Hengsten

Hengst

De hengst is het meest karaktervolle vissersvaartuig van de Westerschelde geweest. Evenals van de hoogaars kan de ouderdom van dit scheepstype moeilijk vastgesteld worden. De oudste en ons bekende vermelding van de hengst komt voor in het proces-verbaal betreffende de verdrinkingsdood van Johan Willem Friso in 1711.
De oudste ons bekende afbeelding van een grote hengst, uitgerust met een spriettuig dateert van rond 1770. Het staat op een schilderij van Engel Hoogerheyden, Gezicht op Dordrecht, (Maritiem Museum Prins Hendrik Rotterdam).
Goede afbeeldingen van hengsten zijn schaars, ook over de bouwwijze en inrichting is veel minder bekend.
De meeste schepen zijn gebouwd op werven langs de Westerschelde in Zeeuws-Vlaanderen. Een tekening werd niet gemaakt nog bestek.

Bekend is dat op de werf van Meerman te Arnemuiden een hengst gebouwd is waarvoor een bestek geschreven is. Uit het werfboek geciteerd:
Aangenomen om te maken een Nieuwe Henkst voor schipper P. Praet vermeersen van de Clinge de Kouter volgens model en van groote als die van zijn zwager daar hebben wij de maat van genomen en Malle naar gemaakt met eike vlak van 2 dm dik met mast giek en boegspriet 2 riemen en boomstok twee loopgangen en een dwarsgang greene voorpligt eik roer en zwaarden ijzerspanning aan de berghouten met gaffel en beugel (enz) twee maal teer en aangenomen voor de som van acht honderd en zestig gulden.


Het bestek is vrijwel geheel overgenomen in het bovengenoemd genoemde boekje over de vissersschepen op de Ooster- en Westerschelde. Hengst en hoogaars hebben enkele kleine overeenkomsten. Ze lijken op elkaar door hun plat vlak, het zijn platbodems, en door hun indeling van de romp. Verder lijken ze niet op elkaar. De spantplaatsen zijn anders en ook anders van vorm, de wijze van beplanking, de roervorm, kortom door alles wat een schip karakter geeft.
Het vlak is eveneens druppelvormig met de ronde zijde naar voren. Ook hier treft men verschillende bouwwijzen van het vlak aan. Al dan niet opgebrand, matig of sterk waardoor een ronde kim in het voorschip verkregen wordt. Een hengst heeft altijd een loefhouder en scheg onder het vlak.
De voor en achtersteven zijn veel steiler dan bij een hoogaars. De voorsteven is ook hoger door het toepassen van een zgn. kluit. Waardoor dit gedeelte ook veel breder wordt en er ruimte onstaat voor het bevestigen van een breed boeisel. Door de kluit heeft de voorsteven een massief uiterlijk, heel anders dan bij de spitse hoogaars.
De zeeglijk die de voorsteven met de achtersteven verbindt vertoont een diepe boog in het voorschip waardoor de kop veel hoger lijkt dan van de hoogaars. De vorm van het schip is daardoor veel forser dan van de elegant gestrekte hoogaars.











Bij de hengst is de vorm van de spanten veel afwisselender, op het grootspant is de lijn kim-berghout recht en aangezien het berghout lager ligt, ook korter. Dit deel van de hengst wordt dan ook gedicht met een plank van wel 75 tot 100 cm breed.
Soms werden er ook wel twee planken voor gebruikt.
In de boeg van het schip kan men onmogelijk de romp dichten met het zelfs zeer brede kimboord. De overblijvende spie wordt gedicht door een bekboord dat tegen de steven dezelfde breedte heeft als een normaal boord maar ter hoogte van het grootspant nog maar enkele centimeters breed is.
Een bijzonderheid, die men slechts op hengsten aantreft is het boogvormig uitsnijden van de achterkant van de voorplecht. De dekplanken laat men hier over de mastbank schieten en worden dan in een boog uitgesneden. Het midden van de boog ligt tegen de mastkaken en de uiteinden tegen de zwaardknien. In de dekplanken die nabij deze knie boven het ruim vallen, wordt een opening gemaakt voor het plaatsen van de pompen.

Deze bijzonderheden van de hengst tonen duidelijk aan dat dit schip vrij sterk afwijkt van de hoogaars op talrijke punten en er eigenlijk niet van enige gelijkenis gesproken kan worden.

Lemmerhengst

Dit schip, ook wel lemsterhengst genoemd, is een kruising tussen een hengst en een lemmeraak.
Het ontstaan is te zoeken in de vaart op de Zuiderzee voor het ophalen van mosselzaad. Met name vissers uit Bruinisse haalden mosselzaad met deze lemmeraken of lemmerjachten of ook wel jachten genoemd. Een geladen hengst was duidelijk langzamer dan een lemmeraak waardoor deze eerder op de markt waren.
Dit zinde de Zeeuwsvlamingen niet. Men trachtte nu de voordelen van de hengst, platboden en kon dus droogvallen, te combineren met de voordelen van de lemmeraak, de snelheid.
Hieruit ontsproot de lemmerhengst, een hengst met een rond achterschip.
Het tweedelig berghout van de hengst werd vervangen door een doorlopend berghout zoals bij de lemmeraak.
Ook de spantvorm is anders, de lijn kim-berghout is langer en staat boller. Bovendien is de beplanking overal gladboordig.
Ook de roervorm werd dikwijls veranderd en vele lemmerhengsten hadden een roer met een klik van een lemmeraak. De lemmerhengst is niet zo oud, rond de eeuwwisseling werden de eerste gebouwd en ook wel jachthengst genoemd. In 1899 werd op de werf van J.F. De Klerk de eerste lemmerhengst gebouwd en is dit ook de eerste van dit soort geweest. Veel gegevens zijn er niet over bekend.

Comments