil mij verlossen en bevrijden

en wil mij naar een uitweg leiden;

ik weet dat U mij gadeslaat:

Help mij toch weer, mijn Toeverlaat.

 

 

ps. 8:2 en 3

Heer, onze Heer, hoe groot is uw naam overal op aarde!

U die aan de hemel uw luister spreidt, voor u is de stem van

kinderen, van de allerkleinmsten, het bolwerk waarmee u

vijanden stuit, het wapen waarmee u hen doet zwijgen, aan

wraakzucht een einde maakt.

 

 

8. OPVLIEGEN EN KALMEREN

 

 

Almachtige, Uw aanzien op de aarde

kan elk mens zien, omdat U openbaarde

de hemelboog met sterren in hun baan

die immer voor ons hebben klaargestaan.

 

 

De woedeaanval van hen die U haten

loopt vast op peuterstemmen die zacht praten;

dat is Uw bolwerk waarop de drift koelt,

zodat de vijandschap wordt weggespoeld.

 

 

ps. 9:8-11

Maar de  Heer is voor altijd koning, onwankelbaar is zijn

troon, alleen hij is rechter. Hij bestuurt de wereld

rechtvaardig, hij velt over de volken een eerlijk vonnis.

Voor onderdrukten is hij een burcht, een burcht in tijden

van nood. Heer, wie u zijn toegedaan, kunnen op u rekenen;

wie bij u hun toevlucht zoeken, laat u niet in de steek.

 

 

9. LOSRAKEN

 

 

Beklemd door kluiten, moedeloos,

voel ik mij als een struik, zo broos,

omdat mijn vogelvrienden vluchten,

zoekend naar zuidelijke vruchten.

 

 

 

Wat ik nu van mijn vrienden leer

in deze nood maar al te zeer:

dat zij niet van de last bevrijden

een plant, beklemd aan alle zijden.

 

 

Ik leer God kennen in die nood;

Hij is toevlucht die storm gebood

om mij te slaan met hagelstenen:

zo is mijn zielsverdriet verdwenen.

 

 

ps. 10:14

Want u bent niet blind, u ziet alle ellende, elk verdriet.

Weerlozen en wezen rekenen op u, u reikt hun de hand, alleen

u helpt hen!

 

 

10. NOODHULP

 

 

Men kijkt niet naar een wees met tranenbrood

of naar een schaap dat weerloos ligt geveld

maar overweegt: daarmee wordt winst vergroot

want zwijggeld moet hiervoor niet neergeteld

en wie komt er tot bijstand toegesneld?

God zal voortdurend elk verdriet aanschouwen;

een weerloze kan op zijn hulp vertrouwen.

 

 

ps. 11:1

Voor de voorzanger. Uit de bundel van David.

Bij de Heer ben ik veilig. Hoe kunnen jullie dan zeggen:

'Vlucht, vlucht naar de bergen, als een vogel!

 

 

11. ONRAAD

 

 

Men raadt mij aan om nu de vlucht te nemen,

om weg te vliegen naar een bergterrein;

het dreigend onheil geeft heel veel problemen.

Moet ik gaan wonen vlak bij een ravijn?

Ben ik een vogel zonder denkvermogen?

Mijn God wil altijd met mij samen zijn;

bewaart me als de appel van zijn ogen.

 

 

ps. 12:7

Op wat de Heer zegt, kun je aan. Zijn woorden zijn zuiver

als zilver, als zilver in de oven gelouterd, tot zevenmaal

toe.

 

 

12. BETROUWBAAR WOORD

 

 

De mensen spreken dikwijls loze woorden

die men later anders heeft opgevat;

hun woorden dansen op de slappe koorden

en draaien als een populierenblad.

 

 

Maar Gods woord klinkt als klare zilverklanken,

waar je op aan kunt, dat je houvast geeft,

zoals de wijnstok vasthecht aan de ranken;

't als een burcht die je geheel omgeeft.

 

 

ps. 13:2, 3 en 6

Hoelang nog Heer, zult u mij vergeten? Hoelang nog houdt u

zich voor mij verborgen? Hoelang moet ik naar een uitweg

zoeken met de angst in mijn hart, dag in dag uit? Hoelang

nog zullen mijn vijanden sterker zijn? Op uw liefde vertrouw

ik, Heer. Ik juich van vreugde, want u brengt redding. Over

u zal ik zingen, want u bent goed voor mij.

 

 

13. VERGEET-ME-NIET

 

 

Ik zal, o God, te zijner tijd

van U gaan zingen, begeleid

door zanglijsters en nachtegalen;

dan kan ik weer ruim ademhalen;

Uw trouw is vanzelfsprekendheid.

 

 

Maar nu heb ik een angstig hart

ben zeer bevreesd, zie alles zwart

hoelang bent U mij al vergeten,

 

hoort U dan niet mijn hartekreten?

Dag in dag uit ben ik benard.

 

 

ps. 14:4-6

De Heer zegt: 'Missen zij dan elk inzicht? Ze doen anderen

kwaad, mergelen mijn volk uit, ze eten het als brood; van mij

trekken ze zich niets aan.'

 

 

Ineens worden zij door angst overvallen, want God komt de

goeden te hulp. Jullie, slechte mensen, jullie ontnemen de

armen alle hoop, maar de Heer is hun toevlucht.

 

 

14. ZANGHULDE

 

 

De uitbuiters missen toch elk verstand;

zij dompelen de mensen in ellende;

het is een plunderende roversbende

hun heerschappij houdt tegenspoed in stand

in groepsverband.

 

 

Opeens worden die afpersers erg bang,

als zij zien dat Gold helpt met groot erbarmen

de verdrukten, miskenden en de armen,

die daarom aanheffen een jubelzang

hun leven lang.

 

 

ps. 15: 4b en 5

Een mens die zijn beloften nakomt, al is het in zijn nadeel,

die geld uitleent en geen rente vraagt; iemand die zich niet

laat omkopen, niet getuigt tegen onschuldige mensen.

Wie zo leeft, kan niets overkomen.

 

 

15. GOEDE TROUW

 

 

Zo menig mens wil een present

voor leugens tegen argelozen

of men vraagt rustig tien procent

van uitstaand geld als rendement

aan vriend, zonder blikken of blozen.

 

 

Als je dat achterwege laat

en je alsmaar hebt voorgenomen

dat je een hartsvriend niet verraadt

en niet uit bent op eigenbaat,

dan zal je nooit iets overkomen.

 

 

ps. 16:11

U wijst mij de weg naar het leven; in uw aanwezigheid ben ik

blij; in uw nabijheid ben ik gelukkig, voor altijd.

 

 

16. DE WEGWIJZER

 

 

Vaak weet je niet de weg die je moet gaan

als je op 't kruispunt staat van vele wegen

waar wegwijzers aangeven: neem die baan

 

al weet je niet: wat kom je daar straks tegen;

misschien wel moeite, mist en grote zorgen,

wat houdt die weg morgen voor mij verborgen?

 

 

Maar als ik inkeer, diep in mijn gemoed

zie ik glashelder de weg naar het leven

die God mij wijst, een pad vol zonnegloed,

want d'Eeuwige is met mijn ziel verweven.

Ik krijg voortdurend uithoudingsvermogen,

ben altijd vreugdevol en opgetogen.

 

 

ps. 17:7 en 8

Laat zien hoe trouw u bent, u bevrijdt toch wie bij u

bescherming zoekt. Bewaar mij als uw liefste bezit,

verberg mij onder uw veilge vleugels.

 

 

17. VLUCHTHEUVEL

 

 

Al was ik vogelvrij verklaard,

laat medemensen toch aanschouwen:

Ik ben gered door godsvertrouwen.

Wie God bewaart is welbewaard!

Al lijkt de aard' een mallemolen,

ik ben voortdurend best beschermd;

God heeft zich over mij ontfermd,

mij onder vleugels goed verscholen.

 

 

ps. 18:5-7 en 17

De dood had mij in zijn greep, zware golven stortten over

mij heen. Van alle kanten dreigde de dood, ik raakte

verstrikt in zijn netten. In mijn benardheid riep ik de

Heer, ik schreeuwde mijn God om hulp. In zijn paleis hoorde

hij mij, mijn hulpgeroep drong tot hem door.

...

Uit de hemel reikte hij mij de hand, hij greep mij vast en

trok mij uit het kolkende water.

 

 

18. HANDREIKING

 

 

De dood kwam op mij af van alle kanten

alsof ik werd verward in slingerplanten

die zich vastklampten aan mijn zwakke romp,

mij grepen, zodat ik van spierpijn kromp;

ik slaakte in mijn doodsangst luide kreten

en zag de hemel middendoor gepleten:

God reikte mij de hand en greep mij vast;

ik leefde op. Hij heeft nooit misgetast.

 

 

ps 19:2-5

De hemel getuigt van Gods grootheid, het gewelf verkondigt

wat hij heeft gemaakt. De ene dag geeft het door aan de

andere, de ene nacht maakt het aan de volgende bekend. Het

is een taal zonder woorden, geluiden hoort men niet. Toch

gaat hun stem uit over heel de aarde, dringt hun taal tot

de uithoeken door.

 

 

19. LESBOEK

 

 

Er is één wereldtaal,

een mooi vervolgverhaal,

een oertaal zonder grens;

haar taalboek van formaat

dat aan de hemel staat

geeft les aan dier en mens;

zij maakt aldoor bekend

dat in het firmament

klinken Gods slotakkoorden;

zij geven harmonie,

eeuwige energie,

maar 't is taal zonder woorden.

 

 

ps. 20:8

Sommigen vertrouwen op strijdwagens, anderen op paarden,

maar wij beroepen ons op de Heer, onze God.

 

 

20. VERZOEK AAN DE ALMACHTIGE

 

 

Laat ons toch man en paard gaan noemen:

de oorlog is verklaard

door oorlogstuig dat wil verbloemen

hun daad die steeds ontaardt

in misdaad om jachtbuit te krijgen

met wapens, paardekrachten

waarbij zij elk leven bedreigen,

doof zijn voor jamnmerklachten.

 

 

Zij kunnen het toch niet verzwijgen;

wat hen nu zorgen baart

is dat zij daardoor slechts verkrijgen:

de wagen voor het paard.

Wij bouwen niet op macht van troepen

in heel ons mensenleven

gaan wij ons steeds op God beroepen:

Hij zal ons alles geven.

 

 

ps. 21:5

[Heer, de koning ...]

Leven vroeg hij van u en u hebt het hem gegeven, leven tot

in lengte van dagen.

 

 

21. VORSTELIJK GEBED

 

 

Het volk zong bij het kroningsfeest:

'Lang leven onze koning!'

Zij kregen een beloning.

Maar ik was erg bevreesd geweest:

Wat is mijn levensduur,

dacht ik in 't avonduur.

 

 

De Hemelvorst hoorde mijn vraag:

'Wil mij toch steeds omgeven;

laat mij lang blijven leven.'

De kroon die ik vandaag nog draag

leg ik nog lang niet neer.

Daarvoor mijn dank, o Heer.

 

 

ps. 22:28-30a

Laat iedereen dit ter harte nemen, laat heel de wereld

terugkeren naar de Heer. Alle volken moet zich voor hem

buigen. Want de Heer is koning, hij heerst over alle

volken. Allen zullen aan het feestmaal deelnemen en

zich voor hem neerbuigen, armen maar ook rijken.

 

 

22. FEESTELIJKE VOLKSVERHUIZING

 

 

Rijk en ook arm zullen straks binnen zijn;

ze praten dan niet over mijn en dijn;

geen enkel mens wordt in Gods kroondomein

buitengesloten.

Een feestzaal ligt daarginds, zonovergoten,

want God richt aan

zijn feestmaal voor de volken,

wil met muziek zijn grote vreugd vertolken,

erg aangedaan.

 

 

Wij zullen saam ons buigen vol ontzag

voor d'Eeuwige, op die hemelvaartsdag,

want wij voelen ons als bij toverslag

door God verheven.

Dat feest gaat door, een lied wordt aangeheven

door ieder mens

door planten en de dieren

die samen leven, dansen en gaan zwieren:

Gods hartewens!

 

 ps. 23:1-4

Een psalm uit de bundel van David.

De Heer is mijn herder, mij zal niets ontbreken. Hij brengt

mij naar groene weiden, laat me rusten aan het water. Hij

geeft mij kracht en leidt me langs veilige paden, zoals Hij

beloofd heeft. Al ga ik door een diepdonker dal, ik hoef

geen gevaar te duchten, want u, Heer, bent bij me, uw staf

en uw stok beschermen mij.

 

 

23. GROEPSREIS

 

 

Ik hoor de herder die zijn lied laat schallen

wanneer wij samenlopen met z'n allen;

dat deuntje geeft mij rust op al mijn wegen

waarop wij dicht opeen in zon en regen

met heel de kudde zoeken naar de grassen

achter de herder aan met snelle passen.

 

 

Soms moet je door donkere dalen trekken

voordat je groene weiden gaat ontdekken;

de herder leidt mij langs veilige paden

en zorgt ervoor dat geen ding mij kan scahden;

alléén hoef ik nooit uit het dal te komen:

de kuddegeest heeft mij steeds meegenomen.

 

 

ps. 24:1

Van de Heer is de aarde en al wat er leeft; van hem is de

wereld en al zijn bewoners.

 

 

24. DE GRONDVESTER

 

 

Hij die zijn grondgebied beziet

weet: van de wind leven kan niet;

hij wil op den duur stil gaan leven;

nu is het dat hij zaait en maait,

't komt zo niet bij hem aangewaaid;

bezitsdrang heeft hem aangedreven.

 

 

Een landloper loopt daar ook rond;

hij heeft geen stukje eigen grond,

hij werd uit zijn bezit gestoten

door heel hebzuchtig oorlogstuig

dat aanhief een groot feestgejuich

en in de lach schoot, aangeschoten.

 

 

Verdreven, zo van huis en haard

of met vermogen, noemenswaard,

de mens wordt rechtgeaard en schoner,

als hij weet, dat na Genesis

het eigendomsrecht van Hem is,

de wereld en elke bewoner.

 

 

ps. 25:4 en 5

Heer, wijs mij de weg, leg mij uit hoe ik moet gaan, wees

mijn trouwe gids. Want u, God, bent mijn behoud, op u vestig

ik mijn hoop elke dag van mijn leven.

 

 

25. ARM IN ARM

 

 

Wat zal er vandaag gebeuren?

Wie wijst mij de juiste weg?

Valt daar onraad te bespeuren?

Weet ik daar wel heg of steg?

Elke dag ligt in de schoot

van de toekomst diep verborgen;

ja, reeds bij het morghenrood

zit een mensenhoofd vol zorgen.

 

 

Ik wil mij oriënteren

want ik kan niet blijven staan,

gevaren moet ik trotseren

om het juiste pad te gaan;

alleen ga ik liever niet

wie zal het gebied bekijken,

die eenvoudig overziet

hoe gevaren te ontwijken.

 

 

Wat kan ik dan beter vragen:

'Geef mij toch een arm, o God,

wil mijn gids zijn alle dagen,

dat verlicht mijn levenslot;

op U vestig ik mijn hoop,

alleen U kunt mij behouden;

als ik met U samen loop,

durf ik door inktzwarte wouden.'

 

 

ps. 26:2 en 3

Heer, beproef mij, keur mij, toets mijn diepste roerselen.

Uw liefde houd ik steeds voor ogen; overtuigd van uw trouw,

ga ik door het leven.

 

 

26. HET LIEFDERIJK

 

 

Omdat U liefde bent,

is Uw macht ongekend

en kunt U alles, grote God;

U bent mijn zelfvertrouwen,

op Uw woord kan ik bouwen,

Uw spreken geeft luistergenot.

 

 

Omdat U liefde bent,

bent U mij toegewend,

bent U altijd met mij bevriend;

Uw liefde wil ik loven,

die vlam zal nimmer doven,

U schenkt Uw warmte onverdiend.

