Houten roeiboot of Hollandsche boot

Met dit scheepje werd de zgn. handvisserij uitgevoerd op voornamelijk droogvallende percelen. Met een slagrijf, een soort hark met net, werden de mosselen bij elkaar geschraapt en vervolgens in manden geschept. De manden gingen aan boord van de roeiboten en bij voldoende water werden deze naar de wal gebracht.

De roeiboot was meestal van eikenhout gebouwd en ca. 5 meter lang. De breedte bedroeg 2 meter en de bouwwijze was overnaads. De vorm is die van een schouw, met boven het water uitkomend vlak aan beide boegen. In het museum van Bruinisse is nog een model te bewonderen evenals een maquette van een werfje waar te zien is hoe deze bootjes gebouwd werden.

Hoogaars

De hoogaars is het meest bekende vissersvaartuig in Zeeland. Niet bekend is wanneer de eerste hoogaars zoals wij die heden ten dage nog kennen, zijn intrede deed. Op een prent van 1515 staat een overnaads gebouwd vissersschip met recht overhangende steven en schuine achtersteven, getuigd met een sprietzeil. Het kan een voorvader geweest zijn van de hoogaars, maar ook van de hengst. De vormen waren kennelijk nog niet zo duidelijk.

Zeer waarschijnlijk is het van oorsprong (16e eeuw) een type vrachtvaarder geweest op de Maas, Lek en IJsel. Later is dit type schip als Zeeuwse hoogaars langs de grote rivieren in Zeeland ingevoerd, eerst ook als vrachtvaartuig en gaande weg ook als vissersvaartuig. Het was een breed inzetbaar scheepstype.

Er zijn verschillende typen te onderscheiden, zo waren er Kinderdijkse hoogaars, de Arnemuidense hoogaars of Arnemuidenaar, een Oostduivelander of platte Duivelander, een Tholense hoogaars terwijl men de hoogaarsen uit Zeeuws-Vlaanderen omschreef als een hoogaars van De Klerk of een hoogaars van Verras.

De benamingen waren dus verbonden aan de plaatsen waar de werven van deze schepen gelegen waren. Elke bouwer had weer zijn eigen specifieke karakteristieken maar de schepen, gebouwd op dezelfde werf, waren altijd weer verschillend in detail.



Kenmerken van een hoogaars


Het vlak is druppelvormig met de ronde kant naar voren en heeft de grootste breedte ter hoogte van de mastbank. De klassieke hoogaars werd overnaads beplankt met 3 boorden: kimboord, middelboord en bovenboord. Dan was er nog het 4e boord of te wel het boeisel. Een jachthoogaars was gladboordig gebouwd. De kimplank ligt midscheeps tegen het vlak en buigt naar de boeg naar boven en raakt de voorsteven een heel eind boven het vlak. Hierdoor ontstaat er als het ware een driehoekige opening: steven, kim en kimboord. Deze ruimte wordt het soldatengat genoemd en is gladboordig dichtgemaakt.

Het achterschip vertoont hetzelfde op kleinere schaal. Het boeisel begint in het voorschip puntig en verbreedt zich en ter hoogte van de mast is deze het breedst en versmalt weer naar achter toe tot een s-vorm.

De Arnemuidenaars hebben over t algemeen een steiler voorsteven aangezien de meer buitengaats voeren en voor ruwer water moest men een niet te vlak schip hebben, een Arnemuidenaar was dan ook een droog schip.Het tuig was oorspronkelijk een spriettuig maar de Arnemuidense hoogaars had meestal een bezaantuig.

De lengte van een gewone hoogaars lag over de stevens tussen de 38 en 46 voet en de mastlengte lag tussen de 35 en 46 voet. De sprietlengte lag tussen de 25 en 39 voet. Bekende bouwer in Arnemuiden was de werf van Meerman.

In Tholen was de werf "van Duivendijk" de bekendste bouwer. De Tholense hoogaars was fraaier van lijn en de platte Duivelander vertoonde weer andere vormen.Vanaf het jaar 1873 tot januari 1905 zijn op de werf van D. van Duivendijk te Tholen 69 hoogaarsen gebouwd en 1 schouw.

Van de hoogaarsen zijn er ook veel gebouwd in Nieuw-Lekkerland en Kinderdijk. Een gezegde onder de Zeeuwse schippers was, In Lekkerland bouwde men mooie schepen. De vloot van Bruinisse bestond voor het overgrote deel uit hoogaarsen uit Lekkerland en Kinderdijk, ook Van Duivendijkers zaten er wel tussen.
Comments