Jan Rot over hoe het begon

Bach in het Nederlands, je weet niet wat je hoort

Hij zag de Matthäus Passion in het Concertgebouw en vond er niks meer aan. Wist iemand nog wat hij stond te zingen? Wist iemand nog waar hij naar luisterde? Dit was geen doop met vuur, maar devoot pootje baden met een oog op de klok. Als zanger en vertaler van meesterwerken, opgevoed met de Bijbel en daarbij nog eens kerstkind, gaf hij zichzelf de opdracht de kathedraal te renoveren. Jan Rot wist niet waar hij aan begon, want een geploeter was het. Het resultaat werd des te glanzender. In 2008 lag daar de Mattheuspassie, zijn passie. Lag? Nee, stond. Doortimmerd als een huis. Maar er ging wel iets aan vooraf. Rot beschrijft het in zijn voorwoord.    

Daar zat ik. Blad 2, zin 1. ‘Kommt ihr Töchter helft mir klagen.’
  ‘Komt o dochters, helpt mij klagen,’ dacht mijn voorganger Jan Engelman in 1947. Hm. Die Töchter zijn de dochters van Sion uit het Hooglied. Historisch de klaagvrouwen die je bij een sterfgeval kon inhuren. Weet niemand. Mir is de betrokken gelovige, daarmee zet je alle niet-gelovigen buitenspel. Helft lost in het Duits mooi op, maar met de p van ‘help’ heeft het koor in de eerste zin een plopkap nodig, en ‘klagen’? Klagen doen we bij de buren. ‘Kom’ is een goed  begin, maar dan zit je klaar voor een Matthäus in het Nederlands, krijgt één woord het vertrouwde koekje en moet dan schakelen. Niet verstandig. Juist. Was Engelman al bij het tweede couplet, zat ik met lege handen. 
  De kathedraal vroeg meer dan een likje verf. Er moesten comfortabele banken komen, een tochtsluis, een invalidentoilet. Stof en kalk sloeg ik eruit, hout werd vervangen, het geraamte stond in de steigers, nu moest ik eerst mijn eigen waarheid erin vinden. ‘Geloof is maar Abrahamcadabra,’ braakte de tenor in Aria 41. ‘Hé daar, stap eens van je fiets, Jezus hangt daar niet voor niets!’ klonk Aria 70. Alsof bouwvakkers tijdens het werk hun transistorradio lieten galmen. Maar het swingde, en daar ging het om. 
  ‘Wat een werk!’ zuchtte mijn vader bewonderend toen hij de eerste proefversie onder ogen kreeg. ‘Hoelang ben je daar nou mee bezig?’
  ‘Het resultaat telt, niet de uren,’ deed ik bescheiden. Maar een geploeter was het. 
  Dat een muziekvertaler op notenschrift werkt, zou vanzelfsprekend moeten zijn. Het scannen van de pagina’s en weghalen van de Duitse tekst hoorde erbij. 
  Maar hoe frustrerend om vooral onder de koorpartijen minutieus de Nederlandse tekst te plaatsen, en een volgende dag te zien dat de zin geen blijver was.
  En hoe werd Kajafas ooit Kajafas zolang nog in vette letters Pontifex boven zijn tekst stond?
  Daarbij was in het origineel de achterkant doorgedrukt, wat als een grauwsluier over de pagina’s hing. Met het Photoshop-gumblokje slippend tussen de noten, kwam wel eens een vondst, een diepe gedachte, maar het leek vooral een vlucht van het vertalen en het verknoeien van tijd met vlijt – ‘tikketokken’ zoals dat bij ons heet. Maar zoals mijn kleine mevrouw troostte: ‘Dat is onderdeel van het proces. Zo wordt hij van jou.’
  Door dwalen en vinden, proeven en prutsen, veel studie en overleg, kwam er met de maanden lijn in de tekst, een kloppend verhaal. En ook de bladmuziek werd steeds schoner. Zelfs muziektermen als da capo en sempre gingen in het Nederlands. En gebruikten orkestleden de nummering volgens Bärenreiter? Zette ik die er toch bij! Een van de vele troostrijke momenten tijdens het werken aan ‘een Nederlandse Matthäus zoals ik die graag zou horen’, was toen ik las dat Bach de complete partituur tot tweemaal toe in het net overschreef, kennelijk in het besef dat hij iets blijvend bijzonders had gemaakt.