 

 

Omdat U liefde bent,

zie ik op elk moment

voor ogen Uw trouwhartigheid;

zo kom ik allerwegen,

Vertrouwensman, U tegen

en leef tot in oneindigheid.

 

 

ps. 27:13

In dit leven nog zal ik ervaren hoe goed de Heer is. Wat zou

ik moeten beginnen als ik daaraan twijfelde.

 

 

27. ROTSVAST VERTROUWEN

 

 

Als ik alsmaar mijn schouders op zou halen,

besluiteloos meedraaide met de wind,

dan kon ik nooit mijn keuze goed bepalen

en was ik iemand die niet goed begint;

ik zou voortdurend op de tweesprong staan,

beleefde niets en veel zou mij ontgaan,

schoorvoetend zou ik onbedreven zijn,

in 't leven staan zonder een levenslijn.

 

 

 

Maar ik heb in mijn leven vaak ervaren,

dat soms de dagen goed zijn, dan weer kwaad;

ik wist ook vast dat God mij zou bewaren,

omdat Hij evenbeelden nooit verlaat;

onwankelbaar begreep ik het voorgoed,

dat God goedhartig is, weldaden doet,

Hij is de mensen eeuwig welgezind

en is beschermer van elk mensenkind.

 

 

ps. 28:9

Bevrijd uw volk, Heer, en maak het welvarend; leid hen als

een herder, draag zorg voor hen, voor altijd.

 

 

28. SCHAPEN IN HET TRANENDAL

 

 

Krachten die ons tot zwijgen brengen,

zien niet de tranen die wij plengen,

horen niet de stille gebeden

die wij opzenden hier beneden

tot de Bevrijder van 't heelal,

die ons brengt naar zijn fgestival.

 

 

Wil ons toch als Uw kudde weiden,

ons van de zware lasten bevrijden

die drukt op elk wereldlijk wezen;

geef heerlijkheid spoedig na dezen

en Uw koninkrijk en Uw kracht:

Uw schepsels zijn dan thuisgebracht.

 

 

ps.  29:8 en 9

De stem van de Heer doet de steppe beven, beven doet de Heer

de steppe van Kades. De stem van de Heer doet de hinden

kalven en brengt de geiten tot werpen. In zijn paleis brengt

iedereen hem eer.

 

 

29.ONHOORBAAR LEVEN MAKEN

 

 

Wij zien dat de steppe beeft,

dat de geit zijn jongen heeft,

dat het gras verdort en wuift

en het droge zand verstuift;

naar de zee kunnen we turen

of naar vreemde vogels gluren;

men kan duizendvoud ontwaren

wat God ons wil openbaren.

 

 

Maar wie hoort de hoge stem

van 't hemels Jeruzalem?

Wie kan het geluid verstaan

dat van God is uitgegaan?

Die stem laat kalven de hinden

bij de berken of de linden

brengt de geiten aan het werpen

op de hoogten of de terpen.

 

 

ps. 30: 12 en 13

[ ... Wat wint u als ik afdaal in het graf. Luister toch

Heer, heb medelijden met mij ...]

Heer, U hebt mij geholpen: ik treur niet meer, ik kan weer

dansen van vreugde; feestkleren heb ik aangetrokken, mijn

rouwkleed afgelegd. Zingen zal ik voor u, ik kan niet meer

zwijgen; u zal ik danken steeds weer, Heer, mijn God.

 

 

30. LEVENSLIED

 

 

Het leek het einde van het lied,

ik voelde loodzwaar zielsverdriet,

mijn toestand was behoorlijk slecht,

het rouwkleed was al klaargelegd;

zieltogend lag ik zacht te zuchten,

mijn kern was op het punt van vluchten.

 

 

Van de grafkuil ben ik gered;

daarom zend ik een dankgebed

tot U, o God, die hemelhoog

een engel zond die naar mij vloog,

zodat ik niet meer hoef te treuren,

maar spreken kan van groots gebeuren.

 

 

Ik zwijg niet meer, een lied ontstaat

zowel in drie- als vierkwartsmaat;

mijn nieuwe feestkleed trek ik aan,

in mijn oog komt een vreugdetraan

als levensteken: ik ga dansen,

want u geeft ongekende kansen.

 

 

ps. 31:10 en 11

Heer, heb medelijden met mij, want ik zit in nood. Mijn ogen

staan dof van verdriet, mijn ziel lijdt pijn, mijn lichaam

lijdt pijn. Zorgen putten mij uit, ik ben moe van het zuch-

ten. Mijn krachten begeven het, mijn gestel is ondermijnd.

Het is mijn eigen schuld.

 

 

31.MOEGESLAGEN HART

 

 

Mijn ogen staan dof van ellende,

ik ben haast weggekwijnd,

't gestel is ondermijnd,

gezondheid is een onbekende,

mijn ziel en lichaam lijden

of zwaarden mij doorsnijden.

 

 

Waarheen zal ik wenden of keren

mijn moegeslagen hart

dat altijd wacht met smart

op dagen die ik kan waarderen,

op dagen zonder klagen,

die ik goed kan verdragen.

 

 

O God, kom toch mijn pijn verlichten,

mijn last is levensgroot,

ik kom in ademnood;

geef mij weer blijde vergezichten,

tot U hef ik mijn ogen,

heb met mij mededogen.

 

 

ps. 32:3-5

Eerst verzweeg ik mijn zonden, ik bezweek eronder ik kon de

hele dag wel schreeuwn. Heer, dag en nacht zette u mij onder

druk, ik voelde me lusteloos als in de hitte van de zomer.

Toen kwam ik openlijk uit voor wat ik misdaan had, ik hield

het niet langer verborgen; u, Heer, heb ik mijn schuld bekend

en u hebt al mijn zonden vergeven.

 

 

32. BINNENPRAAT

 

 

Bij mensen had ik al iets losgelaten

waarover ik toch liever niet wou praten;

kort daarop echter wezen zij mij na,

verweten mij en 'k werd een paria;

nooit zal er iets over mijn lippen komen

van dwalingen, heb ik mij voorgenomen

en voor mijn lippen zet ik nu een wacht;

waaraan ik uiting geef, is weldoordacht.

 

 

Zo ingekeerd verzweeg ik al mijn zonden

waardoor enorme spanningen ontstonden

en ik wel schreeuwen kon de hele dag,

vertoonde ook een lusteloos gedrag

als in drukkende hitte van de zomer;

mijn passen werden dag in dag uit lomer;

de meeste tijd ja zweeg ik als het graf

en meer en meer zonderde ik mij af.

 

 

Omdat ik van verdriet niet meer wil brullen,

wil ik mijn fouten niet langer verhullen;

het hoge woord dat moet er nou maar uit,

volmondig spreek ik zonder stemgeluid,

maar U, o God, kunt mijn gemompel horen,

U gaat vergeven, vergeten; plompverloren

laat U verdwijnen dat wat mij benauwt,

'k Ben opgelucht: U geeft mij lijfsbehoud.

 

 

ps. 33:5-9

De Heer heeft recht en gerechtigheid lief, de hele wereld

bewijst hoe goed hij is. Op zijn bevel is de hemel ontstaan,

door zijn woord de sterren. Het water van de zee damde hij

in, de oceanen sloeg hij op in bekkens. Heel de aarde moet

voor hem beven, al haar bewoners moeten voor hem ontzag

hebben. Want één enkel woord van hem en hemel en aarde

waren er; slechts één bevel en ze stonden vast.

 

 

33. IN ÉÉN WOORD

 

 

Meer dan eens moet d'aarde beven,

met bevend hart toont zij ontzag

voor God die hoog staat aangeschreven,

want zijn stem riep haar eerste dag;

woorden werden daden,

zij ging zonnebaden

met haar bladerkroon;

tussen hemellichten

zag zij vergezichten,

ontzagwekkend schoon.

 

 

God heeft heel het heelal geroepen,

onze wordingsgeschiedenis;

met één woord riep hij sterrengroepen,

stralend vóór mensenheugenis:

woorden werden oorden

waarop dagen gloorden;

mensen, sla toch acht

op de hoge sferen,

wil uw Schepper eren,

zingt hem dag en nacht.

 

 

ps. 34:7 en 8

Ik was er ellendig aan toe, ik riep de Heer te hulp en hij

luisterde naar mij, verloste mij van al wat mij kwelde.

Als je ontzag hebt voor de Heer waakt zijn engel over je,

staat je bij en bevrijdt je.

 

 

34. NOG NADER

 

 

Nog nader dan een buur

en dan een hulpvaardige vriend

is iemand die jou altijd dient,

een helderziend figuur;

een wachtster van het licht

met wakend oog, niet wereldvreemd,

die jou onder haar vleugels neemt,

snel als een bliksemschicht.

 

 

Een menswaardig bestaan,

is wat zij aan je geven wil;

zij staat je bij en werkt windstil

is met je meegegaan,

omdat je eerbied toont

voor de Maker van het eng'lenkoor,

zal die geleidegeest aldoor

je helpen waar je woont.

 

 

ps. 35:11-18

Mensen die het geweld niet schuwen, getuigen tegen mij; ze

beschuldigen mij van dingen waarvan ik geen weet heb. Ze

vergelden mij goed met kwaad, ik sta helemaal alleen. Wat

deed ik toen zij ziek waren? Ik trok een boetekleed aan,

ik vastte streng en bad vurig tot God als gold het een

vriend, een broer! Ik ging in het zwart en hield het hoofd

gebogen, als rouwde ik om mijn eigen moeder. Maar wat doen

zij nu ik niet meer verder kan? Ze lopen tegen mij te hoop,

vol leedvermaak! Zelfs onbekenden slaan op mij los, ze zijn

niet te stuiten. Ze staan om mij heen, spottend en grijnzend.

Heer, hoelang blijft u nog toekijken? Bescherm mij tegen hun

felle aanvallen, spaar mijn leven, bevrijd mij van die

leeuwen. Dan zal ik u danken en eren, wanneer uw volk in

groten getale bijeenkomt.

 

 

35. NIET GODSONMOGELIJK

 

 

Aleen de hemel die het wist,

dat ik bad voor hen die bij twist

in hun land het geweld niet schuwen,

zodat landgenoten verruwen;

zij waren toen enorm beroerd,

daardoor werd ik hevig ontroerd.

Men loopt nu tegen mij te hoop,

vandaar dat ik hen niet ontloop.

 

 

Ze dreigen mij vol leedvermaak,

zodat ik in paniek geraak;

van angst kan ik geen lid verroeren

nu die kwelgeesten naar mij loeren.,

O God, haal mij er toch doorheen

ik kan niet meer en sta alleen,

indien U weer mijn leven spaart,

roem ik U ongeëvenaard.

 

 

ps. 36:6-8

Heer, uw liefde reikt tot in de hemel, uw trouw tot in de

wolken. Het heil dat u brengt is onmetelijk als de hoogste

bergen; de uitspraken die u doet, zijn onpeilbaar als de

diepe oceaan. U bevrijdt mens en dier; uw liefde, God, is

een kostbaar goed, onder uw vleugels zijn wij veilig, wij

zwakke mensen.

 

 

36. RUIMDENKENDE LEEFGEMEENSCHAP

 

 

Het mensdom denkt: 'God is ons heil;

Hij schenkt uit goedheid zonder peil

ons 't eeuwig, zalig leven.'

Maar men vergeet dan tijdgenoot,

die sterveling die na de dood

ook leven wordt gegeven

door de Schepper die boeien slaakt

van elk dier dat hij heeft gemaakt;

Hij zal ze gaan verlossen:

eencelligen en offerdier,

de walvis en de goudplevier,

maar ook rinocerossen.

 

 

In oertaal hoort het dierenrijk

dat die God in zijn Koninkrijk

de vrijheidsboom gaat planten;

Hij haalt het hek dan van de dam:

uit elke taal en elke stam

komen de muzikanten;

de lopen los, ja tomeloos

leven zij verder voor altoos

hun juk is daar verbroken

hun onuitsprekelijk gezucht

loopt af, zij zijn zo opgelucht,

want God heeft het gesproken.

 

 

ps. 37:4-6

Zoek je vreugde bij de Heer, dan vervult hij ieder wens.

Leg je leven in zijn handen, vertrouw op hem, hij stelt je

niet teleur. Hij zal het voor je opnemen, hij zal je recht

doen; je zult stralen als het morgenlicht, als de zon midden

op de dag.

 

 

37. LEVENSDOEL

 

 

Je gaat vaak af op dezen of op genen

bij onbekendheid wat te wachten staat;

voorals als zekerheden zijn verdwenen,

zoek je voor de hand liggend resultaat,

dat veilig voor je is als edelstenen,

dat je weer ruilen kunt voor mondvoorraad.

 

 

Als je dat niet vindt, zal je zoektocht falen;

vertrouw dan God die aan je zij wil staan,

zijn recht van spreken zal voortaan bepalen

dat je gelukszon nooit meer uit zal gaan

en je gezicht zal steeds van vreugde stralen

als morgenlicht, goudglanzend: kijk toch aan!

 

 

ps. 38:8-16

Want ik ben ziek tot in het merg, ik heb overal pijn. Ik ben

uitgeput, lamgeslagen. Mijn hart bonst, ik schreeuw het uit.

Heer, u kent mijn verlangen, u hoort mijn zuchten. Heftig

slaat mijn hart, mijn krachten laten mij in de steek, het

licht verdwijnt uit mijn ogen. Vrienden en bekenden laten

zich niet meer zien, mijn familie blijft op een afstand.

Mijn vijanden spannen hun strikken, ze staan mij naar het

leven, ze strooien lasterpraat rond, dag in, dag uit. Maar

ik houd mij doof en stom, ik doe of ik niets hoor, ik blijf

zwijgen en verdedig mij niet. Want ik hoop op u, Heer, u,

mijn God, zult hun van antwoord dienen.

 

 

38. ALSNOG ANTWOORD

 

 

Als een orgel dat moet zwijgen

stokt mijn eigen

stem en doet mij spraak'loos staan;

ik moet voelen, wil niet horen;

plompverloren

moet ik laster ondergaan.

 

 

 

Heel mijn lichaam gaat verkwijnen

door de pijnen

die ik alle dagen merk;

boze tongen die beweren

en bezeren

heel mijn vroeger levenswerk.

 

 

Maar ik wil geen stom woord zeggen,

iets weerleggen;

ik hou mij horende doof.

d'Eeuwige zal antwoord geven

in hun leven;

dat is wat ik vast geloof.

 

 

ps. 39:5-7

Heet, laat mij beseffen hoe kort mijn leven is, hoe eindig

ik ben, hoe vergankelijk. Doordring mij daarvan. U gaf mij

een kort bestaan, maar enkele handbreedten lang, voor u is

mijn leven maar een ogenblik. Wat is een mens? Een zuchtje

wind, een voorbijgaande schaduw. De mens maakt zich druk om

niets, hij schraapt een vermogen bijeen, maar weet niet voor

wie.

39. SCHADUWBEELD

 

 

Een mens kan echt niet leven van de wind,

zodat hij werkt voor 't aardse slijk,

waarmee hij levenslang goed garen spint;

zijn tuin is altijd schaduwrijk;

tot zijn bezit hoort het vruchtgebruik

van appelboom en rozestruik.

 

 

Uit welke hoek de wind waait, weet hij niet;

hij piekert, maar kan er niet bij:

voor wie is straks zijn geld en grondgebied

als hij voortleeft aan gene zij?

Zijn leven is voor God een ogenblik;

eens geeft een mens de laatste snik.

 

 

Wat is de mens meer dan een wind, een zucht,

enkel een schaduw die passeert,

als hij in 't schaduwrijk is weggevlucht

en in het hemelrijk verkeert.

Wat maakt een mens zich druk om hebbeding:

op aard was hij een sterveling.

 

 

ps. 40:6 en 7

Heer, mijn God, wat hebt u niet voor ons gedaan, wat hebt u

niet met ons voor!

