Tholense Schouw

Een typisch vissersvaartuig was de Zeeuwse schouw of ook wel Tholense of Bergse schouw genoemd, soms ook schouw van Philippine.De bouwwijze is volgens de aakbouwwijze.

Deze methode is waarschijnlijk een van de oudste methodes voor het bouwen van schepen. Egyptische schepen werden al gebouwd met een hoog boven het water oplopend vlak evenals de oude Chinese junken.Op Middeleeuwse miniaturen worden ook vaartuigen afgebeeld die naar het principe van de aak gebouwd werden zoals de Zeeuwse schouw.

Oude schouwen zijn er helaas niet meer, wat men nog ziet zijn jachten. Op het moment van het schrijven van dit artikel ligt er nog een houten vissersschouw bij de jachtwerf Oosterschelde, deze verkeert in zeer slechte staat en is te koop. Het zou een prachtig restauratieobject zijn.Over de bouwplaatsen van de schouw is weinig bekend. Bij Meerman te Arnemuiden werd wel eens een schouw gebouwd vanaf een foto!

Van Duivendijk uit Tholen heeft ook enkele schouwen gebouwd.Waar komt de naam Bergense of Tholense schouw vandaan?
Uit literatuur is in ieder geval duidelijk dat het zeer waarschijnlijk om hetzelfde type gaat. Aangezien er in Tholen bij Van Duivendijk slecht enkele schouwen gebouwd zijn, kan het toch geen reden zijn om van een Tholense schouw te spreken. Het kan zijn dat men sprak over de schouwen met thuishaven Tholen. Ook was er de werf van Engel Ros in Bergen op Zoom waar schouwen werden gebouwd. Zouden de schouwen uit Tholen wellicht daar gebouwd zijn en spreekt men daarom van Tholense en Bergense schouwen aangezien ook Bergen op Zoom een flinke vissershaven had? Het is allemaal mogelijk, maar dus niet duidelijk. De meeste schouwen zijn in Zeeuws-Vlaanderen gebouwd en de benaming Zeeuwse schouw is wellicht de meest juiste benaming.

De Zeeuwse schouw kan men herkennen door het verloop van de lijnen in voor- en achterschip, het vlak is voor en achter sterk omhooggebrand en loopt hoog op boven het wateroppervlak tot aan de uitersten (voor- en achtersteven) van het schip.In feite is er echter geen steven behalve in het achterschip waar een scheg is aangebracht voor de ophanging van het roer. Het oplopend deel van het vlak noemt men heve. In de heve waar de planken van het vlak en van het boord samenkomen, wordt het hele vlak gedubbeld door kussens.

Mede door de eenvoudige spantvorm en de gemakkelijke constructie is het een goedkope bouwwijze.De tuigage is een gewoon bezaantuig met een afwijkende plaatsing van de mast. Deze stond zeer ver naar voren, men kreeg zo een kleine fok en een groot bezaanzeil.

Vermeldens waard is dat de laatste schouwen nooit met een motor uitgerust werden.De laatste schouwen zijn van het water verdwenen zonder concessies te doen.

Stalen kotter

Vanaf ca. 1900 deed de stalen kotter zijn intrede in de vloot. Kleine stalen scheepjes, voorzien van vaak nog een houten mast met 2 en soms 4 bokjes waarvan de voortstuwing dikwijls verzorgt werd door een dieselmotor als een Kromhout of Smit Bolnes.

De scheepjes (cascos) werden o.a. gebouwd in door bekende scheepswerfjes als De Volharding en .

Na de 2e wereldoorlog, toen het wat beter ging in de mosselbranche werden veel van deze scheepjes verbouwd (verlengd en verbreed) en van grotere moptoren voorzien.

De huidige Bru 33 is nog een voorbeeld van de scheepsbouw in ijzer van toen.

Er zijn zelfs zeer modern uitziende kotters welke nog gedeeltelijk bestaan uit segmenten van de eerste kottertjes!

Ook zijn er veel schippers geweest die een beurtvaarder of binnenvaartscheepje kochten en dit lieten verbouwen tot een mosselkotter. Te noemen zijn de Bru 1, Bru 4, Bru 5, Bru 43 thans Bru 32, Bru 11, Bru 25, Bru 390, Bru 45, Bru 49 en de Bru 50.

In de beginjaren 80 verschenen de eerste nieuwbouwkotters welke specifiek ontworpen waren voor het doel, nml. een goed vissend vaartuig met een goede snelheid om de afstand Zeeland-Waddenzee v.v. snel te kunnen overbruggen.

Rond de jaren 90 kwam er een nieuw type kotter met een zeer geringe diepgang, zodat zolang mogelijk gevist kon worden bij afgaand water of zo vroeg mogelijk begonnen kon worden bij opkomend water.

Momenteel is een lengtemaat van 40 meter en een breedtemaat van 10 meter zeer gangbaar. De schepen zijn vrijwel altijd dubbelschroefs met 2 hoofdmotoren van zon 450 pk. Boegschroef ontbreekt uiteraard niet. De accommodatie is zeer riant met een prachtige kombuis en een aantal goed gesoleerde hutten. Op de brug staat alle denkbare navigatie apparatuur.

Er wordt met 4 korren gevist en veel schepen lossen de kor in een spoelinstallatie zodat de mossels zo schoon mogelijk aan boord komen. Er gaat zo min mogelijk tarra mee. Een volbeladen schip neemt zon 1200 tot 1500 mosselton mee

(1 mosselton = 100 kg).

De bouw van de nieuwe schepen wordt vnl. verzorgd door scheepswerven en machinefabrieken als de gebr. Kooiman uit Zwijndrecht, firma Padmos uit Bruinsse/Stellendam en Maaskant Shipyards uit Bruinisse/Stellendam.

Deze bedrijven blinken uit in kwaliteit en innovatie. Vrijwel alle ontwikkelingen binnen de visserij, ook de Noordzeevisserij, komen voort uit deze bedrijven.