  Tijdens de cd-opnames van de Mattheuspassie voor uitgerekend het deftige label Deutsche Grammophon (had mijn opa, oprichter van het Amersfoorts mannenkoor, dat mogen meemaken!), kwam tot leven wat ik alleen kende in mijn verbeelding en van papier, een vinger langs de noten, een Duitse stem in mijn koptelefoon. ‘Bach in het Nederlands. Je weet niet wat je hoort,’ sms’te ik mijn lief tijdens een pauze. 
  ‘Die man verdient de doodstraf!’ beet het even later van twee kanten, en ik kromp ineen. ‘Uit liefde wil de herder sterven’ klonk boven twee ijle fluiten, en ik was in tranen. En daar was het me om te doen geweest. Zonder tijd en taalbarrière lag de hemel voor me open. Want de tekst dit en de tekst dat, maar die muziek mag er ook wezen, hoor! (Muis en olifant lopen door de woestijn. Muis, trots omkijkend: ‘Wat een stof maken wij, hè?’)
  Nou zat ik op de best denkbare plek, een stoeltje naast de dirigent, maar ook in het Nederlands blijven van een meerstemmig koor niet meer dan flarden over, en hoever reikt de dictie van een onversterkte solist boven een orkest? (‘Gezongen klassiek is nooit te verstaan. Daaraan dankt het vast zijn hoge status.’)
  Dus blijft een tekstboekje onmisbaar, of beter nog de partituur. Zelfs voor wie nauwelijks noten leest, geeft bladmuziek inzicht in de structuur.
  Alleen al om sentimentele redenen hebben we ervoor gekozen mijn ‘liefdewerk oud papier’ in druk om te zetten, en Edition Peters heeft hartelijk zijn medewerking verleend. Mijn hoop dat in de toekomst velen zich aan een uitvoering willen wagen, groeit met deze uitgave.
  ‘Voor mij hoeft het niet. Hij wordt er heus niet beter van,’ haalde de voormalige directeur van het Concertgebouw zijn schouders op toen hij van mijn plannen hoorde.
  ‘God sta ons bij,’ zuchtte een klassieke cd-winkelier op zijn weblog.
  ‘Zoiets wordt altijd een aftreksel!’ dreigde een sopraan het koor te verlaten toen een eerste koraal werd rondgedeeld. Heb uw vijanden lief, zei Jezus, en daar houd ik mij aan. Origineel en hertaling mogen verschillen als boek en film. Maar we hoeven niet te kiezen. Het is geen of/of, maar en/en. 
  Alvorens uit het licht van het werk te stappen, denk ik terug aan een Goede Vrijdag, eind jaren zestig. Het zal een uur of elf zijn. Vader deelt doorslagjes uit. Hij heeft de tekst uitgetikt en voorzien van een vertaling, zodat wij kinderen het lijdensverhaal ook kunnen volgen. ‘O Lamm Gottes unschuldig, am Stamm des Kreuzes geschlachtet.’ Mijn broer zijn stropdas zit scheef, maar hij merkt mijn seintjes niet. Hij houdt wél van klassiek.
  Vader heeft nu al een beetje vochtige ogen, straks zullen hem de tranen over de wangen biggelen en hij zal ze niet wegvegen. 
  Ik kijk naar de naald, hoe ver die al is. Als kant twee afslaat zal vader als elk jaar zuchten: ‘God, wat is dit mooi…’ en krijgen we koffie met gebak, die we in gewijde stilte zullen eten. Moeder knikt me bemoedigend toe. Na kant drie mag ik weg, al zouden ze het fijn vinden als ik blijf zitten. En ik zal blijven zitten want ik ben een kwezel. Buiten speelt mijn zusje in het gras. Zij is nog klein. Voor haar is de paasvakantie al begonnen. 
  ‘Barrabam!’ knalt het koor en ik haal mijn bovenlip op, want het moet Barabbas zijn.
  ‘Mam?’ fluister ik, ‘waarom zingen ze eigenlijk in het Duits, de Bijbel is toch ook in het Nederlands?’
  Schuif ik mijn kinderen voortaan elk jaar Pasen dit boek op schoot, heeft het eenzelfde doel als de doorslagvelletjes van mijn vader: een bijdrage tot meerdere glorie van de grootste componist aller tijden. 

  Jan Rot
  Ossendrecht, februari 2006