Als ik over u zou willen vertellen, over wat u gedaan hebt,

waar zou ik moeten beginnen? Het is teveel om op te noemen.

Maar dit wil ik wel zeggen: offers geven u geen vreugde,

daarvan hebt u mij doordrongen. U verlangt geen brandoffers

en geen offers om zonden weg te nemen.

 

 

40. IN ROOK OPGAAN

 

 

Waar blijft het offer, waar komt het terecht;

wanneer het met orakeltaal

verbrand wordt in de offerschaal,

waardoor het zich aan het aardse onthecht?

Het komt niet in de hemel

ondanks het vroom gefemel;

weg waait het rookgordijn.

Het is geen eerbewijs,

zeker geen eer en prijs

en geen verbindingslijn.

 

 

Voor U, o God, is het geen feestgeschenk,

het brengt U geen hemels geluk:

Wat U gemaakt heeft, moet niet stuk.

Dat is wat ik verstandig overdenk.

Wat zal een mens U geven?

een dier dat opgedreven,

gedood wordt en verbrand?

Van U is het heelal.

Mijn zonden zonder tal

vergeeft U mij constant.

 

 

ps. 41:1-3

Voor de voorzanger. Een psalm uit de bundel van David.

Gelukkig ben je als je je inzet voor de zwakken. Want kom

je zelf in nood, de Heer zal je redden! Hij zal je

beschermen, je in leven houden, je gelukkig maken.

 

 

41. OP GOED GELUK AF

 

 

Wie zich voor het breekbare zorgenkind

inzet met hart en ziel,

een zwak heeft voor een zwakke en bemint

kasplantje in 't asiel,

zo nodig hemel en aarde beweegt,

voor hem bergen verzet;

 

die is gelukkig, want hij heeft verpleegd,

een kind van God gered.

 

 

ps. 42:2 en 3a

Zoals een hert naar water, zo smacht ik naar u, o God;

u bent mijn leven, ik verlang naar u, o God.

 

 

42. BRONNENTOCHT

 

 

Levensbron, wil mij toch laven

bij de mond van de rivier;

als een hert moet ik hard draven,

'k heb een droge speekselklier;

van de dorst zal ik vergaan,

in gevaar komt mijn bestaan,

mijn tong is van dorst aan 't branden;

maar ik hoop te watertanden.

 

 

Levensbron, ik wil U loven,

want U gaf mij levenskracht,

levenssappen van hierboven,

daarmee ben ik grootgebracht;

'k zing voor U mijn levenslied

op Uw eigen grondgebied,

waar de planten en de vruchten

groeien door insektenvluchten.

 

 

Levensbron, U bent mijn leven,

U bent heel mijn levensweg,

U bent zelf met mij verweven,

gaat met mij langs heg en steg;

U die alles overziet,

U - weet ik - vergeet me niet;

ik kan heel mijn doen en laten

zonder meer met U bepraten.

 

 

ps. 43:5

Mijn ziel, wat drukt je terneer, waarom ben je zo onrustig?

Op God wil ik vertrouwen, eens zal ik hem weer prijzen, hem,

mijn behoud, mijn God.

 

 

43. INNERLIJK WETEN

 

 

Ik leef nu in een dal vol tranen,

een vlaag van onrust drukt mij neer,

ik zie voortdurend vreemde wanen,

verlamd lijken mijn spraakorganen,

mijn innerlijk gaat flink te keer,

daar ik veel prakkezeer.

 

 

Hoe moeilijk ook, ik kan al weten

dat mijn bestaan is welbewaard;

al slaak ik nu nog wanhoopskreten,

ik ben niet door mijn God vergeten.

Eens is de lucht weer opgeklaard,

zo ongeëvenaard.

 

 

ps 44:12-15 en 23

[God...]

U deed ons van de hand als slachtvee, naar vreemde volken

voerde u ons weg. U verkocht uw volk voor een spotprijs,

winst leverde het u niet op. Wij zijn het mikpunt van spot,

het voorwerp van hoon en smaad. Onze schande is spreek-

woordelijk! De mnensen schudden om ons het hoofd.

[...]

Om onze trouw aan u zijn we voortdurend in levensgevaar,

om onze trouw aan u worden we behandeld als slachtvee.

 

 

44. SMEKENDE KUDDE

 

 

In blinde trouw bleven wij samen

bij U, de Herder, die de namen

noemde van elk schaap in de kooi;

wat was de kudde wondermooi!

We werden groot onder Uw staf

en dartelden bij waterbronnen;

bij onraad ging U erop af;

we zagen nieuwe horizonnen.

 

 

U voert ons nu naar vreemde volken;

we lopen onder donderwolken,

want U verkocht ons spotgoedkoop;

het eind van onze levensloop

komt dichterbij, men spuwt en spot,

spreekwoordelijk is onze schande;

redt ons hieruit, o grote God,

wij zijn niet meer dan offerande.

 

 

ps. 45:1-5

Voor de voorzanger.

Een bruiloftslied uit de kring van Korach. Op de melodie van

het lied 'De lelies'.

In mij wellen de woorden op, de verzen voor mijn koning. Als

een vaardige pen is de tong in mijn mond. Uw schoonheid is

onovertroffen, grote bekoring gaat er van uit: op u rust Gods

zegen voor altijd. Dappere strijder, gord uw zwaard om, ruk

in volle wapenrusting uit. Want het gaat om een goede zaak,

om het recht van de armen. U zult uw kracht tonen en indruk-

wekkende daden verrichten.

 

 

45. KONINKLIJK MEDEDOGEN

 

 

Laten we eren de man met het teken,

dat God aan hem gaf in de lijdensweken,

aan de Koning van de strijdende kerk

die hier eeuwig vericht zijn liefdewerk,

Die met erbarmen opkomt voor de armen,

zo vaak in de kou staand; hij zal ze warmen,

zijn schapen omarmen, omdat hij strijdt

voor 't recht van de armen die hij begeleidt.

 

 

Laten we eren de held der berooiden,

van verworpenen en de weggegooiden.

Hij vindt dat het gaat om een goede zaak;

hulp aan ontrechten is zijn levenstaak.

Die met erbarmen opkomt voor de armen,

zo vaak in de kou staand: hij zal ze warmen;

die klanten zijn koning. Hij geeft een huis

zonder een kruis, louter met feestgedruis.

 

 

ps. 46:5 en 6

Een rivier stroomt door de stad van God, tot vreugde van de

mensen. Het is de stad van de hoogste God, hijzelf is binnen

haar muren, daarom zal zij niet vallen. Voor de ochtend aan-

breekt, komt hij haar te hulp.

 

 

46. STEDELIJK PARADIJS

 

 

De volken gaan in karavanen

langs de rivier die vol met tranen

 

van vreugde stroomt in onze plaats,

waar nimmermeer gebeurt iets kwaads;

het stormt hier nooit; door zacht gewiegel

ontstaat een mooie waterspiegel,

waarin wij zien Gods aangezicht:

innemend lachend levenslicht.

 

 

Evenals alle creaturen

woont God hier zelf binnen haar muren;

we zijn in de geboortestad,

waar ooit ontsprong ons levenspad;

daarom hoef je hier niet te wennen,

je zult 't eind van 't geluk niet kennen;

een loftrompet die eeuwig schalt:

'Dit is de stad die nimmer valt.'

 

 

ps. 47:7 en 8

[Volken, ...]

Zing voor God, zing hem toe, zing voor onze koning, zing hem

toe. God is koning over heel de aarde, huldig hem met

liederen.

 

 

47.SCHEPPENDE VERBEELDING

 

 

Luister! Woordentolk,

laat de stem van 't volk

elke dageraad

zingen in de maat,

in elk taalgebied

zingen 't hoogste lied

voor de Vorst der aard'

ongeëvenaard,

want zelfs elke ster

brandde tot dusver

door zijn grote macht

en verbeeldingskracht.

 

 

ps. 48:10 en 11

In uw tempel, God, overdenken wij al het goede dat u hebt

gedaan. U hebt een grote naam, men eert u overal op aarde,

want u bent gerechtigheid.

 

 

48. DENKWERELD

 

 

Hier in Uw tempel, welbeschouwd,

loopt een gedachtengang, oeroud;

waar ark en kandelaar getuigen

van tijden waarin konden juichen

zij dit dit land betraden

en de Jordaan doorwaadden;

op deze plaats is overdacht

Uw goede daden dag en nacht;

daarom bent U wereldberoemd;

voor ieder bent U hooggeroemd.

 

 

ps. 49:16

Ook mij zal God loskopen, mij weghalen uit het dodenrijk.

 

 

49. LEVENSSCHOOL

 

 

De aarde is een school voor iedereen;

de eerste schooldag is er veel geween;

later volgt vreugde; op een goeie dag

weerklinkt wel weer een frisse schaterlach;

je leert je levenslessen met veel pijn,

het leven lijkt te gaan in zigzaglijn;

andere spektakels gaan zich ontrollen

op schoolreis zou je best weg willen hollen.

 

 

Wanneer voor mij de schooldeur dicht zal gaan;

ik schoolverlater ben, teloorgegaan

voor erfgenamen treurend aan mijn graf,

staat aan die poort des levens met een staf

mijn Moeder-Vader-Herder die mij vraagt

om mee te gaan van school naar huis: geslaagd!

Op weg naar 't huis met vele blijde zalen

voel ik mij vrij en blij: God kwam mij halen.

 

 

ps. 50:12-15 en 23

[Ik, God, jullie eigen God! ...]

'Als ik honger had, zou ik het dan zeggen? Beschik ik niet

over de aarde, over alles wat erop is? Maar ik eet toch

geen stierevlees, ik drink toch geen bokkebloed! Nee,

breng mij een waardig offer: breng mij je dank! Kom je

beloften na, aan mij, de allerhoogste God. Roep mij aan

bij gevaar, dan zal ik je redden en jij zult mij eren

...

Alleen met dankbaarheid eer je mij, alleen zo zul je

mijn hulp ervaren.'

 

 

50. MIS-OFFER

 

 

Met korenaren eren heeft geen zin;

Ik lust geen lamsvlees en bloed evenmin,

want ik ben God, Ik die alom beschik

over de aarde en met kennersblik

kijk naar de waarde van uw offerdieren

die Ik zelf maakte met hun hart en nieren.

 

 

Een waardig offer breng je met jouw dank

aan Mij, want mijn naam heeft een goede klank;

roep Mij met luider stemme in gevaar

dan reik ik je de hand, onwankelbaar;

offer nooit meer een dier op je altaren:

slechts zo zul je Mijn hulp in nood ervaren.

ps. 51:7-9

[Heer, ...]

Ja, zondig ben ik geboren, schuldig ben ik vanaf de moeder-

schoot. Maar u verlangt alleen dat ik oprecht ben, tot in

het diepst van mijn ziel; vervul mij met uw wijsheid tot in

het diepst van mijn hart. Besprenkel mij, dan word ik weer

rein; was mij; dan word ik witter dan sneeuw.

 

51. ALLEENSPRAAK

 

 

Ik weet dat ik vanaf de bakermat

reeds schuldig ben, maar U wilt niet vermanen;

U ziet bij mij mijn droge, stille tranen

omdat ik Uw leefregels overtrad;

wat U verwacht is, dat ik levensecht

diepgaand naar binnen ga en onomwonden

spreek tot mijn kern, aandachtig nen oprecht,

"bemerk het doelloze van al je zonden."

 

 

ps. 52:10

Maar ik, ik ben vol levenskracht, als een bloeiende olijf-

boom bij de tempel; ik vertrouw op Gods liefde, altijd weer.

 

 

52. STRELENDE OMGEVING

 

 

Ik voel: ik zal in leven blijven,

mijn wortels zijn geaard

waarin de sappen bovendrijven

op weg met grote vaart

naar elke tak die bloesem draagt:

straks vruchten, veelgevraagd.

 

 

Op de olijfberg bij de tempel

waar een koel briesje waait;

de bergen rondom zijn een drempel

tegen wind, warmgedraaid;

Gods ouderliefde koestert mij

en geeft mij feestkledij.

 

 

Vertrouwenspersoon, geef mij krachten;

ik ga steeds op U af,

zal vreugd' en vrucht van U verwachten,

U die mij steeds omgaf;

Hierdoor is mijn gemoed gerust,

U geeft mij levenslust.

 

 

ps. 53:6a

Ineens worden door angst overvallen wie geen angst kenden,

want God slaat die onderdrukkers uiteen.

 

 

53. DRUKVERLIES

 

 

Wij worden uitgeperst en onderdrukt,

zijn onderworpen, voorwerp van het lijden,

zeer zwaar geteisterd in de druk der tijden,

onmenselijk wordt ons volk weggerukt;

wij gaan gebukt.

 

 

Plots overviel de overvallers vrees,

ineens waren ze uit het veld geslagen;

die onderdrukkers wou God snel verjagen

naar huis en haard; zodat ons land herrees

en men God prees.

 

 

ps. 54:3-5

God, bevrijd mij, ik doe een beroep op u; toon uw macht en

doe mij recht. God, luister naar mijn gebed, schenk aandacht

aan wat ik vraag. Vijanden hebben het op mij gemunt, ze

gebruiken geweld, ze staan mij naar het leven, en aan u

storen zij zich niet.

 

 

54. DIT LUISTERT NAUW

 

 

Zij die mij naar het leven staan

zullen zich vast aan U niet storen;

O, God, wil naar mijn smeekstem horen,

weet U, nu komt het er op aan,

mis toch geen woord van mijn gebed,

met klem wil ik mij tot U wenden,

wil vlug mij Uw verlossing zenden,

laat gaan mij op Uw wegennet.

 

 

ps 55:17-19 en 23

God, de Heer, roep ik te hulp, hij biedt uitkomst. Ik zal

niet ophouden te klagen, ik zal niet ophouden te kreunen,

van de ochtend tot de avond, de Heer zal naar mij luisteren.

Hij stelt mijn leven veilig, hij verlost me van hen die mij

bestrijden, al zijn ze met velen. De last op je schouders,

draag hem over aan de Heer, hij zal voor je zorgen; wie hem

trouw is, laat hij niet bezwijken, nooit.

 

 

55. LASTENVERLICHTING

 

 

Draag je door laster zware lasten,

omdat mensen je beeld bekrasten;

ben je bedrukt, terneergeslagen,

heb je kopzorg voor alledag,

hoor je vaak spot en hoongelach?

Je kunt dat alles overdragen.

 

 

Leg al je lasten op de schouder

van de Behoeder en Behouder;

dan zie je aren, druiventrossen

die steeds je worden aangereikt;

God wil niet dat je ooit bezwijkt;

Hij zal je van je last verlossen.

 

 

ps. 56:4 en 5

[David, gevangen door de Filistijnen]

Bij al mijn angsten, machtige God, vertrouw ik op u. Ik

vereer u, mijn God, om wat u beloofd hebt. Als ik op u

vertrouw, ken ik geen angst meer. Wat zouden ze mij kunnen

doen, die nietige mensen?

 

 

56. NIEUWE START

 

 

Omstandigheden maakten mij benard,

het was mij zeer benauwd al om het hart,

ik was door duizend angsten erg verward,

de schrik zat in mijn benen;

'k vertrouwde God, die wou mij hulp verlenen,

waarna vervolgers minne mensjes schenen;

zo is opeens mijn angst voorgoed verdwenen:

ik maak een nieuwe start.

 

 

ps. 57:10-12

U wil ik dank brengen, Heer, over u wil ik zingen voor alle

volken. Want tot aan de hemel reikt uw liefde, tot aan de

wolken uw trouw. God, laat zien hoe machtig u bent, in de

hemel en op heel de aarde.

 

 

57. LIEDBOEK VOOR DE MENSEN

 

 

Ik wil een zangboek maken voor de mens

met verzen, hemelsbreed en zonder grens

om zo hemel en aarde te bewegen

van Gods trouw, liefde en macht, heel intens,

te  gaan zingen, elkander toegenegen.

 

 

Och, zongen medemensen zonder tal

zo met elkaar in één groot festival,

opdat daardoor toch heel de aarde eerde

de Meester van 't oneindige heelal,

die op zijn tijd elk mensenkind boetseerde.

 

 

Zo'n zanggezelschap dat ten hemel zingt

en door haar klanken de wereld doordringt

dat in orde is onze moeder aarde

daar in de hemel Gods liefde ontspringt;

die God die altijd zijn gaarde bewaarde.

 

 

ps 58:1 en 2

Voor de voorzanger.

Op de wijs van het lied 'Jaag mij niet de dood in'.

Een lied uit de bundel van David.

Machtigen der aarde, zijn jullie wel eerlijk? Spreken jullie

werkelijk recht? Nee, zoals jullie regeren, maak je de weg

vrij voor geweld.

 

 

58. DOODLOPENDE BRUTAALWEG

 

 

Zijn jullie, machtigen der aarde,

wel eerlijk bezig in het licht?

Die onrecht aanricht, en ook zwicht

voor leugenmonsters zonder waarde,

waardoor het recht kromt en verbuigt:

onschuldigen zijn afgetuigd.

 

 

't Recht van de sterksten, oppermachten,

is enkel kracht, vooral geen recht;

die overheersing is inslecht,

dus gaan volken jullie verachten;

je maakt de weg vrij voor geweld.

je laatste dagen zijn geteld.

 

 

ps 59:7-9

[God, bescherm me tegen mijn vijanden ...]

Iedere avond opnieuw trekken ze door de stad, als een meute

huilende honden. Alleen spot komt over hun lippen, messen

zijn hun woorden, want, zeggen ze, wie zou ons moeten horen!

Maar u hoort hen, Heer! U lacht met hen, u drijft met hen

de spot.

 

 

59. BESPOTTELIJKE VIJANDEN

 

 

Een meute honden loopt te huilen,

trefwoorden komen uit hun muilen:

het zijn vleesmessen voor mijn lijf,

waardoor ik ook van schrik verstijf.

Men zweeg: ik kon God horen lachen,

een zege met wimpels en vlaggen.

Die bende met hun moordcomplot?

o God, U drijft met hen de spot.

 

 

ps. 60:3 en 4

God, u hebt ons verstoten, ons uit elkaar geslagen, uw woede

op ons gekoeld, maak ons nu weer sterk. U bracht het land aan

het beven, de grond aan het scheuren, alles zal instorten.

Genees dit land van zijn wonden!

 

 

60. NA DE LANDSTORM

 

 

O God, ons land is zwaargewond,

doorploegd onze geboortegrond

met zere plekken, massagraf;

zinloos is zelfs de bedelstaf.

Kom, Genees, Heer, breng balsem aan,

geef Vreeland aan elk' onderdaan,

houd onze levens ongeschonden,

genees dit land van al zijn wonden!

 

 

ps. 61:5

[Mijn God ...]

Laat mij wonen in uw tempel, voor altijd; laat mij schuilen

bij u, onder uw veilige vleugels.

 

 

61. GEMEENSCHHAP VAN MENSEN EN GOEDEREN

 

 

Een ruïne met wat drempels,

afgodstempels,

vindt men in een tempelstad;

maar ik zoek naar hoger' oorden

die bekoorden

mensen op mijn levenspad.

 

 

Wel in Gods hus, niet in godshuis,

voel ik mij thuis:

daar wil ik gehuisvest zijn.

Laat, o God, mij bij U wonen

met personen,

zwijgend over mijn en dijn.

 

 

ps. 62:11 en 12

[Mensen ...]

Vertrouw niet op geweld, verwacht niets van roof. Verlaat je

niet op bezit, al neemt dat nog zo toe. Ik heb God horen

zeggen en meer dan eens: 'Alle kracht komt van mij.'

 

 

62.ONVERGANKELIJKE RIJKDOM

 

 

Wanneer je je bezit beziet

daarop vertrouwt en goed geniet

van klinkend' munt en mooie stuiver,

hoog opgetast en waardevast;

zo ben je niemand ooit tot last;

bekijk die rijkdom wel loepzuiver.

 

 

Want 't lijf komt in het aardse slijk,

al was je fabelachtig rijk,

je kunt niet eens meer gaan verzitten;

je bent niet aard- en nagelvast;

wel in de hemel eregast,

daar hoef je niets meer te bezitten.

 

 

ps. 63:1 en 2

Een psalm uit de bundel van David.

David heeft deze pslam gedicht toen hij zich in de woestijn

van Juda schuilhield. God, u bent mijn God, u blijf ik

zoeken. Met lichaam en ziel verlang ik naar u, ik smacht

naar u als een droog en dorstig land naar water.

 

 

63. HOOPVOLLE VINDINGSKRACHT

 

 

Ik tastte in den blinde rond,

wist niet meer waar ik het moest zoeken,

las jaar en dag in studieboeken

maar geen plaats waar ik God nog vond.

Nochtans: mij ziel en lichaam smachten

naar deze Meester van 't heelal

die zich laat vinden overal;

dus blijf ik d'Eeuwige verwachten.

 

 

ps. 64:2 en 3

Mijn God, luister naar mij, u klaag ik mijn nood. Vijanden

jagen me angst aan, bescherm mijn leven, bewaar mij voor

hun gekonkel en gelaster. Verberg me voor die misdadigers.

 

 

64. NOODKREET

 

 

Bewaar mij voor de addertongen

en voor de vuige lastertaal

van hen die met hun vals verhaal -

dat stinkend walmt uit al hun longen -

hun prooi besprongen.

 

 

Behoed mij voor de kogelregen

van leugentaal die heel ver draagt,

want ik voel mij fel opgejaagd

door hen die gaan langs kronkelwegen.

God, geef mij zegen.

 

 

 

ps. 65:1-4

 

Voor de voorzanger. Een psalm uit de bundel van David.

God, die op de Sion woont, het is goed dat wij u eren, onze

beloften aan u nakomen, want u verhoort onze gebeden. Alle

mensen komen bij u, beladen met zonden. Drukken onze fouten

ons terneer, u vergeeft ze.

 

 

65. VERGEVEN EN VERGETEN

 

 

Als onze fouten ons bedroeven,

benemen levensmoed,

wij op de lippen tranen proeven

door ons somber gemnoed,

 

 

 

 

dan ziet God die gedrukte stemming

en hij scheldt alles kwijt,

terstond verdwijnt ook de beklemming:

wij ademen bevrijd.

 

 

'Wij' is geen groep, neen, alle mensen

krijgen een schone lei;

een van Gods grootste hartewensen:

Stop de bangmakerij!

Zodra de zonden ons benauwen,

vergeeft God ons meteen

en hij wil ons dan toevertrouwen:

'Ik hou van iedereen.'

 

 

ps. 66:16 en 17

Wie ontzag heeft voor God: kom naar mij luisteren. Ik zal

u vertellen wat hij voor mij heeft gedaan. Nauwelijks had ik

om hulp geroepen of ik kon hem al danken.

 

 

 

66. IN MINDER DAN GEEN TIJD

 

 

Zoals een kind roept om zijn moeder,

zo riep ik hulp in van omhoog.

'Want God is onze Albehoeder',

was wat ik eerder overwoog.

Mijn bede was net afgelopen

of ik sprak al een dankgebed:

meer steun dan ik had durven hopen

had God reeds voor mij klaargezet.

 

 

ps. 67:2-4

God, heb medelijden met ons, zegen ons, zie ons welwillend

aan. Dan zullen alle volken weten hoe u te werk gaat, hoe u

bevrijding brengt. Laten alle mensen u eer bewijzen, alle

volken u eren.

 

 

67. LEERGANG

 

 

God, U heeft ons volk uitverkoren

voor het aanschouw'lijk onderwijs;

zo konden alle volken horen

van onze lange wereldreis;

U had medelijden,

wilde ons bevrijden,

keek ons vriend'lijk aan.

D'aarde kan doorgronden

wat wij ondervonden

en 't ons is vergaan.

 

 

ps. 68:21

Hij is de God die ons behoudt, die ons redt van de dood, hij,

God, de Heer.

 

 

68. DE TEGENWOORDIGE

 

 

Ik ben een redder in de nood,

een levenlang uw reisgenoot

Ik ben altijd aanwezig.

Mijn naam is Ikben, roep mij aan,

engelen vliegen af en aan

en zijn altijd druk bezig;

op elke plaats, ja overal

ben 'k tegenwoordig in 't heelal;

Ik zal de jeugd en ouden,

zelfs in hun laatste ogenblik,

al zijn ze dan ook stijf van schrik

altijd heelhuids behouden.

 

 

ps. 69:33 en 34

Wie verdrukt worden, zullen zich verheugen; wie bij u hun

toevlucht zoeken, zullen opleven, want u, Heer, luistert

naar arme mensen, u minacht gevangenen niet.

 

 

69. HET ZAL VERKEREN

 

 

Verschoppelingen krijgen snauw op grauw

en toevluchtzoekers lopen veel gevaren;

de armen lijken wel de schuldenaren;

men brengt die allen heel vaak in het nauw.

Vanuit de hemel kijkt God toch niet neer

op havelozen, maar Hij zal hen horen

en brengen in hun zware lot een keer:

dan zien zij eeuwenlang het zonnegloren.

 

 

ps. 70:6

Heer, arm ben ik, hulpeloos, kom snel, mijn God, u mijn

helper, mijn redder. Laat mij niet wachten!

 

 

70. NOODSEIN

 

 

God, U bent Redder uit de nood,

o, help mij waarlijk en almmachtig,

want ik ben weerloos en neerslachtig;

zie ik straks nog het morgenrood?

Help mij zo vlug als een gedachte

en kom mij pijlsnel tegemoet,

want ik heb zoveel tegenspoed,

laat mij, o God, niet langer wachten.

 

 

ps. 71:9

[Heer]

Laat mij niet over aan mijn lot nu ik oud ben; laat me niet

in de steek nu mijn krachten het begeven.

 

 

71. LEVENSAVONDGEBED

 

 

Nu, in de avond van mijn leven

ben ik der dagen zat

en heel erg afgemat

terwijl mijn krachten het begeven;

Heer, laat mij toch niet schieten;

dat zou mij zeer verdrieten.

 

 

ps. 72:1 en 2

Uit de bundel van Salomo.

God, verleen de koning uw macht, laat hij rechtvaardig zijn

als u. Laat hij uw volk besturen naar recht en billijkheid,

laat hij opkomen voor de verdrukten.

 

 

72. RECHTSBIJSTAND

 

 

Laat de regering zó besturen

dat elke onderdaan,

ja, zelfs de minste randfiguren

steeds worden bijgestaan;

dat ieder eerlijk en rechtvaardig

zijn recht krijgt, elk zijn deel,

want God wil dat een mens menswaardig

leeft op dit schouwtoneel.

 

 

ps. 73:25 en 26

Wie heb ik in de hemel behalve u? Behalve u verlang ik ook

niets op aarde. Al zou mijn lichaam bezwijken, al zou mijn

hart het opgeven, u bent de rots waarop ik bouw, u bent mijn

hele bezit, o God, voor altijd.

 

 

73. KINDSDEEL

 

 

Eens heb ik geen bekwaamheid meer

om mijn vermogen in beheer

te geven aan mijn tijdgenoten:

mijn leven wordt dan afgesloten;

maar God, U bent heel mijn bezit,

al is mijn lichaam ook lijkwit,

'k ben erfgenaam, door U geleid

naar het hiernamaals voor altijd.

 

 

ps. 74:12

 

God, u bent toch onze koning, al sinds onheuglijke tijden;

u brengt steeds weer bevrijding, overal op aarde.

 

 

74. BEVRIJD DOOR EIGEN MEESTER ZIJN

 

 

Al wordt de vrijheid wijd en zijd beknot,

de Hemelkoning zal ons weer verblijden;

reeds in de oertijd kwam hij ons bevrijden:

wereldomvattend, overal is God.

 

 

ps. 75:2

God, wij eren u, wij brengen u eer, uw naam is altijd op onze

lippen, uw grote daden maken wij bekend.

 

 

75.MEERSTEMMIGE WERELDWIJS

 

 

Alle mensen, ik zing voor

en bazuin het in het rond

tot aan elke horizont;

zingt met mij mee, zingt in koor,

 

duizendstemmig vol ontzag

van Gods daden, nacht en dag.

 

 

Alle mensen, zing mij na:

'God is iemand van de daad.'

God is iemand van de daad!

Vol van liefde en genâ

voegt Hij daden bij het woord,

omdat ieder bij Hem hoort.

 

 

Alle mensen, zingt Hem toe

en bewijst Hem alle eer;

Hij verlaat ons nimmermeer,

ook al ben je soms doodmoe,

want hij schiep een meesterstuk

met veel wijsheid en geluk.

 

 

ps. 76:9 en 10

[o, God]

Vanuit de hemel sprak u recht en de aarde werd stil in ontzag

toen u verscheen om recht te doen, om alle verdrukten te

bevrijden.

 

 

76. HET ZICHTBARE ZEGERIJK

 

 

Alle verworpelingen saam

leven zo vaak onaangenaam

daar een onmens één levensdoel

heeft: stil leven, zonder gevoel

voor mensen die zijn uitgezogen

en ook wordt nog hun recht gebogen.

 

 

Toen God hun recht deed op hun klacht,

zag heel de aarde hemelkracht;

in doodse stilte, ademloos,

zag men roerloos hoe God verkoos

een eind te maken aan het lijden

door de verdrukten te bevrijden.

 

 

ps. 77:20

[Mijn God,]

U baande u een weg door het water, een pad door de diepe zee,

niemand kon uw voetsporen zien.

 

 

77. EEUWIGE UITWEG

 

 

In woestijnen, afgelegen,

kom je stapsgewijs op wegen,

achtervolgd ga je rechtdoor;

jagers volgen nu je spoor.

Uitzichtloos lijkt dan het vluchten

wie hoort daar je diepe zuchten?

Je raakt helemaal van streek;

Doodlopend de oversteek.

 

 

Denk dan aan de God der Goden

die je helpt uit alle noden;

zelfs in een verlaten stee,

liep Hij door een diepe zee:

spoorloos ging Hij op die heerbaan,

maakte voor het volk een loopbaan;

't was een uitweg voor altoos.

schitterend en weergaloos.

 

 

ps. 78:52 en 53

Maar over zijn eigen volk waakte hij als een herder over zijn

kudde. Hij leidde hen door de woestijn. Onder zijn veilige

hoede hadden zij niets te vrezen;

 

 

78. STAPVOETS ACHTER DE REISGIDS

 

 

Woestijnbewoner, laat de moed niet zakken,

al zijn er op je tocht veel ongemakken

of is de zandzee slechts een dorre vlakte,

wordt je geplaagd door kwetsbaarheid en zwakte,

al gaat het rondlopen vragenderwijs:

je leven is één grote pelgrimsreis.

 

 

Woestijnbewoner, wil toch overdenken:

in barre streken zijn ook godsgeschenken;

zie: Israël dat niet met lege handen

werd begeleid naar zachte heuvellanden,

onder Gods hoede had het heel wat moed,

al gaandeweg werd het steeds weldoorvoed.

 

 

ps. 79:11

Hoor toch, Heer, hoe wij in gevangenschap zuchten, wij zijn

ten dode opgeschreven. Houd ons in leven, toon ons uw grote

macht!

 

 

79. BEHOUDZUCHT

 

 

Almachtige, wij kunnen niet meer spreken,

eenvoudigweg zelfs niet bidden en smeken;

wee ons, wij zijn ten dode opgeschreven,

kom ons te hulp en hou ons toch in leven!

Wij zuchten ach en we,

omdat van lieverlee

allen in cellen wonen;

wij zuchten onder 't juk

van tegenstanders druk;

wil ons Uw almacht tonen.

 

 

ps. 80:15 en 16

 

 

Almachtige God, wend u niet langer van ons af, kijk vanuit

de hemel naar ons en draag zorg voor de wijnstok, voor de

stek, door u geplant, de loot, door u gekoesterd.

 

 

80. WIL TOCH NEERZIEN VAN OMHOOG

 

 

Wijngaardenier, wil ons ontwaren,

zoals van ouds in vroeger jaren,

toen U de wijnberg had geplant

en goed verzorgd van hogerhand;

wend U niet langer van ons af:

wij stuiven bijna weg als kaf.

 

 

ps. 81:6B-8A

Een onbekende stem hoorde ik zeggen:'Ik nam de last van je

schouders, de korven met klei uit je handen. Toen je het

moeilijk had, riep je mij om hulp en ik heb je bevrijd ...

 

 

81. BOVENSTEM

 

 

Hoor nu mijn gezang,

dat ik aan moet heffen;

mijn gedachtengang

hoorde plots een stem

in Jeruzalem:

een vreemd samentreffen.

 

 

Want de stem die sprak

kwam mij onbekend voor,

maar ik onderbrak

niet: God weet vanwaar!

Kwam die redenaar

er gewoon tussendoor?

 

 

Hoor mijn nieuwe lied,

'k weet van horen zeggen:

"In het stroomgebied

maakte Ik je vrij,

van de korven klei;

je zou 't loodje leggen.

 

 

Toen je om hulp riep,

gleed last van je schouders

en Ik vrede schiep;

gaf je een profeet,

wat Ik nog meer deed,

deed ik voor je ouders."

 

 

ps. 82:8

God, treed op, handhaaf het recht op aarde, want alle volken

behoren u toe.

 

 

82. HEEL HET HEELAL

 

 

In Uw gemeenschap valt een ieder;

U bent de koning en gebieder

die recht heeft op al wat U schiep,

op wat U ooit in aanzijn riep.

Vaag onrecht weg, handhaaf Uw wetten,

wil vals beschuldigden ontzetten,

want U geeft steeds elk mens zijn part:

waar Uw schat is, daar is Uw hart.

 

 

ps. 83:1-5

Een lied. Een psalm uit de bundel van Asaf.

God, zie niet werkloos toe, blijf niet zwijken, houd u niet

doof. Want uw vijanden roeren zicht, vol haat keren zij zich

tegen u. Ze spannen saam tegen uw volk, smeden een komplot

tegen uw beschermelingen: 'Laten we Israël vernietigen, we

willen die naam niet meer horen.'

 

 

83. ISRAËL IS REËEL

 

 

Vijanden, vol van blinde haat

zijn woedend dat Uw volk bestaat;

ze willen ons te gronde richten

en heel ons staatsbestel ontwrichten;

hun doel is dat we zeer bevreesd zijn,

hun streven dat we er geweest zijn.

 

 

Maar Israël is heel reëel,

altijd geweest. Ook momenteel

hoort God naar ons. God, blijf niet zwijgen!

Houd U niet doof, wil Uw oor neigen

naar onze luide smeekgebeden!

Wil voor ons in het strijdperk treden!

 

 

ps. 84:13

Almachtige Heer, gelukkig is wie op u vertrouwt.

 

 

84. VAN ZICH DOEN SPREKEN

 

 

Een mensenwoord wordt vaak verdraaid,

zodat het twist en tweedracht zaait.

Boekdelen spreken al Gods werken;

vertrouw gerust op heel dat woord;

het bracht al het bestaande voort;

dan zult u wonderwel bemerken:

vertrouwenwekkend woordgebruik

maakt dat voor u geluk ontluikt.

 

 

Is God uw vertrouwenspersoon,

dan wordt uw leven wonderschoon,

gelukszon gaat daarna niet onder;

zo ingelukkig, welgemoed

krijgt heel uw leven zonnegloed,

uw glimlachen is niet bijzonder;

bij wandelweer of wervelwind

bent u altijd een zondagskind.

 

 

ps. 85:10-12

[God, de Heer]

Wie ontzag voor hem tonen, komt hij bevrijden; hij laat hen

niet wachten. In al zijn majesteit komt hij wonen in ons

land. Dan gaan liefde en trouw hand in hand, recht en vrede

strengelen zich ineen, trouw bloeit op uit de aarde en recht

daalt neer uit de hemel.

 

 

85. ALLEDAAGSE INWONING

 

 

Als wij voor God tonen een groot ontzag,

bevrijdt Hij ons en woont hier alledag,

gewoon bij ons in al zijn majesteit,

waarna de vrede met gerechtigheid

mooi samengroeit, gestrengeld tot een koord,

zoals de trouw bij elke liefde hoort:

het vruchtbeginsel voor de wereldbol

is dat we samenwonen, liefdevol.

 

 

Dan is er toewijding op de planeet,

komen er zegeningen hemelsbreed,

omdat de koele dauw van bergen daalt

die door de aarde wordt binnengehaald,

zodat we zien een grote bloemenzee,

waar vruchten groeien zo van lieverlee;

dit paradijs onder het hemelsblauw

ontstaat dus door de liefde en de trouw.

 

 

ps. 86:7

[Heer, ...]

Als ik geen uitweg meer zie, dan roep ik u, want u geeft

antwoord.

 

 

86. WEERKLONKEN AANROEP

 

 

Al mijn roepen is slechts trillen

van de lucht, beven en rillen,

niet meer dan een holle toon

zoekend naar contactpersoon;

zal mijn roep een klankbord vinden

of verwaait hij door de winden,

waar komt straks mijn hulp vandaan,

wie is er met mij begaan?

 

 

Maar ik heb weerklank gevonden,

toegangswegen die ontstonden,

omdat ik de roepnaam riep

van de God die alles schiep.

Mensen riep Hij in het leven

die mij hulp hebben gegeven;

als ik soms geen uitweg zie

roep ik om Zijn energie.

 

 

ps. 87:5

Van Sion zal worden gezegd: 'Alle volken zijn er geboren.

De Allerhoogste heeft Sion gesticht voor altijd.'

 

 

87. TEHUIS VOOR DE VOLKEN

 

 

Een wereldstad met plaats voor alle volken,

een pension met inwoning en kost,

zie daar Sion, een hoge uitkijkpost;

wel te verstaan zijn duidelijke tolken.

 

 

Gebvoortestad, elk volk is hier geboren,

de naties hebben hier hun bakermat;

ter wereld brengen heeft hier plaatsgehad,

ja ieder volk zag hier het zonnegloren.

 

 

O moederstad, wij zijn zo opgetogen,

wij met die eendere familietrek

raken hier met een ieder in gesprek:

wij zijn geboren tot begripsvermogen.

 

 

ps. 88:9 en 10

[... de dichter is bijna dood...]

U hebt mij vervreemd van mijn vrienden, ze hebben een diepe

afkeer van mij. Ik zit opgesloten en zie geen uitweg, de

glans verdwijnt uit mijn ogen. Elke dag weer roep ik om u,

Heer, ik strek mijn handen naar u uit.

 

 

88. WARMTEZOEKER

 

 

De weerglans in mijn oog wordt mat,

zodat mijn vrienden mij ontwijken;

ik zal van eenzaamheid bezwijken,

omdat men mij aldoor vergat;

ik zit potdicht is mijn ervaring;

mijn huis lijkt een huis van bewaring.

 

 

Toch roep ik dagelijks om U,

o, God en ik strek beide armen

steeds naar U uit, wil mij verwarmen

geef mij een uitweg, doe het nu;

U kunt mijn handen wel bereiken,

wil hartverwarmend mij bestrijken.

 

 

ps. 89:16 en 17

Gelukkig de mensen die weten wat het is u toe te juichen,

te leven in uw geborgenheid. Om u kunnen zij juichen, heel

de dag, uw weldaden maken hen sterk.

 

 

89. DUBBEL GELUK

 

 

Gelukkig is het volk dat zich geborgen weet

en aan 't eren van God nog heel wat tijd besteedt,

zij jubelen het uit, gaan saam hun vreugde delen,

zij zijn buiten gevaar, ver van de strijdtonelen,

in alle toonaarden gaan zij hun Heer bezingen,

de vonken van geluk zullen dan overspringen.

 

 

ps. 90:1-3

Een gebed uit de bundel van de profeet Mozes.

Heer, u bood ons beschutting van geslacht op geslacht. Vóór

de bergen ontstonden, vóór u de aarde schiep, was u al God.

U bent God, alle eeuwen door. Als u zegt: 'Word weer stof,

jullie zwakke mensen', dan worden zij weer stof.

 

 

 

90. TOEKOMSTIGE BOUWSTOFFEN

 

 

Als U zegt: 'Word weer stof', tegen de aarde

dan worden wij weer stof zonder veel waarde.

U was al God voordat bergen ontstonden,

voordat vergingen de eerste seconden,

wist U al van het menselijk geslacht

dat U op deze wereld samenbracht.

 

 

U wilt die stof gaan bergen in de dalen

of in de bergen, tot U gaat bepalen

wanneer er nageslacht zal wederkomen

die Uw berschutting hebben meegenomen.

Zo zal 'horen en zien' ook niet vergaan:

men zal in and're handen overgaan.

 

 

ps. 91:14-16

De Heer zelf zegt: 'Omdat hij van mij houdt, red ik hem;

omdat hij mij kent, breng ik hem in veiligheid. Als hij mij

te hulp roept, antwoord ik hem. Als hij in het nauw zit, sta

ik hem bij. Ik zal hem bevrijden en in ere herstellen. Een

lang leven schenk ik hem, ik zal hem gelukkig maken.

 

 

91. HULPWERKWOORD

 

 

De mensen zeggen vaak zoveel

zonder antwoord te geven,

vergeten erewoord geheel,

hun bijstand duurt slechts even;

als je hen dringend vraagt: 'och, kom!'

omdat je hulp moet vragen,

houden ze zich soms doof en stom:

je bent terneergeslagen.

 

 

Maar God zegt met zijn zeggingskracht:

'Wil iemand mij beminnen,

die mij al kent, steeds aan mij dacht,

dan zal ik snel beginnen

met brengen hem in veiligheid,

zal ik mij tot hem wenden

en hem in minder dan geen tijd

hulp en verlossing zenden.'

 

 

ps. 92:1-3

Een psalm. Een lied voor de sabbat.

Heer, allerhoogste God, het is goed u hulde te brengen,

voor u te zingen, in de ochtend en in de avond, onder het

spelen op de harp, bij het getokkel op de lier.

 

 

92. WONDERLICHTE MELODIE

 

 

God laat steeds van zich spreken;

zing dan het hoogste lied,

een lied dat hulde biedt,

dat geeft een levensteken

aan Hem zo op de rustdag;

hef dan een loflied aan

zingt allen mee, komaan,

dan wordt die dag een feestdag.

 

 

Laat dag lied begeleiden

door spelers op de lier

zij geven ons plezier,

zodat wij ons verblijden

in schoonklinkende luister

van harp- en snarenspel,

verdrijvend wonderwel

de zorgen en het duister.

 

 

ps. 93:3 en 4

De oceaan gaat tekeer, onstuimig gaat zij tekeer; onstuimig

bruist de branding. Maar machtiger dan de bulderende zee,

machtiger dan de aanstormende golven, bent u Heer, hoog

 

in de hemel.

 

 

93. ZEEMACHT

 

 

Meeuwen aan land, de storm ligt voor de hand;

de zee die neemt het strand stormenderhand;

verbolgen winden, aangierend met kracht

alsof de storm de watergeest veracht.

 

 

Die hoge zee maakt mens en dier doodsbang,

zo indrukwekkend door die dadendrang,

maar machtiger dan heel die woest' orkaan

bent U, o Heer, U liet die storm ontstaan.

 

 

ps. 94:8 en 9

Komt tot inzicht, domme mensen, dwazen, worden jullie ooit

verstandig? God heeft onze oren gemaakt, zou hij niet kunnen

horen? Hij heeft onze ogen gemaakt, zou hij niet kunnen zien?

 

 

94. ONBENULLIGHEID

 

 

Wat een geraaskal, lege vaten,

die slechts klinkklare onzin praten,

kortzichtigheid en dwaas gedoe,

dat alles maakt me zo doodmoe;

hoe breng ik jullie aan 't verstand

dat dazen komt uit wartaalland.

 

 

Kom toch tot inzicht, dwaze mensen,

dat is een van mijn hartewensen;

je oren zijn gemaakt door God,

spot dan niet met je levenslot;

Hij was het die je ogen schiep,

bemerkt wel wat je deed en riep.

 

 

ps. 95:3-6

Want de Heer is een groot God, een machtig koning, groter en

machtiger dan alle goden. Hij beheerst de diepten der aarde,

de toppen van de bergen. Zee en land behoren hem toe, hij

heeft ze gemaakt. Kom, laten wij neerknielen, ons buigen,

hem onze dank brengen. Hij heeft ons gemaakt.

 

 

95. NAGEBOOTST

 

 

Zeg mensen, wij zijn nagemaakt,

zijn zelf door Gods hand aangeraakt;

Hij wou ons in het leven roepen;

wij danken aan Hem ons bestaan,

hef dan een danklied aan, komaan

een lied voor alle leeftijdsgroepen.

 

 

Zeg mensen, buigen wij het hoofd

en vormen wij een groep die looft

en die een woord van dank wil spreken;

kniel neer in de vergadering,

zing saam als een verademing

een levenslied zonder gebreken.

 

 

ps. 96:11-13

Laat de hemel zich verheugen, de aarde juichen, de zee

bruisen, de zee met al wat erin is. Laten de velden met alle

gewassen juichen, de bomen in de bossen het uitjubelen. Want

de Heer komt, hij komt om de aarde te besturen, over alle

volken zal hij heersen, eerlijk, trouw aan zijn beloften.

 

 

96. WERELDVREDE

 

 

God zelf komt de aarde besturen,

waardoor ontstaat een staakt-het-vuren;

in alle landen en op zee

is er gelukkig pais en vree,

een vrede die altijd zal duren.

 

 

Laat dan de planten en de dieren

met mensen, zeeën en rivieren

daarom gaan tintelen van vreugd;

laat ieder schepsel zijn verheugd:

zij zullen eeuwig feest gaan vieren.

 

 

ps. 97:6

De hemel verkondigt: 'De Heer is rechtvaardig.' De volken

zullen hem zien in al zijn macht en majesteit.

 

 

97. HEMELSE VREUGDE

 

 

De Ziel van het heelal

die eeuwig wezen zal

staat ver boven de volken

woont achter sterrewolken,

maar naties kijken op,

hun vreugde stijgt ten top,

zij zien Gods majesteit,

waardoor zij zijn verblijd,

tevreden op-en-top.

 

 

ps. 98:2

De Heer laat zien dat hij de bevrijder is. Aan alle volken

toont hij dat hij rechtvaardig handelt.

 

 

98. GELIJKWAARDIGE MENSENKINDEREN

 

 

Gods eigen volk is heel de mensheid,

ja, alle volkeren op aard' -

in eindeloze onbegrensdheid -

zijn die voor Hem zeer achtenswaard;

Hij wil geen rassen onderscheiden,

maar tonen zijn rechtvaardigheid,

zal heel der mensheid gaan bevrijden:

het einde van de lijdenstijd.

 

 

ps. 99:1 en 2

De Heer is koning, hij troont op gevleugelde wezens;

de volken beven, de aarde schudt. De Heer oefent zijn macht

uit in Sion en heerst over alle volken.

 

 

99. WERELDMACHT

 

 

Op een koningstroon

met een vleugelkroon

van een eng'lenschaar

woont God wonderbaar,

het zijn rijk alleen,

 

gebiedt iedereen:

in alle gebieden

zal zijn wil geschieden.

 

 

Zijn gevleugeld woord

bracht de schepping voort,

bijgevolg voert Hij

wereldheerschappij,

ja, van hogerhand

bestuurt Hij elk land;

blijft zonder mankeren

met liefde regeren.

 

 

ps. 100:1-3

Een psalm, tot eer van God.

Bewoners van de aarde, juich de Heer toe. Ga naar zijn

tempel, vereer hem met vreugde, zing voor hem. Besef: alleen

hij is God, hij heeft ons gemaakt, hem behoren wij toe, zijn

volk zijn wij. Hij zorgt voor ons als een herder voor zijn

kudde.

 

 

100. VAN BINNENUIT ZINGEN

 

 

Bewoners van de aarde ga

naar binnen toe en denk daar na

wie ons bestaan in aanzijn riep:

is dat niet God die alles schiep?

 

 

Daar in je schuilkerk, ongemerkt,

bedenk je wat Hij heeft bewerkt:

een grote kudde op de wei

met bronnen, kooien, velerlei.

 

 

Daar in je tempel zit een lied

dat je wilt zingen; je doorziet

dat God voor ieder aandacht heeft,

ook voor ons zorgt en om ons geeft.

 

 

Bezingen wij dan vol ontzag

die grote Herder dag aan dag;

bewijzen wij hem alle eer

met vreugdezangen keer op keer.


ps. 101:2B-4

[Een psalm uit de bundel van David.]

Ik leef met een zuiver hart te midden van mijn hovelingen.

Ik heb geen lage bedoelingen, ik verafschuw verkeerde

praktijken, ik houd mij er niet mee op. Met gekuip laat ik

mij niet in, het kwaad ga ik uit de weg.

 

 

101. WEGWIJS

 

 

Degenen die bij mij aan 't hof verblijven,

zal ik snel van mijn huis en haard verdrijven,

als zij doen wat het daglicht niet verdraagt,

en mij mishaagt.

 

 

Ga uit de weg bij hen die zich misdragen,

blijf uit de buurt van hen die zich verlagen

tot slinkse streken en laaghartigheid;

mijdt hen altijd.

 

 

ps. 102: 19-23

Schrijf dat neer voor het komende geslacht, dan zullen ook

zij van de Heer zeggen: 'De Heer boog zich naar ons over

vanuit zijn heilige hemel, hij heeft ons gezien vanuit zijn

hoge woning. Hij heeft het zuchten van de gevangenen gehoord,

hij heeft bevrijd wie ten dode waren opgeschreven.'

Zo wordt hem in Jeruzalem hulde bewezen, zo wordt zijn naam

met ere in Sion genoemd, wanneer alle volken er samenkomen,

wanneer men uit alle koninkrijken op weg gaat om de Heer te

aanbidden.

 

 

102. REISBESCHRIJVING

 

 

 

Voorgeslachten, vaak gevangen,

werden met hun zielsverlangen,

komend uit de wereldbrand,

opgevangen in dit land;

God wou hen naar Sion leiden,

omdat Hij graag wou bevrijden

hen die waren opgesloten,

door de mensen uitgestoten.

 

 

Hoor, wij zijn de nageslachten,

die teruggaan in gedachten

naar God die ons heeft bevrijd

en verlost uit lijdenstijd:

Volkeren uit alle hoeken

die Jeruzalem bezoeken,

zien ons dansen en ons springen,

zien ons danken en ons zingen.

 

 

Ps. 103:1-5

Ik dank de Heer, ik dank hem uit de grond van mijn hart.

Dank aan de heilige God, geen van zijn weldaden zal ik

vergeten. Hij vergeeft mijn fouten en geneest mijn kwalen.

Hij redt mij van de dood, omringt mij met liefde en goedheid.

Hij geeft mij weer levenskracht, schenkt mij een nieuwe

jeugd, maakt mij sterk als een arend.

 

 

103. HET DUURT EEN EEUWIGHEID

 

 

Tot nu toe hield ik alsmaar in gedachten

dat je gaat sterven aan verval van krachten,

geleidelijk, maar 't kan ook onverwacht.

Ik kon mij niet zo onbewolkt verblijden;

al scheen de zon, ik zag vaak schaduwzijden,

zodat verdween veel van mijn levenskracht.

 

 

Maar thans weet ik: God zal mij leven schenken

nadat de dood mij zachtjes heeft staan wenken,

omdat ik dan met liefde word omringd;

ik krijg weer krachten, nieuwe jonge jaren,

want d'Eeuwige wil altijd mij bewaren,

zodat mijn hart de Schepper steeds bezingt.

 

 

ps. 104:24-26

Heer, wat hebt u al niet gemaakt. En zo wijs, zo kundig. Heel

de aarde is uw werk. Daar is de zee, weids, niet te overzien.

Ze wemelt van dieren, kleine en grote, niet te tellen;

schepen varen er overheen, daar zwemt een leviathan, het

zeemonster, u hebt het gemaakt, u speelt ermee.

 

 

104. HET AARD- EN WATERRIJK

 

 

Wat hebt u, Heer, al niet laten ontstaan?

Wat heeft U al dat werk toch welgedaan!

Zou ik de aarde willen onderzoeken,

benaderen uit alle invalshoeken,

dan is dat voor mij veel te uitgebreid,

het vergt een eeuwenlange studietijd;

door Uw altijddurend scheppingsvermogen

geef ik aanhoudend de kost aan mijn ogen.

 

 

En als ik zo de wereldzee bekijk:

wat is dat toch een prachtig waterrijk

dat wemelt van grote en kleine dieren

zoals de leviathans en de pieren;

zie ik een groot schip op dat ruime sop

het lijkt niet veel meer dan een notedop,

het heeft iets weg van leuke taferelen:

alsof U gids met draak en schip gaat spelen.

 

 

ps. 105:39

God beschermde de de Israëlieten met een wolk, een vuur gaf

ze licht in de nacht.

 

 

105. VEILIGHEIDSLAMP

 

 

Ons volk verliet d'Egyptenaren,

zag de woestijn met zijn gevaren:

Egyptisch' duisternis volop,

maar hen ging daar een zoeklicht op;

zo liepen zij niet ongewis

in ondoordringbaar' duisternis.

 

 

God gaf hun licht in alle nachten;

dat schijnsel maakte dat zij lachten

tegen elkaar in de woestijn,

omringd door wolken als gordijn;

zij gingen bij dat heilig vuur

in donk're nacht naar goede buur.

 

 

Ook onderweg naar waterputten

kwam God het reizend volk beschutten,

trok er een wolkendek omheen,

zodra het daglicht weer verscheen;

het volk kwam daarom glansrijk aan

bij klaar' en heldere Jordaan.

 

 

ps. 106:1 en 2

Eer aan de Heer. Breng dank aan de Heer, want hij is goed,

eeuwig duurt zijn liefde. Wie kan zijn grootse daden

verwoorden. Wie kan hem naar waarde prijzen?

 

 

106. MET GEEN PEN TE BESCHRIJVEN

 

 

Ons denkvermogen is verward,

van het geheel zien wij een flard,

wat weten wij van al Gods daden?

Zijn werken zijn heel hemelsbreed,

steeds moeten wij opnieuw beraden.

Wie kan verwoorden wat Hij deed?

 

 

Hij voegt de daden bij het woord;

zijn scheppingswerk gaat eeuwig voort;

de wording is niet onderbroken,

zodat door dichter of profeet

het laatste woord niet is gesproken.

Wie kan verwoorden wat Hij deed?

 

 

ps. 107:19 en 20

In hun angst riepen zij de Heer om hulp en hij redde hen van

een wisse dood. Met een enkel woord maakte hij hen gezond, zo

redde hij hen van het graf.

 

 

107. WERKWOORD

 

 

Wat heeft een woord voor waarde,

een woord dat iemand gaf

en daarbij ook gebaarde:

het wentelt rond als kaf,

indien men zich niet houdt

aan plechtige verklaring,

dan krijg je het steenkoud

van die slechte ervaring.

 

 

Is slechts één woord gezonden,

door Hem die alles schiep,

naar zieken of gewonden,

dan werkt zo'n woord heel diep

en dringt door in het hart,

waar het wordt ingelezen:

verdwijnen zal de smart

en ieder zal genezen.

 

 

ps. 108:1-5

Een lied. Een psalm uit de bundel van David.

Nu ben ik veilig, God. Zingen en spelen wil ik, op mijn harp,

op mijn lier, de zon wil ik wekken. U wil ik dank brengen,

Heer, over u wil ik zingen voor alle volken. Want tot aan de

hemel reikt uw liefde, tot aan de wolken uw trouw.

 

 

108. VEELSTEMMIGE MEEZINGER

 

 

Ik sla mijn harp, speel op de lier,

schrijf noten op muziekpapier:

zo maak ik een veelstemmig lied,

meezinger voor elk taalgebied;

bepaald niet voor één staat of land,

want ieder mens is bloedverwant;

van God zijn alle kroondomeinen;

Hij kent immers geen scheidingslijnen.

 

 

Zo trilt de lucht door snarenspel,

bewegend elk zenuwcel

van ieder in het mensenkoor,

zingend jaren en eeuwen door;

een jubelzang van alleman

over het groot bestemmingsplan

van God met mensen, dieren, dingen;

dat wil de mensheid gaan bezingen.

 

 

ps.109:21-23

Maar u, Heer, mijn God, help mij, dat bent u aan uw naam

verplicht. Bevrijd mij in uw overgrote liefde. Ik ben zo arm,

zo hulpeloos, ik ben gekwetst tot in mijn hart. Mijn leven

is niet meer dan een avondschaduw. Men schudt mij van zich

af als ongedierte.

 

 

109. WEGGEKEKEN VRAGER

 

 

Och, help mij God, wees mijn geleide,

met leugentaal trekt men ten strijde

en werpt een schaduw op mijn leven;

mij kwijtraken dat is hun streven;

nu ben ik nog een schim, een geest,

schaduw van wat ik ben geweest.

 

 

Door praatjes over mij te kletsen,

wil men mij tot in 't hart diep kwetsen,

daarom voel ik mij zeer verdrietig;

o, help mij toch, ik ben maar nietig;

als ongediert' schudt men mij af,

hoewel ik nimmer aanstoot gaf.

 

 

ps. 110 helemaal

Een psalm uit de bundel van David.

Mijn koning, God zegt tegen u: 'Neem plaats aan mijn

rechterzijde, ik zal uw vijanden neerleggen als een bank

voor uw voeten.' Mijn koning, vanaf de berg Sion zal de

Heer uw macht uitbreiden, u zult heersen over al uw

vijanden. Als u ten strijde trekt, zal het volk u uit vrije

wil volgen. De jongemannen in schitterende gewaden, fris als

dauw in de morgen, voegen zich bij u. De Heer heeft u

gezworen en hij neemt zijn woord niet terug: 'U zult priester

zijn voor altijd, priester als Melchisedek.' De Heer zal u

terzijde staan. Op de dag dat hij wraak neemt, verplettert

hij de koningen. Hij zal de volken vonnissen, de lijken hopen

zich op. De hoofden van de machtigen verbrijzelt hij. Maar de

koning zal drinken uit de beek langs de weg, hij heft

gesterkt het hoofd.

 

 

110. HEILDRONK OP DE EEUWIGE KONING

 

 

Vergankelijk zijn koningen der aarde;

ze hebben hier slechts tijdelijke macht;

ze slapen in, ja zelfs de zeer vermaarde,

verdwijnen zomaar op een kwader nacht.

 

 

Eeuwige sneeuw zal voeden alle beken,

waaruit de Koning water tot zich neemt,

een heildronk als een eeuwig levensteken,

waardoor Hij zich van d'aarde niet vervreemdt.

 

 

De Priesterkoning zal voor altijd leven;

onwankelbaar verheft Hij zich als hoofd

van alle mensen: Hij is hoogverheven

en weet dat heel de mensheid hem straks looft.

 

 

ps. 111:10

Wijshheid wortelt in ontzag voor de Heer; wie hem eerbiedigt

is verstandig. Voor altijd duurt de roem van de Heer.

 

 

111. WORTELS VAN WIJSHEID

 

 

Het leven lijkt een studiereis,

door scha en schande wordt men wijs

en boekenwijsheid is niet handig;

heel het bestaan wordt er doorzocht,

het schijnt wel een verkenningstocht,

maar wordt men onderweg verstandig?

 

 

Voelt men ontzag voor God, de Heer,

bewijst men aan Hem alle eer,

dan wortelt daarin alle wijsheid:

uw stam groeit uit, de tak draagt vrucht,

van zorg bevrijd en opgelucht

leeft u tot in uw oude grijsheid.

 

 

ps. 112:1, 4 en 7

Eer aan de Heer. Gelukkig de mens die ontzag heeft voor de

Heer en vreugde vindt in zijn geboden. Voor wie God getrouw

zijn, is hij een licht in het duister; hij is vol medelijden,

is goedgunstig en rechtvaardig. Een slechte tijding vreest

hij niet. Hij is vastberaden, want hij vertrouwt op de Heer.

 

 

112. VAN GEEN WIJKEN WETEN

 

 

Men hoort zo vaak slechte berichten;

veel levens kunnen zo ontwrichten;

een jobstijdig laat mensen rillen

en van benauwdheid gaat men trillen,

men gaat zich zeer gejaagd gedragen

en kijkt gedurig heel verslagen.

 

 

Hij die ontzag voor God wil tonen,

schrikt niet zo snel; van die personen

die slechte tijding ruchtbaar maken;

hij zal niet in paniek geraken

en vlucht niet over kronkelpaden,

maar hij is altijd vastberaden.

 

 

ps 113

Eer aan de Heer!

Dienaars van de Heer, breng hulde aan de Heer. Ja, breng hem

hulde, dank hem, nu en altijd! Vanwaar de zon opkomt tot waar

zij ondergaat, overal bewijst men hem eer. De Heer heerst

over alle volken, zijn macht reikt hoger dan de hemel. Wie is

als de Heer, onze God? Hoog zetelt hij op zijn troon, diep

buigt hij zich om te kijken naar hemel en aarde. De zwakke

tilt hij uit het stof, de arme haalt hij uit het slijk. Hij

geeft hun aanzien, een ereplaats onder zijn volk. Van een

vrouw zonder kinderen maakt hij een blijde moeder.

 

 

113. MOEDERDAG BREEKT AAN

 

 

Hier rust een vrouw in 't graf zo zacht

die heel haar leven heeft gewacht

op wederhelft en samenwonen;

begreep niets van haar levenslot,

werd ook nog heimelijk bespot,

als zij wenste dochters en zonen.

 

 

Zo is er ook een lieve vrouw,

gelukkig en haar man getrouw,

die weduwvrouw werd na veel jaren;

droeg nooit een kindje onder 't hart,

haart toekomstbeeld lijkt ravenzwart;

ze kijkt bedroefd naar ouderparen.

 

 

 

 

De toekomst gaat oneindig door

en schepping staat niet op dood spoor,

daarvoor zorgt onze Albehoeder,

want van een vrouw - thans kinderloos -

maakt hij bloedmooi en grandioos

te Zijner tijd een blijde moeder.

 

 

ps. 114:7 en 8

Aarde, krimp ineen voor je heerser, voor de God van Jakob.

Want hij is het die rotsen veranderde in een meer, hard

gesteente in een bron.

 

 

114. STEENGOED

 

 

Zeg aarde, al ben je als kiezelsteen

en ga je lang door hemelruimte heen

met al je horizonnen,

als Jacobs God je korst verand'ren wil,

worden gesteentes, roerloos en doodstil:

toevallig waterbronnen.

 

 

Zeg aarde, krimp in voor de Hemelvorst,

want Hij herschept je als Jacobs volk dorst

en zal dan presenteren:

water dat fris tot aan de lippen staat

en met hen meegaat als hun mondjesmaat;

zo worden rotsen meren.

 

 

ps. 115:16-18

De Hemel behoort toe aan de Heer, de aarde geeft hij aan de

mensen. Niet de doden brengen hulde aan de Heer, niet de

doden in de stilte van hun graf, maar wij brengen dank aan

de Heer, nu en altijd. Eer aan de Heer!

 

 

115. ONONDERBROKEN LIED

 

 

Nu klinkt ons lied, welluidend eerbewijs

aan stations op onze wereldreis

waar wij veel moois bespeuren,

zodat wij dankbaar zijn voor Hem die schept

maaksels zonder mankeren, ongerept,

in vormen, geuren, kleuren.

 

 

Zijn we gezonken in het stille graf,

dan komt opeens een engel op ons af

om onze geest te leiden

naar oorden, waar we zingen in een koor

naamwoorden als dank aan God altijd door:

getijden van verblijden.

 

 

ps. 116:1-4

De Heer heb ik lief! Hij heeft mij gehoord toen ik om hulp

smeekte, hij heeft geluisterd toen ik hem riep! De dood had

mij in zijn greep, in zijn ketenen was ik gevangen. Ik zag

geen uitweg meer, ik was wanhopig. Toen heb ik geroepen:

'Heer, red mij toch.'

 

 

116. KLEURRIJK SCHOUWSPEL

 

 

Aangrijpend als men worstelt met de dood,

niet geven kan een simpel levensteken,

het innerlijk ternauwernood kan smeken,

want er is levensgrote ademnood.

 

 

Ingrijpend kan dan zijn een stil gebed

dat woordeloos in 't hart woordt weergegeven,

waar men ontwaart de schepper van het leven,

maar ook beseft: ik word eruit gered.

 

 

Dan opent zich een heel mooi vergezicht

met levendige, intens diepe kleuren

en gaat een mens hartstochtelijk bespeuren

de schoonheid van het verder' levenslicht.

 

 

ps. 117

 

Volken, breng hulde aan de Heer! Naties, bewijs hem eer!

Overweldigend is zijn liefde, eeuwig duurt zijn trouw.

Eer aan de Heer!

 

 

117. ALLEMENSEN!

Geen volk mag zeggen 'God met ons.

Aanval kan goed met bataljons

of ander oorlogstuig, zodat

ons land een groter stuk omvat;

het gaat er steeds meer op lijken:

God stuurt ons zijn liefdeblijken.'

 

 

Die god, maaksel van èigen woord,

heeft vele volken uitgemoord

of weggesleept als handelswaar;

zo woog u geld, inwisselbaar

voor jachthuizen en kastelen.

Al dat leed kon u niets schelen.

 

 

Maar in elk land over de grens

woont tijdgenoot en medemens,

gelijkwaardig en zielsverwant,

van hogerhand aldaar geplant.

Want God is niet van u alleen;

Hij geeft zijn liefde aan elkeen.

 

 

Tolken, vertaal dit zonneklaar:

De volken worden vriendenschaar

die maatvast zingt in stad en land

'God is met ons, danst hand in hand,

zijn liefde is indrukwekkend,

zijn trouw voor allen verstrekkend.'

 

 

ps. 118:1-6

Breng dank aan de Heer, want hij is goed, eeuwig duurt zijn

liefde. Israël, blijf zeggen: 'Eeuwig duurt zijn liefde.'

Priesters, blijf herhalen: 'Eeuwig duurt zijn liefde.'

Wie ontzag heeft voor de Heer, moet steeds weer zeggen:

'Eeuwig duurt zijn liefde.' Ik voelde me beklemd en ik riep

de Heer; hij gaf mij antwoord en ik kon weer ruim ademhalen.

De Heer is met mij, ik ben niet bang meer: wat kunnen mensen

mij nog doen?

 

 

118. MET FRISSE MOED

 

 

Ik stond eens als een riet te beven,

verkeerde ook in ademnood;

'k was al angstvallig thuisgebleven,

was strijk en zet bang als de dood;

nachtmerries gingen mij benauwen,

adembenemend was mijn schrik,

verdwenen was mijn zelfvertrouwen,

voelde me angsthaas voor de strik.

 

 

 

 

'Och God, bewaar me!',zei ik smekend

en dat heeft mij erg opgelucht;

ik zag een zoeklicht dat baanbrekend

mijn angst verjoeg: die nam de vlucht;

daarna kon ik ruim ademhalen,

zag rondedans in visioen,

ga nu naar buiten zonder dralen,

wat kunnen mensen mij nog doen?

 

 

ps. 119:129 en 130

Wonderen zijn uw woorden, daarom draag ik ze in mijn hart.

Uw woorden zijn deuren naar het licht, inzicht krijgt wie

nog in het duister tast.

 

 

119. DEUREN NAAR HET LICHT

 

 

U heeft de wereld vaak versteld doen staan

in alle tijden en in alle oorden

door Uw gezegden die wel te verstaan

waren als luisterrijke slotakkoorden;

die draag ik daarom steeds mee in mijn hart,

want wonderen zijn immers als uw woorden.

 

 

Hoe kostbaar is mij toch uw woordenschat;

zij is voor mij als openslaande deuren

uitkomend op het licht: nieuw levenspad

met rozegeuren en met buitenkleuren;

een woordenschat die alle kracht bevat,

waardoor nog altijd wonderen gebeuren.

 

 

ps. 120:1 en 2

Een pelgrimslied.

In nood roep ik de Heer, hij antwoordt mij. Heer, bevrijd mij

toch, bevrijd mij van leugentaal en lastertongen.

 

 

120. TAALBEDERF

 

 

Een lastermond wil lagen leggen

en slechts stinkende leugens zeggen;

door het slijk wil hij mijn naam sleuren,

dat gaat maar steeds door, uitentreuren;

de pijlen van die lastertongen

zijn in mijn lijf binnengedrongen.

Redt mij, God, van die leugentaal,

zodat ik weer ruim ademhaal.

 

 

ps. 121:1, 2 en 8

Ik kijk naar de bergen want vandaar verwacht ik hulp. Te

hulp komt mij de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft ...

Waar je ook gaat of staat, de Heer waakt over je, nu en

altijd.

 

 

121. WELBEWAAKT

 

 

Fijn leven wil toch ieder mens

geborgen, welbewaard,

wat moois bijeengegaard,

veel vrienden, bijstand, hartewens.

Hoe kan je dat bewaren,

jouw dagen, maanden, jaren?

 

 

Mijn leven staat steeds op het spel;

waar ik mij ook bevind:

ik blijf een zorgenkind;

van schrik krijg ik soms kippevel.

Wie kan een mens behoeden

nu wereldbranden woeden?

 

 

Zo'n leven lijkt een grillig lot;

zo in het wilde weg

weet je van heg noch steg.

Weet, waar je staat of gaat, dat God

ook jou wil vervolmaken,

steeds over je zal waken!

 

 

ps. 122:3 en 4

Jeruzalem, hecht gebouwde stad, omgeven met machtige muren.

Naar jou komen de stammen van Israël, de stammen van de

Heer; hem komen zij eren, dat is hun opdracht.

 

 

122. DE OPDRACHT VAN HET BOEK

 

 

Wij, kinderen van Israël,

kennen de opdracht van het Boek,

brengen zo mogelijk bezoek

en geven heel veel eerherstel

aan de verheven grote stad,

die God altijd heeft liefgehad;

daar willen wij de knieën buigen;

die stad is door ons hooggeacht,

daar hebben wij een groepsopdracht:

om zo al zingend te getuigen.

 

 

Jeruzalem, jij ereplaats,

van alle kanten komen wij

naar jou eerbiedig naderbij;

jij bent alleen achttien karaats;

wij komen uit de wereldbrand

en leefden daar in niemandsland,

waar wij je in de geest aanschouwden;

zingend met stem en tegenstem

zullen we jou, Jeruzalem,

in eeuwigheid in ere houden.

 

 

ps. 123:3

Heb medelijden met ons, Heer, heb medelijden, want we worden

zo veracht.

 

 

123. WEERLOOS

 

 

O Mensenvriend, kijk uit de hoogte neer,

op Uw volk, keer op keer;

heb toch met ons ontzettend medelijden

en wil ons rap verblijden,

want heel de dag wil men Uw volk kleineren;

wij kunnen ons niet weren;

O, grote God, wees zeer met ons begaan:

wij zijn heel erg ontdaan.

 

 

ps. 124:7 en 8

Als een vogel zijn we ontsnapt uit het net; het net scheurde

en wij zijn ontkomen. Te hulp komt ons de Heer, die hemel en

aarde gemaakt heeft.

 

 

124. EEN HOGE VLUCHT NEMEN

 

 

Ik wil mijn ziel graag in een vogelvlucht

opbeuren, vrij van alle oorlogszucht,

om rond de aardbol in een vogeltrek

geluksvogel te zijn die, opgelucht,

rustig gaat zoeken naar een nieuwe plek

 

 

waar ik kan vinden voedsel voor mijn geest

en op kan pikken zaden, onbevreesd;

daar zie ik spijs, hoor lokken zoet gefluit,

zodat ik neerstrijk; hier is het een feest.

Plots slaat het vogelnet dat mij omsluit.

 

 

Ook in dit warnet staat het vragen vrij.

Waar vind ik hulp, wie hoort mijn angstgeschrei?

Help! De vogelmarkt is één strijdgewoel.

De Eeuwige trekt het net stuk voor mij

en geeft mij ruimte voor mijn levensdoel.

 

 

ps. 125:2

Zoals de bergen Jeruzalem omringen, zo omringt der Heer zijn

 

volk, nu en altijd.

125. INWONERS VAN 'S-HEERENBERG

 

 

De bergen hebben zich verheven,

vormen het ruggemerg,

omgeven 's-Heerenberg,

Jeruzalem werd vormgegeven

door rotsen die de stad omvatten

met al haar schatten.

 

 

Zo houdt God ook zijn volk omsloten,

beschermt hen dag en nacht

en is hun buitenwacht;

Jeruzalem, zonovergoten,

een bergplaats die te allen tijde

zich kan verblijden.

 

 

ps. 126:1-3

Een pelgrimslied.

Het was als een droom: Jeruzalem, door de Heer hersteld, in

ouder glorie. We konden weer lachen, van vreugde juichen:

alle volken zeiden: 'De Heer heeft voor hen iets groots

verricht.' De Heer heeft voor ons iets groots verricht,

wat waren we gelukkig.

 

 

126. STIJLVOL MEESTERWERK

 

 

De mensen zeggen vaak zoveel,

maar volken zagen het juweel,

Jeruzalem dat wonderwel

een Meesterwerk in Israël

geworden was, in oude glorie,

schitterend mooi in elke porie;

die naties zeiden toe: 'Kijk aan!

God heeft voor hen iets groots gedaan.'

 

 

ps. 127:1

Een pelgrimslied. Uit de bundel van Salomo.

Als de Heer het huis niet bouwt, bouwen de mensen voor niets.

Als de Heer de stad niet bewaakt, waakt de wachter voor

niets.

 

 

127. DIEPE ONDERGROND

 

 

De bouwvakkers bouwen een huis;

volgens het opgestelde plan

werken knechten en timmerman

tot aan het drukke feestgedruis

bij inwijding van huis en hof:

de bouwmeester krijgt niets dan lof.

 

 

Al lijkt dat huis een stevig pand,

het staat op zand en houdt geen stand,

't is krachtverspilling, niemendal;

de mensen hebben, al met al,

voor niets geploeterd en gesjouwd,

wanneer de Heer het huis niet bouwt.

 

 

ps. 128: 1 en 2

Een pelgrimslied.

Gelukkig ben je als je ontzag hebt voor de Heer, de wegen

volgt die hij de wijst! Dan pluk je de vruchten van je

arbeid, je zult gelukkig zijn, het zal je goed gaan.

 

 

128. REISGIDS

 

 

Waarheen zal men zich wenden?

Je moet ergens op af;

zij die de weg verkenden

een weg die hen hergaf

een spoor met overwegen

van voor- en tegenspoed

zijn moe van voor en tegen

en twijfelen voorgoed.

 

 

Als ik met goede reisgids

veel tekst en uitleg hoor

en scherp ook mijn vertand spits,

dan krijg ik heel gauw door:

zo ik ontzag voor God toon,

gehoor geef aan zijn raad,

is het geluk mijn plukloon

met vruchten vroeg en laat.

 

 

ps. 129:1 en 2

Een pelgrimslied.

'Hoe ze ons ook tegenwerkten van jongs af aan, - Israël kan

het niet genoeg herhalen - hoe ze ons ook tegenwerkten, ze

konden ons niet overmeesteren...'

[['ze' = de vijanden van Sion]]

 

 

129. EINDOVERWINNING

 

 

Wij maken saam een grote bedevaart

en daarom zijn we blij, heel diep van binnen;

de vijand wou ons vegen van de kaart:

zijn tegenstand kon ons niet overwinnen.

 

 

Wij zijn op weg naar onze tempelstad

waar wij ons saam een tijdje gaan bezinnen;

de hater stoort vanaf de bakermat:

zijn tegenstand kon ons niet overwinnen.

 

 

Wij reizen nu terug naar huis en haard

waar wij vrij wonen met onze gezinnen,

zingen een pelgrimslied dat nooit verjaart:

"zijn tegenstand kon ons niet overwinnen."

 

 

ps. 130:5 en 6

[Een pelgrimslied]

Ik heb alle hoop op de Heer gevestigd, ik vertrouw op zijn

bevrijdend woord. Ik kijk uit naar de Heer, met meer

verlangen dan nachtwakers naar de morgen, naar het

aanbreken van de dag.

 

 

130. REIKHALZEND UITZIEN

 

 

Steeds in het donker turen,

beducht op het gevaar,

kou is er te verduren,

de dief en moordenaar

gaan rond en willen stelen

in 't donker van de nacht;

soms zijn er strijdtonelen,

maar er staat buitenwacht.

 

 

Ik heb veel godsvertrouwen,

al is er grote nood;

mijn handen zijn gevouwen:

straks komt het morgenrood;

ik kijk met meer begeren

naar God verlangend rond

dan wachters herwaarderen

de gouden ochtendstond.

 

 

ps. 131:2

Mijn hart is tot rust gekomen, ik ben niet langer gejaagd;

als een kind in de armen van zijn moeder, zo rustig ben ik.

 

 

131. GEMOEDSRUST

 

 

Niet langer ben ik rusteloos,

mijn hart is vredig voor altoos;

mijn moeder noemde mij "mijn lam",

toen zij mij in haar armen nam.

 

 

Ik tast nu met mijn kindermond

naar moeders lijf, mooi vol en rond,

zij is het die mij zo omarmt

dat heel mijn lijf wordt opgewarmd.

 

 

ps. 132:13-16

De Heer heeft Jeruzalem gekozen als plaats waar hij wil

verblijven. Hij zei: 'Hier ga ik rusten voor altijd, hier wil

ik blijven wonen. Ik zal de stad rijkelijk zegenen, de armen

krijgen eten in overvloed, de priesters zullen hun kleed

waardig zijn, zijn gunstelingen uitbundig juichen...'

 

 

132. WONEN IN DE WOORDENSCHAT

 

 

Jeruzalem, hier woont uw Heer;

Hij daalde uit de hemel neer

en Hij verlaat u nimmermeer;

zijn alomtegenwoordigheid

geeft uw plaats onaantastbaarheid.

 

 

De Heer koos woonplaats in de stad,

die Hij eeuwig heeft liefgehad;

daar woont Hij in de woordenschat

van uitspraken die Hij zelf deed,

vertolkt door iedere profeet.

 

 

ps. 133: 1-3 (helemaal)

Een pelgrimslied. Uit de bundel van David.

Wat goed is het, wat heerlijk, in eendracht bij elkaar te

wonen. Weldadig is het als de balsem die uitgegoten is op

Aärons hoofd en neerdruipt op zijn baard en kleren.

Verfrissend is het als de dauw, die neerdaalt op de berg

Hermon en de heuvels van Sion bedekt. Daar vanuit Sion zorgt

de Heer voor een gelukkig leven.

 

 

133. VREDELIEVEND LEEFKLIMAAT

 

 

Als mensen met elkaar in vrede leven,

dan wordt er niemand in het nauw gedreven,

en lijkt het op de frisse dauw,

die van de Hermon daalt op elk' landouw

van Sions heuvels en die zó bedekt

dat levenskracht wordt opgewekt.

 

 

ps. 134:1-3 (helemaal)

Een pelgrimslied.

Kom en zing de lof van de Heer, iedereen die hem dient, die

ook 's nachts in zijn huis is. Hef uw handen omhoog in gebed

en zing de lof van de Heer, in zijn heiligdom, op de Sion.

Daar zal hij u zegenen, hij die hemel en aarde gemaakt heeft.

 

 

134. TOCHT DOOR HET ZEGENRIJK

 

 

Kom, vreemde, verlaat huis en haard,

samen doen wij een bedevaart

naar de Beschermheer van ons volk,

die tot ons kwam in grote wolk.

 

 

Kom, landgenoot, God kent jou god,

zing met ons mee, wees welgemoed,

wij gaan naar Sion, sluit je aan

bij hen die met ons bidden gaan.

 

 

Kom, pelgrim, Hij die alles schiep,

jouw leven ook in aanzien riep,

Hij zegent in Jeruzalem

ons allen met de priesterstem.

 

 

ps. 135:13-18

Heer, U hebt een grote naam, men zal u roemen van geslacht op

geslacht. De Heer zal zijn volk recht doen, hij laat het

niet aan zijn lot over. De goden van andere volken, van

zilver of van goud, het zijn maar beelden. Zij hebben een

mond maar kunnen niet spreken; zij hebben ogen maar kunnen

niet zien. Zij hebben oren maar kunnen niet horen en uit hun

mond komt geen adem. Wie beelden maakt, op beelden vertrouwt,

wordt aan een beeld gelijk.

 

 

135. SPREEKWOORDEN

 

 

Wie een beeld maakt van zijn god

en daarop vertrouwen wil,

lijkt wel op een grote zot,

want dat beeldje zwijgt doodstil,

de ogen kunnen niet zien

en het is doof bovendien.

 

 

Later wordt hij evenbeeld,

daar hij sprekend daarop lijkt;

er heeft zich wat afgespeeld,

zelfs geen beeldspraak is bereikt;

maar tot zijn volk spreekt de Heer:

"In jouw lot breng ik een keer."

 

 

ps.136: 23-26

[[De Heer, de hoogste God, de opperste Heer]]

Hij die ons bijstond in zware tijden. Eeuwig duurt zijn

liefde. Hij brak het juk van onze vijanden. Eeuwig duurt

zijn liefde. Hij voedt al wat leeft. Eeuwig duurt zijn

liefde. Breng hulde aan de God van de hemel! Eeuwig duurt

zijn liefde.

 

 

136. ALTIJDDURENDE BIJSTAND

 

 

Breng hulde aan God, de Heer,

die ons bijstond telkens weer;

ja, tot hulp was Hij bereid,

want Gods liefde duurt altijd.

 

 

Geeft eer aan de hoogste God;

ons juk ging immers kapot;

zo heeft hij ons volk bevrijd,

want Gods liefde duurt altijd.

 

 

Loof de allerhoogste Heer;

Hij ziet op zijn schepsels neer;

voedt hen zonder onderscheid,

want Gods liefde duurt altijd.

 

 

ps. 137:1-4

Wij zaten aan Babels rivieren en huilden als we dachten aan

Sion. Aan de wilgen daar hingen wij onze lieren. Wie ons

gevangen hielden, ons onderdrukten, wilden dat we vroilijk

waren, vroegen ons te zingen: 'Zing voor ons, een van die

liedjes over Sion.' Maar wie kan zingen voor de Heer op

vreemde grond?

 

 

137. TEGENGEHOUDEN PELGRIMS ZINGEN NIET

 

 

In het verleden woonden wij in Babel

en voelden ons daar heel erg miserabel;

we dachten: dit is 't einde van het lied,

want daar leefden we op vreemd grondgebied

en aan de wilgen hingen onze lieren;

de vijand sarde ons op veel manieren.

 

 

"Wil toch voor ons zo'n vrolijk liedje zingen,

waarmee jullie voorheen naar Sion gingen."

Dat was wat onze vijand ons dan vroeg

terwijl hij ons verdrukte, zich misdroeg;

hoe zouden wij aanheffen onze zangen

voor onze Heer, want wij waren gevangen.

 

 

ps. 138:6-8

Heer, al woont u hoog in de Hemel, u hebt oog voor de

geringen en herkent hoogmoedigen van verre. Al verkeer ik in

grote angst, al word ik bedreigd, u houdt mij in leven. U

steekt uw hand uit en redt mij. U blijft voor mij zorgen, uw

liefde is eeuwig, Heer, u hebt mij gemaakt, trek uw handen

niet van mij af.

 

 

138. HAND IN HAND GAAN

 

 

Almachtige, ik ben doodsbang

en urenlang

van schrik bevangen;

ik ben bedreigd en loop gevaar,

maar heb voorwaar

geen doodsverlangen,

maar eeuwig is Uw liefde, Heer,

want keer op keer

zult U mij sparen;

U trekt uw hand niet van mij af,

zult mij na 't graf

altijd bewaren.

 

 

ps. 139:16

U zag mij toen ik nog geen vorm had, en mijn dagen waren al

vastgesteld, al geschreven in uw boek, voor er één enkele

was aangebroken.

 

 

139. DE ALZIENDE

 

 

Gods stemgeluid riep vrouw en man

in een briljant bestemmingsplan.

Mijn zieleleven toch verried

zich in de verste verte niet;

ook was het rijk der moog'lijkheden

nog geen verleden, toekomst, heden.

 

 

Mijn levensduur werd vastgesteld

voor er één dag was weggesneld.

God, U hield al zielsveel van mij

voordat U schreef Uw boekerij;

lang voor mijn vormen al bestonden,

kon U mijn wezen reeds doorgronden.

 

 

ps. 140:13

Heer, ik weet dat u het opneemt voor de armen, hun zaak

verdedigt.

 

 

140. IEMAND IN DE ARM NEMEN

 

 

In 't godshuis ben ik opgenomen

en leef daar van liefdadigheid;

zo heb ik een goed onderkomen

met mondvoorraad: gebenedijd.

 

 

God, voor de arme stervelingen

bent U altijd de advocaat

en pleit voor hen in rechtsgedingen,

al zijn ze zo arm als de straat.

 

 

ps. 141:3 en 4

Heer, houd mijn tong in toom, waak over mijn woorden. Houd

mij weg van het kwaad, sta niet toe dat ik onrecht bedrijf

en meedoe met misdadige mensen, hoe aanlokkelijk het ook mag

zijn.

 

 

141. BEHOEDER, BESCHERMHEER EN BEWAKER

 

 

Behoeder, luister naar mijn smeken

en houd altijd mijn tong in toom,

laat uit mijn mond geen woordenstroom

gedachteloos het kwade spreken.

 

 

Beschermheer, houd mij weg van wegen,

waarop de onverlaten gaan,

want met hen meedoen trekt mij aan;

ook ik ben tot het kwaad genegen.

 

 

Bewaker, wil vooral niet toestaan

dat ik eenmaal onrecht bedrijf,

geef dat ik immer eerlijk blijf,

wil dag en nacht met Uw hulp klaarstaan.

 

 

ps. 142:1-4

Een lied uit de bundel van David. David heeft dat lied

gedicht toen hij zich verborgen hield in een grot. Een gebed.

Heer, luid roep ik tot u om hulp, luid smeek ik u om

medelijden. Mijn hart stort ik bij u uit, u vertel ik al mijn

zorgen. Heer, u kent de weg die ik moet gaan, maar ik dreig

de moed te verliezen, want overal vind ik strikken op mijn

pad, door vijanden uitgezet.

 

 

142. VERVOLGVERHAAL

 

 

God, hoor toch dit vervolgverhaal,

dat aan U geeft een noodsignaal,

want ik ben werkelijk beducht

voor vijanden met oorlogszucht.

 

 

Daarom koos ik het hazepad,

dat overal vol strikken zat

en kwam terecht in de spelonk,

alwaar ik in het niet verzonk.

 

 

Niet nodig dat ik U vertel

dit lotgeval, maar ik zit knel;

laat mij hier weggaan binnenkort;

ik schreeuw voor ik geslagen word.

 

 

Laat mij mijn hart uitstorten, Heer:

de moed verlaat mij min of meer,

U kent de weg die ik moet gaan,

verlos mij, haal mij hier vandaan.

 

 

ps. 143:7 en 8

Heer, antwoord mij snel, want ik ben aan het eind van mijn

krachten. Houd u voor mij niet verborgen, want anders kan ik

beter dood zijn. Laat mij uw stem weer horen, uw liefde

voelen, elke morgen opnieuw; op u vertrouw ik. Wijs me de weg

die ik moet gaan; aan u vertrouw ik me toe.

 

 

143. ADEMBENEMEND VOORTBESTAAN

 

 

Wil bliksemsnel mij antwoord geven,

mijn krachten gaan mij al begeven,

o God, ik zit in ademnood,

verberg U niet, toon medeleven,

want anders ben ik beter dood.

 

 

Ik luister nu met open oren

of ik Uw antwoord al kan horen,

wees elke dag mijn reisgenoot

op weg naar goudgeel zonnegloren,

want anders ben ik beter dood.

 

 

ps. 144:3 en 4

Heer, wat is de mens dat u om hem geeft, wat betekent hij dat

u voor hem zorgt? De mens is een zuchtje wind, zijn leven een

voorbijgaande schaduw!

 

 

144. VRAGEN ONDER DE ADEMTOCHT

 

 

In 't schaduwrijk is het zeer aardedonker,

als er niet is een warm en zacht geflonker;

zie daar een mens en wat betekent hij:

een schaduwplek, terloops gaat hij voorbij;

hij is een wind, afzwakkend en bedarend,

een hebzuchtje, zacht wenkend, druk gebarend.

Wat is die mens, God, dat U om hem geeft,

dat U gevoelvol met hem medeleeft?

 

 

ps. 145:18

De Heer is nabij aan wie een beroep op hem doet, aan iedereen

die oprecht zijn hulp vraagt.

 

 

145. BEREIKBARE HULPLIJN

 

 

Voor bidden geldt nooit een beroepstermijn;

er is toch altijd een verbindingslijn

tussen de mens die ondersteuning wil

en God, want er bestaat geen tijdsverschil;

hij kan gewoon oprecht om hulp gaan vragen

en d'Eeuwige heeft hem gadegeslagen.

Dit immers is de eerste levenswijsheid:

bij ieder mens is God in de nabijheid.

 

 

ps. 146:5 en 6

Vertrouw niet op machthebbers, het zijn maar mensen, zij

kunnen je niet redden. Gelukkig wie steun zoekt bij de God

van Jakob, alles verwacht van de Heer, zijn God, van hem die

hemel en aarde gemaakt heeft, de zee en alles wat erin leeft,

van hem die trouw blijft, altijd.

 

 

146. LEVENSVORST

 

 

Iemand gaat zich anders kleden

in een jas van hermelijn,

zet een kroon op, wordt aanbeden,

door het volk op straat en plein,

hij die is met macht bekleed,

redt het volk van alle leed.

 

 

Zeg, verlosser en bevrijder,

machthebber uit alle macht,

stel God zegt jou: 'Ik verwijder',

wie geeft mij dan levenskracht?

Op jou steunen kan straks niet;

nergens op jouw grondgebied.

 

 

Ik stel liever mijn vertrouwen

in de Schepper van 't heelal

op wie ik altijd kan bouwen,

en staat op maak overal;

ook al ben ik doodsbenauwd,

Hij is mijn levensbehoud.

 

 

ps. 147:15

[[God...]]

Hij stuurt de bevelen op aarde af, zijn woord is een

snelle bode...

 

 

147. TEGENWOORDIGE TIJD

 

 

Een mens staat vaak voor levensvragen

terwijl geen redding op komt dagen;

hij wil het woord tot iemand richten

die snel kan geven vergezichten

op welversierde grondgebieden,

waar ook nog wonderen geschieden

en hij een antwoord kan ontdekken

dat vreugde in hem kan verwekken.

 

 

Op vragen komen tegenwoorden

die samen klinken als akkoorden,

afkomstig van het Opperwezen,

het Hoge Woord, dat onvolprezen,

in minder dan geen tijd wil geven

in ons reikhalzende stilleven:

antwoord in elke periode,

gesproken door een hemelbode.

 

 

ps. 148:1-6

Eer aan de Heer. Laat heel de hemel eer brengen aan de Heer,

allen daar in de hoge. Eer hem, engelen, eer hem, hemelse

krachten, eer hem, zon en maan, eer hem, stralende sterren,

eer hem, wateren daarboven. Ja, hem, de Heer, moeten zij

eren, want op zijn bevel zijn ze ontstaan. Hij houdt ze voor

altijd in stand, hij stelt de wetten die geen van hen

overtreedt.

 

 

148. DE STERREN VAN DE HEMEL ZINGEN

 

 

Zeg, hemelbode, hier op aard

is niets bestendig, niets veel waard,

maar bij jou, ver en hemelhoog,

 

nog hoger dan de hemelboog

zal God jou duurzaam gaande houden;

jij hoort eeuwig bij zijn vertrouwden;

jouw voortbestaan is eindeloos

en levenslustig voor altoos.

 

 

Zeg, hemelbode, geef dan eer

aan God, de allerhoogste Heer;

zing voor hem heel je leven lang

een luisterrijke eng'lenzang;

ja alle krachten in den hoge,

zing mee, van vreugde opgetogen;

ook jullie, sterren, zon en maan,

eert Hem, omdat je bent ontstaan.

 

 

 

ps. 149:1-3

Eer aan de Heer! Zing voor de Heer een niew lied, zing zijn

lof als jullie bijeen zijn, jullie die zijn gunst genieten.

Wees blij, Israël, de Heer is jullie schepper. Juich,

inwoners van Sion, hij is jullie koning. Eer hem met zang en

dans, met spel op tamboerijn en lier.

 

 

149. ZANG- EN DANSFESTIVAL

 

 

Laten we een nieuw lied gaan maken,

waardoor we in vervoering raken;

laten we loven altegader

de Schepper, onze Vader;

bewijzen wij Hem alle eer,

dat ieder zegt: 'Ik musiceer

als een tamboer met veel plezier

en luister naar de lier.'

 

 

In optocht gaan we samen dansen,

want God geeft ons weer alle kansen

om te gaan zingen op die klanken,

een dansfeest om te danken;

wij juichen en zijn zeer verheugd,

zie ons eens tintelen van vreugd,

we jubelen; hoor, de kapel:

een klankrijk samenspel!

 

 

ps. 150:6

Laat alles wat adem heeft de lof zingen van de Heer.

Eer aan de Heer!

 

 

150. HET GRENZELOZE KLANKRIJK

 

 

 

De dampkring geeft dier en mens

lucht tot aan de bovengrens,

laat licht door tot plantenrijk

dat lucht omzet en gelijk

voedsel biedt aan ieder wezen,

dat alsmaar toeleven mocht

op zijn grote ademtocht

naar zijn God, heel hooggeprezen.

 

 

Laat een mens met elke zucht

en levenswekkende lucht

die hij uit het luchtruim krijgt

eer geven die overstijgt

het onwijze onzin spreken;

laat hij met een mooi gezang

God gaan roemen die zo lang

aan ons gaf een levensteken.

 

 

Laat het zijn een levenslied,

komend uit elk taalgebied,

waar de mens spreekt en het dier

die geschapen zijn om hier

heel hun leven onomwonden

God te geven eer en prijs,

want zij zijn toch het bewijs

dat Zijn woorden weerklank vonden.

 

 

 


Comments